Conclusie
Feiten en procesverloop
hoe dan ookde weg via het bestuursorgaan moeten bewandelen en voor hen een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang openstaat of heeft opengestaan [8] , maar volgens SCAU is in dit geval aan geen van beide vereisten voldaan. In grief C onder d stelde SCAU dat zij als stichting zelf geen toegang heeft tot de rechtsgang bij het CBHO. In grief C onder e betoogde SCAU dat de rechtsgang bij het CBHO niet voldoet aan de eisen die art. 6 en Pro art. 13 EVRM Pro stellen. In grief C onder g wees SCAU op de inmiddels gewijzigde doelstelling in haar statuten. Zij betoogde dat zij (behalve voor de belangen van de studenten) ook opkwam voor haar eigen belang, althans voor een algemeen belang, en ook om die reden in haar vorderingen had moeten worden ontvangen. Met de grieven D en E vroeg SCAU speciaal aandacht voor de positie van aspirant-studenten [9] . Van hen mag niet worden gevergd dat zij zich voor een volgtijdige studie laten inschrijven uitsluitend om een beslissing over de hoogte van het instellingscollegegeld te kunnen uitlokken, met alle financiële risico’s van dien indien de betrokkene in het ongelijk zou worden gesteld.
als zodanig(cursivering hof) niet kan toetsen. Grief B en onderdeel A en E van grief C missen derhalve een deugdelijke feitelijke grondslag en kunnen daarom niet slagen.
voor zover zij deze heeft ingesteld tot bescherming van belangen van aspirant-studenten [11] . Het hof bepaalde dat partijen gelegenheid zullen krijgen om zich uit te laten over de inhoudelijke merites van de vorderingen. Het hof heeft de mogelijkheid van tussentijds cassatieberoep uitdrukkelijk opengesteld [12] .
Inleidende beschouwingen
bacheloropleiding, niet eerder een
bachelorgraad heeft behaald, onderscheidenlijk voor de inschrijving aan een
masteropleiding, niet eerder een
mastergraad heeft behaald (art. 7.45a lid 1 onder a WHW) [16] .
instellingscollegegeldverschuldigd (art. 7.46 lid 1 WHW). Het instellingsbestuur stelt de hoogte van het instellingscollegegeld vast. Het bedrag hiervan is ten minste gelijk aan het wettelijk collegegeld. De wetgever heeft geen maximumbedrag vastgesteld voor het instellingscollegegeld. Het instellingsbestuur kan een verschillend instellingscollegegeld vaststellen per opleiding of groep van opleidingen en per groep of groepen studenten (art. 7.46 WHW). Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel is uitvoerig gedebatteerd over de vrijheid van de instellingen bij het bepalen van de tarieven [17] . Het collegegeld wordt door of namens de student voldaan: door betaling ineens dan wel door betaling in termijnen overeenkomstig een getroffen betalingsregeling (art. 7.47 WHW) [18] .
ook ten aanzien van het bijzonder hoger onderwijsde rechtsmacht over alle uit de toepassing van die wet voortvloeiende geschillen bij uitsluiting toe te vertrouwen aan het CBHO. De Raad van State wees op het begrip ‘bestuursorgaan’ in art. 1:1 Awb Pro en op het verschil tussen publiekrechtelijke en privaatrechtelijke betrekkingen. Hij vervolgde:
openbare universiteiten betrekking hebbend op een verzoek tot inschrijving van een student aan die universiteit, lijkt de rechtsgang mij duidelijk. Het college van bestuur treedt op als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1, lid 1 onder a, Awb. Tegen dit besluit [32] kan op grond van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met de WHW een bezwaarschrift worden ingediend (via het in art. 7.59a WHW bedoelde ‘loket’). Tegen de beslissing op dat bezwaar (wederom een ‘besluit’) kan vervolgens beroep worden ingesteld bij het CBHO, dat in hoogste instantie beslist als bijzondere bestuursrechter. Het beroep kan ook betrekking hebben op de voorwaarden die het college van bestuur aan de inschrijving als student verbindt, waaronder: het in rekening brengen van een bepaald instellingscollegegeld (ook wel omschreven als: de toepassing van het geldende tarief).
www.cbho.nl, diverse voorbeelden te vinden. Ik noem hier CBHO 4 maart 2014, nr. 2013/187, betreffende een beslissing van het bestuur van de V.U., waarin werd overwogen:
checkpointsbieden houvast: van een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang is in het algemeen sprake in geval het bij wet aangewezen rechterlijk college onafhankelijk en onpartijdig is, partijen voldoende gelegenheid krijgen om hun standpunten naar voren te brengen in een, in beginsel, openbare zitting, zij kennis kunnen nemen van alle gedingstukken en het rechtsmiddel effectief is. De burgerlijke rechter controleert of eventuele verschillen in procedurele rechtsbescherming een aanvullende rechtsbescherming door de burgerlijke rechter rechtvaardigen. Zo ging de Hoge Raad in Changoe/Staat [50] bijvoorbeeld na, of de ambtenarenrechter in voldoende mate rechtsbescherming kon verlenen bij het vergoeden van schade die een ambtenaar had geleden in het kader van zijn ambtelijke rechtsverhouding. De Hoge Raad overwoog dat wanneer de ambtenarenrechter een grotere terughoudendheid dan de burgerlijke rechter betoont ten aanzien van het vergoeden van bepaalde schadeposten, dit niet betekent dat in een procedure bij de ambtenaren onvoldoende rechtsbescherming kan worden geboden. Of de bestuursrechtelijke rechtsgang een toereikende rechtsbescherming biedt (en, in het verlengde daarvan, of die rechtsgang met voldoende waarborgen is omkleed) is een vraag naar de rechtsbescherming
in procedurele zin. Zie ook het arrest OZB/Staat [51] , waarin de Hoge Raad overwoog:
3.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
Onder 1.1klaagt SCAU dat het hof heeft miskend dat art. 7.66 WHW weliswaar voor studenten een rechtsgang openstelt die eindigt met een uitspraak van het CBHO, maar daarmee niet de gang naar de burgerlijke rechter uitsluit. Dit geldt volgens de rechtsklacht
onder 1.2in ieder geval voor beslissingen van het college van bestuur van de drie bijzondere universiteiten (Vrije Universiteit, Radboud Universiteit en Tilburg University).
Onder 1.3voert SCAU aan dat indien het hof ervan is uitgegaan dat besluiten van deze drie bijzondere universiteiten tot vaststelling van het instellingscollegegeld hebben te gelden als een ‘algemeen verbindend voorschrift’, dat oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: in verband met hun privaatrechtelijke grondslag kunnen (organen van) bijzondere universiteiten helemaal geen algemeen verbindende voorschriften uitvaardigen.
openbareuniversiteit dat het tarief van het instellingscollegegeld vaststelt en/of een beslissing neemt over een verzoek tot inschrijving als (volgtijdig) student aan die universiteit en het daarbij in rekening te brengen bedrag, treedt op als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1, lid 1 onder a, Awb, dat (na bezwaar) een ‘besluit’ neemt als bedoeld in de Awb. De burgerlijke rechter blijft bevoegd om kennis te nemen van een vordering van die persoon op grond van onrechtmatige (overheids-)daad, gepleegd door dit bestuursorgaan. Echter, indien voor de desbetreffende student een rechtsgang openstaat of heeft opengestaan die met voldoende waarborgen is omkleed en waarin hij een beslissing kan of kon krijgen over de (on)rechtmatigheid van de desbetreffende beslissing van het bestuursorgaan, volgt een niet-ontvankelijkverklaring in de procedure bij de burgerlijke rechter.
openbareuniversiteiten behoeft dit mijns inziens geen probleem op te leveren: de beslissing tot vaststelling van het tarief van het instellingscollegegeld en de beslissing over het verzoek tot inschrijving als (volgtijdig) student en het daarbij in rekening te brengen bedrag worden eenzijdig door het bestuursorgaan genomen op basis van het publiekrecht. Het gaat bij de inschrijving aan een openbare universiteit niet om een geschil dat uit een burgerlijke rechtsbetrekking is ontstaan [57] . Een vordering uit onrechtmatige overheidsdaad is weliswaar gebaseerd op het burgerlijk recht, te weten art. 6:162 BW Pro, maar stuit af op de rechtspraak van de Hoge Raad die inhoudt dat de burgerlijke rechter via het leerstuk van de onrechtmatige overheidsdaad slechts aanvullende rechtsbescherming tegen gedragingen van de overheid biedt in gevallen waarin voor de betrokkene geen bijzondere rechtsgang openstaat of heeft open gestaan dan wel deze bijzondere rechtsgang niet met voldoende waarborgen is omkleed. Mijn slotsom is dat het bestreden oordeel van het hof stand houdt ten aanzien van de verzoeken om inschrijving aan een
openbareuniversiteit.
bijzondere universiteitis niet een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1, lid 1 onder a, Awb. Het bestuur van een bijzondere universiteit zou hoogstens een ‘bestuursorgaan’ in de zin van art. 1:1, lid 1 onder b, Awb kunnen zijn indien en voor zover het met enig openbaar gezag is bekleed. Daarvoor is bepalend of aan dat orgaan een publiekrechtelijke bevoegdheid is toegekend tot het eenzijdig bepalen van de rechtspositie van andere rechtssubjecten. Openbaar gezag kan in beginsel slechts bij wettelijk voorschrift worden toegekend. In dit geding is niet vastgesteld noch in cassatie verdedigd dat het bestuur van een bijzondere universiteit dat het tarief van het instellingscollegegeld vaststelt en/of een beslissing neemt over het verzoek tot inschrijving als (volgtijdig) student aan die universiteit en het daarbij in rekening te brengen bedrag, zou moeten worden aangemerkt als een ‘bestuursorgaan’ in de zin van art. 1:1, lid 1 onder b, Awb dat een ‘besluit’ neemt als bedoeld in art. 1:2 Awb Pro [58] .
nietis genomen op grond van de WHW en daarop gebaseerde regelingen, is het CBHO
sowiesoonbevoegd en is er dus geen sprake van een enige samenloop van rechtsmacht. Voor zover de beslissing van het bestuur van een bijzondere universiteit betrekking heeft op de rechtsbescherming van studenten en extraneï en is genomen op grond van de WHW en daarop gebaseerde regelingen, is het CBHO in deze wet aangewezen als bevoegde instantie om het geschil definitief te beslechten [59] . Onverlet de bevoegdheid van een student om zich tot het CBHO te wenden, moet op grond van art. 112 Grondwet Pro worden aangenomen dat de student zijn vorderingen op grond van een burgerlijk recht, waaronder begrepen een vordering op grond van een door het universiteitsbestuur begane onrechtmatige daad, ook aan de burgerlijke rechter kan voorleggen. Hier is dus sprake van een samenloop van de bevoegdheid van het CBHO en van die van de burgerlijke rechter.
de factomogen worden ontnomen door hem in zijn vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Deze uitleg strookt het meest met art. 112 Grondwet Pro. Daartegenover staat dat het criterium in de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad over niet-ontvankelijkverklaring tot dusver is verbonden aan de procedurele kwaliteit van de alternatieve rechtsgang; niet aan het antwoord op de staatsrechtelijke vraag of de instantie die de beslissing over het geschil neemt wel of niet tot de ‘rechterlijke macht’ behoort. Art. 6 EVRM Pro verzet zich daartegen niet. Beschouwd vanuit het oogpunt van rechtseenheid, verdient een concentratie van de behandeling van dit type geschillen bij één instantie voor zowel het openbaar als het bijzonder onderwijs (het CBHO) de voorkeur.
Onder 2.1klaagt SCAU dat het hof heeft miskend dat een (bestuursrechtelijke) rechtsgang eerst dan met voldoende waarborgen is omkleed indien daarin een ‘exceptieve toetsing’ kan plaatsvinden: de procedure bij het CBHO voldoet volgens SCAU niet aan deze eis.
Onder 2.2verbindt SCAU hieraan een subsidiaire motiveringsklacht.
Onder 2.3klaagt SCAU dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd in het licht van de stellingen van SCAU over de wijze waarop het CBHO in de praktijk vaststellingsbesluiten aan hogere regelingen toetst. Uit jurisprudentie van het CBHO zou juist blijken dat het CBHO zichzelf niet in staat acht vaststellingsbesluiten exceptief te toetsen. Tot slot wordt
onder 2.4geklaagd over onbegrijpelijkheid van de vaststelling dat het CBHO een met voldoende waarborgen omklede rechtsgang biedt waarin beslissingen, genomen op grond van de WHW en met name vaststellingsbesluiten van de
bijzondereuniversiteiten, in rechte kunnen worden aangevochten. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
procedurelewaarborgen; niet op de situatie waarin de bijzondere geschillenbeslechter een andere (terughoudender) materiële toetsingsmaatstaf aanlegt dan de burgerlijke rechter zou hebben gedaan wanneer deze tot een inhoudelijk oordeel zou zijn gekomen. De klacht onder 2.3 stuit hierop af.
algemeen belang.Het hof overwoog dat geen van de door SCAU ingestelde vorderingen ziet op belangen met een zodanig algemeen karakter dat zij ‘een facet vormen van vrijwel ieders bestaan’. Onderdeel 3 valt uiteen in zeven subonderdelen:
onder 3.2sluit hierbij aan.
algemeenbelang, namelijk het belang van de toegang voor eenieder tot volgtijdig onderwijs en het belang dat onderwijsinstellingen opheldering geven over de besteding van de door hen verkregen publieke en private gelden. Subsidiair klaagt het middelonderdeel over een ontoereikende motivering.
algemenebelangen, als hoedanig zij heeft genoemd: ‘het waarborgen van de toegang tot het volgtijdig onderwijs’ en ‘het verkrijgen van transparantie omtrent de besteding van door onderwijsinstellingen verkregen en te verkrijgen publieke en private gelden’. Van een
eigenbelang van SCAU, los van de belangen van de (aspirant-)studenten, is volgens rov. 2.19 geen sprake. Het hof heeft die pretentie niet teruggevonden in de vorderingen die SCAU in dit geding in feite heeft ingesteld. In het licht van de gedingstukken is dat oordeel niet rechtens onjuist, noch onbegrijpelijk voor de lezer. Hierop stuit de klachten onder 3.3 af.
algemeenbelang gaat, omdat ook anderen dan de (aspirant-)studenten die instellingscollegegeld moeten betalen belang (kunnen) hebben bij een ruime toegang van burgers tot volgtijdig onderwijs en bij transparantie over de door de Universiteiten te maken kosten, acht ik in het licht van rov. 3.4.3 van het arrest Privacy First de klacht vergeefs voorgedragen. Subonderdeel 3.7 behoeft na het voorgaande geen afzonderlijke bespreking meer. De slotsom is dat onderdeel 3 niet tot cassatie leidt.
onderdeel 5 van het incidenteel middelvoorwaardelijk voorgesteld, voor het geval dat een of meer onderdelen van het principaal cassatieberoep slagen. De klacht
onder 5.1houdt in dat, voor zover het hof in rov. 2.6 van het tweede tussenarrest heeft geoordeeld dat de procedure bij het CBHO
ook voor aspirant-studenteneen exclusieve en met voldoende waarborgen omklede effectieve rechtsgang biedt, dat oordeel niet in stand kan blijven indien één of meer van de klachten in het incidenteel middel onder 1 of 2 zou slagen. Deze klacht behoeft hier geen verdere bespreking.
4.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
aspirant-studenten die zich voor een volgtijdige studie willen inschrijven.
Onder 1.1klagen de Universiteiten dat het hof miskent dat uit art. 7.59a lid 3 WHW [73] volgt dat een beslissing van het college van bestuur van een universiteit op het verzoek van een aspirant-student om te bepalen dat hij slechts een bedrag verschuldigd is dat gelijk is aan het wettelijk collegegeld, althans een lager bedrag dan het door het college van bestuur vastgestelde instellingscollegegeld, een voor bezwaar en vervolgens voor beroep bij het CBHO vatbaar besluit oplevert. Een aspirant-student kan het verzoek om in aanmerking te komen voor een lager collegegeld dan het instellingscollegegeld doen vóórdat hij door het college van bestuur als student wordt ingeschreven.
Onder 1.2voegen de Universiteiten nog toe dat iedere persoon die zich als student laat inschrijven voor een ‘volgtijdige’ studie op grond van de WHW (niet het wettelijk collegegeld, maar) het instellingscollegegeld verschuldigd is. Hoogstens kan ter discussie staan, hoe hoog het in rekening gebrachte of te brengen instellingscollegegeld mag zijn.
- Onder 1.3klagen de Universiteiten dat het hof zijn taak als appelrechter heeft miskend indien rov. 2.6 zo moet worden verstaan dat het op de weg van de Universiteiten ligt, te stellen en zo nodig aannemelijk te maken dat de beslissing op het verzoek van een aspirant-student om het instellingscollegegeld niet op hem van toepassing te verklaren een voor bezwaar en beroep vatbare beslissing oplevert, en dat de Universiteiten daarin niet zijn geslaagd. In het kader van de beoordeling van de ontvankelijkheid had het hof zo nodig
ambtshalvebehoren te beoordelen of de beslissing op een dergelijk verzoek een voor bezwaar en beroep vatbaar besluit oplevert. - Onder 1.4wordt geklaagd dat de door het hof gemaakte gevolgtrekking onjuist is: zoals de Universiteit Leiden in de procedure bij het hof had aangevoerd, kan een student in bezwaar en beroep opkomen tegen het bewijs van inschrijving en daarmee tegen de hoogte van het in dat bewijs vastgelegde bedrag van het verschuldigde instellingscollegegeld. Indien de student in de daarop volgende rechtsgang door het CBHO in het ongelijk wordt gesteld, heeft het niet betalen van het door hem verschuldigde collegegeld slechts tot gevolg dat de inschrijving als student wordt beëindigd [74] . Bovendien hebben de Universiteiten bij het hof aangevoerd dat ingeval de persoon die inschrijving als student verzoekt bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld, de desbetreffende Universiteit, gelet op art. 7.37 WHW, niet tot inschrijving overgaat vóórdat het instellingscollegegeld is voldaan. Zolang het verzoek om inschrijving niet is ingewilligd, is de aspirant-student niet verplicht het instellingscollegegeld te betalen. Indien het instellingscollegegeld dan al betaald is, kan het worden teruggestort. De aspirant-student loopt dus geen risico. Zo nodig, kan de aspirant-student een voorlopige voorziening verzoeken aan de voorzitter van het CBHO.
onder 2.1bouwt voort op subonderdeel 1.4.
Onder 2.2klagen de Universiteiten dat indien het hof heeft bedoeld dat de Universiteiten bij gebreke van betaling van het instellingscollegegeld direct tot incasso overgaan, zelfs wanneer de student een rechtsmiddel heeft aangewend, dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen de Universiteiten daarover hadden aangevoerd. Dit geldt ook voor het hierop voortbouwende oordeel in (rov. 2.6 van) het tweede tussenarrest,
4.1);
4.2);
4.3).