Conclusie
1.Feiten en procesverloop
ex nunchad moeten worden beoordeeld, maar naar het tijdstip van de uitspraak op het verzet dat door de schuldenaar is ingesteld tegen het vonnis waarbij bij verstek het faillissement is uitgesproken. In zijn arrest van 5 juni 2015 [3] heeft de Hoge Raad deze klacht gegrond geacht. De Hoge Raad overwoog onder meer:
ten overvloede, naar aanleiding van het middelonderdeel dat zich keerde tegen de vaststelling dat HSK behoorlijk was opgeroepen voor de zitting van de rechtbank van 2 september 2014, als volgt:
isingediend, hoewel dat ten tijde van uitbrengen van dat exploot (nog) niet het geval was. Dezelfde advocaat had HSK in een andere zaak ook op een dergelijke manier opgeroepen. De bestuurder van HSK is toen naar de rechtbank afgereisd, waar bleek dat geen verzoekschrift was ingediend. Gezien deze ervaring, heeft HSK direct na ontvangst van het op 22 juli 2014 uitgebrachte exploot bij de rechtbank navraag gedaan of op 2 september 2014 werkelijk de mondelinge behandeling zou plaatsvinden van een verzoek tot faillietverklaring van HSK . Dit bleek niet het geval te zijn. HSK is om die reden op 2 september 2014 niet ter zitting van de rechtbank verschenen.
conditio sine qua non-verband bestaat tussen de wijze van oproepen en de door HSK als gevolg van dit faillissement geleden schade (rov. 4.7).
mogelijkheidvan schade aannemelijk is, hetgeen een voorwaarde is voor toelating tot de schadestaatprocedure (rov. 4.1). Het hof heeft de rechtbank niet gevolgd in deze redenering. Het hof overwoog:
2.Bespreking van het principaal cassatieberoep
onderdeel 1keert HSK zich tegen de verwerping door het hof (in rov. 4.6) van haar primaire standpunt dat de aanvrager van een faillissement geacht moet worden onrechtmatig jegens de schuldenaar te hebben gehandeld indien het vonnis waarbij het faillissement is uitgesproken na het aanwenden van een rechtsmiddel daartegen (uiteindelijk, na hoger beroep, cassatie en verwijzing) wordt vernietigd. Volgens HSK heeft het hof miskend dat reeds op grond hiervan alle schade die zij als gevolg van het faillissement heeft geleden ten laste van de in het ongelijk gestelde aanvrager behoort te komen. Het hof heeft ten onrechte een andere maatstaf aangelegd, door de vordering tot schadevergoeding slechts toewijsbaar te achten indien sprake is geweest van misbruik van procesrecht door [verweerders] of ander onrechtmatig handelen in de zin van art. 3:13 BW Pro.
subonderdeel 1.1herhaalt HSK dat zij in deze aansprakelijkheidsprocedure een overeenkomstige toepassing had bepleit van de norm in HR 1 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:542, NJ 2016/189. Indien het hof de grondslag van de vordering van HSK anders heeft uitgelegd, is die andere uitleg volgens de klacht onbegrijpelijk in het licht van haar in het subonderdeel genoemde stellingen. [9]
conservatoirbeslag vervalt wanneer niet binnen de daarvoor gestelde termijn een geldige eis in de hoofdzaak is ingesteld (zie art. 700 lid 3 Rv Pro) of wanneer de vordering, ter verzekering waarvan het beslag is gelegd, geheel wordt afgewezen en deze afwijzing kracht van gewijsde heeft verkregen. Een
executoriaalbeslag kan komen te vervallen wanneer de vordering in de hoofdzaak aanvankelijk is toegewezen, maar na het aanwenden van een rechtsmiddel daartegen alsnog wordt ontzegd. In zulke gevallen is de beslaglegger, bijzondere omstandigheden daargelaten, aansprakelijk voor de schade die de beslagene als gevolg van het beslag heeft geleden. [12]
risico-aansprakelijkheid, maar van een
schuld-aansprakelijkheid met toerekening op grond van verkeersopvattingen. [16] Op zich lijkt mij juist dat de gevolgen van het (naar achteraf blijkt: ten onrechte) leggen van het beslag op andermans goederen (ook) op grond van de in het verkeer geldende opvattingen als een onrechtmatige daad aan de beslaglegger zouden kunnen worden toegerekend op de voet van art. 6:163 lid 3 BW Pro. [17] De vraag blijft dan wel, of het klopt dat een verkeersopvatting met deze inhoud bestaat. [18]
op zichzelfniet kan worden beschouwd als onrechtmatig. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan dit anders zijn. [22] Deze rechtsopvatting sluit aan bij meer algemene inzichten over de maatstaf ten aanzien van onrechtmatig procederen. [23] Zo overwoog de Hoge Raad op 6 april 2012 het volgende:
van de aanvrager; niet op een afweging tussen het belang van de aanvrager en de belangen van anderen waaronder de schuldenaar. [26] Het antwoord op de vraag of de aanvrager een redelijk belang bij de verzochte faillietverklaring heeft is feitelijk van aard en kan daarom in cassatie niet op juistheid worden getoetst. [27]
een verzoekschrift waarmee requirant(e) zich heeft gewend tot de rechtbank”, en inmiddels vaststaat dat het verzoekschrift tot faillietverklaring pas geruime tijd na de betekening ter griffie van de rechtbank is ingekomen;
in het algemeenverbonden zijn aan “[e]en dergelijke gang van zaken”. Daarom kon het hof uit deze overweging van de Hoge Raad logisch niet afleiden dat het gestelde telefoongesprek van HSK met de griffie van de rechtbank op 22 juli 2014
nietheeft plaatsgevonden. Evenmin kon het hof daaruit afleiden dat de inhoud van dat telefoongesprek
nietertoe heeft bijgedragen dat HSK ter zitting van 2 september 2014 niet is verschenen. Daarom is onbegrijpelijk waarom de stelling van HSK over het telefoongesprek in strijd zou zijn met een vaststelling in het arrest van de Hoge Raad. Tot zover de klacht.
direct na ontvangst van de oproeping, op 22 juli 2014, aan de bestuurder van HSK telefonisch had medegedeeld dat bij de rechtbank geen verzoek tot faillietverklaring van HSK bekend was. Het hof heeft in rov. 4.3 overwogen dat deze, door verweerders betwiste, stelling – die impliceert dat HSK binnen één dag na kennisneming van de oproeping al uitsluitsel verkreeg van de griffie − niet rijmt met de constatering in rov. 3.4.3 van het arrest van de Hoge Raad van 5 juli 2015 dat HSK “gedurende meer dan vier weken” in de veronderstelling verkeerde dat de faillissementsaanvraag op een bepaalde dag (in casu: 2 september 2014) zou worden behandeld. Die overweging van het hof is niet onlogisch.
dithoger beroep” [42] op de weg van HSK had gelegen om alsnog uitdrukkelijk bewijs aan te bieden van haar stelling dat het gestelde telefoongesprek heeft plaatsgehad, doch dat een bewijsaanbod niet is gedaan. Met deze woordkeuze bedoelt het hof kennelijk dat HSK uit het debat over dezelfde kwestie in de verzetprocedure had moeten begrijpen dat ook in deze aansprakelijkheidsprocedure het op de weg van HSK lag om bewijs van deze betwiste stelling te leveren of aan te bieden. Het subonderdeel faalt.
subonderdeel 3.3klaagt HSK over het oordeel dat de geschonden norm (namelijk art. 1.1.4.3 van het Procesreglement verzoekschriftprocedure insolventiezaken rechtbanken) ertoe strekt, te waarborgen dat HSK in staat wordt gesteld om gebruik te maken van haar recht over het verzoek tot faillietverklaring te worden gehoord. Volgens de klacht heeft het hof miskend dat deze norm een verder gaande strekking heeft, namelijk: het voorkómen dat een faillissement wordt uitgesproken zonder dat degene wiens faillissement is verzocht daarover wordt gehoord. Door een deugdelijke oproeping moet worden voorkómen dat ten onrechte een faillissement wordt uitgesproken en gepubliceerd.
Alduswordt zoveel mogelijk voorkómen dat de gerekwestreerde in een faillissementszaak failliet wordt verklaard zonder tevoren over dat faillissementsverzoek te zijn gehoord. Het gaat om twee zijden van dezelfde medaille. Subonderdeel 3.3 treft daarom geen doel.
nietertoe heeft bijdragen dat HSK niet is verschenen ter zitting van 2 september 2014, en/of
nietmeebrengt dat deze handelwijze niet als een onrechtmatige daad aan verweerders. kan worden toegerekend, geeft het oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent causaal verband en/of omtrent toerekenbaarheid. Verder noemt HSK het bestreden oordeel onbegrijpelijk tegen de achtergrond van “de vaststaande feiten van deze zaak”. Volgens het subonderdeel geldt dit temeer indien ervan wordt uitgegaan dat de inhoud van het telefoongesprek van 22 juli 2014 ertoe heeft bijgedragen dat HSK niet ter zitting van 2 september 2014 verscheen.
mogelijkheidvan schade als gevolg van die handelwijze niet aannemelijk is, rechtens onjuist is, althans ontoereikend gemotiveerd. Het hof gaat uit van een te strenge maatstaf omtrent de mogelijkheid van schade. Verder heeft het hof géén van de stellingen van HSK omtrent de door deze handelwijze van verweerders veroorzaakte schade kenbaar in zijn overwegingen betrokken. [43]
veronderstellenderwijsaangenomen onrechtmatige handelen van verweerders – het niet op de juiste wijze oproepen van de schuldenaar - en de door HSK gestelde schade ontbreekt. Daartoe heeft het hof redengevend geacht dat in dit geding niet is komen vast te staan dat het door HSK gestelde telefoongesprek op 22 juli 2014 met de griffie heeft plaatsgevonden. Het hof overweegt aan het slot van rov. 4.3 dat de kans op schade niet aannemelijk is
voor zoverde stellingen van HSK daaromtrent zijn gestoeld op de mededelingen die in het telefoongesprek door de griffie aan de bestuurder van HSK zouden zijn gedaan. Tegen deze achtergrond behoefden de overige stellingen van HSK omtrent door haar geleden schade geen behandeling meer. Subonderdeel 3.5 faalt.
niethet standpunt heeft ingenomen dat het faillissement van HSK gehandhaafd diende te blijven, niettegenstaande de voldoening van haar vordering (althans van oordeel is geweest dat niet is komen vaststaan of [verweerster 1] in de verzetprocedure dat standpunt heeft ingenomen), is dat oordeel volgens de klacht onbegrijpelijk. In de uitwerking van deze klacht verwijst HSK naar het verzetvonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 11 september 2014 (rov. 2.5), waarin werd overwogen: “
Daarnaast heeft [de advocaat] ter terechtzitting gesteld dat hij blijft bij zijn verzoek nu weliswaar de vordering is betaald op zijn derdenrekening echter met de aantekening “onder protest”.” [44] Volgens het subonderdeel hebben [verweerders] in deze aansprakelijkheidsprocedure niet serieus bestreden dat in de verzetprocedure door hen naar voren is gebracht dat het uitgesproken faillissement van HSK in stand zou moeten blijven.
alleschuldeisers bepaalt en dat daarbij past dat de appelrechter niet reeds gehouden is het vonnis van faillietverklaring te vernietigen op de enkele grond dat de schuldenaar stelt, en de aanvrager niet weerspreekt of zelfs erkent, dat het aan de rechter in eerste aanleg summierlijk gebleken vorderingsrecht van de aanvrager niet bestaat. [46] . Eerst nadien, in het meergenoemde arrest van 2 juni 2015, heeft de Hoge Raad geoordeeld dat deze nuancering niet op haar plaats is in het geval dat de schuldenaar niet op de aanvraag is gehoord vóórdat hij in staat van faillissement is verklaard, en de schuldenaar vervolgens verzet tegen het faillissementsvonnis doet. De rechtsklacht en de motiveringsklacht stuiten mijns inziens hierop af.
ex nunc− geldt, en niet de nuancering die in het arrest van HR 10 november 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AY6204) daarop is aangebracht.
feitelijkjuist is dat de bestuurder van HSK van de advocaat van [verweerster 1] had verlangd dat deze het faillissementsrekest introk. In deze volzin gaat het dus niet om de vraag of verweerders aansprakelijk kunnen worden gesteld wanneer het door hen in rechte ingenomen standpunt niet verenigbaar is met de in het arrest van 5 juni 2015 onder woorden gebrachte rechtsregel. Ook subonderdeel 4.2 faalt.
3.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
subonderdeel 1.2, het hier bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd, door niet kenbaar acht te slaan op deze stellingen van [verweerders] Bovendien is de redengeving volgens de klacht innerlijk tegenstrijdig, nu het hof enerzijds overweegt dat grief II slaagt (zie rov. 4.4) en tegelijk uitgaat van de veronderstelling dat [verweerders] onrechtmatig jegens HSK hebben gehandeld (rov. 4.1), hetgeen met de tweede grief nu juist door hen werd bestreden.
veronderstellenderwijservan uitgegaan dat [verweerders] onrechtmatig hebben gehandeld door HSK niet naar behoren op te roepen voor de zitting van de rechtbank in de faillissementsprocedure (rov. 4.1, eerste volzin). Het hof heeft vervolgens de vraag besproken of het
verondersteldeonrechtmatig handelen tot schadevergoeding verplicht. Die vraag heeft het hof ontkennend beantwoord, omdat naar het oordeel van het hof het vereiste oorzakelijk verband ontbreekt tussen het niet naar behoren oproepen en de gestelde schade als gevolg van het faillissement.
nadatop 22 juli 2014 het beweerde gesprek tussen HSK en de griffie van de rechtbank zou hebben plaatsgevonden) heeft bevestigd dat haar verzoek tot faillietverklaring van HSK inmiddels aanhangig was gemaakt bij de rechtbank en dat de zitting van 2 september 2014 gewoon doorgang zou vinden. [49]
nietin de weg heeft gestaan aan de uitoefening door HSK van haar recht om op het verzoek tot faillietverklaring te worden gehoord: “
Die oproeping was immers duidelijk, en daarin werd een datum aangekondigd waarop HSK daadwerkelijk van dit recht gebruik had kunnen maken.” In deze redenering behoefde het hof niet uitdrukkelijk in te gaan op de stelling die in dit middelonderdeel is bedoeld. Daarom faalt deze klacht. Indien onderdeel 3 van het principaal cassatieberoep van HSK zou slagen, dat tegen deze redenering van het hof is gericht, kan de betreffende stelling van [verweerders] in de procedure na verwijzing alsnog aan de orde komen.