Conclusie
1.Feiten en procesverloop
Klachtencommissie Ongewenste Omgangsvormen(hierna: de klachtencommissie), die ter zake een onderzoek heeft ingesteld. In het kader van dat onderzoek heeft de klachtencommissie de docent en diverse betrokken collega-docenten gehoord. De klachtencommissie heeft haar bevindingen neergelegd in een eindrapport. [2]
primairgevorderd voor recht te verklaren dat de arbeidsrelatie tussen partijen moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst en dat Windesheim aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden doordat zij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen krachtens art. 7:658 BW Pro, althans door te handelen in strijd met de norm van goed werkgeverschap.
Subsidiairheeft de docent een verklaring voor recht gevorderd die inhoudt dat Windesheim aansprakelijk is voor de schade die hij heeft geleden doordat zij niet heeft voldaan aan haar verplichtingen krachtens art. 7:658 (lid 4) BW, althans omdat zij op grond van de artikelen 6:162 BW en 6:170 BW jegens hem aansprakelijk is. Naast deze verklaringen voor recht heeft de docent betaling gevorderd van € 137.000,- als voorschot op een vergoeding van schade wegens derving van inkomsten, € 25.000,- als voorschot op de vergoeding van immateriële schade en € 4.138,20 als voorschot op de vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Ten slotte vorderde hij vergoeding van alle overige schade die het gevolg is van het handelen van Windesheim of van personen voor wier handelen Windesheim aansprakelijk is, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet.
vonnis van 2 december 2014heeft de kantonrechter – naar aanleiding van een door Windesheim opgeworpen verweer − beslist dat in dit geval sprake is van een overeenkomst van opdracht; niet van een arbeidsovereenkomst. De kantonrechter achtte zich om die reden niet bevoegd om kennis te nemen van deze zaak en heeft deze op de voet van art. 71 Rv Pro verwezen naar de handelskamer van de rechtbank.
vonnis van 25 november 2015geconstateerd dat de vordering geen bespreking meer behoeft voor zover zij is gebaseerd op de stelling dat sprake is van een arbeidsovereenkomst (rov. 2 Rb). De rechtbank overwoog dat niet ter discussie staat dat de contractuele relatie tussen partijen daadwerkelijk en rechtsgeldig is geëindigd per 1 februari 2013. Weliswaar stelt de docent dat vóór 14 januari 2013 was afgesproken dat verlenging van de overeenkomst zou plaatsvinden, maar Windesheim heeft dat nadrukkelijk ontkend. De docent heeft die stelling niet met stukken onderbouwd, noch anderszins aannemelijk gemaakt en evenmin bewijs hiervan aangeboden, zodat de rechtbank aan die stelling voorbij gaat. De vorderingen hebben ook niet de formele continuering van de overeenkomst na die datum als grondslag (rov. 3.4 Rb).
in de uitoefening van zijn werkzaamheden. De docent heeft zich niet beroepen op enig ’arbeidsongeval’ dat hem tijdens zijn werkzaamheden zou zijn overkomen. Hij stelt slechts dat hij schade heeft geleden doordat Windesheim onzorgvuldig is omgegaan met de door haar ontvangen signalen, met het gevolg dat zijn goede naam is aangetast, dat hij psychisch beschadigd is en dat de overeenkomst van opdracht niet is verlengd. Daarom kunnen de vorderingen niet worden toegewezen voor zover zij zijn gebaseerd op art. 7:658 lid 4 BW Pro (rov. 4.17).
2.Bespreking van het middel in het principaal cassatieberoep
in de uitoefening van zijn werkzaamhedenlijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in het eerste lid genoemde verplichtingen is nagekomen of dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. [8] Het gaat in dit artikellid niet om een risicoaansprakelijkheid van de werkgever. [9] De wettelijke regel over de bewijslastverdeling (“tenzij de werkgever aantoont dat …”) maakt dit artikellid wel tot een belangrijk handvat voor een werknemer die als gevolg van een arbeidsongeval of beroepsziekte schade heeft geleden. [10] Van de leden 1 en 2 mag niet ten nadele van de werknemer worden afgeweken (art. 7:658 lid 3 BW Pro).
ter uitvoering van een hem concreet opgedragen taak. [11] Met de woorden “in de uitoefening van zijn werkzaamheden” in lid 2 wordt tot uiting gebracht dat wel een functioneel verband moet bestaan tussen de uitoefening van de werkzaamheden en de opgelopen schade. Aan de hand van de omstandigheden van het geval kan de rechter bepalen of een bepaald letsel door een werknemer is opgelopen in de uitoefening van zijn werkzaamheden.
in de uitoefening van zijn werkzaamhedenals docent, binnen een werkomgeving waarvoor Windesheim verantwoordelijk is.
in de uitoefening van zijn werkzaamheden. Dat oordeel geeft mijns inziens geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Aan de steller van het middel kan worden toegegeven dat de bedoelde signalen binnen de werkomgeving zijn geuit (te weten: door studenten aan een of meer docenten/studiebegeleiders van Windesheim; vervolgens zijn zij door dezen ter kennis gebracht van de leidinggevende), waarna de leidinggevende, nog steeds binnen de werkomgeving, deze signalen ter kennis van de docent heeft gebracht in de gesprekken op 12 september 2012 en op 14 januari 2013. In zoverre kan niet worden gezegd dat de feiten waarop de docent zijn vorderingen heeft gegrond zich geheel of grotendeels hebben afgespeeld in een privésfeer waarover de werkgever/opdrachtgever geen zeggenschap heeft. [22] Toch behoefde het hof dit niet beslissend te achten.
in procedureel opzichttekort geschoten is jegens haar opdrachtnemer komt aan de orde bij het volgende middelonderdeel. In het voetspoor van de rechtsklacht faalt ook de motiveringsklacht van onderdeel I.
in beginselvrij. Het hof heeft dan ook onderzocht welke gerechtvaardigde verwachting(en) de docent had en mocht hebben ten aanzien van een eventuele verlenging van de overeenkomst.
Bespreking van het cassatiemiddel in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep
isverlengd, sluit logisch geenszins uit dat bij de docent het vertrouwen kon zijn gewekt dat de overeenkomst z
ou wordenverlengd indien vóór 1 februari 2013 er geen nieuwe signalen bij Windesheim zouden binnenkomen. Het hof heeft de stellingen van de docent, in onderlinge samenhang bezien, mogen opvatten in die zin dat Windesheim onrechtmatig jegens de docent heeft gehandeld door, gelet op de gerechtvaardigde verwachtingen die de docent mocht hebben omtrent een voortzetting van de overeenkomst, deze niet te verlengen zonder eerst nader onderzoek te doen naar de materiële juistheid of onjuistheid van de nieuwe signalen over het gedrag van de docent. Het hof kon daarom in zijn beoordeling de stelling in de memorie van antwoord betrekken dat een nieuwe overeenkomst van opdracht met de docent zou zijn aangegaan, zij het een van korte duur, indien bij Windesheim geen nieuwe signalen zouden binnenkomen.
free lance-basis wenste te werken en dat Windesheim, gelet op de kosten, voorkeur had voor docenten in loondienst [26] . Verder voert Windesheim aan dat aan de omstandigheid dat de docent was ingeroosterd na 1 februari 2013 niet (zonder meer) een gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat een nieuwe overeenkomst van opdracht tot stand zou komen, althans niet een zodanig vertrouwen dat het niet sluiten van een overeenkomst zo onbetamelijk is dat dit een onrechtmatige daad oplevert. Ook uit de erkenning ten processe zou dit vertrouwen niet kunnen worden afgeleid, net zo min als uit de waarschuwing van de leidinggevende op 12 september 2012. Uit een mededeling met de strekking “nog één signaal en het is einde oefening” kan volgens Windesheim in redelijkheid niet een gerechtvaardigd vertrouwen worden ontleend dat bij het uitblijven van nieuwe signalen zonder meer een nieuwe overeenkomst met de docent zou worden gesloten.
free lance-basis, blijkbaar geen beletsel is geweest om de lopende overeenkomst aan te gaan. Ook heeft het hof mogen meewegen dat Windesheim in haar erkenning in de memorie van antwoord doelde op het aangaan van een nieuwe overeenkomst voor een beperkt aantal maanden. [27] Voor het overige behoeven deze argumenten na het voorgaande geen verdere bespreking.