Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
VORDERING TOT CASSATIE
Het hof is van oordeel dat de klaagschriftprocedure ten aanzien van de inbeslaggenomen Mercedes in rechtstreeks verband staat met de strafzaak, in welke zaak verzoeker is vrijgesproken. Artikel 591a, tweede lid, Sv kan dan ook om die reden - ondanks de ongegrondverklaring van het beklag – als directe grondslag dienen voor de vergoeding van de kosten van de raadsman in de klaagschriftprocedure, zodat appellant ontvankelijk is in zijn verzoek.
Dit zou anders zijn indien het verzoek zelfstandig gegrond is op art. 591a, tweede lid Sv jo. art. 591a, vierde lid, Sv jo. 591, vijfde lid Sv, omdat in die zelfstandige procedure de afwijzing van het beklag aan de ontvankelijkheid van het verzoek in de weg staat. Dit is hier echter niet aan de orde.
Gelet op het voorgaande acht het hof gronden van billijkheid aanwezig voor toewijzing van dit deel van het verzoek.”
Ten aanzien van het verzoek om vergoeding van de kosten van de raadsman heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
Een verzoek tot toekenning van een dergelijke vergoeding kan, gelet op het van overeenkomstige toepassing verklaarde tweede lid van art. 591 Sv Pro, worden ingediend “binnen drie maanden na het eindigen van de zaak”. Onder het eindigen van de zaak dient in dit verband te worden verstaan het onherroepelijk worden van de beslissing op het op de voet van art. 552a Sv ingediende klaagschrift.
In zijn beslissing van 24 augustus 2018 (ECLI:NL:GHAMS:2018:3597) oordeelt het hof Amsterdam eveneens dat indien een klaagschrift ex art. 552a Sv gegrond wordt verklaard er bij een verzoek op grond van art. 591 lid 2 en Pro lid 5 in verbinding met art. 591a lid 2 en lid 4 (oud) Sv sprake is van een zelfstandige kostenvergoeding waarop geheel los van de strafzaak en ongeacht de afloop daarvan een beroep kan worden gedaan. Onder het einde van de zaak dient in dat geval de onherroepelijke beslissing op het klaagschrift op de voet van art. 552a Sv te worden begrepen.
Ook de rechtbank Noord-Holland beschouwt in een beslissing van 5 april 2019 (ECLI:NL:RBNHO:2019:2862) het verzoek tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand in een beklagzaak ex art. 552a Sv “als een zelfstandige kwestie die los staat van de uitkomst van de strafzaak. Ongeacht de afloop daarvan kan daarom een verzoek worden gedaan tot toekenning van een kostenvergoeding”. De rechtbank voegt eraan toe dat onder het eindigen van de zaak in dit verband het onherroepelijk worden van de beslissing op het klaagschrift moet worden verstaan; het verzoek moet dus binnen drie maanden nadat de beslissing op het klaagschrift onherroepelijk is geworden worden ingediend.
In de zaak die ten grondslag ligt aan de beslissing van het hof Amsterdam van 20 september 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:3418) gaat het om een klaagschrift ex art. 552a Sv waarbij om teruggave van een inbeslaggenomen telefoon wordt verzocht. Die teruggave is verzocht in een klaagschrift van 8 februari 2018, nadat verzoeker/gewezen verdachte bij vonnis van de politierechter van 25 januari 2018 is vrijgesproken zonder dat een beslissing is genomen over het beslag en nadat de officier van justitie op 7 februari 2018 in hoger beroep is gegaan. Omstreeks 25 maart 2018 is de telefoon aan klager teruggegeven, waarna op 5 april 2018 het klaagschrift is ingetrokken. Het hof overweegt dat uit de beslissing van de Hoge Raad van 3 februari 2009 volgt dat bij gegrondverklaring van het klaagschrift op de voet van art. 552a Sv klager een verzoek ex art. 591a Sv kan indienen, maar dat hier niet uit volgt dat verzoeker niet-ontvankelijk zou zijn in dat verzoek na een klaagschrift dat is geëindigd op een andere wijze dan met het onherroepelijk worden van een rechterlijke beslissing. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om bij verzoeken ex art. 591a Sv na een klaagschrift ex art. 552a Sv het materiële gevolg niet beslissend te laten zijn; namelijk of de zaak eindigt met teruggave van goederen waarop het klaagschrift ziet. In deze zaak gaat het hof uit van een zelfstandige procedure die los staat van de strafzaak.
Hetzelfde geldt voor de beslissing van de rechtbank Den Haag van 1 oktober 2019 (ECLI:NL:RBDHA:2019:10606). Ook in die zaak was het klaagschrift ex art. 552a Sv ingetrokken nadat de inbeslaggenomen telefoon was teruggegeven voordat het klaagschrift in raadkamer was behandeld. De rechtbank gaat onder verwijzing naar de beslissing van de Hoge Raad van 3 februari 2009 uit van een zelfstandige procedure die los staat van de strafzaak. De rechtbank ziet geen aanleiding om bij verzoeken ex art. 591a Sv die strekken tot vergoeding van kosten na het eindigen van een beklagprocedure het materiële gevolg niet beslissend te laten zijn. Doorslaggevend is of teruggave is gevolgd van voorwerpen waarop het klaagschrift ziet.