Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv.
Bewijsoverwegingen
NJ2007/314 en HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773. In beide zaken ging het om 1. het aanwezig hebben respectievelijk het telen van hennepplanten en 2. diefstal van stroom. Wat betreft het arrest van 15 mei 2007 had de verdachte onder meer verklaard dat hij in de tenlastegelegde periode stroom van Nuon had gestolen. De raadsman van de verdachte voerde in hoger beroep aan dat voor het aanwezig hebben van de hennepplanten voldoende bewijs was, maar geen sprake was van een vorm van betrokkenheid bij het tweede feit; de enkele handtekening van zijn cliënt op de huurovereenkomst gaf niet aan dat hij ook de stroom had gestolen. Ook in die zaak, waarin de verdachte had bekend, had de raadsman het woord vrijspraak niet in de mond genomen. Het hof had naar aanleiding van het verweer overwogen dat en waarom het "anders dan de raadsman" van oordeel was dat de verdachte wel betrokken was geweest bij de onder 2 tenlastegelegde diefstal. De Hoge Raad achtte het oordeel van het hof dat in die zaak kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, onjuist, omdat hetgeen de raadsman had aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan als ontkenning van de tenlastelegging en dat daarom de bewezenverklaring van het medeplegen van de diefstal van stroom ontoereikend was gemotiveerd. In de zaak waarover het arrest van 16 september 2014 ging, was door de raadsman van de verdachte bepleit dat geen sprake was van een redelijk vermoeden van overtreding van de Opiumwet en daarom een krachtig signaal diende te worden afgegeven door middel van bewijsuitsluiting. Mijn ambtgenoot Vegter noemde het in zijn voorafgaande conclusie opmerkelijk en tegelijkertijd interessant dat de raadsman van verdachte het woord “vrijspraak” niet expliciet had gebezigd, maar meende niettemin dat het betoog de strekking had een bewezenverklaring te voorkomen. De Hoge Raad deelde die mening en vond het oordeel van het hof dat kon worden volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359, derde lid, Sv, onjuist, nu hetgeen door de raadsman was aangevoerd bezwaarlijk anders kon worden verstaan dan “als strekkende tot vrijspraak van de aan de verdachte tenlastegelegde feiten”. [2] De bewezenverklaring van deze feiten was daarom ontoereikend gemotiveerd.
NJ2007/314 gaat het in een geval als het onderhavige er niet om of de verdachte heeft bekend of niet, maar om de vraag of de raadsman vrijspraak heeft bepleit in de zin van art. 359, derde lid, Sv; (ii) om dezelfde reden doet het er in het verband van art. 359, derde lid, Sv niet toe of met weglating van de bedoelde processen-verbaal genoeg bewijsmateriaal resteert, simpelweg omdat deze bepaling nu eenmaal voorschrijft dat met een opgave van bewijsmiddelen niet kan worden volstaan wanneer door de raadsman vrijspraak is bepleit.
NJ2009/260. Als gezegd overwoog HR 16 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2773 dat het oordeel van het hof onjuist was; in zoverre volgde hij de conclusie van mijn ambtgenoot Vegter.
tweede middelklaagt dat het hof heeft verzuimd gemotiveerd te beslissen op een namens de verdachte gevoerd verweer met betrekking tot de redelijke termijn.