10. Ik vat het middel zo op dat het ook klaagt dat het voortzetten van de vervolging in strijd is met de beginselen van de goede procesorde nu tevens een deel van het dossier is zoekgeraakt en dat het hof daarom niet kon volstaan met het verdisconteren hiervan in de strafmaat.
11. De vraag die in cassatie voorligt, is of de beslissing van het hof op het verweer, mede gezien hetgeen door de verdediging aan dat verweer ten grondslag is gelegd, begrijpelijk is. Ik meen dat dit het geval is. Het hof heeft onder ogen gezien dat in de loop van de strafprocedure een deel van het strafdossier in het ongerede is geraakt. Het hof stelt vast dat dit reeds gedurende de procedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (in 2015) het geval was. Destijds gaf de advocaat-generaal al aan dat delen van het dossier ontbraken, maar dat het daarbij slechts ging om voor de verdachte belastende bescheiden en dat de verdachte daardoor niet in zijn verdediging werd geschaad. Het hof heeft vastgesteld dat die stelling door de verdediging niet is weersproken, noch dat is verzocht om gehele of gedeeltelijke aanvulling van het dossier door het openbaar ministerie. Ook heeft de verdediging zelf geen stukken overgelegd die in het dossier van het hof ontbraken. Dat die stukken bij het hof ontbraken, wil naar het oordeel van het hof immers niet zeggen dat de verdediging ze óók niet meer had. Aldus is het hof van oordeel dat voor zover er stukken in het dossier ontbreken, dit geen voor de verdachte ontlastende stukken zijn. Het hof acht zich op grond van het voorliggende dossier voldoende ingelicht om de formele en materiële vragen van art. 348/350 Sv te beantwoorden en overweegt dat het daar geen andere stukken bij zal betrekken dan de stukken die thans deel uit maken van het dossier en waarover de verdediging en de advocaat-generaal ook de beschikking hebben. In zoverre is thans niet sprake van een situatie die vergelijkbaar is met de situatie die ten grondslag lag aan HR 22 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4412, waarop de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep een beroep heeft gedaan. In die zaak had de Hoge Raad alleen de beschikking over het verkorte arrest van het hof, het verkorte proces-verbaal van een terechtzitting en de akte waarbij het cassatieberoep is ingesteld en waren de overige stukken in het ongerede geraakt. Dit bracht mee dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak in cassatie niet kon toetsen. De Hoge Raad heeft de zaak om doelmatigheidsredenen vervolgens zelf afgedaan en de inleidende dagvaarding nietig verklaard. 12. Gelet op het voorgaande is het hof – niet onbegrijpelijk – van oordeel dat het gevoerde verweer moet worden verworpen.
13. Het eerste middel faalt.
14. Het
tweede middelklaagt over (de motivering van) de verwerping van het namens de verdachte gevoerde verweer dat het openbaar-ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte wegens schending van het Tallon-criterium.
15. Het hof is van oordeel dat het Tallon-criterium ten aanzien van de verdachte niet is geschonden en heeft hieromtrent het volgende overwogen (cursief in het origineel):
“De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek. Er is namelijk gebruik gemaakt van een burgerinformant, die verdachte heeft bewogen tot het plegen van strafbare feiten die hij anders niet zou hebben gepleegd. Er is daarom sprake van schending van het zogenoemde Tallon-criterium. Dit dient in de visie van de verdediging primair te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de strafvervolging.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
Het hof stelt het volgende voorop (vgl. de twee bovengenoemde arresten van de Hoge Raad der Nederlanden in deze zaak van 18 maart 2014, nr. S 13/03122, en van 6 december 2016, nr. S 15/05848). Ingeval sprake is van een vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient hij rekening te houden met de in het tweede lid van art. 359a Sv genoemde factoren. Het rechtsgevolg zal immers door deze factoren moeten worden gerechtvaardigd. De eerste factor is 'het belang dat het geschonden voorschrift dient'. De tweede factor is 'de ernst van het verzuim'. Bij de beoordeling daarvan zijn de omstandigheden van belang waaronder het verzuim is begaan. Daarbij kan ook de mate van verwijtbaarheid van het verzuim een rol spelen. De derde factor is 'het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt'. Bij de beoordeling daarvan is onder meer van belang of en in hoeverre de verdachte door het verzuim daadwerkelijk in zijn verdediging is geschaad. Opmerking verdient dat indien het niet de verdachte is die door de niet-naleving van het voorschrift is getroffen in het belang dat de overtreden norm beoogt te beschermen, in de te berechten zaak als regel geen rechtsgevolg zal behoeven te worden verbonden aan het verzuim. Indien de rechter op grond van de hiervoor bedoelde weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en aan de hand van alle omstandigheden van het geval tot het oordeel komt dat niet kan worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan, maar dat het verzuim niet zonder consequentie kan blijven, zal hij daaraan een van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen verbinden, te weten strafvermindering, bewijsuitsluiting of niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.
Het vorenoverwogene brengt mee dat een beslissing tot toepassing van een rechtsgevolg als bedoeld in art. 359a Sv dient te worden genomen en gemotiveerd aan de hand van de factoren die in het tweede lid van het artikel zijn genoemd. Niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is alleen plaats ingeval het in het voorbereidend onderzoek begane vormverzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op beginselen van behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan. (Vgl. HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533, NJ 2004/376.) Daarvan is onder meer sprake ingeval de verdachte door een opsporingsambtenaar dan wel door een persoon voor wiens handelen de politie of het openbaar ministerie verantwoordelijk is, is gebracht tot het begaan van het strafbare feit waarvoor hij wordt vervolgd, terwijl zijn opzet tevoren niet reeds daarop was gericht (vgl. het hiervoor in deze zaak als eerst gewezen arrest van de Hoge Raad: HR 29 juni 2010 nr S 07/10545 ECLI:NL:HR:2010:BL0613, NJ 2010/441). Voor de beoordeling van het verweer gaat het hof uit van de navolgende feiten en omstandigheden.
a. Volgens een bericht van de CIE zou op 8 april 2005 tussen 13.30 en 14.30 uur bij het Shell-tankstation in de buurt van de nieuwe woonwijk Zeeburg te Amsterdam een overdracht plaatsvinden van een grotere partij valse eurobiljetten. Naar aanleiding van die informatie werd een observatie- en een arrestatieteam geformeerd. Dit laatste team arresteerde op 8 april 2005 bij dat tankstation vijf personen, te weten [betrokkene 1], [verdachte] (verdachte), [betrokkene 2], [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]. In één van de voertuigen werd een partij van € 59.000,- aan valse 500 euro-biljetten aangetroffen. Een aantal weken later werd [medeverdachte 3] aangehouden en op 13 september 2005 [betrokkene 4].
b. Op 9 april 2005 verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat hij ongeveer twee weken daarvoor door [betrokkene 4] was benaderd. [betrokkene 4] had hem gevraagd of hij mensen wist die kopietjes van euro’s konden leveren. [betrokkene 1] had daarop geantwoord dat hij in zijn omgeving gezocht had en dat hij was terechtgekomen bij [medeverdachte 3]. Deze [medeverdachte 3] had hem in contact gebracht met [verdachte]. [betrokkene 1] zou er voor zorgen dat deze [verdachte] en [betrokkene 4] elkaar op 8 april 2005 om 13.00 uur bij het (hiervoor genoemde) benzinestation zouden ontmoeten.
c. Op 12 juli 2005 verklaarde [betrokkene 1] bij de politie dat hij bij de zaak betrokken was geraakt door [betrokkene 4]. [betrokkene 4] had hem in december 2004 of januari 2005 al gevraagd of hij aan vals geld kon komen. [betrokkene 4] bleef [betrokkene 1] daarom vragen. Via [medeverdachte 3] heeft hij [verdachte] leren kennen, waarna hij een afspraak heeft geregeld tussen [betrokkene 4] en die [verdachte]. [betrokkene 4] zou € 80.000,- aan valse bankbiljetten kopen voor 35% van de nominale waarde. [betrokkene 1] had aan [betrokkene 4] een proefbiljet overhandigd. Na de overhandiging van dat proefbiljet belde [betrokkene 4] dat hij geleverd wilde hebben. [betrokkene 1] zou voor zijn bemiddeling een percentage van [betrokkene 4] ontvangen. Het initiatief was van [betrokkene 4] uitgegaan. [betrokkene 1] heeft met [betrokkene 4] de afspraak gemaakt om elkaar op vrijdag 8 april 2005 bij het tankstation te ontmoeten.
d. [verdachte] heeft op 9 april 2005 verklaard dat hij door [medeverdachte 3] was benaderd met de vraag of hij Bulgaren kende die in vals geld handelden. Een kennis van hem had vrienden die in vals geld handelden en via die kennis kreeg hij het telefoonnummer van [betrokkene 2]. [betrokkene 2] vertelde aan hem, [verdachte], dat hij valse euro's kon leveren voor 35% van de nominale waarde. [verdachte] heeft op verzoek van [betrokkene 1] geregeld dat [betrokkene 2] naar Amsterdam zou komen. Bij het tankstation was [betrokkene 2] met nog twee andere personen (hof: [medeverdachte 2] en [betrokkene 3]).
e. Reeds kort na zijn aanhouding op 13 september 2005 heeft [betrokkene 4] verklaard over zijn rol in deze kwestie. Op 13 september 2005 verklaarde hij dat hij [betrokkene 1] had gevraagd een (vals) proefbiljet van € 500,- te leveren. Bij de levering deelde [betrokkene 1] mee dat er een partij van € 80.000,- aan valse biljetten beschikbaar was. [betrokkene 4] zou tegen [betrokkene 1] hebben gezegd dat hij mogelijk belangstelling had. [betrokkene 4] hield een slag om de arm, omdat het doorgaan van de transactie afhing van wat de CIE hiermee wilde. [betrokkene 4] had de CIE-man verteld dat hij een afspraak kon maken waarbij € 80.000,- aan valse euro's aan hem geleverd kon worden. [betrokkene 4] heeft afspraken gemaakt over het tijdstip en moment van levering, waarna hij de CIE meedeelde dat de valse biljetten van de straat gehaald konden worden. De CIE ging daarmee akkoord. [betrokkene 4] zou op 7 april 2005 telefonisch contact met de CIE hebben gehad. De CIE zou volgens hem hebben gevraagd of hij voor elkaar zou kunnen krijgen dat de € 80.000,- aan valse euro's daadwerkelijk geleverd konden worden. De CIE zou dan een 'plan de campagne' maken om in te grijpen. [betrokkene 4] heeft tenslotte verklaard dat hij na de actie van 8 april 2005 van de CIE € 1.750,- heeft ontvangen.
f. De CIE-man met wie [betrokkene 4] op en vóór 8 april 2005 contact had, de zogenoemde runner, wordt ‘de Oudste' genoemd. De Oudste heeft in de loop van deze procedure verschillende verklaringen afgelegd en heeft volgehouden dat hij niet wist dat [betrokkene 4] een initiërende en centrale rol had gespeeld bij de levering van de valse 500 euro-biljetten.
g. [betrokkene 4] is in 2004 en 2005 als burgerinformant in twee verschillende rayons in meerdere zaken tegen betaling voor de CIE werkzaam geweest. Hij stond bij die dienst bekend als een initiatiefrijke, 'pro-actieve' en ervaren informant.
h. Op 6 april 2005 informeerde [betrokkene 4] zijn CIE-runner 'de Oudste’ tussen 14.45 en 14.50 uur telefonisch over een partij van € 80.000,- aan valse 500 euro-biljetten, waarmee 'iemand rond rijdt' en het feit dat hij zelf in bezit is van een vals 500 euro-biljet en 'een gedeelte' weet van 'de identiteit'.