Conclusie
Nummer 19/02780 CW
De ontnemingsmaatregel en het faillissement van de veroordeelde
Wanneer evenwel een verdachte, te wiens aanzien de oplegging van een hoge geldboete of van de maatregel van art. 36e Sr te verwachten is of in eerste aanleg reeds heeft plaatsgevonden, failliet is verklaard, wordt het openbaar ministerie de bevoegdheid gegeven namens de staat als schuldeiser in het faillissement op te komen, met de mogelijkheid dat de faillissementspauliana door de curator in het faillissement op grond van de artikelen 43 of 45 Fw wordt ingesteld. Het openbaar ministerie zal daarbij wel, net als in geval van conservatoir beslag, een (maximum)bedrag van de vordering moeten aangeven waarin het als vertegenwoordiger van staat als schuldeiser opkomt. Daarom is bepaald dat in zo'n geval de officier van justitie geacht wordt voor een voorwaardelijke vordering op te komen. Indien, voordat het tot de oplegging van een geldboete of een maatregel tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is gekomen, de curator tot verificatie en afwikkeling van het faillissement wil overgaan, kan hij op grond van artikel 133 Fw Pro zelf tot een schatting komen van het bedrag waarop de vordering van de staat ware te bepalen. Geeft hij geen toepassing aan die bevoegdheid, dan zal hij de vordering van de staat niet voor erkenning in aanmerking brengen. In zo'n geval zal de staat naderhand, wanneer het bedrag van de boete of van het te ontnemen voordeel definitief door de rechter is vastgesteld, op andere wijze zijn vordering te gelde moeten zien te maken.
NJ2013/322 m.nt. Van Mierlo had de curator een verzoek gedaan tot opheffing van het beslag op voorwerpen die eigendom van de gefailleerde waren. Uw Raad overwoog:
Het stelsel van de Faillissementswet brengt mee dat het faillissement, als algemeen beslag, in de plaats treedt van de maatregelen van executie die tevoren de schuldeisers afzonderlijk konden nemen. Dit komt onder meer tot uitdrukking in art. 33 Fw Pro, volgens hetwelk het vonnis van faillietverklaring ten gevolge heeft dat alle gerechtelijke tenuitvoerlegging een einde neemt en gelegde beslagen vervallen (vgl. HR 8 november 1963, NJ 1964, 144).
NJ2014/226 m.nt. Klip had het Gerechtshof te Leeuwarden de veroordeelde op 18 juli 2011 een ontnemingsmaatregel opgelegd. Het eerste middel klaagde dat het hof ten onrechte het onderzoek ter terechtzitting niet had geschorst teneinde de advocaat-generaal in de gelegenheid te stellen zijn vordering in te dienen bij de curator ter verificatie. Art. 29 Fw Pro zou, zo is in hoger beroep betoogd, aan het instellen van een ontnemingsvordering tegen de gefailleerde in de weg staan. Art. 29 Fw Pro luidt als volgt:
Aanwijzingen van het openbaar ministerie
‘1.5. Faillissement en ontnemingsvordering
Indien betrokkene in staat van faillissement is verklaard voordat de ontnemingsvordering ex artikel 511b Sv is uitgebracht, dient de ontnemingsvordering te worden ingesteld, tenzij er een redelijk vermoeden bestaat dat het faillissement niet binnen afzienbare tijd zal worden opgeheven en/of betrokkene in redelijkheid in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Dit betekent dat een op te leggen ontnemingsmaatregel niet meedeelt in de afwikkeling van het faillissement. Deze maatregel kan feitelijk eerst na de opheffing van dat faillissement ten uitvoer worden gelegd.
Indien betrokkene in staat van faillissement is verklaard nadat de ontnemingsvordering ex artikel 511b Sv is uitgebracht, doch voordat de ontnemingsvordering tot een opgelegde ontnemingsmaatregel heeft geleid, dient de ontnemingsvordering alleen ingetrokken te worden c.q. tot afwijzing van die vordering te worden gerequireerd, als er een redelijk vermoeden bestaat dat het faillissement niet binnen afzienbare tijd zal worden opgeheven en/of betrokkene in redelijkheid in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Een vervolgens opgelegde ontnemingsmaatregel kan niet in het faillissement worden ingebracht door indiening bij de curator. De ontnemingsmaatregel volgt dus niet de afwikkeling van dat faillissement.
Indien er hoger beroep tegen het ontnemingsvonnis wordt ingesteld terwijl de betrokkene na het uitspreken van het bestreden ontnemingsvonnis in staat van faillissement is verklaard, dient de advocaat-generaal het gerechtshof erop te wijzen dat:
• het integraal vernietigen van het bestreden vonnis leidt tot het niet participeren van de ontneming in het faillissement;
• het bekrachtigen c.q. partieel wijzigen van het bestreden ontnemingsvonnis wel leidt tot het participeren van de ontneming in het faillissement.’
‘6.5 Faillissement
Het gehomologeerd akkoord in faillissement
De beschikking waartegen deze vordering zich richt
subsidiairaangevuld in deze zin dat op grond van de gebrekkige draagkracht van verzoeker het nog verschuldigde moet worden kwijtgescholden dan wel verminderd.
BESLISSING:
Het gehomologeerd akkoord en de ontnemingsmaatregel
Het moment van ontstaan van de vordering
NJ1998/631 m.nt. Schalken bijvoorbeeld overwoog Uw Raad op basis van een analyse van de toepasselijke bepalingen dat in het geval ‘een veroordeelde geen draagkracht heeft en naar redelijke verwachting ook in de toekomst niet zal hebben’, de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging ingevolge art. 36e, vierde lid (oud, thans vijfde lid), Sr gebruik diende te maken. Van deze jurisprudentie is afscheid genomen na de wetswijziging waarbij de vervangende hechtenis werd ingeruild voor lijfsdwang. Sindsdien kan in het ontnemingsgeding de draagkracht alleen dan met vrucht aan de orde worden gesteld indien aanstonds duidelijk is dat de betrokkene op dat moment en in de toekomst geen draagkracht heeft of zal hebben. [39]
NJ2014/226 m.nt. Klip bij deze benadering aangesloten (randnummer 4.8). Hij wijst erop dat de vraag op welk moment de ontnemingsvordering is ontstaan in deze benadering veel van haar betekenis verliest: ‘Waar het op aankomt, is het moment waarop van een toekomstige vordering – die ter verificatie kan worden ingediend alsof zij als voorwaardelijke vordering bestaat – kan worden gesproken. Kortmann en Rijckenberg kiezen voor het moment waarop de officier van justitie de ontnemingsvordering bij de rechter aanhangig heeft gemaakt. (…) Ik meen dat ook andere (eerdere) momenten te verdedigen zijn: het moment waarop het SFO is ingesteld, het moment waarop de vordering ter zitting wordt aangekondigd (art. 313
(BFK: 311)lid 1 Sv) en misschien zelfs het moment waarop op voet van art. 94a lid 2 Sv conservatoir beslag is gelegd’. Ook Knigge kiest, blijkens deze voorbeelden, voor een formele benadering. Hij zou alleen een groter aantal formele momenten in aanmerking willen nemen. [43]