Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelklaagt over het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel, bestaande uit de opbrengst van een Rolex-horloge ad € 8.500,-, volledig aan de betrokkene kan worden toegerekend.
Ten aanzien van het onder 11 ten laste gelegde neemt het hof uit het vernietigde vonnis over
Zaaksdossier [B]
.
tezamen en in vereniging met een andereen Rolex heeft verkocht en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Uit de door het hof in de hoofdzaak van de rechtbank overgenomen bewijsmiddelen en bewijsoverweging kan bovendien worden afgeleid dat de medeverdachte [betrokkene 1] bij de politie heeft verklaard dat hij een vergoeding heeft ontvangen voor het verkopen van het Rolex-horloge. Onder die omstandigheden is het oordeel van het hof dat het wederrechtelijk verkregen voordeel geheel aan de betrokkene kan worden toegerekend onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd, aldus de toelichting op het middel.
medeplegenvan witwassen, heeft het hof het gehele wederrechtelijk verkregen voordeel bestaande uit de opbrengst van het Rolex-horloge, aan de betrokkene toegerekend. Zoals gezegd heeft het hof daartoe overwogen dat het horloge is verkocht ten behoeve van de veroordeelde en dat de mededader heeft verklaard dat de opbrengst daarvan naar de veroordeelde is gegaan
.
daadwerkelijkheeft behaald. [2] Indien de grootte van het wederrechtelijk voordeel op zichzelf vaststaat, maar meer personen samen van dit voordeel hebben geprofiteerd, [3] staat de ontnemingsrechter (dus) voor de vraag hoe dit voordeel daadwerkelijk onder hen is verdeeld.
toegerekend. [4]
allebegunstigden is verdeeld. Het gaat in een ontnemingszaak immers alleen om de omvang van de portie die is toegekomen aan degene tegen wie de ontnemingsprocedure aanhangig is, in die procedure doorgaans ‘de betrokkene’ of ‘de veroordeelde’ genoemd. [5]
Onder omstandigheden is evenwel een nadere motivering vereist om een zodanige toerekening begrijpelijk te doen zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval indien, in verband met hetgeen door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, voldoende aanknopingspunten bestaan voor de aannemelijkheid dat het voordeel over meer daders moet worden verdeeld”, aldus overwoog de Hoge Raad. [8] Met mijn ambtgenoot Bleichrodt meen ik dat uit de formulering die de Hoge Raad gebruikt, kan worden afgeleid dat de bedoelde aanknopingspunten niet uitsluitend hoeven te zijn ontleend aan hetgeen door of namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd. In dit verband kan ook aan de bewijsvoering in de hoofdzaak betekenis toekomen. [9] Die bewijsvoering bevat immers de aan de ontnemingsrechter bekende – vaststaande – omstandigheden van het geval die door hem bij de toerekening in aanmerking genomen moeten worden.
tweede middel, dat klaagt over de schending van de inzendtermijn, is naar ik meen terecht voorgesteld maar behoeft geen nadere bespreking nu het tijdsverloop bij de nieuwe behandeling van de zaak door het hof aan de orde kan worden gesteld.