Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
3.De motivering van de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro
waaromde rechter tot een bepaalde beslissing is gekomen. Met een steekhoudende motivering legt de rechter verantwoording af voor zijn beslissing. In de tweede plaats maakt de motivering de rechterlijke beslissing controleerbaar voor partijen en derden. Het controleerbaar zijn van de rechterlijke beslissing voorkomt willekeur en draagt bij aan de aanvaardbaarheid van de beslissing. Controleerbaarheid van de beslissing draagt bovendien bij aan het vertrouwen van partijen (en derden) in de rechter; de rechter laat zien dat hij zijn vak beheerst en dat hij onafhankelijk en onpartijdig is. De rechterlijke motivering dient zo als waarborg voor goede rechtspraak. [6] Het motiveringsbeginsel fungeert in de derde plaats als zelfcontrole voor de rechter. In het proces van het motiveren van de beslissing wordt de rechter gedwongen zich rekenschap te geven van het gewicht van de verschillende argumenten die voor of tegen een bepaalde beslissing pleiten. Ten slotte laat de rechter in de motivering van de beslissing zien dat hij de argumenten van partijen onder ogen heeft gezien. In de motivering respondeert de rechter op die argumenten. Ook dat draagt bij aan de aanvaardbaarheid van de beslissing voor partijen en daarmee uiteindelijk aan het vertrouwen in rechtspraak. Hiermee heeft de motiveringsplicht een directe relatie met het partijdebat.
Vredo/Veenhuis-formule heeft de Hoge Raad overwogen dat een rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd, dat die beslissing voldoende inzicht geeft in de daaraan ten grondslag liggende gedachtegang, om de beslissing zowel voor partijen als voor derden – in het geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen – controleerbaar en aanvaardbaar te maken. [7] Hoever de motiveringsplicht in een concreet geval gaat, hangt af van de omstandigheden van het geval, zo is in
Vredo/Veenhuisverder overwogen.
Vredo/Veenhuis-formule de relatie tussen motiveringsplicht en partijdebat. [8]
Vredo/Veenhuis. De Hoge Raad overwoog daar dat de uiterst summiere motivering van het hof – waardoor partijen ‘in het ongewisse waren gelaten’ over de redenen voor die beslissing – “
mede gezien de op het spel staande belangen niet [kan] worden aanvaard”.
alleargumenten van partijen in te gaan. In ieder geval mag de rechter essentiële stellingen niet onbesproken laten. [12] Uit de motivering van de uitspraak moet zijn op te maken dat een verweer door de rechter onder ogen is gezien en op welke grond het is verworpen. [13]
New Hairstyle-beschikking heeft de Hoge Raad een aantal aanwijzingen gegeven over de begroting van de billijke vergoeding. [14] De rechter dient de billijke vergoeding te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid (rov. 3.4.2). Het stelsel van de Wwz verzet zich niet ertegen dat met de gevolgen van het ontslag rekening wordt gehouden bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding waarop de wet een werknemer aanspraak geeft omdat de werkgever van het ontslag als zodanig een ernstig verwijt kan worden gemaakt, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het de werkgever te maken verwijt (rov. 3.4.3).
New Hairstyle-beschikking. Bij het vaststellen van deze billijke vergoeding kan mede worden gelet op hetgeen de werknemer aan loon zou hebben genoten als de opzegging zou zijn vernietigd. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen welke verdere duur van de arbeidsovereenkomst daarbij in aanmerking moet worden genomen. Daarbij is mede van belang of de werkgever de arbeidsovereenkomst ook op rechtmatige wijze zou hebben kunnen beëindigen en op welke termijn dit dan had mogen gebeuren en vermoedelijk zou zijn gebeurd. Waar relevant, kan ook acht worden geslagen op de mogelijkheid de loonvordering te matigen op grond van art. 7:680a BW (rov. 3.4.4).
New Hairstyledat voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer, de wettelijke regels van art. 6:95 e.v. BW zich voor overeenkomstige toepassing lenen. Niet blijkt dat de wetgever aan de billijke vergoeding een specifiek punitief karakter heeft willen toekennen. Daarom behoort bij het vaststellen van de billijke vergoeding daarmee geen rekening te worden gehouden (rov. 3.4.5).
New Hairstyle-beschikking, dat de rechter in de motivering van zijn oordeel
inzicht dient te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de vergoeding hebben geleid. Op zijn minst zal uit de motivering dus naar voren moeten komen welke omstandigheden bepalend zijn geweest voor de beslissing om de billijke vergoeding op een bepaalde hoogte vast te stellen.
New Hairstyle-beschikking dat voor zover elementen van de vaststelling van de billijke vergoeding zien op de vergoeding van schade van de werknemer, de wettelijke regels van art. 6:95 e.v. BW zich voor overeenkomstige toepassing lenen. Dit betekent dat de rechter bij de begroting van de vergoeding ook acht moet slaan op art. 6:97 BW Pro. Deze bepaling geeft als algemene regel dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest in overeenstemming daarmee is, en laat de rechter de vrijheid de omvang van de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Hiermee heeft de rechter veel vrijheid bij de schadebegroting.
Het komt er op neer dat de rechter bij de begroting van schade en ook bij de keuze op welke wijze de begroting moet plaats vinden, een grote mate van vrijheid heeft en ook niet gebonden is aan de gewone regels van stel- en bewijsplicht, terwijl de bepaling die thans in de tweede zin is vervat hem tevens in belangrijke mate ontheft van zijn motiveringsplicht.”
[…] /Breedover de begroting van schade bij kennelijk onredelijk ontslag onder het oude ontslagrecht (art. 7:681 lid 1 BW Pro (oud)): [16]
Art. 6:97 BW Pro geeft als algemene regel dat de rechter de schade begroot op de wijze die het meest in overeenstemming daarmee is, en laat de rechter de vrijheid de omvang van de schade te schatten als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. In het licht hiervan moet worden aangenomen dat de wetgever van opvatting was en ook beoogde dat in de praktijk toepassing van deze maatstaf tot een gelijksoortig resultaat zou leiden als de toepassing van de oude maatstaf.
laatmotiveren.
[…]-beschikking van 8 juni 2018 ging het over de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro. [17] De Hoge Raad overwoog dat voor deze billijke vergoeding, anders dan voor andere billijke vergoedingen op grond van de Wwz, heeft te gelden dat niet noodzakelijk sprake is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. De billijke vergoeding dient namelijk als een alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst. Daarom ligt het in de rede dat de appelrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst betrekt (rov. 3.4.2). Daarnaast dient de appelrechter ook de overige omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen. Een van die omstandigheden is de (mate van) eventuele verwijtbaarheid van het handelen van de werkgever of het ontbreken daarvan. Voorts kunnen, zo oordeelde de Hoge Raad, ook de overige in de
New Hairstyle-beschikking gegeven gezichtspunten bij het vaststelling van de hoogte van de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro worden toegepast (rov. 3.4.2).
[…]-beschikking werd verder beslist dat de rechter de bevoegdheid heeft om in voorkomend geval géén billijke vergoeding toe te kennen. De rechter dient in de motivering van zijn oordeel inzicht te geven in de omstandigheden die tot de beslissing over (de hoogte van) de vergoeding hebben geleid (rov. 3.3.3).
Zinzia-beschikking dat de
New Hairstyle-gezichtspunten ook van toepassing zijn op de billijke vergoeding van art. 7:671c lid 2, aanhef en onder b, BW (rov. 3.3.2). [18] Herhaald werd dat het er ook bij deze billijke vergoeding uiteindelijk om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, en dat als uitgangspunt geldt dat de rechter de billijke vergoeding dient te bepalen op een wijze die, en op het niveau dat, aansluit bij de uitzonderlijke omstandigheden van het geval.
Zinzia-zaak werd, net als in deze zaak, geklaagd over de wijze waarop het hof de hoogte van de billijke vergoeding had gemotiveerd. De kantonrechter had in die zaak de art. 7:671c-vergoeding bepaald op € 70.000,-. Het hof vernietigde de beschikking ten aanzien van de billijke vergoeding en bepaalde deze op € 25.000,-. De Hoge Raad stelde vast dat het hof de billijke vergoeding wegens het ontbreken van materiële schade had gebaseerd op een schatting van de immateriële schade en de werkgever heeft willen wijzen op de noodzaak om haar gedrag in eventuele volgende keren aan te passen (rov. 3.3.4). Door aansluiting te zoeken bij het gezichtspunt dat moet worden voorkomen dat werkgevers voor een vernietigbare opzegging kiezen omdat dit voor hen voordeliger is, heeft het hof volgens de Hoge Raad voldoende inzicht gegeven in de omstandigheden die tot de beslissing over de hoogte van de billijke vergoeding hebben geleid (3.3.5-3.3.6). Daarbij overweegt de Hoge Raad dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar haar aard moeilijk laat motiveren (rov. 3.3.6). Het hof hoefde volgens de Hoge Raad niet te motiveren waarom het de billijke vergoeding op een veel lager bedrag vaststelde dan de kantonrechter had gedaan (rov. 3.3.6).
Zinzia-zaak, dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar haar aard moeilijk laat motiveren, niet los kan worden gezien van de omstandigheid dat het in die zaak uitsluitend ging om compensatie voor
immateriële schadedie werkneemster had geleden door het ernstig verwijtbaar handelen van Zinzia. Vergoeding voor materiële schade was niet aan de orde. Uit de overweging ‘dat de omvang van de toe te kennen billijke vergoeding zich naar haar aard moeilijk laat motiveren’, kan dan ook niet in zijn
algemeenheidworden afgeleid dat de hoogte van de billijke vergoeding zich moeilijk laat motiveren (en dat daarom geen hoge eisen aan de motivering zouden hoeven te worden gesteld).
ServiceNow-beschikking ging over de billijke vergoeding van art. 7:671b lid 8, aanhef en onder c, BW. Ook voor deze vergoeding gelden de
New Hairstyle-gezichtspunten, zo oordeelde de Hoge Raad (rov. 3.4.2). [19]
ServiceNow-beschikking dat de rechter, indien het partijdebat daartoe aanleiding geeft, de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst, voor zover deze zijn toe te rekenen aan het ernstig verwijtbaar gedrag van de werkgever, kenbaar dient te betrekken bij het bepalen van de omvang van de billijke vergoeding (rov. 3.4.2).
welke belangen(de maatschappelijke of persoonlijke belangen die in het gegeven geval zijn betrokken, zoals de wettekst het uitdrukt) zijn meegewogen in het oordeel. [22]
op welke wijzede meegewogen bijzondere omstandigheden van invloed zijn geweest op de hoogte van de vergoeding.
4.De bespreking van het principale cassatiemiddel
primaire rechtsklachtwordt betoogd dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de aan de motivering van de hoogte van de billijke vergoeding te stellen eisen. Volgens de klacht kan de rechter er niet mee volstaan om een opsomming te geven van de gezichtspunten die bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding worden betrokken maar dient hij daarbij tevens te vermelden of de gezichtspunten een verhogend dan wel een verlagend effect hebben. Ook dient te worden gemotiveerd in welke mate de betreffende gezichtspunten leiden tot verhoging dan wel verlaging van de billijke vergoeding. Het hof heeft in deze zaak, door een blote opsomming te geven van de gezichtspunten gevolgd door een bedrag, zonder te vermelden in welke mate de verschillende gezichtspunten zijn gewogen, blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
nooitzou kunnen volstaan met het weergeven van de factoren die bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding zijn meegewogen, in zijn algemeenheid niet worden onderschreven.
primaire motiveringsklachthoudt in dat het hof, indien het niet is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting, zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, omdat niet inzichtelijk is waarom de in rov. 3.12.2 genoemde factoren leiden tot een billijke vergoeding van € 15.000,- nu de loonwaarde die het hof tot uitgangspunt neemt ruim € 35.000,- bedraagt en het hof niet heeft vermeld of de genoemde gezichtspunten een verhogend of een verlagend effect op de hoogte van het bedrag hebben.
[…]-beschikking volgt dat deze billijke vergoeding dient als een alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst en dat de appelrechter daarom bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst dient te betrekken. [26] Ook de overige omstandigheden van het geval moeten in aanmerking worden genomen, waaronder de eventuele verwijtbaarheid van het handelen van de werkgever. Verder kunnen ook de gezichtspunten die in de
New Hairstyle-beschikking zijn gegeven worden toegepast bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding.
New Hairstyle-beschikking gegeven gezichtspunten’ heeft mee willen wegen, had in de motivering van de beslissing tot uitdrukking moeten worden gebracht of, en waarom, de genoemde gezichtspunten tot een opwaartse dan wel neerwaartse bijstelling van de billijke vergoeding – als alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst – hebben geleid.
subsidiaire rechts- en/of motiveringsklachtwordt de vraag voorgelegd of het hof in het licht van het partijdebat voldoende inzichtelijk heeft gemaakt op grond waarvan de billijke vergoeding op € 15.000,- is bepaald. Volgens de rechtsklacht moet de rechter ingaan op cijfermatig voldoende onderbouwde schadeposten en vermelden hoe deze in de billijke vergoeding zijn verdisconteerd. Werknemer heeft aangevoerd dat zijn inkomensschade over de periode 26 juli 2017 tot 26 augustus 2018 € 36.512,- bedraagt en dat de pensioenschade € 4.479,28 bedraagt. Voorts heeft hij aangevoerd dat een werknemer die arbeidsongeschikt uit dienst gaat op grond van art. 29 van Pro het Pensioenreglement een premievrije opbouw van het pensioenkapitaal heeft. Door het onterecht gegeven ontslag op staande voet is Werknemer deze misgelopen, wat leidt tot een schadepost van € 13.444,26. Het hof heeft door slechts te overwegen dat
‘rekening wordt gehouden met de betekenis die de beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft voor de pensioenvoorziening van Werknemer’, onvoldoende inzicht gegeven in de wijze waarop de pensioenschade zich heeft vertaald in de begroting van de billijke vergoeding. Het hof heeft daarmee miskend dat, als een werknemer zijn materiële schade voldoende onderbouwt, de appelrechter niet kan volstaan met de enkele vermelding dat die schadepost is meegewogen maar ook moet toelichten in welke mate de concreet onderbouwde schadepost in de billijke vergoeding tot uitdrukking komt.
New Hairstyle-beschikking, op elementen van de billijke vergoeding die zien op vergoeding van schade van de werknemer, de regels van schadebegroting van art. 6:95 BW Pro e.v. van toepassing zijn. Verder volgt uit de
[…]-beschikking, zoals gezegd, dat de billijke vergoeding van art. 7:683 lid 3 BW Pro als alternatief voor herstel van de arbeidsovereenkomst dient en dat het daarom in de rede ligt dat de appelrechter bij de bepaling van de hoogte van de billijke vergoeding de gevolgen voor de werknemer van het verlies van de arbeidsovereenkomst betrekt. [27] Deze twee uitgangspunten brengen mee dat voor zover elementen van de billijke vergoeding zien op schade die de werknemer lijdt door het verlies van de arbeidsovereenkomst, de rechter die schade volgens de regels van art. 6:95 BW Pro e.v. begroot. Nu het hier in beginsel zal gaan om materiële schade (zoals gemist loon en pensioenschade) die zich nauwkeurig laat vaststellen, mag van de rechter worden verwacht dat in de motivering van de beslissing tot uitdrukking wordt gebracht of, en tot welk bedrag, deze schadeposten bij de berekening van de billijke vergoeding in aanmerking (dan wel tot vertrekpunt) zijn genomen.
5.Bespreking van het voorwaardelijk incidentele cassatiemiddel
[…]-beschikking blijkt dat verwijtbaar handelen van de werkgever of juist het ontbreken daarvan, wel een bij de hoogte van de billijke vergoeding mee te wegen omstandigheid kan zijn (zie onder 3.16). Voor zover de stelling van Blue Circle ook in die zin zou moeten worden opgevat, geldt het volgende.
Hierop stuit de motiveringsklacht af.