Conclusie
1.Feiten
Inleiding
2.Het procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel
namens[eiser 4] en [eiser 2] heeft ondertekend, zou onbegrijpelijk zijn. Volgens het subonderdeel hebben [eisers] in eerste aanleg toegelicht dat [verweerder 23] zonder volmacht of mandaat van [eiser 4] en/of [eiser 2] op 31 juli 2002 tot ondertekening van de overeenkomst met [betrokkene 4] tot overdracht van de aan [A] verbonden IE-rechten is overgegaan. [eiser 4] en [eiser 2] hebben deze overeenkomst, aldus het subonderdeel, pas op een latere datum ondertekend. [eisers] hebben deze stelling onverkort gehandhaafd in hoger beroep, en daarmee (impliciet) gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank ter zake. Het gaat volgens hen om voor de verdere beoordeling essentiële stellingen die het hof niet kenbaar in zijn oordeelsvorming heeft betrokken, zodat het hof in zijn motiveringsplicht is tekortgeschoten.
zonder mandaatop enige moment in “juli 2002” handtekeningen zou hebben gezet onder de overeenkomst betreffende de IE-rechten bindt [eiser 4] en [eiser 2] niet. Hetzelfde geldt voor instructies die hij zonder overleg met kopers heeft gedaan aan de notaris waarbij in ieder geval vaststaat dat hij die stukken op 13 augustus 2002 aan de notaris heeft gezonden met het oog op het opmaken van de leveringsakten. Dat [verweerder 23] zonder mandaat stukken tekent bevestigt dat hij het ook met andere details als data niet zo nauw neemt en bindt in ieder geval niet verkopers. Kopers betwisten uitdrukkelijk dat zij met “een secretaresse” van het notariskantoor contact hebben gehad over de datum van de koopovereenkomst.”
subonderdeel 1.1. [15]
cijfers2000 en 2002 – bedoeld zal zijn de jaarstukken 2001 en de halfjaarcijfers 2002 – (pas) op 13 respectievelijk 19 augustus 2002 voor [eisers] beschikbaar waren onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling van het hof in rov. 3.2 dat begin augustus 2002 reeds (een versie van de) (half)jaarcijfers aan [betrokkene 1] . zijn (is) verstuurd en voorts in het licht van de stellingen van [eisers] dat [verweerder 23] zich in juli en begin augustus 2002 in gesprekken met [eiser 4] en [eiser 2] positief over de
inhoud van de(half)jaarstukken 2001 en 2002 heeft uitgelaten, zodat voor kennis van de
cijfersirrelevant is of de
stukkenhen reeds ter beschikking waren gesteld. Het subonderdeel verwijst in dit verband naar par. 2.10.2 van de conclusie van repliek (integraal).
de concept halfjaarcijfers 2002begin augustus 2002 door [verweerder 23] aan
[betrokkene 1] .ter beschikking zijn gesteld. Mijns inziens wordt hetgeen het hof in rov. 4.4 heeft overwogen niet onbegrijpelijk door wat het hof in rov. 3.2 heeft overwogen. Het hof heeft het in rov. 3.2 over “de
concepthalfjaarcijfers” (mijn onderstreping, A-G). [betrokkene 1] . ontving dus (slechts) een concept; het subonderdeel heeft het echter over “een versie van de (half)jaarcijfers”. In rov. 4.4 daarentegen gaat het niet over een concept, maar over de jaarstukken 2001 en de halfjaarcijfers 2002. Een ander relevant verschil tussen de beide overwegingen is dat het in rov. 3.2 gaat over de concept halfjaarcijfers die ter beschikking zijn gesteld aan [betrokkene 1] . In rov. 4.4 daarentegen gaat het over terbeschikkingstelling aan de directie van [A] of [eisers]
over de inhoud van de(half)jaarstukken 2001 en 2002 heeft uitgelaten. De negende stelling doet immers een beroep op:
over de inhoud van de(half)jaarstukken 2001 en 2002 heeft uitgelaten. De stelling maakt zoals gezegd deel uit van par. 2.10.2 van de conclusie van repliek. De titel van deze paragraaf luidt als volgt: “Bewijs dat de financiële verslaglegging bepalend was voor totstandkoming van de koopovereenkomst met [eiser 4] en [eiser 2] ”. De stellingen in deze paragraaf, waaronder dus de negende stelling, strekken er derhalve toe te bewijzen dat de rapportages van [verweersters 1+11] bepalend waren voor de aankoop van de onderneming (de aandelen in [A] en de IE-rechten). Het hof heeft de stellingen in par. 2.10.2 althans zo mogen opvatten en heeft die dus niet hoeven te betrekken bij de vraag wanneer de jaarstukken 2001 en de halfjaarcijfers 2002 voor de directie van [A] of [eisers] beschikbaar waren.
subonderdeel 1.2faalt, is
onderdeel 1dus vergeefs voorgesteld.
cijfers2000, 2001 en 2002 niet aan hun investeringsbeslissing ten grondslag kunnen hebben gelegd, omdat de beslissing is genomen vóór het afkomen van de (half)jaar
stukken2000, 2001 en 2002, getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Het hof zou hebben miskend dat kennisname van informatie – hier de (ten onrechte) positief voorgespiegelde (half)jaar
cijfers– niet
enkelmogelijk is door kennisname van de (schriftelijke) stukken waarin die informatie is vervat, maar, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, óók mogelijk is door (positieve) uitlatingen over die informatie, of gedragingen op basis van die informatie, zoals omstandig door [eisers] betoogd. De investeringsbeslissing genomen op basis van de (half)jaar
cijfers2000, 2001 en 2002 hoeft dus niet noodzakelijkerwijs enkel, althans in doorslaggevende mate, af te hangen van het kennis kunnen nemen door [eisers 2+4] van de (half)jaar
stukken2000, 2001 en 2002, zoals het hof ten onrechte heeft overwogen.
stukken, maar ook en vooral op de daaraan voorafgaande adviezen, gedragingen en uitlatingen van [verweerder 23] namens [verweerders] Het hof verliest volgens het subonderdeel bovendien uit het oog dat [eiser 4] en [eiser 2] blijkens de gedingstukken hun investeringsbeslissing tot aankoop van de aandelen en de IE-rechten niet pas hebben genomen op grond van de gereedgekomen halfjaarstukken 2000 tot en met 2002 van [verweerster 1] , maar reeds op basis van – de in belangrijke mate voordien gegeven – adviezen, gedragingen en uitlatingen van [verweerder 23] namens [verweerders] omtrent die (half)jaarcijfers. Dit zou blijken uit een aantal grotendeels niet beoordeelde (en dus, bij wege van hypothetisch feitelijke grondslag, vaststaande) feiten en essentiële stellingen van [eisers]
documenten die geen juist beeld gaven van een onderneming. Het was algemeen voorzienbaar dat van dergelijke stukken in het maatschappelijk verkeer gebruik zou worden gemaakt (…), en specifiek voorzienbaar voor [verweersters 1+11] als geheel (…) dat in dit geval van de stukken door kopers gebruik zou worden gemaakt om tot de beslissing te komen al dan niet de onderneming te kopen.” [19]
Kopers zouden zonder de cijfers van [verweersters 1+11] de onderneming (aandelen [A] B.V. en IE-rechten) niet hebben gekocht.Waren de cijfers van [verweersters 1+11] deugdelijk geweest, dan hadden zij niet gekocht. Causaal verband staat daarmee voor kopers vast.” [20]
de deal kon plaatsvinden”.
conceptovereenkomstvan koop en verkoop van aandelen gestuurd naar [betrokkene 1] . , welke conceptovereenkomst, in de woorden van [verweersters 1+11] , nog kon worden gewijzigd en derhalve op dat moment in ieder geval niet definitief was. Op de begeleidende brief stond vermeld “zoals vandaag besproken” waaruit blijkt dat [verweersters 1+11] de koopovereenkomst heeft besproken. In juli 2002 heeft [verweerder 23] – buiten weten van [eiser 4] en [eiser 2] – het door hem opgestelde businessplan en prognoses gebruikt in een gesprek met Fortis Bank in het kader van de overname van [A] door [eiser 4] en [eiser 2] . In het kader van dat gesprek heeft [verweerder 23] de juistheid van de door hem verstrekte (financiële) gegevens met betrekking tot [A] beaamd.
Nadat[verweersters 1+11] deze jaarverslagen 2000 en 2001 op 30 juli 2002 had samengesteld, is [verweerder 23] op 31 juli 2002 zonder mandaat of volmacht overgegaan tot het ondertekenen van de overeenkomst met [betrokkene 4] waarmee de aan [A] verbonden IE-rechten van [betrokkene 4] naar [eiser 4] en [eiser 2] zouden overgaan. Op 2 augustus 2002 heeft [verweerder 23] een balans per 30 juni 2002 aan [betrokkene 1] . verstuurd omdat [eiser 4] nog met vakantie was. Het CBb heeft de ondeugdelijkheid van de definitieve versie van de (half)jaarstukken 2002 ook vastgesteld. Nadat [eiser 4] en [eiser 2] begin augustus van vakantie waren teruggekeerd, heeft [verweerder 23] met hen gesproken, en ongeclausuleerd positief over de investering geadviseerd. Op basis van deze advisering hebben [eiser 4] en [eiser 2] in augustus 2002 besloten [A] over te nemen. Het CBb heeft aannemelijk geacht dat [eiser 4] en [eiser 2] deze investeringsbeslissing niet zouden hebben genomen, indien de (half)jaarcijfers 2000, 2001 en 2002 de financiële toestand van [A] correct hadden weergegeven.
[verweerder 23]op 31 juli 2002 enkele weken vóór de verzending van de jaarstukken 2001 en halfjaarcijfers 2002 aan de directie van [A] niet op een eerdere aankoopbeslissing door
[eiser 4] en [eiser 2] .[verweerder 23] heeft die overeenkomst op 31 juli 2002 zonder mandaat en zonder opdracht daartoe van [eiser 4] en [eiser 2] ondertekend, toen laatstgenoemden in het buitenland waren.
ongedateerdzijn.
conceptovereenkomstvan koop en verkoop van aandelen heeft gestuurd naar [betrokkene 1] . Op de begeleidende brief stond vermeld “zoals vandaag besproken”, waaruit volgens het subonderdeel blijkt dat [verweersters 1+11] [21] de koopovereenkomst heeft besproken. Ook wordt er in de vijfde alinea op gewezen dat [verweerder 23] in juli 2002 – buiten weten van [eiser 4] en [eiser 2] – het door hem opgestelde businessplan en prognoses heeft gebruikt in een gesprek met Fortis Bank over de overname van [A] door [eiser 4] en [eiser 2] . In dit gesprek met Fortis Bank zou [verweerder 23] hebben bevestigd dat de door hem verstrekte (financiële) gegevens met betrekking tot [A] juist zijn. Mijns inziens geeft ook de vijfde alinea geen blijk van een advies, gedraging of uitlating van [verweerder 23] waarop [eiser 4] en [eiser 2] hun investeringsbeslissing hebben gebaseerd. Niet valt in te zien waarom het toezenden van een conceptovereenkomst naar [betrokkene 1] . als een zodanig(e) advies, gedraging of uitlating van [verweerder 23] is aan te merken. Het gaat hierbij immers om een
concept, dat bovendien niet aan [eiser 4] en [eiser 2] , maar aan [betrokkene 1] . is toegezonden. Met betrekking tot de stelling dat [verweerder 23] in ‘juli’ 2002 een door hem opgesteld businessplan en prognoses heeft gebruikt in een gesprek met Fortis Bank, verdient opmerking dat deze stelling niet correspondeert met de tekst van de vindplaats waar het subonderdeel naar verwijst. [22] In par. 2.6. van de inleidende dagvaarding wordt gesteld dat [verweerder 23] :
eind augustus 2002 – begin september 2002(onderstreping van mij, A-G) aan banken, waaronder Fortis, gepresenteerd.”
(productie 10 bij akte)zijn bij brief van [verweerder 23] van 2 augustus 2002 toegezonden aan [betrokkene 1] . die op dat moment wegens vakantie van [eiser 2] en [eiser 4] , gedurende hun afwezigheid, voor hen optrad als contactpersoon. Het resultaat voor belastingen bedroeg volgens deze stukken € 693.752. In de begeleidende brief aan het statutair bestuur heeft [verweersters 1+11] aangegeven dat “volgens afspraak” weliswaar geen accountantscontrole was toegepast, maar kopers gingen er op basis van de eerdere mededelingen van [verweerder 23] vanuit dat de uitgevoerde werkzaamheden meer inzicht in de financiële situatie gaven dan een due diligence-onderzoek.
beslissendwaren voor die aankoop. [24] Bovendien wordt in die gedingstukken nadrukkelijk een beroep gedaan op de door de RvT en het CBb vastgestelde beroepsfout. [25] De stellingen waarop in de zesde alinea een beroep wordt gedaan, zullen door het hof in deze context zijn begrepen. Dit betekent dat het hof uit die stellingen niet heeft moeten afleiden dat [eiser 4] en [eiser 2] hun investeringsbeslissing reeds hadden genomen op basis van adviezen, gedragingen en uitlatingen van [verweerder 23] namens [verweerders] omtrent de (half)jaarcijfers.
subonderdeel 2.2doel mist. Het subonderdeel faalt reeds op basis van het oordeel omtrent de eerste klacht. De tweede klacht is echter ook vergeefs voorgesteld.
namens[eiser 4] en [eiser 2] heeft gesloten (rov. 2.1 van het bestreden arrest juncto rov. 2.6. van het vonnis). De hiertegen in cassatie gerichte klacht – subonderdeel 1.1 – slaagt niet (randnummers 3.5 tot en met 3.8 hiervoor). Bovendien was het hof mijns inziens niet gehouden om de stelling van [eisers] dat [verweerder 23] de overeenkomst zonder hun toestemming heeft getekend, in zijn overwegingen te betrekken. [eisers] hebben immers nagelaten om deze stelling toe te lichten. Zo hebben zij niet duidelijk gemaakt hoe het dan tot een kennelijk ongewenste [27] ondertekening door [verweerder 23] is gekomen, waarom [verweerder 23] zich kennelijk wel bevoegd achtte om namens [eiser 4] en [eiser 2] te ondertekenen, hoe het handelen van [verweerder 23] zich verhoudt tot de aan hem verleende opdracht, wat er kort na de ontdekking van de kennelijk onbevoegde ondertekening gebeurd is en op welke datum [eiser 4] en [eiser 2] de overeenkomst wel zelf hebben ondertekend. Mede gelet op de betwisting door [verweerders] van de stelling dat [verweerder 23] zonder overleg met [eiser 4] en [eiser 2] zijn handtekening onder de overeenkomst met [betrokkene 4] heeft gezet, [28] hebben [eisers] de onderhavige stelling onvoldoende gemotiveerd, zodat het hof niet gehouden was om op deze stelling in te gaan.
(productie 35), waarna buiten kopers om in de akte is vermeld en door [verweerder 23] is ondertekend dat “in juli 2002” de koopovereenkomst tot stand is gekomen; na ontvangst van deze stukken heeft de notaris de akte van levering van de aandelen voorbereid.”
zonder mandaatop enige moment in “juli 2002” handtekeningen zou hebben gezet onder de overeenkomst betreffende de IE-rechten bindt [eiser 4] en [eiser 2] niet. Hetzelfde geldt voor instructies die hij zonder overleg met kopers heeft gedaan aan de notaris waarbij in ieder geval vaststaat dat hij die stukken op 13 augustus 2002 aan de notaris heeft gezonden met het oog op het opmaken van de leveringsakten. Dat [verweerder 23] zonder mandaat stukken tekent bevestigt dat hij het ook met andere details als data niet zo nauw nam en bindt in ieder geval niet verkopers. Kopers betwisten uitdrukkelijk dat zij met “een secretaresse” van het notariskantoor contact hebben gehad over de datum van de koopovereenkomst.”
Subonderdeel 2.3faalt derhalve.
onderdeel 2vergeefs voorgesteld.
exactwelke derden op die cijfers zouden gaan vertrouwen. Volgens het subonderdeel geldt deze zorgplicht jegens
iedere derde.
Vie d’Or-zaak en op het onderscheid dat in het kader van de aansprakelijkheid van de accountant wordt gemaakt tussen de uitvoering door de accountant van wettelijke taken en andere gevallen (advisering bijvoorbeeld).
zorgplicht. Wat voor een opdrachtnemer geldt, geldt in versterkte mate voor accountants. Eerder dan bij de gemiddelde opdrachtnemer het geval is, kunnen derden worden geraakt door (de vruchten van) het werk van accountants. Zij brengen immers ‘cijfers’ over het functioneren van bedrijven in het maatschappelijk verkeer, waarop derden (terecht of, naar achteraf blijkt, onterecht) vertrouwen, bijvoorbeeld bij het nemen van een investeringsbeslissing. [31] Daarbij is van belang dat de wetgever in dit verband accountants bepaalde taken heeft opgedragen; in een aantal gevallen is tussenkomst van een accountant verplicht voorgeschreven, niet alleen met het oog op de belangen van degene die hem inschakelt, maar ook met het oog op de belangen van anderen. We kunnen het ook anders zeggen: in deze gevallen dient de accountant niet alleen het contractuele belang van de opdrachtgever, maar ook een publiek of maatschappelijk belang.
Vie d’Or-arrest, [32] waar het hof naar verwezen heeft in rov. 4.10 van het bestreden arrest, in het oog. [33] In deze zaak [34] ging het om een geschil tussen, als eisende partij, de Stichting Vie d’Or – een stichting die de belangen behartigde van de gedupeerde voormalige polishouders van de op 11 september 1995 failliet verklaarde levensverzekeringsmaatschappij Vie d’Or – enerzijds en, als gedaagden, de openbare maatschap Deloitte & Touche en een drietal bij deze maatschap werkzame accountants anderzijds (hierna gezamenlijk: de accountants). De accountants:
Vie d’Or-arrest een juridisch kader verschaft dat ook buiten de in die zaak spelende context betekenis heeft voor gevallen waarin een accountant door een derde aansprakelijk wordt gehouden. Daarbij heeft Uw Raad eerst de maatstaf van de ‘redelijk handelende en redelijk bekwame externe controlerende registeraccountant’ centraal gesteld:
Vie d’Or-arrest volgt dus dat een externe controlerende accountant, die de opdracht heeft gekregen een jaarrekening te controleren en deze opdracht uitvoert, niet alleen rekening moet houden met de belangen van zijn opdrachtgever – doorgaans: de rechtspersoon om wiens jaarrekening het gaat –, maar ook met de belangen van derden. In het maatschappelijk verkeer mogen derden immers verwachten dat de bevindingen van de controlerende accountant een getrouw beeld geven van het vermogen, het resultaat en de solvabiliteit en liquiditeit van de onderneming en dat de jaarrekening voldoet aan de vereisten die wet en (Europese) regelgeving stellen en in overeenstemming is met de normen en standaarden die te dier zake in deze beroepsgroep algemeen worden aanvaard. Ook derden moeten hun gedrag kunnen afstemmen op die informatie en bij het nemen of handhaven van hun (financiële) beslissingen kunnen vertrouwen dat het gepresenteerde beeld niet misleidend is.
NJ-annotatie bij de
Vie d’Or-arresten geconstateerd dat Uw Hoge Raad in rov. 5.4.1 van het hier centraal gestelde arrest met betrekking tot de aansprakelijkheid van de betrokken accountants in algemene zin en zonder beperking over ‘derden’ spreekt. Het gaat volgens Van Dam dus om een onbeperkte groep derden, ongeacht of deze voorzienbaar zijn en ongeacht de hoogte van hun schade. De enige beperking is dat het moet gaan om derden die bij hun beslissingen zijn afgegaan op de door de accountant verschafte informatie. Volgens Van Dam valt deze ruime reikwijdte van de zorgplicht en de vereiste hoge mate van zorg van de accountant toe te juichen. [38] Anderen zijn gereserveerder over een (potentiële) ruime zorgplicht jegens derden in dit verband. [39]
Vie d’Or-arrest werd gewezen, heeft Van den Akker de vraag of de accountant een zorgplicht heeft tegenover derden bij de controle van de jaarrekening – als gezegd een wettelijke taak (art. 2:393 BW Pro) [41] – bevestigend beantwoord. [42] Zij staat, wat betreft de controle van de jaarrekening, een zorgplicht tegenover “iedere derde” voor. [43] Ook bij andere wettelijk opgedragen taken waarbij kan worden gedacht aan de voorgeschreven accountantsverklaring bij het omzetten van een BV of een andere rechtspersoon in een NV en bij een fusie of juist een splitsing van vennootschappen, bestaat volgens Van den Akker een zorgplicht jegens derden. Bij ‘overige werkzaamheden’, waarbij valt te denken aan beoordelingsopdrachten, samenstellingsopdrachten, advisering en waardebepalingen, zou op de accountant géén zorgplicht ten opzichte van derden rusten:
Vie d’Or-arrest ging het, als gezegd, om een wettelijke taak: de accountants werd verweten dat zij ten onrechte een goedkeuringsverklaring hadden afgegeven. In de onderhavige zaak echter gaat het, dat is niet in geschil (rov. 4.12, in cassatie niet bestreden), om een niet-wettelijke taak. [verweerster 1] had tot opdracht het ordenen/herinrichten van de administratie van [A] over de jaren 2000 tot en met 2002 en het samenstellen van de jaarrekeningen 2000, 2001 en (later) de eerste halfjaarcijfers 2002.
RvdW2017/18 (
Accon AVM Accountants BV). In deze zaak, die is afgedaan met toepassing van art. 81 RO Pro, was cassatieberoep ingesteld tegen twee uitspraken van het hof Arnhem-Leeuwarden: een tussenarrest van 20 januari 2015 (ECLI:NL:GHARL:2015:348) [45] en een eindarrest van 16 juni 2015, (ECLI:NL:GHARL:2015:4385) [46] .
Vie d’Or-situaties) een zorgplicht kan hebben jegens derden:
Vie d’Or-arresten het vertrekpunt (randnummers 3.58 e.v.). In dit arrest heeft Uw Raad de maatstaf van de ‘redelijk handelende en redelijk bekwame externe controlerende registeraccountant’ centraal gesteld. De taakuitoefening van de accountant met betrekking tot controle van de jaarrekening – een wettelijke taak – dient volgens Uw Raad mede een wezenlijk publiek belang. Dit houdt op zich een ruime zorgplicht jegens derden in. Of de accountant heeft gehandeld in overeenstemming met de van hem in het concrete geval te vergen mate van zorg, is afhankelijk van een beoordeling van alle omstandigheden van het geva. Daarbij acht Uw Raad een aantal factoren in het bijzonder van belang.
Vie d’Or-arrest ging het, zoals gezegd, om een wettelijke taak. Bij de andere werkzaamheden van de accountant ligt de nadruk veel meer op het contractuele belang van de opdrachtgever, maar ook dan kunnen (de belangen van) derden in het geding zijn. Onder omstandigheden kan de accountant ook dan aansprakelijk zijn jegens een derde.
exact welke derden(zeer) waarschijnlijk op de rapportage van de accountant zullen vertrouwen bij het nemen van hun investeringsbeslissing. Deze zorgplicht geldt immers jegens
iedere derde, ongeacht of de accountant bij het uit handen geven van zijn rapportage met het bestaan (c.q. de identiteit) van één specifieke derde (reeds) bekend is of behoort te zijn. Voor het ontstaan van de zorgplicht is (slechts) vereist dat de accountant ermee bekend is dat er
eenderde op de rapportage zal gaan vertrouwen.
dezetransactie vertrouwen. In een dergelijk geval maakt het volgens het subonderdeel voor de zorgplicht van de accountant niet uit wie deze derde(n) uiteindelijk is (zijn). Zijn zorgplicht is in een dergelijk geval niet beperkt tot de derde(n) van wie de accountant ten tijde van het uit handen geven van zijn rapportage weet dat hij (zij) ((zeer) waarschijnlijk op de rapportage zal (zullen) vertrouwen.
JOR-annotatie bij het in de onderhavige procedure bestreden arrest zit Y. Steeg-Teems op een ander spoor. Net als het hof acht zij beslissend dat [eisers 6+7] pas in beeld kwamen, nadat de stukken uit handen waren gegeven. Met het ter beschikking komen van de stukken voor andere investeerders hoefden en konden accountants toen geen rekening meer houden. [54]
als zodanigis dan doorslaggevend, terwijl de kern moet zijn
met het oog waaropde accountant stukken opstelt en vervolgens uit handen geeft. In casu gaat het om het presenteren van cijfers met het oog op een mogelijke overname door derden. In dit geval is dan misschien niet van een abstracte categorie sprake, op het moment waarop de stukken in casu worden opgemaakt gaat het immers om [eiser 2] en [eiser 4] , maar gelet op de aard van de aan de orde zijnde transactie (een overname) kunnen anderen alsnog (in dit geval, de beslissing van [eiser 2] en [eiser 4] moet immers nog volgen, juist ook na het uit handen geven van de stukken) in beeld komen. De hier door de accountant opgemaakte stukken zouden bij andere derden niet anders (mogen) luiden; de accountant heeft hier niet een advies gegeven over een eventuele overname aan een specifieke opdrachtgever.
subonderdeel 3.1doel treft.
subonderdeel 3.2getuigt het oordeel van het hof, dat niet is gezegd dat [verweerster 1] er ten tijde van het uit handen geven van de (half)jaarcijfers 2000, 2001 en 2002 rekening mee diende te houden dat de door haar opgestelde cijfers ter beschikking van [eiser 6] zouden komen, en dat [eiser 6] bij het nemen van zijn investeringsbeslissing op die cijfers zou vertrouwen, van een onjuiste rechtsopvatting, althans is het onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel voert aan dat, zoals [eisers] hebben uiteengezet, in de tuchtprocedure in twee instanties ondubbelzinnig is vastgesteld dat [verweerster 1] er, ten tijde van het opstellen van de jaarstukken, wél van op de hoogte was (en had moeten zijn) dat deze opdracht samenhing met de mogelijke overname van [A] door derden en dat die derden niet tot overname van [A] zouden overgaan indien de (half)jaarstukken niet het verwachte resultaat zouden laten zien. Het hof heeft volgens het subonderdeel in rov. 4.13 ook zelf vastgesteld dat [verweersters 1+11] ermee bekend was dat de cijfers werden opgesteld teneinde [eiser 4] en [eiser 2] (dat wil zeggen derden) inzicht te geven teneinde hun aankoopbeslissing te kunnen nemen. Het hof heeft, in het licht van de ‘tegenovergestelde’ vaststelling door het CBb en de daaruit voortvloeiende verzwaarde motiveringsplicht, onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtegang leidende tot zijn oordeel dat [verweerster 1] niet wist (of behoorde te weten) dat [eiser 6] voor zijn investeringsbeslissing op de door haar geproduceerde (half)jaarstukken 2000, 2001 en 2002 zou vertrouwen, zodat dit oordeel in elk geval ontoereikend is gemotiveerd.
due diligence-onderzoekniet nodig was. De koopsom die [eiser 6] heeft betaald voor zijn 1/3de deel van [A] is in nauwe samenspraak met [verweerder 23] berekend. Er zijn door [verweersters 1+11] uren in rekening gebracht op de overname door [eiser 6] . Deze door [eisers] gestelde gedragingen van en verwijten jegens [verweerder 23] heeft het hof ten onrechte niet betrokken in zijn beoordeling van de vorderingen van [eiser 6] [eisers 6+7] ) jegens [verweerder 23] als onderdeel van [verweerders] , zodat het oordeel (ook) ontoereikend is gemotiveerd.
onderdeel 3falen.