Conclusie
2.Het procesverloop
Antillen/Komdeur).
3.De bespreking van het cassatiemiddel
de wijze waaropde rechter-commissaris het verzoek van de curator voor toestemming om onderhands te mogen verkopen, dient te toetsen. Het “ondergeschikte punt” (nr. 3.3) of de “administratieve handeling” (nr. 3.4) waarvoor het appelverbod geldt, ziet op de keuze tussen onderhandse of openbare verkoop. Dat wil geenszins zeggen dat de rechter-commissaris deze keuze terughoudend dient te toetsen, integendeel. De wetgever gaat er immers vanuit dat de rechter-commissaris “niet lichtvaardig” toestemming zal geven tot een onderhandse verkoop. [6] De rechter-commissaris zal bij het geven van de toestemming inhoudelijk moeten toetsen. Dat wordt door de rechtbank in rov. 2.4 dan ook terecht en in cassatie onbestreden aangenomen, waarbij de rechtbank overigens eveneens terecht en in cassatie onbestreden opmerkt dat de curator een grote beleidsvrijheid toekomt “ook om ingrijpende beleidskeuzes te maken gericht op het op een snelle, eenvoudige wijze en het zonder extra kosten onderhands verkopen van een goed.” Niet precies duidelijk is welke aspecten de rechter-commissaris bij het toetsen van het verzoek van de curator tot onderhandse verkoop dient te betrekken, omdat de wet(sgeschiedenis) niet expliciet voorschrijft wanneer de toestemming moet worden verleend danwel geweigerd en jurisprudentie op dit punt schaars is. [7] Boerma meent – toegespitst op de situatie van een doorstart – dat de volgende toetsingsmaatstaf voor de rechter-commissaris heeft te gelden:
LJNBY6501;
RI2013/30. In een dergelijk geval staat hoger beroep ook open als het beroep betrekking heeft op een geval waarvoor (thans) art. 67 lid Pro 1, derde zin, hoger beroep uitsluit, vergelijk HR 8 mei 1952,
NJ1952/572.” [11]
Antillen/Komdeur). [21] Het betrof een Antilliaanse faillissementszaak waarin de rechter-commissaris bij beschikking de curator gemachtigd had tot onderhandse verkoop. Tegen deze beschikking richt zich het cassatieberoep van de schuldeiser. De Hoge Raad oordeelt in die uitspraak als volgt:
NJ1994, 754 m.nt. HJS.
NJ1985, 792 m.nt. G laat de Hoge Raad bovendien een uitzondering op dat beginsel toe, door de failliet in dat geval op de voet van art. 69 Fw Pro ontvankelijk te achten in een verzoek aan de R-C om een bevel aan de curator tot uitbetaling van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan de failliet. De Hoge Raad overweegt hiertoe dat een dergelijke kwestie een snelle, eenvoudige en voor de failliet goedkope oplossing vraagt. Ons geval zou men ook als een uitzondering op de regel kunnen zien. Snelheid en eenvoud zijn bij de oplossing van een probleem als het onderhavige – wie verkoopt en hoe? – van doorslaggevend belang. Nu zou men toch kunnen tegenwerpen dat ook een kort geding het Land had kunnen redden (…), maar het is van belang dat een probleem als dit in eerste instantie wordt beoordeeld door degene die bij uitstek de problematiek van het boedelbeheer overziet, ergo de R-C die op het faillissement ‘zit’.
belanghebbendentegen den verkoop zelf
onder omstandigheden,
indien tijdig aangewend”) slechts onder bepaalde voorwaarden kan worden ingesteld. Het spreekt voor zich dat slechts de in het artikel genoemden (de schuldeisers, de commissie van schuldeisers en de gefailleerde) het rechtsmiddel, indien tijdig aangewend, kunnen instellen. Van belang is voorts onder welke omstandigheden dat kan geschieden. De Hoge Raad geeft daar in rov. 3.3 van het arrest van 3 juni 1994 invulling aan door te overwegen dat “het aan de Rechter-Commissaris is de belangen van de in een dergelijke bijzondere positie verkerende schuldeiser af te wegen tegen die van een vlotte afwikkeling van de boedel”. Deze overweging houdt mijns inziens verband met de strekking van art. 69 Fw Pro. A-G Langemeijer merkt daarover in zijn conclusie voor HR 7 september 2001 (zie ook hierna nr. 3.17) het volgende op:
en het de curator moet worden verboden het actief van [A] te verkopen[curs. A-G]”. In rov. 2.3 overweegt de rechtbank dan ook terecht en in cassatie onbestreden dat de ontvankelijkheidsvraag in hoger beroep ziet op “de aard en reikwijdte van de rechterlijke controle die op grond van de artt. 67 en 69 Fw moet en kan plaatsvinden
op de beslissing van de curator tot onderhandse verkoop[curs. A-G]”.
Antillen/Komdeur) geformuleerde rechtsregel niet van toepassing is en zelfs indien deze regel in casu wel van toepassing zou zijn de rechtbank heeft miskend dat een door een schuldeiser op de voet van art. 69 Fw Pro aan een rechter-commissaris gedaan verzoek niet slechts kan dienen om “een bevel uit te lokken om tot openbare verkoop over te gaan”, maar dat dat verzoek tevens kan dienen om een onderhandse verkoop te voorkomen, althans te staken of schorsen.
Antillen/Komdeur). Het subonderdeel verwijst naar de noot van Snijders in
NJ1995/342 onder 4 sub e (weergegeven in nr. 3.14 van deze conclusie) en de conclusie van A-G Langemeijer voor HR 7 september 2001 (zie nr. 3.15 van deze conclusie). De rechtbank heeft in rov. 2.5 onder verwijzing naar HR 3 juni 1994 (
Antillen/Komdeur) overwogen dat “[e]en schuldeiser die bezwaar heeft [tegen de onderhandse verkoop, A-G] zich uitsluitend op de voet van art. 69 Fw Pro tot de rechter-commissaris [kan] wenden teneinde een bevel aan de curator uit te lokken om tot openbare verkoop over te gaan”. De relevante rechtsoverwegingen uit HR 3 juni 1994 (
Antillen/Komdeur) heb ik weergeven in nr. 3.13. De rechtbank geeft mijns inziens een te beperkte uitleg aan het arrest uit 1994. Tegen een beschikking die de curator machtigt tot onderhandse verkoop en die zich uitsluitend richt tot de curator staat geen hoger beroep voor een schuldeiser open (rov. 3.2). In rov. 3.3 van HR 3 juni 1994 wordt vervolgens overwogen dat [h]et enige rechtsmiddel dat schuldeisers die
tegen de verleende machtigingbezwaar hebben, kan dienen is zich op de voet van art. 65 FbNA Pro [vgl. art. 69 Fw Pro, A-G] tot de Rechter-Commissaris te wenden teneinde alsnog een bevel aan de curator uit te lokken om tot openbare verkoop over te gaan”. Vervolgens overweegt de Hoge Raad in dezelfde rov. 3.3 dat in een geval “waarin het bezwaar klaarblijkelijk
de voorgenomen verkoop zelfen niet de wijze van verkopen betreft, [het] opmerking [verdient] dat art. 65 óók de weg is waarlangs de [schuldeiser] (…) voor zijn belangen kan opkomen.” Onder verwijzing naar onder meer HR 8 mei 1952 overweegt de Hoge Raad dat een dergelijke schuldeiser op de voet van art. 65 (ofwel art. 69 Fw Pro) ook tegen de verkoop zelf kan opkomen door het uitlokken van een bevel tot nalaten daarvan. De klacht van subonderdeel 2.2 slaagt.