Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
“bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vierenvijftig dagen, waarvan zeven dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, een en ander onder aftrek op grond van artikel 27 Sr Pro. Naast de algemene voorwaarden heeft het hof een bijzondere voorwaarde gesteld, een en ander zoals nader in het arrest omschreven.
eerste middelklaagt dat de veroordeling voor de onder 2 tenlastegelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht onbegrijpelijk is in het licht van de uitdrukkelijk onderbouwde standpunten die door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep zijn ingenomen ten aanzien van de betrouwbaarheid van de aangeefster. Met name zou het hof onvoldoende gemotiveerd zijn afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat het mes door de aangeefster is gepakt.
(…)
hij op 30 september 2017 te [plaats] [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door haar een mes te tonen en met dat mes stekende bewegingen te maken en dat mes tegen haar hals te drukken en daarbij tegen haar te zeggen: “Als je niet samen met mij wilt zijn, dan zal je met niemand zijn”.”
1. Een proces-verbaal van aangifte d.d. 30 september 2017 van de politie Eenheid Rotterdam met nr. PL1700-2017309378-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (blz. 6-9):
(…)
(…)
."
.”
”
"
"
”
”
’’
tweede middelklaagt dat de strafoplegging onbegrijpelijk is in het licht van de daaraan ten grondslag gelegde motivering.
(…)
(…)
onvoorwaardelijke deelvan de gevangenisstraf, te weten zevenenveertig dagen, blijft een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van dertig dagen over. [3] Nu het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf uitstijgt boven de in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd, berust de opgelegde straf, beschouwd in het licht van de strafmotivering, op een kennelijke misslag hetgeen nietigheid met zich moet brengen, aldus begrijp ik het middel.
gelet op de reeds eerder in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd”, “
het onvoorwaardelijke deel van deze straf al heeft uitgezeten” en (slechts) “
een waarschuwing van 7 dagen als voorwaardelijk opgelegde straf resteert”, lijkt de strafoplegging in hoger beroep inderdaad te berusten op een misslag. Mijns inziens kan de Hoge Raad het bestreden arrest dan ook lezen met verbetering van deze misslag, namelijk dat aan de verdachte
een gevangenisstraf is opgelegd van vierentwintig dagen, waarvan zeven dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarmee komt aan het middel de feitelijke grondslag te ontvallen. [5]