Conclusie
1.Inleiding
2.Procesgang
3..Juridisch kader
- art. 1:
- art. 6:
- art. 9:
- art. 11:
- art. 13:
- art. 14:
- art. 5.4.4 Sv:
- art. 5.4.7, eerste lid, Sv:
- art. 5.4.9 Sv:
- art. 5.4.10 Sv:
Parket bij de Hoge Raad
In deze zaak betreft het een cassatieberoep tegen de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland die het klaagschrift ex art. 552a Sv ongegrond verklaarde. Het klaagschrift betrof de inbeslagneming van handelsvoorraad en administratie van klaagster op grond van een Europees onderzoeksbevel (EOB) uitgevaardigd door de Duitse autoriteiten wegens overtreding van het Duitse Arzneimittelgesetz.
De kern van het geschil betrof de vraag of sprake was van dubbele strafbaarheid, aangezien klaagster stelde dat de producten in Nederland als aanvullend diervoeder mogen worden verkocht en niet als diergeneesmiddelen, en daarmee niet strafbaar zijn. De rechtbank oordeelde dat het materiële feit zoals omschreven in het EOB binnen de Nederlandse strafbaarstelling van art. 2.19 Wet dieren valt, zodat dubbele strafbaarheid is gegeven.
Daarnaast werd betwist of de inbeslagneming van de volledige voorraad proportioneel was. De rechtbank oordeelde dat zij geen bevoegdheid heeft om de proportionaliteit van het beslag te toetsen zodra het beslag als bewijsmateriaal geldt dat de uitvaardigende autoriteit middels het EOB wilde verkrijgen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatieberoep af.
Ook werd geklaagd dat de rechtbank geen beslissing had genomen over de image van de computer die was gemaakt, maar de Hoge Raad concludeert dat de rechtbank dit wel degelijk heeft gedaan door het klaagschrift integraal ongegrond te verklaren. De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de beschikking van de rechtbank die het klaagschrift ongegrond verklaarde wordt bekrachtigd.