Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
Voorts ga ik in op het gebruik van het criterium “meer of mindere mate van bewustheid” in zaken betreffende het (opzettelijk) aanwezig hebben van drugs in de zin van art. 2 onder Pro C juncto art. 10 lid 3 Opiumwet Pro en art. 3 onder Pro C juncto art. 11 lid 2 Opiumwet Pro.
heeft het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk geoordeeld dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van die middelen in de desbetreffende woning (cursivering door mij, JS).
of had moeten zijn(onderstreping JS) van de omstandigheid dat zijn rijbewijs was ingevorderd.”
21. Het hof heeft kennelijk uit het voorafgaande afgeleid dat het wapen ook in het bijzijn van de verdachte is getoond. In dat oordeel ligt tevens besloten dat sprake is geweest van een meer of mindere mate van bewustheid van de verdachte ten aanzien van de aanwezigheid van dat wapen. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. In het licht van het in hoger beroep gevoerde verweer, dat slechts inhoudt dat de verdachte nooit heeft geweten wat er in de tas zat, behoefde dit oordeel geen nadere motivering. Ook kon het hof gelet op het voorafgaande oordelen dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking ten aanzien van het voorhanden hebben van het vuurwapen in de woning van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte].
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 21 december 2017.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Het is nu anderhalf jaar geleden, dus ik weet niet meer precies hoeveel wapens daar lagen. Ik kwam midden in de nacht aan in de woning. Ik ben vervolgens naar de slaapkamer van [betrokkene 1] (het hof begrijpt: [betrokkene 1] ) gegaan. Ik zag wel wapens op de grond naast zijn bed liggen. Ik heb ze toen verschoven richting het bed. Ik heb daar toen niets over tegen [betrokkene 1] gezegd. Ik ben bij hem in bed gaan liggen. Ik besloot de volgende ochtend weg te gaan.
verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 25 augustus 2017.
Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Ik zag in de kamer waar ik met [betrokkene 1] was, twee wapens liggen. Ik heb twee wapens met mijn vingertoppen verschoven. Ik heb ze onder het bed geschoven om ze niet meer te hoeven zien.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 13 september 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de
verdachte:
Ik ben vannacht omstreeks 02.00 uur in de woning aangekomen waar ik vanmorgen werd aangehouden.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 14 september 2016 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van de
verdachte:
Ik denk dat ik twee vuurwapens heb gezien. Het wapen dat mij getoond wordt op foto 1 heb ik gezien aan de rechterkant van het bed. Ik heb het wapen met mijn vingertoppen naar het bed toe geschoven. Ik heb nog een groter pistool gezien dat naast het bed lag. Die heb ik ook weggeschoven met mijn vingers.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van verbalisant:
Op 13 september 2016 omstreeks 06.17 uur hield ik op de locatie [a-straat 1] te [woonplaats] als verdachte aan: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] .
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van verbalisant:
Op 13 september 2016 werd een doorzoeking verricht in de woning gelegen aan de [a-straat 1] te [woonplaats]. Tijdens deze doorzoeking worden in een slaapkamer van de woning drie vuurwapens met munitie aangetroffen en inbeslaggenomen. Op 12 mei 2016 werden de inbeslaggenomen vuurwapens met munitie door mij nader onderzocht. Uit het voorlopig onderzoek bleek mij het volgende:
Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven,
als verklaring van dr. S. van Soest, vast gerechtelijk deskundige DNA analyse en interpretatie:
DNA-onderzoek
[verdachte]
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als
verklaring van verbalisant:
In de slaapkamer trof het arrestatieteam de bewoner [betrokkene 1] aan in bed met zijn vriendin [verdachte] . Bij het bed binnen handbereik van de verdachten lagen diverse vuurwapens. Op een kastje naast het bed lag een handvuurwapen. Op de grond direct naast het bed lag een voor onmiddellijk gebruik gereed zijnd geladen automatisch of semi-automatisch vuurwapen en aan het voeteneind lag op de vloer bij het bed nog een geladen handvuurwapen.
Voorhanden hebben van vuurwapens en munitie
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat zij, gelet op het lange tijdsverloop, niet meer precies weet hoeveel wapens zij heeft gezien, maar dat zij wapens op de grond naast het bed heeft zien liggen op het moment dat zij de slaapkamer van [betrokkene 1] binnen kwam. Zij heeft ze toen verschoven richting het bed. Ze is in bed gaan liggen en heeft er niet met [betrokkene 1] over gesproken. De volgende ochtend wilde zij weer weggegaan.
Voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van een wapen en/of munitie in de zin van artikel 26 van Pro de Wet Wapens en Munitie (WWM) is onder meer vereist dat de verdachte zich in meer of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen (of de munitie). In dat kader worden doorgaans de volgende aspecten onderkend: een wapen bij of in de directe omgeving van de verdachte, de beschikkingsmacht van de verdachte over dat wapen en de bewustheid van de verdachte met betrekking tot dat wapen.
Het tenlastegelegde voorhanden hebben van de drie wapens en munitie in de zin van de WWM is op grond van het voorgaande naar het oordeel van het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen, nu zij aan alle genoemde aspecten van het voorhanden hebben voldoet.
Medeplegen
Zoals de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep heeft betoogd, bevat het dossier onvoldoende steun voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde medeplegen, nu niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en [betrokkene 1] die gericht was op het gezamenlijk voorhanden hebben van de vuurwapens met bijbehorende munitie. De verdachte zal dan ook van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.
Dat medeplegen niet is te bewijzen, sluit echter niet uit dat zowel de verdachte als [betrokkene 1] , ieder voor zich, zich in meer of mindere mate bewust waren van de aanwezigheid van de wapens en munitie op verschillende plaatsen in de slaapkamer waarin zij zich bevonden en dat zij allebei daarover konden beschikken.”
eerste middelbevat de klacht dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het begrip ‘voorhanden hebben’ als bedoeld in artikel 26 WWM Pro, althans dat het hof zijn beslissing ontoereikend en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
tweede middelklaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden.