Conclusie
1.Feiten en procesverloop
nevenactiviteitten behoeve van een hoofdactiviteit ofwel
geen commercieel vervoer.
Werkingssfeer
Uitgezonderd zijn:
in conventievoor recht verklaard dat de cao BB en de cao FSO van toepassing zijn op Rolerisuit. De kantonrechter heeft – voor zover hier van belang − Rolerisuit bevolen deze cao’s na te leven en FSO in staat te stellen om onderzoek te verrichten en aan FSO de door haar nog benodigde bescheiden te doen toekomen. De kantonrechter wees de vordering van Rolerisuit
in reconventieaf.
in conventiegewezen, bekrachtigd ten aanzien van de gegeven verklaring voor recht dat de cao BB en de cao FSO van toepassing zijn op Rolerisuit, alsook ten aanzien van het aan Rolerisuit gegeven bevel om deze cao’s na te leven en FSO in staat te stellen onderzoek te verrichten en aan FSO de benodigde bescheiden te doen toekomen; (
dictumA)
in reconventiegewezen, vernietigd voor zover de kantonrechter de vordering daarbij
geheelhad afgewezen; in zoverre opnieuw recht doende, heeft het hof alsnog voor recht verklaard dat art. 53 cao Pro BB 2012/2013, thans art. 48 cao Pro BB 2017/2018, Rolerisuit niet verbiedt, althans niet verhindert, om busvervoer te verrichten met chauffeurs die volledig op vrijwillige basis werkzaam zijn; (
dictumB)
dictumonder C en D).
vrijwilligers en artikel 53 (thans 48) cao bb” het volgende overwogen:
Gelet op het doel dat met artikel 53 wordt Pro beoogd, namelijk de bescherming van de werkgelegenheid van de onder de cao vallende werknemers door het tegengaan van (concurrentievervalsende) onderbieding van de cao via de inzet van pseudo zzp’ers kan (onderstr. hof), anders dan bedenkinghebbenden stellen, thans niet geconcludeerd worden dat de desbetreffende cao-bepaling niet onder de cao-exceptie valt en kan derhalve niet geconcludeerd worden dat artikel 53 kennelijk Pro in strijd is met de Mededingingswet. (…)”
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
considerans). Deze vermeldt in punt 1 onder meer dat het tot stand brengen van een interne wegvervoersmarkt met eerlijke mededingingsvoorwaarden een eenvormige toepassing vergt van de gemeenschappelijke regels inzake de toegang tot het beroep van ondernemer van goederen- of personenvervoer over de weg. De gemeenschappelijke regels dragen bij tot het bereiken van een hoger niveau van vakbekwaamheid van de wegvervoerondernemers, tot een rationalisering van de markt, tot een betere kwaliteit van de geleverde diensten waarbij zowel de wegvervoerondernemers, hun klanten als de gehele economie baat hebben, en tot een toename van de verkeersveiligheid. Punt 6 van de considerans luidt als volgt:
.Art. 4 van Pro deze wet bepaalt welke minister de bevoegde instantie is voor de toepassing van Verordening 1071/2009. Art. 4 lid 4 bepaalt Pro dat bij AMvB met inachtneming van art. 1 lid 5 van Pro Verordening 1071/2009 vrijstelling van deze verordening kan worden verleend.
latereversie van de cao (in dit geval:, de cao BB 2020-2021). Het omgekeerde is wel aanvaard: in HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE2376 (De Heel/Huisman) [20] werd overwogen dat de tekst van een voorgaande, inmiddels vervallen cao aanwijzingen kan bevatten voor de wijze waarop een bepaling in de daaropvolgende cao moet worden uitgelegd. In de vakliteratuur wordt verschillend hierover gedacht. Loonstra beantwoordde de vraag bevestigend:
bevestiging vond” in een toelichting op een latere cao, als in een arrest van 23 september 2016 waarin de Hoge Raad opmerkte dat zijn uitleg van een artikel uit de cao voor de Gemaksvoedingsindustrie “
strookte met” een latere versie van die cao, die algemeen verbindend was verklaard en dus recht in de zin van art. 79 RO Pro vormde. [25]
bevestiging vindt in”, dan wel “
strookt met”, een posterieure toelichting of cao-bepaling, dit niet noodzakelijkerwijs betekent dat de door de Hoge Raad gekozen uitleg ook op die latere toelichting respectievelijk cao-bepaling berust. Maar dat is vermoedelijk toch de bekende nuance te ver; het valt moeilijk te ontkennen dat in beide arresten bij de uitleg van de cao-bepaling in meer of mindere mate betekenis is toegekend aan de ten tijde van de gelding daarvan nog niet in werking getreden stukken. Wanneer de Hoge Raad beslist dat een bepaalde uitleg als de juiste wordt aanvaard en daarbij wordt uitdrukkelijk vermeld dat die uitleg ook “strookt met” of “bevestiging vindt in” een eerdere of latere cao, dan is die eerdere of latere cao toch klaarblijkelijk van enig gewicht geweest in de beschouwing, zeker wanneer de Hoge Raad niet uitdrukkelijk vermeldt dat die overweging er een ten overvloede is geweest.”
social return’. Volgens FSO heeft deze ontwikkeling geleid tot het initiatiefwetsvoorstel Verdringingstoets. [28] In de Eerste Kamer is de behandeling van dit wetsvoorstel aangehouden. [29] De inleiding op het cassatiemiddel citeert als probleemstelling de volgende passage uit de memorie van toelichting:
in reconventiede verklaring voor recht had gevorderd dat art. 53 (later art. 48) cao BB haar niet verbiedt om besloten busvervoer te verrichten met chauffeurs die volledig op vrijwillige basis werkzaam zijn. Daarom lag het, volgens het middelonderdeel, op de weg van Rolerisuit om haar standpunt ten aanzien van de uitleg van de cao te bewijzen en in het bijzonder bewijs te leveren van haar stelling dat geen sprake is van concurrentievervalsing. [33] Tot zover de klacht van FSO.
in reconventie, doet naar mijn mening niet af aan het bestreden oordeel van het hof. Rolerisuit heeft in de procedure bij het gerechtshof niet gesteld dat een nieuwe, in de cao niet voorziene uitzonderingspositie voor haar zou moeten worden aanvaard. De ruime uitleg van deze cao-bepaling die FSO in dit geding zowel in conventie als in reconventie voorstaat, had tot gevolg dat Rolerisuit in eerste aanleg deze (in hoger beroep enigszins gewijzigde) vordering in reconventie instelde om te komen tot een begrenzing van die door FSO bepleite ruime uitleg van deze cao-bepaling. Mijns inziens stuiten zowel de rechtsklacht als de motiveringsklacht van onderdeel I op het voorgaande af.
limitatieveopsomming bevat van uitzonderingen op het verbod in het eerste lid; ten aanzien van de inzet van vrijwilligers door Rolerisuit is geen sprake van een van deze uitzonderingen. Daarnaast klaagt FSO dat het hof de aannemelijkheid van de rechtsgevolgen waartoe de onderscheiden, op zichzelf mogelijke tekstinterpretaties kunnen leiden, ten onrechte niet, althans niet kenbaar, in zijn overwegingen heeft betrokken. [38] Volgens FSO laat de tekst van deze bepaling geen andere gevolgtrekking toe dan dat ondernemingen die onder het bereik van deze algemeen verbindend verklaarde cao vallen, uitsluitend personeel in dienstbetrekking – dus ook geen vrijwilligers − mogen inzetten, op welk personeel dan de cao-lonen en andere rechtspositiebepalingen in de cao van toepassing zijn. Met een uitleg van deze cao-bepaling zoals door FSO bepleit, wordt volgens de toelichting op deze klacht voorkomen dat arbeidsplaatsen voor chauffeurs met een dienstverband worden vervuld door lager betaalde of door onbetaalde arbeidskrachten. Zo wordt oneerlijke concurrentie tussen ondernemers in het besloten busvervoer voorkomen.
uitsluitend vrijwilligersonder het toepassingsbereik van deze cao-bepaling valt. In de bestreden overwegingen ligt onmiskenbaar besloten dat het hof die vraag ontkennend beantwoordt.
incidenteeleen beroep op vrijwilligers, bijv. ter vervanging van een beroepschauffeur tijdens ziekte of verlof;
stelselmatigeen beroep op vrijwilligers in plaats van het inzetten van zijn beroepschauffeurs, bijvoorbeeld met het oog op loonkostenbesparing;
reorganisatieafscheid van zijn beroepschauffeurs en wil voortaan alleen nog maar gebruik maken van vrijwilligers als chauffeur;
oneerlijkeconcurrentie moet worden beantwoord aan de hand van de markt waarop de desbetreffende ondernemers werkzaam zijn. Het standpunt van Rolerisuit gaat uit van de veronderstelling dat zij zich op een andere markt beweegt dan de (overige) busondernemingen die onder deze cao vallen. Haar belangrijkste argument is dat haar doelgroep (volgens haar statuten: gehandicapten en primair gericht op “minder draagkrachtigen”) zich niet het soort busreizen kan veroorloven dat andere ondernemers in het besloten busvervoer aanbieden. Daarentegen ziet FSO wel mogelijkheden voor ondernemers om voor deze doelgroep commercieel besloten busvervoer aan te bieden mits zij beschikken over passende voorzieningen, zoals voor rolstoelgebruikers toegankelijke en ingerichte bussen. Naar het oordeel van het hof heeft FSO dat standpunt onvoldoende concreet uitgewerkt.
kunnenvallen onder het toepassingsbereik van de cao BB en de cao SFO. Volgens het hof gaat het in deze cao-bepaling erom dat schijnconstructies worden vermeden. Onderdeel II faalt.
onderdeel IIIneemt FSO tot uitgangspunt dat de uitleg die het hof aan art. 53 (later art. 48) cao BB heeft gegeven tot gevolg heeft dat een werkgever “enkel is strijd handelt met het verbod indien vrijwilligers schijnzelfstandigen zouden zijn”. De klacht houdt in dat het hof daarmee een te beperkte uitleg geeft aan het doel en de strekking van deze cao-bepaling. Het doel van deze bepaling is volgens de klacht niet slechts het voorkomen van schijnconstructies, maar in ruimere zin de bescherming van de werkgelegenheid van de onder de cao vallende werknemers, onder meer door het tegengaan van concurrentievervalsing.
in het concrete gevalsprake is van concurrentievervalsing door Rolerisuit. FSO betoogt dat voor de uitleg van deze cao-bepaling het niet nodig is te weten of Rolerisuit door gebruik te maken van de inzet van vrijwilligers oneerlijke concurrentie is aangegaan met andere ondernemingen die onder het bereik van deze cao’s vallen. Weliswaar had FSO bij het hof aangevoerd dat deze bepaling ten doel heeft concurrentie op arbeidsvoorwaarden te voorkómen, maar dat brengt niet mee dat FSO nu zou moeten bewijzen dat
concreetsprake is van concurrentievervalsing door Rolerisuit ten opzichte van andere ondernemingen die onder deze cao’s vallen. [43] Bij de uitleg van deze cao-bepaling is volgens het middelonderdeel slechts van belang of
in abstractobescherming van de werkgelegenheid van de onder de cao vallende werknemers nodig is, door het tegengaan van concurrentievervalsing waarbij vervoerders vrijwilligers inzetten als chauffeurs. Het hof heeft daarom ten onrechte, althans op onbegrijpelijke gronden, als beslissend beschouwd dat FSO op het punt van de beweerde concurrentievervalsing niet aan haar stelplicht heeft voldaan.
in abstractosprake is van bescherming van de werkgelegenheid, gaat niet op. Zelfs al zou deze cao-bepaling in abstracte zin worden opgevat (bijv.: ‘verbod van het inzetten van vrijwilligers zodra dit op enigerlei wijze concurrentievervalsing zou kunnen opleveren’), moest het hof nog steeds onderzoeken of Rolerisuit zich richt op een marktsegment waarvoor de hoofdregel in deze cao-bepaling niet is bedoeld. Kortom, het inzetten van vrijwilligers door een ondernemer in het besloten busvervoer leidt niet per definitie tot de gevolgtrekking dat sprake is van concurrentie, laat staan tot het oordeel dat sprake is van oneerlijke concurrentie. Onderdeel IV faalt.
niet‘schijnzelfstandigen’ zijn, de werkgelegenheid voor betaalde werknemers kunnen verdringen; ook in dat geval kan volgens de klacht sprake zijn van oneerlijke concurrentie. Indien iemand vrijwillig en onbetaald activiteiten verricht, “die voorheen of elders verricht werden of worden door iemand in loondienst”, is er volgens FSO al sprake van oneerlijke concurrentie. FSO meent dat een feit van algemene bekendheid is dat vrijwilligers werknemers verdringen op de arbeidsmarkt en dat een onderneming die gebruik maakt van vrijwilligers over het algemeen een lager bedrag voor door haar aangeboden diensten kan vragen dan een onderneming die haar werknemers beloont op basis van de cao. Omdat het hier gaat om feiten van algemene bekendheid, rust volgens FSO ten aanzien van deze feiten geen (nadere) stelplicht op haar, althans is onbegrijpelijk waarom het hof op FSO deze (nadere) stelplicht heeft gelegd.
in abstractobeantwoorden. Het hof heeft in rov. 6.4.14 onderkend dat FSO heeft aangevoerd dat sprake is van concurrentievervalsing op de markt van het besloten busvervoer, maar achtte de desbetreffende stellingen van FSO te algemeen van aard. Volgens het hof lag het op de weg van FSO om deze stellingen nader te onderbouwen met eigen gegevens, hetgeen FSO niet heeft gedaan. Daarbij gaat het niet alleen om de vraag of er buiten Rolerisuit nog andere ondernemers zijn die de beschikking (kunnen) hebben over bussen die geschikt zijn voor het besloten busvervoer van personen in een rolstoel. Het gaat dan, gelet op hetgeen Rolerisuit had aangevoerd, om de vraag of wel of niet sprake van concurrentie op dezelfde markt. Onderdeel V faalt.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
allebestanddelen.
Subonderdeel 1.3sluit hierbij aan met de klacht dat de zo-even genoemde overwegingen van het hof niet met elkaar verenigbaar zijn.
cao FSOop haar van toepassing is, niet heeft gemotiveerd. Indien die beslissing van het hof berust op de vaststelling in rov. 6.4.3 dat de werkingssfeerbepalingen in de cao BB en in de cao FSO gelijkluidend zijn, kan ook dat oordeel niet in stand blijven indien één of meer van de voorgaande middelonderdelen slaagt.
tegen betalingwordt verricht, zodat in werkelijkheid sprake kan zijn van een arbeidsovereenkomst. Bij een (onbezoldigde) vrijwilliger is dit onmogelijk, althans is de beslissing onbegrijpelijk, nu niet valt in te zien hoe zonder dat aan alle formele en materiële elementen van een arbeidsovereenkomst is voldaan, toch sprake kan zijn van schijnconstructies als bedoeld in art. 48 cao Pro BB.
subonderdeel 3.2is onbegrijpelijk de overweging aan het slot van rov. 6.5.1 dat het in reconventie onder D gevorderde een nadere toetsing van de
arbeidsovereenkomstenzou vergen. Volgens Rolerisuit was van arbeidsovereenkomsten geen sprake, gezien de stellingen die in het vorige subonderdeel zijn genoemd.
subonderdeel 4.1klaagt Rolerisuit dat de bestreden overweging onbegrijpelijk is omdat het hof niet duidelijk maakt of het bewijsaanbod wordt gepasseerd als niet ter zake dienend dan wel omdat partijen – naar het oordeel van het hof − te weinig hebben gesteld om toegelaten te kunnen worden tot (tegen)bewijs.
Of Rolerisuit al dan niet commercieel respectievelijk al dan niet gericht op het maken van winst is, doet hierbij niet ter zake. Naar het oordeel van het hof drijft Rolerisuit een onderneming in de zin van de cao bb.” (onderstreping toegevoegd)
subonderdeel 4.2leest Rolerisuit de bestreden passage zo, dat het hof van oordeel is dat zij onvoldoende feiten en omstandigheden had gesteld om te worden toegelaten tot het bewijs van haar stelling dat zij niet-commercieel is en zich louter op minder draagkrachtigen richt. Rolerisuit klaagt dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van een aantal in dit subonderdeel opgesomde stellingen [60] .
subonderdeel 4.3klaagt Rolerisuit dat indien het hof haar bewijsaanbod niet ter zake dienend heeft geacht, die beslissing onjuist dan wel onbegrijpelijk is omdat in het kader van de vraag of sprake is van concurrentievervalsing en van het toepassingsbereik van art. 53 cao Pro BB wel degelijk relevant was of Rolerisuit niet commercieel is en zich louter op minder draagkrachtigen richt. Rolerisuit wijst in dat verband op een aantal stellingen die zij heeft aangevoerd met de strekking dat concurrentievervalsing in haar geval niet aan de orde is.
subonderdeel 5.1klaagt Rolerisuit over een tegenstrijdigheid in de overwegingen van het hof. Het oordeel in rov. 6.4.12 over het doel van art. 53 cao Pro BB en het oordeel in rov. 6.4.14, inhoudend dat FSO onvoldoende heeft gesteld om te worden toegelaten tot het bewijs dat sprake zou zijn van concurrentievervalsing, zouden onverenigbaar zijn met hetgeen het hof in rov. 6.4.17 overweegt, namelijk dat Rolerisuit onvoldoende heeft onderbouwd waarom de bescherming van de werkgelegenheid van de onder de cao BB vallende werknemers zou moeten wijken voor de omstandigheden die Rolerisuit had gesteld. Volgens Rolerisuit is deze beslissing onbegrijpelijk, omdat bescherming van de werkgelegenheid door het tegengaan van concurrentievervalsing bij gebreke van onvoldoende stellingen van FSO “niet meer aan de orde was in deze procedure”.
onder meerdoor het tegengaan van concurrentievervalsing. Daarin ligt besloten dat ook andere aspecten relevant (kunnen) zijn.
subonderdeel 5.2komt Rolerisuit op tegen de overweging dat zij onvoldoende heeft onderbouwd waarom de bescherming van de werkgelegenheid van de onder de cao vallende werknemers zou moeten wijken voor de door haar gestelde omstandigheden. De klacht houdt in dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat Rolerisuit geen onder de cao vallende werknemers in dienst heeft.
niet volledigop vrijwillige basis werkzaam is, dan zou de conclusie kunnen zijn dat sprake is van een schijnconstructie. Wil die persoon dan nog chauffeurswerkzaamheden voor Rolerisuit blijven verrichten, dan zal er een dienstverband moeten komen, zodat (alsnog) in overeenstemming met de cao wordt gehandeld. Anders dan de klacht veronderstelt, is derhalve niet van belang of Rolerisuit geen onder de cao vallende werknemers in dienst hééft, maar of zij dat zou moeten hebben. Het subonderdeel treft geen doel.
dictumonder B). Onderdeel 5 faalt.