Conclusie
Vlimo c.s.
SNCU
1.Feiten
arrestrespectievelijk het
hof). [1]
[eiser 1]) is enig bestuurder en (middellijk) aandeelhouder van [eiseres 3] B.V. (hierna:
Holding). Holding is op haar beurt enig bestuurder van Vlimo Tuinbouwprojecten B.V. (hierna:
Vlimo). Vlimo is bestuurder van Tido Vesta Nederland B.V. (hierna:
TVN), een uitzendbureau met voorheen 150 medewerkers.
VRO) eind 2006/begin 2007 een onderzoek uitgevoerd bij TVN in het kader van een controle naar de naleving van de CAO voor Uitzendkrachten (hierna: de
CAO), waarbij een aantal overtredingen werd geconstateerd in de periode eind 2005-eind 2006. In een rapport van 30 januari 2007 heeft VRO de materiële benadeling van de werknemers van TVN (in het rapport aangeduid als ‘indicatieve materiële afwijking’) geschat op een schadebedrag van € 624.476,--. Bij brief van 2 februari 2007 heeft VRO aan TVN bericht dat de materiële benadeling naar boven toe moet worden bijgesteld tot € 804.498,--.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie van partijen bevolen. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 20 september 2016. Daarvan is een proces-verbaal opgemaakt. Voorafgaand aan de comparitie hebben Vlimo c.s. vijf producties in het geding gebracht.
eindvonnis) heeft de rechtbank de vordering van SNCU toegewezen. De vordering van Vlimo c.s. in reconventie heeft zij afgewezen. [3]
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Tiddo Vesta), een B.V. van [betrokkene 1] (hierna:
[betrokkene 1]), bestuurder en (voor 50%) aandeelhouder van TVN was (en is); en dat [eiser 1] , via “de genoemde 2 BV’s van hem”, dus geen doorslaggevende zeggenschap in het bestuur of de algemene vergadering van TVN had of heeft. [11] Dit zou, naar ik begrijp (zie met name par. 3.C onder 2-7), relevant zijn voor de verdeling van de stelplicht/bewijslast tussen partijen en voor de beoordeling van (de bestrijding van) de aan Vlimo c.s. verweten betalingsonwil.
enigbestuurder en (middellijk) aandeelhouder is van Holding en dat Holding op haar beurt
enigbestuurder is van Vlimo, hetgeen de betekenis van het ontbreken van het woord “enig” ten aanzien van Vlimo als bestuurder van TVN onderstreept. Anders dan het onderdeel veronderstelt, [13] heeft het hof in rov. 2.1 dus
nietals feit vastgesteld dat Vlimo
enigbestuurder (en enig aandeelhouder) is van TVN. Dat het hof bij de beoordeling van de vordering van SNCU daadwerkelijk voor ogen heeft gehad dat [eiser 1] (via Holding en Vlimo) niet de enig bestuurder (en enig aandeelhouder) van TVN was, blijkt bovendien uit onder meer rov. 3.10 van het arrest. In die rechtsoverweging (mede te lezen in verbinding met rov. 3.8, eerste zin) respondeert het hof op het betoog van Vlimo c.s., in het kader van hun bestrijding dat aan hun zijde sprake is van betalingsonwil, “dat [eiser 1] geen doorslaggevende stem had in het bestuur van TVN” en dat “hij rekening moest houden met zijn Poolse compagnon ( [betrokkene 1] )”. Volgens het hof kan dit betoog Vlimo c.s. evenwel niet baten, omdat SNCU terecht heeft aangevoerd dat ingevolge de wet alle bestuurders van een vennootschap afzonderlijk vertegenwoordigingsbevoegd zijn (art. 2:240 lid 2 BW Pro, de toepasselijke bepaling bij een B.V. zoals TVN) en dat uit niets blijkt dat [eiser 1] een uit de wet voortvloeiende beperkte bevoegdheid had (art. 2:240 lid 3 BW Pro, idem), terwijl uit de uittreksels uit het handelsregister blijkt dat “
de bestuurders van TVNzelfstandig en alleen bevoegd zijn” [onderstreping, A‑G].
onderdeel 2komt met rechts- en motiveringsklachten op tegen rov. 2.1 en het dictum van het arrest (zie par. 4.B).
nietuitsluitend gebaseerd is op het door Vlimo c.s. goedkeuring verlenen aan het besluit tot dividenduitkering medio 2013 (ook niet als “tweede grondslag”), [20] maar op een samenstel van omstandigheden (waaronder die verleende goedkeuring) waaruit de verweten betalingsonwil van Vlimo c.s. voortvloeit. Voor zover het onderdeel uitgaat van een andere lezing van het arrest, mist het derhalve feitelijke grondslag.
was er waarschijnlijk ook gewoon geweest” [onderstreping, A‑G].
Het gaat dan om ruim 100.000 euro, het verschil tussen wat was uitbetaald aan Poolse mensen en hetgeen er nog lag voor de rest.
Dat bedrag kan Tido Vesta eenvoudig betalen” [onderstrepingen, A‑G].
Ontvanger/ […](zie rov. 3.4). Ook Vlimo c.s. onderkennen dat dit oordeel in rov. 3.5 juist is (zie de toelichting in par. 5.C onder 2, 3 en 4), maar stellen dat het hof deze stelplicht- en bewijslastverdeling vervolgens “op diverse plaatsen” en “in diverse latere [rechtsoverwegingen]” niet in acht neemt (zie par. 5.C onder 4). Onduidelijk is op welke concrete rechtsoverwegingen van het hof Vlimo c.s. hiermee doelen. De procesinleiding, par. 5.B (aanhef) noemt weliswaar een groot aantal rechtsoverwegingen, maar licht niet toe waarom het hof in (al) die rechtsoverwegingen de stelplicht- en bewijslastverdeling zou hebben miskend.
Van Waning/Van der Vliet-arrest van de Hoge Raad, [35] dat Vlimo c.s., anders dan in dat arrest “de DGA van Van der Vliet Jachtmakelaars BV”, niet als kort gezegd de enig bestuurder/enig aandeelhouder ‘de volledige zeggenschap’ hadden in TVN. Zoals al bij de bespreking van onderdeel 1 aan de orde kwam, heeft het hof evenwel niet miskend dat Vlimo c.s. niet een ‘DGA’ met dergelijke volledige zeggenschap in TVN waren, mede gelet op rov. 2.1 onder i en rov. 3.10 waaruit duidelijk van het tegendeel blijkt. Zie nrs. 3.6-3.8. Volledigheidshalve merk ik nog op dat (ook) uit de overwegingen in rov. 3.10 niet blijkt dat het hof Vlimo c.s. met een verzwaarde stelplicht heeft belast, voor zover Vlimo c.s. dat bedoeld hebben te betogen. [36]
nietis tekortgeschoten in haar CAO-verplichtingen onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd en op de verwijzing in het dictum van dat arrest naar de door VRO geconstateerde overtredingen, zoals omschreven in punt 13 van de appeldagvaarding in die procedure (conform het rapport van VRO van 30 januari 2007). Voor zover het onderdeel (mede) klaagt over de lezing door het hof in de onderhavige procedure van de door Vlimo c.s. in hoger beroep aangevoerde bezwaren tegen de berekening van de materiële benadeling, als (uitsluitend) betrekking hebbend op wat het hof in de procedure tussen SNCU en TVN al dan niet zou hebben vastgesteld in dat arrest van 26 februari 2013 en gelet waarop (de omvang van) de vordering van SNCU op TVN volgens Vlimo c.s. niet (onherroepelijk) zou vaststaan, stuit het erop af dat de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan het hof als feitenrechter en dat de uitleg die het hof daaraan heeft gegeven dus niet onbegrijpelijk is gelet op de in de procesinleiding, par. 6.A, 6.B onder 3 sub 1-5 en 6.D aangehaalde stellingen van Vlimo c.s. [54] Voor zover het onderdeel in rov. 3.7 nog andere oordelen leest met betrekking tot (de uitleg van) het hof-arrest van 26 februari 2013 in de procedure tussen SNCU en TVN, mist het feitelijke grondslag.
Grief 5: Consignatie van nabetaling salaris t.b.v. ex‑werknemers Tido Vesta over periode 2005-2006
Grief 7: Niet betaling aan SNCU (…), noch door Tido Vesta noch door [Vlimo] c.s.
schuldeisersverzuim(zie nr. 3.37). Artikel 6:58 BW Pro bepaalt dat sprake is van schuldeisersverzuim wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat de schuldeiser de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. Hoewel Vlimo c.s. hebben aangevoerd dat sprake is van schuldeisersverzuim, omdat het niet lukt om alle betrokken ex‑werknemers van TVN te traceren en sommigen na in maart 2015 te zijn aangeschreven niet reageren en/of niet hun bankgegevens verstrekken, [68] ligt in rov. 3.9, derde t/m vijfde zin besloten dat het hof (ook) dit betoog verwerpt en dat het volgens het hof
nietdie betrokken ex‑werknemers zijn die in verzuim verkeren (zie ook nr. 3.45 hierna). [69] Uit de door Vlimo c.s. in hoger beroep ingenomen stellingen blijkt m.i. ook niet dat aan álle vereisten voor consignatie is voldaan. [70] Tot slot is nog op te merken dat het onderdeel eraan voorbij lijkt te zien dat consignatie de schuldenaar (in dit geval TVN) niet definitief bevrijdt van zijn verbintenis tot betaling (zie nr. 3.37).
Ontvanger/ […], [80] welk arrest blijkens rov. 3.4 (in cassatie als zodanig niet bestreden) “ook volgens partijen de hier toepasselijke maatstaf behelst” en nadien, in wat gerust bestendige rechtspraak mag heten, door de Hoge Raad bevestigd is in onder meer de arresten
Spaanse Villa, [81] Hezemans Air, [82] RCI, [83] TMF, [84] en twee arresten van eerder dit jaar. [85] In het
Air Holland-arrest [86] heeft de Hoge Raad verduidelijkt dat voor een persoonlijk ernstig verwijt als bedoeld in het arrest
Ontvanger/ […]voldoende is dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten, kort gezegd, ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van een vordering op de vennootschap. Verder blijkt uit het hiervoor al genoemde
TMF-arrest dat uit het persoonlijke karakter van het ernstige verwijt dat de bestuurder in het kader van art. 6:162 BW Pro moet kunnen worden gemaakt, volgt dat voor het aannemen van aansprakelijkheid (behoudens bij toepassing van art. 2:11 BW Pro) [87] voor iedere bestuurder afzonderlijk moet worden vastgesteld dat hij in zijn hoedanigheid onrechtmatig heeft gehandeld en dat dit handelen (waaronder is begrepen nalaten) aan hem kan worden toegerekend. [88]
Ontvanger/ […] [90] gestoelde bestuurdersaansprakelijkheid meer specifiek in de sleutel van ‘betalingsonwil’ aan de zijde van Vlimo c.s., gelet ook op die voorliggende vordering van SNCU (zie o.a. rov. 3.8, eerste zin en rov. 3.11, eerste zin, gelezen in samenhang met rov. 3.6 en 3.3). Hoewel dit niet een vastomlijnd begrip is, refereert ook de Hoge Raad daaraan wel in bestuurdersaansprakelijkheidsprocedures op de voet van art. 6:162 BW Pro. [91]
[TVN] is actief geweest vanaf 2002. [TVN] is negatief in het nieuws [TVN] heeft haar activiteiten gestaakt begin 2014. Noodgedwongen.De periode waarop deze procedure ziet is 15-9-5 t/m 6-11-6. Na het beëindigen van haar activiteiten had [TVN] nog een vermogen dat voldoende was om haar verplichtingen na te komen uit de periode 15-9-5 t/m 6-11-6 voor het bedrag dat het volgens SNCU moest zijn (± 800.000)” [onderstreping, A-G].
enkelhet verlenen van goedkeuring aan het dividendbesluit medio 2013, [143] gaat het uit van een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Dit kwam reeds aan de orde bij de bespreking van de onderdelen 2 en 8, waarnaar ik hier dan ook kortheidshalve verwijs. Zie nrs. 3.13-3.14, 3.58-3.60 en 3.63.