Conclusie
1.Feiten
“2006 Vergoedingen aanvullende verzekeringen Studenten”en
“2006 Vergoedingen Zorg-op-maatpolis Studenten”.Op 29 november 2005 heeft CZ per e-mail onder ongewijzigd opschrift twee gewijzigde lijsten aan To Concept verstuurd onder de vermelding dat deze lijsten de juiste zijn.
copie conformeaan CZ, waarin onder meer stond vermeld:
2.Procesverloop
€1
..,-
De primaire grondslag
unique selling pointgeduide verstrekking van honderd gratis condooms en ten aanzien van het op de markt brengen van een op de doelgroep studenten gerichte zorgverzekering. To Concept heeft in onderhavige procedure aangevoerd dat zij in de hierboven onder 4.4.2. onder g weergegeven e-mail van 28 april 2005 aan CZ heeft aangegeven exclusiviteit na te streven in haar afspraken aangaande al haar proposities met CZ, derhalve ook de propositie voor de Studentenpolis. CZ is na deze e-mail in onderhandeling getreden zonder enige bezwaarmaking tegen exclusiviteit. To Concept mocht daaruit naar haar stellingen gerechtvaardigd opmaken dat er exclusiviteit gold en verder ook uit de mededeling van CZ dat zij voor het jaar 2006 zelf geen op de doelgroep van studenten (of op een andere specifieke doelgroep) gerichte verzekering zou gaan aanbieden, uit het feit dat CZ aan To Concept ter uitvoering van de gemaakte afspraken een vergoedingenoverzicht voor de Studentenpolis heeft verstrekt, aangezien een dergelijk vergoedingenoverzicht alleen voor aparte producten wordt opgemaakt, en uit het feit dat CZ daarbij aan de markt heeft gecommuniceerd dat zij met Studenten.net met de Studentenpolis kwam voor alle studenten. De productpropositie zag volgens To Concept, zoals reeds vermeld, ook op alle studenten. De samenwerkingsafspraak tussen CZ, To Concept en Studenten.net is volgens To Concept bindend vastgelegd in de hierboven onder 4.4.2. onder 1 weergegeven e-mail van 23 november 2005. Ten slotte heeft To Concept een beroep gedaan op de op CZ rustende zorgplicht ingevolge de op haar van toepassing zijnde gedragscodes. CZ heeft - kort gezegd - gesteld dat partijen geen exclusiviteit zijn overeengekomen en To Concept ook geen aanleiding had daarvan uit te gaan. Partijen hebben volgens CZ juist expliciet besproken dat van exclusiviteit geen sprake zou zijn.”
e-mail van 28 april 2005 bij de op deze e-mail gevolgde onderhandelingen heeft To Concept niet mogen afleiden dat CZ zich verbond tot de door To Concept blijkens haar stellingen beoogde exclusiviteit. Dit is reeds het geval omdat in deze e-mail slechts in het algemeen is gemeld dat To Concept exclusieve afspraken wilde maken betreffende een studentenpolis via Studenten.net. De reikwijdte, duur en strekking van de exclusiviteit is in deze e-mail niet nader aangegeven. To Concept had de beoogde exclusiviteit ten minste nader moeten specificeren in de contacten met CZ om thans van een stilzwijgende acceptatie te kunnen spreken.
5. De uitspraak
“CZ zal uiterlijk vrijdag 2 december de online afsluitmodule beschikbaar stellen zodat studenten.net haar website gereed kan maken."In deze e-mail staat echter niets vermeld omtrent de vereisten waaraan deze ‘online afsluitmodule’ zou moeten voldoen. Getuige [betrokkene 1] verklaart weliswaar dat hij hiermee doelde op een webmodule die voldeed aan de vereisten, zoals genoemd in het probandum, maar dit onderdeel van zijn verklaring wordt in ieder geval niet gesteund door bijvoorbeeld enige vervolgmail in reactie op deze e-mail.
op 2 december 2005een webmodule, zoals in 4.5.8 van het tussenarrest beschreven, ter beschikking heeft gesteld. In 4.5.8 van het tussenarrest is sprake van een webmodule die een doorklikmogelijkheid creëert op de website van Studenten.net (dan wel Studentenpolis.nl), waarmee de zich aanmeldende student voor registratie terecht zou komen in de webomgeving van CZ.” [onderstreping van mij, A-G]
a) een doorklikmogelijkheid die op de website van Studenten.net of Studentenpolis.nl kon worden geplaatst om terecht te komen in de webomgeving van CZ en voorts om b) een webomgeving van CZ - ook wel genoemd de Elektronische Verkoop Module (hierna: EVM) - waar de aspirant- verzekeringsnemers/studenten zich na het invullen van de vereiste gegevens konden aanmelden voor een verzekering bij CZ.
c) de student die zich aldus aanmeldde ook in staat moest zijn om de door To Concept met CZ overeengekomen Studentenpolis te ‘vinden’ in deze EVM.De omstandigheid, dat de student daartoe in de EVM een aantal gegevens moest vermelden en voorts het collectiviteitsnummer van To Concept moest invullen, acht het hof geen onredelijke eis. Een duidelijke toelichting alsmede het betreffende collectiviteitsnummer had immers eenvoudig op de website van Studenten.net of Studentenpolis.nl [kunnen] worden geplaatst, terwijl het voorts om een tijdelijke situatie ging, in afwachting van een meer geavanceerde webmodule.
op 2 december 2005een webmodule, zoals in 4.5.8 van het tussenarrest beschreven, aan haar ter beschikking had gesteld, To Concept in dit bewijs was geslaagd. Het heeft er zelfs alle schijn van dat een dergelijke simpele webmodule voor
het eerst is aangeleverd bij de e-mail van 23 december 2005, terwijl het nog de vraag is of de aspirant-verzekeringnemer/student vervolgens er zeker van kon zijn dat hij bij de juiste - de door CZ met To Concept overeengekomen - Studentenpolis terecht was gekomen.” [onderstrepingen van mij, A-G]
uitsluitend de door bovengenoemde wanprestatie ontstane schadestaatin het geding te brengen en behoorlijk toe te lichten. To Concept kan daarbij zonodig verwijzen naar reeds eerder in het geding gebrachte producties dan wel nieuwe producties in het geding brengen. To Concept kan specifieke bewijsaanbiedingen doen op feitelijke onderdelen van deze schadestaat. Het hof zal CZ in de gelegenheid stellen hierop bij antwoordakte [te] reageren.” [onderstreping van het hof, A-G]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Haviltex-maatstaf (onderdeel II), innerlijke tegenstrijdigheid van de rechtsoverwegingen van het hof met betrekking tot wanprestatie als grondslag en de schadebegroting in dat verband (onderdeel III), onbegrijpelijke veroordeling in de proceskosten (onderdeel IV) en schending van het onmiddellijkheidsbeginsel, kort gezegd, vanwege verschillende rechterswisselingen in de loop van het hoger beroep (onderdeel V).
[.../...]uit 1996 nog dat in hoger beroep weliswaar art. 134 Rv Pro (destijds: art. 144 Rv Pro (oud)) toepasselijk is, maar dat mede aan art. 6 EVRM Pro ontleende, fundamentele beginselen van procesrecht meebrengen dat een procespartij, indien zij zulks verzoekt, de gelegenheid behoort te hebben haar standpunt mondeling ten overstaan van de rechter uiteen te zetten. [9]
[...] /Staatheeft Uw Raad, onder verwijzing naar
[.../...], dit (niet onbegrensde) recht van procespartijen als zodanig een fundamenteel beginsel van burgerlijk procesrecht genoemd. [10]
allerechters die die beslissing zullen nemen om te waarborgen dat het verhandelde daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing. In dit verband wijst Uw Raad op het in de afgelopen decennia toegenomen gewicht van de mondelinge behandeling in de civiele procedure en benadrukt Uw Raad dat de mondelinge interactie tussen partijen en de rechter ter zitting van wezenlijke invloed kan zijn op de oordeelsvorming. Deze interactie kan niet altijd volledig in een proces-verbaal worden weergegeven waar nog bij komt dat het opmaken daarvan niet steeds wettelijk is voorgeschreven.
[...] /Staatgeformuleerde regime is, kortom, enkel van toepassing op procedures waarin de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden ná 31 oktober 2014 (de datum van het arrest
[...] /Staat).
[...] /Gemeente Amsterdam [14] heeft Uw Raad het regime van
[...] /Staatnader toegelicht en verfijnd.
[...] /Staatgerichte onderdeel zoals ook blijkt uit het slot van het zojuist geciteerde rov. 3.4. Desalniettemin heeft Uw Raad van de gelegenheid gebruik gemaakt om het regime te verduidelijken (rov. 3.6.1) op een drietal punten, zo blijkt uit het vervolg. In ieder geval dient bij de toepassing namelijk:
[...] /Staat-regime nader uitgewerkt:
Ad (b) De beoordeling van een verzoek om een andere mondelinge behandeling na een rechterswisseling
Een zodanige comparitie vindt plaats op een moment waarop nog geen sprake is geweest van een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten, en dient veelal met name ertoe de mogelijkheid van een schikking te beproeven en afspraken over het procesverloop te maken. Bovendien kan na de stukkenwisseling nog een mondelinge behandeling plaatsvinden, waarop dan de regels van het arrest van 2014 van toepassing zijn. Daarom zien de regels van het arrest van 2014 niet op de comparitie na aanbrengen in hoger beroep.”
[...] /Staaten
[...] /Gemeente Amsterdamvormgegeven regime is niet zonder kritiek gebleven. Dat geldt in het bijzonder voor de verlegging van het initiatief naar partijen zodra na de betreffende mondelinge behandeling een (tussen)uitspraak is gewezen. Vanaf dat moment is het aan partijen om scherp te zijn op een eventuele rechterswisseling en daar zo nodig op gezette tijden naar te informeren en, mocht een dergelijke wisseling daadwerkelijk aan de orde zijn, vervolgens af te wegen of een verzoek om een nadere mondelinge behandeling aangewezen is en om bij bevestigende beantwoording een dergelijk verzoek te doen.
[...] /Gemeente Amsterdamheeft A-G Van Peursem toegelicht dat de voorgelegde situatie niet in strijd is met het regime dat Uw Raad heeft ontwikkeld; de verplichting van het gerecht om partijen in te lichten over een rechterswisseling vervalt immers na een (tussen)uitspraak en daarvan was hier sprake. Tegelijkertijd zet Van Peursem onder verwijzing naar de kritiek van Van Rijssen vraagtekens bij de consequenties van het systeem: dat brengt immers met zich dat advocaten op gezette tijden bij het gerecht moeten informeren of een rechterswisseling heeft plaatsgevonden, ook wanneer daar geen (naar buiten gebleken) aanleiding voor is. Net als Van Rijssen komt dit Van Peursem weinig realistisch voor. [17] Ook hij bepleit daarom het initiatief in eerste instantie te laten bij het gerecht dat partijen standaard van iedere rechterswisseling op de hoogte zou moeten brengen. Het cassatieberoep is vervolgens verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro. [18]
niet verplicht is om ambtshalve een nieuwe zitting te gelasten. Dat zou volgens hem echter wel een zuivere oplossing zijn: een nieuwe mondelinge behandeling, tenzij (alle) partijen schriftelijk hebben verklaard daar geen behoefte aan te hebben. [20] Aan dit laatste voorstel kleven vanuit een oogpunt van werklast voor het gerecht meer bezwaren dan aan de ook door Drijber voorgestelde standaardmededeling van een rechterswisseling. Ook deze zaak heeft Uw Raad uiteindelijk afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro. [21]
NJnog steeds kritisch uitlaat. Ook hij ziet niet in waarom het initiatief tot het signaleren van een rechterswisseling (en het daarop handelen) na een (tussen)uitspraak volgende op de mondelinge behandeling, bij partijen moet liggen, terwijl het nota bene gaat om een belangrijke verandering aan de kant van het gerecht dat deze ook als eerste en als beste kent. Daaraan heeft Asser nog toegevoegd dat ook een tussenuitspraak die (enkel) instructies behelst tot stand kan zijn gekomen na zaaksinhoudelijke afwegingen en dus belangrijker voor de zaak zou kunnen zijn dan het op het eerste ogenblik lijkt. Daarom bepleit ook Asser een stelsel waarbij de griffie van het gerecht na iedere rechterswisseling (op straffe van nietigheid van de daarop volgende (tussen)uitspraak) een standaardbriefje naar partijen stuurt. [23]
[...] /Staatook in dit kader van belang is. [25] Kort gezegd was aan de orde de stelling dat het hof, dat de beschikking in meervoudige samenstelling had gewezen, ook de rechtstreeks daaraan voorafgaande mondelinge behandeling, behoudens bijzondere omstandigheden, in diezelfde meervoudige samenstelling had moeten laten plaatsvinden in plaats van door een raadsheer-commissaris.
Doel(en) van een mondelinge behandeling
[...] /Staaten
[...] /Gemeente Amsterdamin beeld:
[...] /Staatdat een aan de beslissing voorafgaande mondelinge behandeling in beginsel dient plaats te vinden ten overstaan van de rechter(s) die de beslissing zal (zullen) nemen. Vervolgens heeft Uw Raad die hoofdregel genuanceerd door aan te geven dat deze niet van toepassing is wanneer een mondelinge behandeling niet mede tot doel heeft dat de rechter partijen in de gelegenheid stelt hun stellingen toe te lichten. [26] Voorbeelden hiervan zijn de schikkings- en inlichtingencomparitie na een tussenuitspraak (art. 87 en Pro 88 Rv, in hoger beroep in verbinding met art. 353 lid 1 Rv Pro), en in hoger beroep bij de comparitie na aanbrengen die plaatsvindt voordat een schriftelijke uitwisseling van partijstandpunten heeft plaatsgevonden en ertoe dient een schikking te beproeven en afspraken over het procesverloop te maken (rov. 3.3.2 uit beide beschikkingen van 22 december 2017). In diezelfde uitspraken heeft Uw Raad ook een stappenplan gegeven voor het geval dat de meervoudige kamer het voornemen heeft de mondelinge behandeling (die tot doel heeft dat partijen hun stellingen toelichten) te laten plaatsvinden door een uit haar midden aan te wijzen rechter-commissaris (rov. 3.6.1 uit beide beschikkingen).
[...] /Staatbetoogd, [29] de hoofdregel uit dat arrest met betrekking tot rechterswisselingen (de uitspraak moet worden gedaan door de rechters die bij de mondelinge behandeling aanwezig waren) niet gelden voor bewijsverrichtingen. De vraag is hoe zich dit verhoudt tot het onmiddellijkheidsbeginsel dat toch als een fundamenteel beginsel van procesrecht moet worden aangemerkt. De Groot betoogt dat zodra een getuigenverhoor ook het karakter van een mondelinge behandeling krijgt, de hoofdregel uit het arrest
[...] /Staatin acht moet worden genomen. [30] Dat lijkt mij ook duidelijk. Maar ook wanneer het getuigenverhoor een zuiver getuigenverhoor blijft, zal de centrale gedachte uit het arrest
[...] /Staatin het gedrang komen wanneer de raadsheer-commissaris die het getuigenverhoor afneemt, wegens een wisseling niet mede de uitspraak wijst zonder dat daarvan met opgave van de reden voor de wisseling melding wordt gemaakt. Daarbij is niet behulpzaam dat art.155 Rv Pro, noch in het eerste lid, noch in het tweede lid, een sanctie stelt op de niet-inachtneming van de hoofdregel uit het eerste lid van deze bepaling (dat de rechter voor wie het bewijs is bijgebracht ook zoveel mogelijk de einduitspraak wijst); art. 155 lid 2 Rv Pro sluit bovendien iedere hogere voorziening tegen een afwijking van de hoofdregel uit het eerste lid uit. Hoewel Uw Raad zich tot op heden niet over deze kwestie heeft uitgelaten, lijkt – gegeven de arresten
[...] /Staaten
[...] /Gemeente Amsterdam– niet onverdedigbaar dat dit rechtsmiddelenverbod van art. 155 lid 2 Rv Pro wordt doorbroken zodat alsnog wordt opgekomen tegen afwijking van de voornoemde hoofdregel uit art 155 lid 1 Rv Pro, indien in de uitspraak niet de noodzaak van de rechterswisseling wordt vermeld (zoals dat is voorgeschreven in art. 155 lid 2 Rv Pro). Op dit spoor zit Asser bijvoorbeeld. [31] In vergelijkbare zin heeft A-G Wesseling-van Gent zich eerder ook al, overigens onder verwijzing naar Asser, uitgelaten, [32] zij het dat zij doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 155 lid 2 Rv Pro (ingevolge de arresten uit 2014 en 2016) beperkt tot het geval van een rechterswisseling na een bewijsverrichting die op een zitting heeft plaatsgevonden. [33] Dit lijkt mij het juiste spoor. De hoofdregel van art. 155 lid 1 Rv Pro is nu eenmaal een uitvloeisel van het onmiddellijkheidsbeginsel, [34] dat door Uw Raad in 2014 tot een fundamenteel beginsel van procesrecht is verheven. Het beperken van de mogelijkheid tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod van art. 155 lid 2 Rv Pro tot bewijsverrichtingen die op een zitting hebben plaatsgevonden, vormt daarbij de logische consequentie van de arresten van 2014 en 2016.
onderdeel V. Daarin beklaagt To Concept zich over schending van het onmiddellijkheidsbeginsel, zoals dat ook voortvloeit uit art. 6 EVRM Pro en (deels) tot uitdrukking komt in art. 155 Rv Pro. To Concept brengt in dit verband in beeld dat: [35]
alleraadsheren uiteindelijk gedurende de procedure in hoger beroep zijn gewisseld, en elk arrest in een andere samenstelling is gewezen, zonder een voorafgaande mededeling daarvan aan partijen en zonder opgave van redenen in de arresten (procesinleiding van To Concept, randnummers 5.1 en 5.8);
[...] /Staaten
[...] /Gemeente Amsterdam. Dit stelsel heb ik hiervoor (randnummers 3.6 e.v.) uitvoerig besproken. Daarover merk ik in dit verband nog kort het volgende op.
[...] /Staatgeformuleerde overgangsrecht To Concept parten (rov. 3.4.6). Uw Raad heeft immers geoordeeld dat de regels uit het arrest enkel van toepassing zijn op een mondelinge behandeling die ná 31 oktober 2014 heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden (randnummer 3.11). Het pleidooi in deze zaak is gehouden op 19 mei 2014, zodat het in het voornoemde arrest geformuleerde regime niet op deze zaak van toepassing is.
[...] /Gemeente Amsterdam(hiervoor randnummers 3.16-3.18). Vanaf het moment waarop het eerste tussenarrest is gewezen, zou het op de weg van de
partijenhebben gelegen om initiatieven met betrekking tot de rechterswisselingen (na het gehouden pleidooi) te ontplooien. Daaraan doet niet af dat het hof geen proces-verbaal van het pleidooi heeft opgemaakt.
onderdeel Vfaalt.
[...] /Staattot een beginsel van fundamenteel procesrecht verheven?
petitum(en indien dit in de loop van de procedure, op de voet van art. 129 en Pro 130 respectievelijk art. 283 Rv Pro en in hoger beroep ex art. 353 respectievelijk Pro art. 362 Rv Pro, is gewijzigd: van het gewijzigde petitum) bepalend. Het petitum is, kort gezegd, de eis of het verzoek waarin de dagvaarding of het verzoekschrift pleegt uit te monden. [37] Bij de vraag wat de rechter uiteindelijk heeft beslist op het petitum, is (uitleg van) het
dictumbeslissend. Of de rechter zich schuldig heeft gemaakt aan schending van art. 23 Rv Pro, is, kortom afhankelijk van zowel (uitleg van) het petitum als van (uitleg van) het dictum. Volgens vaste rechtspraak van Uw Raad dient uitleg van het dictum te geschieden in het licht van de overwegingen waarop het berust. [38] Deze drie elementen (petitum, dictum en de rechtsoverwegingen waarop dat berust) loop ik hierna langs.
ook voor zover het betreft de niet tijdige levering van de module” (randnummer 1.12 van de procesinleiding).
IV.4 Schade en vordering om overlegging bescheiden”) en in randnummers 90. e.v. van haar akte inbrenging schadestaat, steeds over, onder andere, misgelopen provisies over de studentenpolissen. [39] De door haar in beeld gebrachte schade ziet dus steeds op alle drie de grondslagen. De feiten en omstandigheden die To Concept aan haar onrechtmatigedaadsvordering en ongerechtvaardigde verrijkingsvordering ten grondslag heeft gelegd, brengen – in hoofdlijnen – in beeld dat CZ (vrij vertaald) ervan door is gegaan met een idee waarmee To Concept als eerste was gekomen (namelijk het aanbieden van een specifiek op jongeren, vooral studenten, gerichte zorgverzekering). In de kern was dat ook het (belangrijkste) verwijt in het kader van de wanprestatie-grondslag. In dat verband betoogde To Concept eerst en vooral dat CZ niet gerechtigd was (vanwege de gestelde exclusiviteitsafspraak) een eigen jongerenpolis, identiek aan de Studentenpolis van To Concept, in 2006 aan te bieden.
onderdeel Ifaalt.
Haviltex-maatstaf gehanteerd te hebben (randnummers 2.2 tot en met 2.8 (exclusiviteit) en randnummer 2.11 (apart positioneren) van de procesinleiding), althans heeft het hof zijn oordeel hieromtrent onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd (randnummers 2.2 en 2.8 (exclusiviteit), alsmede 2.11 tot en met 2.13 (apart positioneren) van de procesinleiding);
Hanteren van een onjuiste maatstaf althans onbegrijpelijk oordelen
Haviltex-maatstaf niet heeft toegepast, althans dat het hof zijn oordeel in dit verband niet voldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd.
Haviltex-maatstaf is de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen niet beslissend, maar komt het in beginsel aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de betreffende bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. [40]
Haviltex-maatstaf genoemd en deze evenmin geformuleerd, maar daartoe was het hof ook niet gehouden. Uiteindelijk heeft het hof echter wel in overeenstemming met deze maatstaf geoordeeld.
explicieteafspraak tussen partijen kan vaststellen op grond waarvan van een exclusiviteit sprake was, waarna het vervolgens heeft beoordeeld in de rov. 4.5.2.2. e.v. of To Concept er, desondanks, in het licht van de omstandigheden (waaronder verklaringen en gedragingen van CZ) op mocht vertrouwen dat een dergelijke exclusiviteit gold. [41]
Haviltex-maatstaf (wat hebben partijen uit elkaars verklaringen en gedragingen opgemaakt en wat mochten zij te dien aanzien van elkaar verwachten?), de mogelijke consequenties voor CZ en hetgeen in dat licht voor de hand lag, heeft betrokken:
Haviltex-maatstaf niet genoemd, maar valt zijn oordeel daarmee wel te verenigen, omdat daaruit blijkt dat het op zoek is naar (een grondslag voor) reële verwachtingen. In rov. 4.5.5. heeft het hof, kort gezegd, geoordeeld dat To Concept niet nader heeft geconcretiseerd noch concrete feiten of omstandigheden heeft gesteld op grond waarvan To Concept dat apart positioneren mocht aannemen. Uiteindelijk is het hof aan een werkelijke toets niet toegekomen, omdat de gestelde voor CZ ontstane verplichting zo te veel in het vage is gelaten (en daarom ook passeert het hof het gedane bewijsaanbod).
Haviltex-maatstaf wel heeft toegepast het zijn uitlegoordeel met betrekking tot de genoemde onderwerpen onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Ook deze klachten missen wat mij betreft doel.
Haviltex-maatstaf sterk met de waardering van de feiten verweven, zodat de ruimte voor controle in cassatie beperkt is. [42] Uiteraard kan het oordeel van de feitenrechter met motiveringsklachten worden bestreden, maar indien de feitenrechter in zijn motivering ervan blijk heeft gegeven dat hij de juiste maatstaf heeft gehanteerd én dat hij alle relevante omstandigheden van het geval bij zijn oordeel heeft betrokken, kan zijn oordeel in cassatie moeilijk worden aangetast; de enkele omstandigheid dat een andere uitleg op basis van de stellingen van de partijen denkbaar is, maakt het oordeel van de feitenrechter in ieder geval niet onbegrijpelijk. [43]
Haviltex-maatstaf toegekomen (hiervoor randnummer 3.76). Wat het hof daar doet, is overigens niet onbegrijpelijk.
onderdeel IIfaalt.
voornoemde bewijsmiddelen zelfs zodanig sterk, dat indien To Concept het bewijs had moeten leveren dat CZ niet uiterlijk op 2 december 2005 een webmodule, zoals in 4.5.8 van het tussenarrest beschreven, aan haar ter beschikking had gesteld, To Concept in dit bewijs was geslaagd. Het heeft er zelfs alle schijn van dat een dergelijke simpele webmodule voor
het eerst is aangeleverd bij de e-mail van 23 december 2005, terwijl het nog de vraag is of de aspirant-verzekeringnemer/student vervolgens er zeker van kon zijn dat hij bij de juiste - de door CZ met To Concept overeengekomen - Studentenpolis terecht was gekomen.” [onderstrepingen van mij, A-G]
Op grond van het voorgaande”), de inhoud van de afgelegde getuigenverklaringen die door het hof in rov. 11.3.5 zijn besproken. Dat het hof deze vraag in dit derde tussenarrest aan de orde heeft gesteld, maar (nog) niet heeft beantwoord, maakt dat partijen op de beantwoording daarvan door het hof in een later arrest, bedacht moesten zijn. [44] Van een inhoudelijke strijdigheid (‘haaks staan op’) van rov. 14.9. uit het eindarrest - die overigens voortbouwt op rov. 14.7. (zie randnummers 2.53-2.54) - met rov. 11.3.7 uit het derde tussenarrest is in ieder geval geen sprake. De hierop gerichte motiveringsklacht mist daarom doel.
handmatigeverwerking van de aanvragen [45] niet of met veel vertraging heeft gedaan. To Concept had bij een inhoudelijke behandeling van dit verwijt geen belang meer; zij heeft er kennelijk zelf voor gekozen (zo stelt het hof dat vast) om niet de uiteindelijk geleverde webmodule, die volgens het hof aan alle eisen voldeed, te gebruiken maar om de aanvragen handmatig te blijven doen met als gevolg dat zij niet tijdig verwerkt konden worden. Het voorgaande ligt besloten in rov. 14.10.-14.12. Daarmee valt ook het doek voor deze motiveringsklacht.
onderdeel IIIvergeefs voorgesteld.
)in het ongelijk is gesteld. [47] Dat betekent, zo pleegt te worden aangenomen, dat een vergelijking moet worden gemaakt tussen het petitum en het dictum. De overwegingen die aan dat dictum ten grondslag liggen, zijn daarbij niet van belang. [48] Ook wanneer de vordering van eiser niet op alle punten, maar wel in overwegende mate wordt toegewezen, wordt de hoofdregel in zijn voordeel toegepast. De beslissing om niet van de hoofdregel af te wijken, hoeft overigens niet te worden gemotiveerd, ook niet als afwijking gebruikelijk is. [49]
onderdeel IVdoel.