Conclusie
1.Feiten
[het medezeggenschapsorgaan, A-G]vastgestelde, dagen vakantieverlof met behoud van bezoldiging;
2.Procesverloop
ROC/ […] I-arrest van de Hoge Raad van 9 augustus 2002. [3] Betoogd wordt dat lid 7 van voornoemde cao-bepalingen heeft te gelden als een beding als bedoeld in art. 7:646 lid 3 BW Pro, dat betrekking heeft op de bescherming van de vrouw en van art. 7:646 lid 1 BW Pro mag afwijken. Voor zover de zomervakantie samenvalt met zwangerschaps- en bevallingsverlof, krijgen werkneemsters immers een aanvulling op het wettelijk minimum aantal vastgestelde vakantiedagen.
[...1]) de vordering van de werkneemster toe, omdat sprake is van direct onderscheid naar geslacht en dat geen van de uitzonderingen op dat verbod zich voordoet. [5] Verder overwoog de kantonrechter dat dagen waarop een werkneemster zwangerschapsverlof geniet, op grond van art. 3:4 Wazo Pro niet kunnen worden aangemerkt als vakantie en dat daarbij niet van belang is dat een leerkracht meer vakantiedagen heeft dan het wettelijk minimum. Tegen deze uitspraak is door werkgever
[...1]hoger beroep ingesteld.
1. Zijn de artikelen 15.1 lid 7 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 lid 7 CAO-VO 2018-2019 (waarin is bepaald dat zwangerschaps- en bevallingverlof niet wordt gecompenseerd in geval van samenloop met andere schoolvakanties dan de zomervakantie en de vijf extra dagen, zoals bedoeld in lid 1 onder a van artikelen 15.1 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 CAO-VO 2018-2019) in strijd met artikel 7:646 lid 1 BW Pro (waarin is bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij - onder andere - de arbeidsvoorwaarden) en/of artikel 5 lid 1 sub e Awgb Pro (dat het maken van onderscheid op grond van - onder meer - geslacht bij arbeidsvoorwaarden verbiedt), en daarmee nietig?
3.Bespreking van de prejudiciële vragen
Gómez-arrest van het Europese Hof van Justitie (onder 3.51 e.v.) en de eerdere rechtspraak van de Hoge Raad en de kritiek daarop (onder 3.76 e.v.).
wanneerde werknemer het wettelijke minimum aan vakantiedagen dient op te nemen, nu de cao geen bovenwettelijke vakantiedagen toekent.
ROC/ […] Iheeft gegeven aan art. I-C2 lid 1 van het inmiddels vervallen Rechtspositiebesluit Onderwijspersoneel (RpbO (oud)). Die bepaling is de voorloper van de cao-bepaling waar het in deze prejudiciële procedure om gaat en luidde als volgt:
Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, geniet de betrokkene gedurende de schoolvakanties dan wel de periode waarin de instelling geen onderwijs verzorgt of examens afneemt, vakantieverlof met behoud van bezoldiging.”
ROC/ […] I-arrest heeft de Hoge Raad deze bepaling zó uitgelegd, dat die bepaling niet voorziet in de toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen, maar slechts in een specifieke, los van de duur van de betrekking staande, regeling dat in bepaalde, nader omschreven, periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven – te weten: gedurende de schoolvakanties – vakantieverlof wordt genoten. [8] Kort gezegd: art. I-C2 lid 1 RpbO (oud) zegt niets over de
omvangvan het vakantieverlof maar bepaalt slechts
wanneerdat verlof kan worden opgenomen.
ROC/ […] Inog overwogen (‘
Opmerking verdient nog…’) dat hoewel art. I-C2 RpbO niet de omvang van de vakantieaanspraak bepaalt, dit niet tot gevolg heeft dat de lerares geen recht heeft op een bepaald aantal vakantiedagen per jaar. Art. 7:634 BW Pro houdt immers in dat de werknemer recht heeft op een minimumvakantieaanspraak, waarvan niet ten nadele van de werknemer kan worden afgeweken. Gelet op de spreiding en duur van de schoolvakanties is aannemelijk dat de lerares, ook indien zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, deze twintig dagen vakantie zal kunnen opnemen gedurende de (resterende) schoolvakanties. De Hoge Raad beoogde met deze overwegingen kennelijk te benadrukken dat – uitgaande van de uitleg dat art. I-C2 RpbO (oud) géén aanspraak geeft op een bepaald aantal vakantiedagen, zodat voor wat betreft die omvang moet worden teruggevallen op het wettelijk minimum – aan dat wettelijke minimum geen afbreuk werd gedaan door de bepaling.
huis dat men niet op een rots maar op het strand bouwt’, waarbij ‘
de Hoge Raad nog zo’n mooie verdieping op dat huis [kan] bouwen, maar uiteindelijk kunnen beide appartementen door een zee van gerechtigdheid verzwolgen worden’.
Wûnseradiel-arresten [13] dat een andere uitleg van de bewuste bepaling uit het RpbO (oud) goed voorstelbaar zou zijn geweest. In zijn gelijktijdig genomen conclusie voor het
ROC/ […] I-arrest verwijst hij daarnaar. [14] Uiteindelijk lijkt voor Langemeijer echter doorslaggevend te zijn geweest dat aangesloten wordt bij de rechtspraak van de CRvB.
ROC/ […] Iart. I-C2 lid 1 RpbO (oud) heeft uitgelegd.
vijf extra dagen. Deze formulering is een sterke aanwijzing dat art. 14.1 cao-VO óók iets bepaalt over de omvang van het vakantieverlof en dus niet alleen over het moment waarop dat verlof kan worden opgenomen.
het vakantieverlof’ tijdens de zomervakantie indien dat samenvalt met zwangerschaps- en bevallingsverlof. Indien de cao niets zou inhouden over de
omvangvan het vakantieverlof, zou niet kunnen worden vastgesteld welke hoeveelheid vakantieverlof dan nog aansluitend zou kunnen worden genoten. [18]
de werknemer in staat stellen enerzijds uit te rusten van de uitvoering van de hem door zijn arbeidsovereenkomst opgelegde taken, en anderzijds over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken’. [21] Het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet ‘
worden beschouwd als een bijzonder belangrijk beginsel van communautair sociaal recht’. [22] Het recht op een jaarlijkse vakantie met behoud van loon is ook neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (art. 31 lid 2 Europees Pro Handvest).
Gómez-arrest (waarover nader onder 3.51 e.v.) heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat het doel van zwangerschaps- en bevallingsverlof is zowel de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw tijdens en na de zwangerschap, als de bescherming van de bijzondere relatie tussen moeder en kind tijdens de periode na de zwangerschap en de bevalling. [29] Tevens is geoordeeld dat dit doel verschilt van het doel van het recht op jaarlijkse vakantie (rov. 32):
23. (…) Volgens de rechtspraak van het Hof kan het ontslag van een zwangere werkneemster niet worden gerechtvaardigd door het financiële nadeel dat de werkgever lijdt, of de vereisten die een goed functioneren van het bedrijf meebrengt: de werkgever draagt het risico van de economische en organisatorische gevolgen van de zwangerschap van zijn werkneemsters.”
adequate uitkering, waarvan sprake is indien het een inkomen waarborgt dat gelijk is aan het inkomen dat de betrokken werkneemster zou ontvangen in geval van een onderbreking van haar werkzaamheden om gezondheidsredenen. [33] Met de uitkering van 100% van het gemaximeerde dagloon is hieraan in Nederland voldaan.
A-G: dat zijn gevallen waarin sprake is van aanpassingen van de arbeidsomstandigheden, werktijden of arbeidsplaats vanwege bepaalde risico’s voor de veiligheid en gezondheid van de zwangere of bevallen werkneemster] moeten de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst, met inbegrip van het behoud van een bezoldiging en/of het genot van een adequate uitkering, van de werkneemsters
A-G: Hier gaat het om de periode van zwangerschaps- en bevallingsverlof] moeten worden gewaarborgd:
Gómezheeft het Hof van Justitie geoordeeld dat laatstgenoemde bepaling met zich brengt dat ook het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van loon moet worden gewaarborgd. [35] Dit arrest zal nader worden besproken onder 3.51 e.v.
sub aZwangerschapsrichtlijn. Dat volgt uit de tekst van de bepaling en is bevestigd in het arrest
Boyle. [36] Die andere rechten (arbeidsvoorwaarden) moeten tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof dus integraal worden gehandhaafd. [37]
Gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, beroepsopleiding en promotie en ten aanzien van arbeidsvoorwaarden’, en bevat in art. 14 een Pro verbod op directe en indirecte discriminatie op grond van geslacht, onder meer voor wat betreft arbeidsvoorwaarden.
lid 2BW houdt in dat van het verbod mag worden afgeweken indien het gemaakte onderscheid is gebaseerd op een kenmerk dat verband houdt met het geslacht en dat kenmerk wegens de aard van de betrokken specifieke beroepsactiviteiten of de context waarin deze worden uitgevoerd, een wezenlijk en bepalend beroepsvereiste is, mits het doel legitiem is en het vereiste evenredig aan dat doel is. Deze uitzondering verwijst naar art. 5 lid 3 van Pro de Wet gelijke behandeling van mannen en vrouwen, waarin de betreffende beroepsactiviteiten worden beperkt.
lid 3– op welke bepaling het Rijnlands Lyceum een beroep doet, zie nader onder 4.4 – mag van lid 1 worden afgeweken indien het bedingen betreft die op de bescherming van de vrouw, met name in verband met zwangerschap of moederschap, betrekking hebben. Gelet op de betreffende richtlijnbepaling [43] en de rechtspraak van het Hof van Justitie dat deze uitzondering strikt dient te worden uitgelegd, moeten de woorden ‘met name’ worden genegeerd. [44] De uitzondering is dus beperkt tot bedingen die betrekking hebben op de bescherming van de vrouw in verband met zwangerschap of moederschap.
lid 4in dat van het verbod mag worden afgeweken indien het bedingen betreft die vrouwelijke werknemers in een bevoorrechte positie beogen te plaatsen ten einde nadelen op te heffen of te verminderen en het onderscheid in een redelijke verhouding staat tot het beoogde doel.
direct onderscheidop grond van geslacht op (en dus niet ‘slechts’
indirect onderscheid). [45] Dat betekent dat het onderscheid zich uitsluitend laat rechtvaardigen als zich een van de uitzonderingen van art. 7:646 lid Pro 2-4 BW voordoet. Dit volgt ook uit art. 7:646 lid 5 BW Pro en art. 1 lid 3 Awgb Pro. [46]
in rechte feiten aanvoert die dat onderscheid kunnen doen vermoeden’, dan dient de wederpartij te bewijzen dat niet in strijd met het verbod op onderscheid is gehandeld. [47]
In het voorgestelde artikel 3:4 wordt Pro expliciet aangegeven dat het verlof voor zwangerschap, bevalling of adoptie niet kan worden gecompenseerd met vakantie-aanspraken.”
Artikel 3.4. bepaalt dat dagen of gedeelten van dagen waarop de werknemer zijn arbeid niet verricht wegens zwangerschaps- of bevallingsverlof niet kunnen worden aangemerkt als vakantie. Voor onderwijzend personeel geldt dit niet. (…)
[...2] /VPCVO Apeldoorn-arrest van 23 april 2004 (zie nader onder 3.86 e.v.). Ondanks dat de vakantiewetgeving en de Wazo sindsdien niet zijn aangepast, is daaruit niet af te leiden dat de regeling voor het onderwijs
dusniet in strijd zou zijn met gelijke behandelingswetgeving. [55]
Gómez-arrest. Dit arrest ziet op de samenloop van zwangerschaps- en bevallingsverlof met een vastgestelde vakantie. Het Hof besteedt hierbij aandacht aan de Arbeidstijdenrichtlijn (oud), de Zwangerschapsrichtlijn en de Gelijkebehandelingsrichtlijn mannen en vrouwen (oud).
Thibault-arrest (1998) maakte het Hof van Justitie al duidelijk dat een werkneemster haar jaarlijkse vakantie in een andere periode moet kunnen opnemen, indien sprake is van samenloop tussen het zwangerschaps- en bevallingsverlof eb de bij bedrijfsakkoord tussen de onderneming en de werknemersvertegenwoordigers vooraf vastgestelde vakantieperioden. [56] In die
Thibault-uitspraak ging het echter, anders dan in het
Gómez-arrest, om vakantieperioden die niet langer duurden dan minimaal is voorgeschreven door de Arbeidstijdenrichtlijn (vier maal de wekelijkse arbeidsduur, net als de Nederlandse wettelijke vakantiedagen).
Gómezoverlapte het zwangerschapsverlof [57] van Gómez met een collectief vastgestelde vakantieperiode. Zij wilde de gemiste vakantiedagen na haar verlof opnemen, maar haar werkgever heeft die aanvraag niet ingewilligd.
1. Wanneer de periode van de jaarlijkse vakantie voor het gehele personeel bij bedrijfsakkoord tussen de onderneming en de werknemersvertegenwoordigers is vastgesteld en samenvalt met het zwangerschapsverlof van een werkneemster, waarborgen dan artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/104 [Arbeidstijdenrichtlijn (oud), A-G], artikel 11, lid 2, sub a, van richtlijn 92/85 [Zwangerschapsrichtlijn, A-G] en artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 [Gelijkebehandelingsrichtlijn mannen en vrouwen (oud), A-G] dat deze werkneemster haar jaarlijkse vakantie mag nemen in een andere dan de overeengekomen periode die niet samenvalt met haar zwangerschapsverlof?
33. Artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/104 [Arbeidstijdenrichtlijn (oud), A-G] dient derhalve aldus te worden uitgelegd dat wanneer de periode van het zwangerschapsverlof van een werkneemster samenvalt met de periode van de jaarlijkse vakantie voor het gehele personeel, niet aan de eisen van de richtlijn inzake de jaarlijkse vakantie met behoud van loon is voldaan.”
34. Bovendien bepaalt artikel 11, punt 2, sub a, van richtlijn 92/85 dat de andere dan de in punt b van deze bepaling bedoelde rechten die aan de arbeidsovereenkomst van een werkneemster verbonden zijn, in geval van een zwangerschapsverlof moeten worden gewaarborgd.
Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de bepalingen betreffende de bescherming van de vrouw, met name voor wat zwangerschap en moederschap betreft.’, waarna het Hof overweegt dat vrouwen bij het uitoefenen van die rechten niet minder gunstig mogen worden behandeld ter zake van hun arbeidsvoorwaarden.
38. Hieruit volgt dat artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 [Gelijkebehandelingsrichtlijn (oud), A-G] aldus dient te worden uitgelegd dat een werkneemster haar jaarlijkse vakantie in een andere periode moet kunnen nemen dan gedurende haar zwangerschapsverlof.
41. Op grond van al deze overwegingen, dient op de eerste vraag te worden geantwoord dat artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/104, artikel 11, lid 2, sub a, van richtlijn 92/85 en artikel 5, lid 1, van richtlijn 76/207 aldus moeten worden uitgelegd dat een werkneemster haar jaarlijkse vakantie in een andere periode moet kunnen nemen dan gedurende haar zwangerschapsverlof, ook wanneer het zwangerschapsverlof samenvalt met de periode van de jaarlijkse vakantie die algemeen bij bedrijfsakkoord is vastgesteld voor het gehele personeel.”
44. Wanneer een lidstaat voor een langere jaarlijkse vakantie dan het door de richtlijn voorgeschreven minimum heeft gekozen, valt het recht op deze langere jaarlijkse vakantie van vrouwen die een zwangerschapsverlof genieten dat samenvalt met de periode voor de jaarlijkse vakantie van het gehele personeel, onder de werkingssfeer van artikel 11, punt 2, sub a, van richtlijn 92/85.”
45. Op de tweede vraag dient bijgevolg te worden geantwoord dat artikel 11, punt 2, sub a, van richtlijn 92/85 aldus moet worden uitgelegd dat het eveneens betrekking heeft op het recht van een werkneemster in omstandigheden als in het hoofdgeding, op een in de nationale wettelijke regeling vastgestelde langere jaarlijkse vakantie dan het door richtlijn 93/104 bepaalde minimum.”
Gómez-arrest valt in ieder geval af te leiden dat het recht op de wettelijke jaarlijkse vakantie, ook indien dat een hoger aantal dagen is dan het Europese minimum van vier weken per jaar, dient te worden gewaarborgd ten opzichte van werkneemsters die zwangerschapsverlof hebben genoten. Dat geldt ook indien dat verlof samenvalt met een collectieve vakantie.
Gómez-arrest ook van toepassing zijn op
bovenwettelijkevakantiedagen. [59] In de Spaanse situatie was de duur van dertig kalenderdagen immers opgenomen in het als wet kwalificerende werknemersstatuut en op die feiten had de uitspraak van het Hof van Justitie betrekking.
Gómez-arrest is niet in te zien dat wettelijke vakantiedagen wél en andere (bovenwettelijke) vakantiedagen niét als arbeidsvoorwaarde in de zin van art. 11 onder Pro 2 sub a van de Zwangerschapsrichtlijn zouden moeten worden gezien. Het gaat in die bepaling immers om de vraag of sprake is van
rechten die aan de arbeidsovereenkomst van een werkneemster zijn verbonden. Daarbij wordt er geen onderscheid gemaakt tussen rechten die gebaseerd zijn op een wettelijke grondslag of op een contractuele grondslag (collectieve of individuele arbeidsovereenkomst). Zowel wettelijke als andere (bovenwettelijke) vakantiedagen zijn onmiskenbaar rechten die aan de arbeidsovereenkomst zijn verbonden. Dat bovenwettelijke vakantiedagen niet onder het bereik van de Arbeidstijdenrichtlijn vallen, [60] maakt dat niet anders.
Gelijke behandeling bij de arbeid’ schrijft: [61]
Sommige bedrijven gaan tijdens de zomer één of enkele weken dicht. De betreffende periode wordt dan aangemerkt als vakantie. Bij sommige andere werkgevers worden enkele dagen per jaar, vooral tussen kerst en nieuwjaar, aangewezen als collectieve vakantiedagen. Dit is legitiem, mits een uitzondering wordt gemaakt voor moederschap. Het als vakantie aanmerken van dagen tijdens de jaarlijkse bedrijfssluiting waarop de werkneemster moederschapsverlof geniet, is in strijd met de Europese regels. [62] De werkneemster heeft in dit geval recht op evenzoveel vervangende vakantie als zij vanwege haar verlof heeft ‘gemist’. Anders geformuleerd: een dag tijdens moederschapsverlof kan geen vakantiedag zijn. Een dergelijke dag mag dus niet worden afgeboekt van het vakantietegoed. Het logische gevolg hiervan is dat de werkneemster die tijdens een bedrijfssluiting met verlof is, haar vakantietegoed buiten de sluitingsperiode mag opnemen.”
Verder brengt Richtlijn nr. 92/85/EEG mee, zoals het HvJ EG opmerkt, dat tijdens zwangerschapsverlof de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst moeten worden gewaarborgd, met uitzondering van het recht op bezoldiging. Daaronder valt dus ook een recht op vakantie.”
elkeregeling die tot gevolg heeft dat iemand vanwege zwangerschap niet
allerechten onverkort geldend kan maken, ongeoorloofd onderscheid zou opleveren en in strijd zou zijn met de Zwangerschapsrichtlijn. [64] Dat zou volgens de advocaat echter niet juist zijn. Hij verwijst in dit verband naar twee uitspraken van het Hof van Justitie van 1 juli 2010: één met betrekking tot het verlies van een vliegtoelage voor een stewardess die vanwege haar zwangerschap grondwerkzaamheden moet verrichten (
Parviainen) [65] en één met betrekking tot de niet-doorbetaling van een beschikbaarheidsvergoeding gedurende zwangerschap (
Gassmayr). [66]
Parviainen-arrest heeft echter geen betrekking op de periode waarin de zwangere werkneemster (een stewardess) met zwangerschapsverlof was, maar op de periode
daarvoor, waarin zij nog werkte, en vanwege haar zwangerschap tijdelijk werkzaamheden op de grond kreeg toegewezen. Die situatie wordt bestreken door art. 11
onder 1Zwangerschapsrichtlijn, en niet in art. 11
onder 2(dat enkel ziet op de arbeidsvoorwaarden
tijdenszwangerschaps- en bevallingsverlof). Het Hof stelt voorop dat de situatie van de in art. 5 van Pro de richtlijn bedoelde zwangere werkneemsters (die nog werken) en de in art. 8 ervan Pro bedoelde vrouwelijke werknemers tijdens hun zwangerschapsverlof, niet in elk opzicht kunnen worden gelijkgesteld (rov. 38 e.v.). Verder overweegt het Hof dat art. 11 onder Pro 1 van de Zwangerschapsrichtlijn uitdrukkelijk verwijst naar de nationale wetten en/of praktijken en daarmee de lidstaten en in voorkomend geval de sociale partners een zekere beoordelingsmarge geeft bij de uitoefening en de verwezenlijking van het recht op bezoldiging van in art. 5 lid Pro 2 (rov. 54-55). Het Hof schetst dan de grenzen voor het gebruik van die beoordelingsmarge (rov. 56 e.v.). Dit mondt uit in de conclusie dat een zwangere werkneemster na haar tijdelijke overplaatsing naar een andere arbeidsplaats dan vóór haar zwangerschap overeenkomstig art. 5 lid Pro 2 Zwangerschapsrichtlijn, krachtens art. 11 onder Pro 1 van die richtlijn geen recht heeft op de gemiddelde bezoldiging die zij vóór deze overplaatsing ontving (rov. 62).
Gassmayr-arrest [67] ging over een arts-assistent die naast haar salaris een beschikbaarheidstoelage ontving. Vanwege haar zwangerschap mocht zij geen beschikbaarheidsdiensten meer verrichten en werd zij vrijgesteld van werk, waarna zij geen beschikbaarheidstoelage meer ontving. De verwijzende rechter stelde het Hof van Justitie vragen over het recht op de toelage in zowel de periode voorafgaand aan, als tijdens het zwangerschaps- en bevallingsverlof. Het Hof stelt voorop dat het recht op de beschikbaarheidstoelage in die twee periodes worden beheerst door verschillende bepalingen van de Zwangerschapsrichtlijn, zodat de vraag afzonderlijk moet worden beantwoord naar gelang hij betrekking heeft op het recht op bezoldiging van een werkneemster tijdens de zwangerschap dan wel tijdens het zwangerschapsverlof (rov. 56).
Parviainen-arrest. Voor wat betreft de periode tijdens zwangerschaps- en bevallingsverlof, wijst het Hof erop dat de beschikbaarheidstoelage een ‘beloning’ is in de zin van art. 141 EG Pro, aangezien zij op de arbeidsbetrekking berust en aan de werknemer wordt betaald in verhouding tot de duur en het werk dat tijdens de overuren wordt verricht (rov. 61, 64 en 78). Daaruit volgt echter niet dat een werkneemster die wegens zwangerschapsverlof niet werkt, op grond van art. 11 onder Pro 2 en 3 Zwangerschapsrichtlijn recht heeft op alle premies en toelagen die zij maandelijks ontvangt wanneer zij wel aan het werk is (rov. 79).
Gassmayrsluit aan bij het onderscheid dat art. 11 onder Pro 2 Zwangerschapsrichtlijn maakt tussen enerzijds de bezoldiging en anderzijds andere arbeidsvoorwaarden (zie eerder onder 3.31-3.33). Zoals gezegd geeft de Zwangerschapsrichtlijn géén recht op volledig behoud van bezoldiging, maar de overige arbeidsvoorwaarden, zoals vakantie, moeten wél integraal worden gehandhaafd.
[…] /ROC I-arrest is door de Hoge Raad gewezen op 9 augustus 2002, dus ruim vóór de Europese
Gómez-uitspraak van 18 maart 2004. [68] Gelijktijdig met het
[…] /ROC I-arrest deed de Hoge Raad uitspraak in drie vergelijkbare zaken (de
Wûnseradiel-arresten en het
Westelijk Weidegebied/ [...3]-arrest). [69] Waar het in het
ROC/ […] I-arrest ging om een docent in het bijzonder beroepsonderwijs, ging het in deze vergelijkbare zaken om leerkrachten in het bijzonder basisonderwijs. Op hen was (indirect) dezelfde bepaling uit het RpbO van toepassing.
[…] /ROC I-arrest was de lijn in de feitenrechtspraak dat de vakantieregelingen voor onderwijspersoneel direct onderscheid naar geslacht maakten. [70] Daarmee volgden de feitenrechters een oordeel van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB, thans: College voor de Rechten van de Mens) uit 1998. [71]
ROC/ […] I-arrest:
5.2 (…) Aangenomen moet worden dat, zoals ook de Centrale Raad van Beroep als hoogste bestuursrechter in een door een lerares, werkzaam in het openbaar onderwijs, aangespannen zaak heeft geoordeeld (CRvB 17 mei 2001, JB 2001, 217), art. I-C2 lid 1RpbO niet voorziet in de toekenning van een bepaald aantal vakantiedagen of in de mogelijkheid van opbouw van vakantiedagen. Deze bepaling voorziet slechts in een specifieke, los van de duur van de betrekking staande, regeling dat in bepaalde, nader omschreven, periodes waarin geen onderwijs wordt gegeven — te weten: gedurende de schoolvakanties — vakantieverlof wordt genoten.”
wanneervakantieverlof wordt genoten. De Hoge Raad vervolgt dan:
ROC/ […] Islechts gaat om een aanspraak op het wettelijke minimum aan vakantiedagen.
ROC/ […] Iwas gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het ontbreken van een compensatieregeling in geval van zwangerschaps- en bevallingsverlof directe discriminatie oplevert tussen mannen en vrouwen. Daarover overweegt de Hoge Raad als volgt:
5.4 Art. I-C2 lid 1RpbO is sekseneutraal: mannelijke en vrouwelijke leerkrachten hebben gelijkelijk recht op vakantieverlof gedurende de schoolvakanties. Zoals reeds in 5.2 is overwogen, is aannemelijk dat de lerares, ook indien zij recht heeft op zwangerschaps- en bevallingsverlof, de haar toekomende vakantie kan opnemen gedurende de (resterende) schoolvakanties. In zoverre is geen sprake van een verboden onderscheid als in art. 7:646 bedoeld Pro. Gelet op de uiteenzetting in de conclusie van de Advocaat-Generaal in de zaak C01/193 onder 3.9 en 3.10, in welke zaak eveneens heden uitspraak is gedaan, en de uiteenzetting onder 3.8 en 3.9 van de conclusie in de onderhavige zaak, moet worden aangenomen dat leerkrachten in het basisonderwijs bij een fulltimewerkweek (ook) tijdens de schoolvakanties (geacht worden te) werken aan niet lesgebonden taken, met name deskundigheidsbevordering. Denkbaar is dat een lerares van wie het zwangerschaps- en bevallingsverlof (gedeeltelijk) samenvalt met (een) schoolvakantie(s), toch een zodanig nadeel ondervindt dat geoordeeld moet worden dat sprake is van een door art. 7:646 lid 1 in Pro verbinding met lid 5 BW verboden onderscheid in arbeidsvoorwaarden. Dit kan zich voordoen wanneer zij, in verband met de door haar (gedeeltelijk) gedurende schoolvakanties genoten zwangerschaps- en bevallingsverlof gedurende de (resterende) schoolvakanties minder tijd heeft voor haar niet lesgebonden werkzaamheden, met name in het kader van deskundigheidsbevordering, dan haar mannelijke collega's.
[…] /ROC II-arrest. [75] Het hof had immers moeten onderzoeken of, ook indien de lerares de twintig vakantiedagen had opgenomen, sprake was van een verboden indirect onderscheid in de arbeidsvoorwaarden. Dat zou het geval zijn indien de lerares minder tijd had voor haar niet lesgebonden werkzaamheden dan haar mannelijke collega’s.
Gómez-arrest wees, deed de Hoge Raad uitspraak in de zaak
[...2] /VPCVO Apeldoorn. [76] In die uitspraak is geen aandacht besteed aan het
Gómez-arrest, zodat het onduidelijk is of de Hoge Raad dat arrest bij zijn oordeelsvorming heeft betrokken.
Gómez-arrest was op dat moment nog niet gewezen. Toch concludeert Langemeijer tot vernietiging en verwijzing. Dit omdat de rechtbank had miskend dat vrouwelijke leraren door het ontbreken van een compensatieregeling in een nadeliger arbeidsvoorwaardenpositie kunnen komen te verkeren dan hun mannelijke collega’s. De rechtbank is met zijn oordeel dat het ontbreken van een compensatieregeling niet in strijd is met het Europese recht en met de gelijkebehandelingswetgeving, voorbijgegaan aan het feit dat een zwangere lerares minder vakantieverlof heeft (in de betekenis die art. I-C2 lid 1 RpbO (oud) daaraan geeft) doordat zij – in vergelijking met haar mannelijke collega’s – over minder tijd beschikt om de niet-lesgebonden taken te verrichten, aldus de A-G.
ROC/ […] I-arrest en het
[...2] /VPCVO Apeldoorn-arrest is veel kritiek geuit. [77] Die kritiek is versterkt door het
Gómez-arrest, naar aanleiding waarvan Vegter schrijft dat die uitspraak ‘
zonneklaar [maakt] (…) dat het oordeel van de Hoge Raad onhoudbaar is’ en in strijd is met het EG-recht. [78] Vas Nunes onderschrijft dit. Naar zijn mening maken de regelingen in het onderwijs op dit punt in ieder geval indirect (en mogelijk direct) onderscheid naar geslacht. [79]
Het is te betreuren dat zowel de Raad [lees: CRvB, A-G] als de Hoge Raad als hoogste rechters hebben afgezien van het stellen van prejudiciële vragen op grond van artikel 234 EG Pro over de uitleg van het relevante communautaire recht in deze kwestie. Wellicht waren zij er zelfs toe verplicht, gezien het tweede lid van het artikel. Er is toch, gezien de verschillende interpretaties alle reden toe. Zowel de uitspraak van de Raad als de arresten van de Hoge Raad staan naar onze mening op gespannen voet met het Europese recht.”
NJ-annotatie bij het
ROC/ […] I-arrest schreef hij: [81]
6. Het is wel opmerkelijk dat de Hoge Raad, nu de resterende vraag in wezen handelt over de verenigbaarheid met Europees recht, de zaak terugverwijst naar een lagere instantie en geen prejudiciële vraag stelt aan het Hof van Justitie van de EG. Het gaat hierbij met name om de verenigbaarheid met de Richtlijn gelijke behandeling m/v in het arbeidsproces, nr. 76/207/EG. Gelet op de uiterst kritische beoordeling van zwangerschapszaken door dit hof zou het zeer wel denkbaar zijn dat dit tot een op dit punt ander oordeel zou komen. Behalve de genoemde zaak- […] , waarin het Hof anders oordeelde dan de beide Nederlandse feitelijke rechters, kunnen worden genoemd HvJ EG 14 juli 1994, nr. C-32/93, Jur. 1994, p. I-3567, JAR 1994/169 (Webb/EMO Air Cargo), HvJ EG 27 oktober 1998, nr. C-411/96, Jur. 1998, p. I-6401, JAR 1999/14, NJ 1999/518 (Boyle e.a./Equal Opportunities Commission) en HvJ EG 4 oktober 2001, nr. C-109/00, Jur. 2001, p. I-6993, JAR 2001/220 (Tele Danmark/Brandt-Nielsen). Uit deze arresten blijkt dat de gevolgen van een maatregel die nadelige gevolgen heeft voor meer vrouwen dan mannen, worden beschouwd als een indirect onderscheid en dat daarvoor niet snel rechtvaardigingsgronden worden aanvaard. Nu is het zeer wel dankbaar dat in een later stadium alsnog het hof zal moeten worden geadieerd en dan zal de uiteindelijke beslissing slechts langer op zich hebben laten wachten. (…)”
Het verschil tussen de casus in de hier besproken [Nederlandse, A-G] zaak en de zaak Gómez ligt hierin dat de schoolvakanties niet gebaseerd zijn op een nationale wettelijke regeling die verder gaat dan de Europese richtlijn, maar op een cao die verder gaat dan de nationale wet (en de Europese richtlijn). Er valt echter veel voor te zeggen dat ook hiervoor geldt dat sprake is van een geoorloofde afwijking in het voordeel van de werknemer. Waar immers in het ene Europese land de richtlijnen door wetten worden uitgevoerd, gebeurt dit in het andere land door collectieve arbeidsovereenkomsten. Het gunstigheidsbeginsel (afwijking naar boven voor werknemers is toegestaan) geldt arbeidsrechtelijk in de meeste landen niet alleen voor de nationale wet ten opzichte van de Europese richtlijn, maar ook voor cao’s ten opzichte van de nationale wet. Het is daarom spijtig dat de Hoge Raad deze kwestie niet heeft willen voorleggen aan het EG-Hof, nu er alle reden blijft voor twijfel over de juistheid van de uitleg van dit deel van het Europese recht door de Hoge Raad.”
[…] /ROC Ischreven zij het volgende: [84]
De suggestie van de A-G, die door de Hoge Raad werd overgenomen om bij het onderzoek of van een verboden onderscheid sprake is na te gaan of er maatregelen zijn getroffen om het nadeel op te heffen, leidt er naar onze mening niet toe dat de regeling in het RpbO in bepaalde gevallen toch door de beugel zou kunnen. Er zou dan steeds in ieder individueel geval moeten worden nagegaan of er een regeling is getroffen, wat die precies inhoudt en of die afdoende het nadeel opheft. Beter is dan dat er een algemeen geldende regeling wordt ontworpen waardoor de apert onredelijke gevolgen van de vakantieregeling worden opgevangen. De situatie waarin [...3] zich bevond, het gemis aan de hele zomervakantie, kan daarbij anders worden beoordeeld dan die van […] , die de kerst- en voorjaarsvakantie miste. Door vooraf duidelijkheid te hebben in welke gevallen voor vervanging moet worden gezorgd en in welke niet kan de organisatie ook beter inspelen op de nodige voorzieningen. Door een duidelijke (compensatie)regeling kan zowel recht gedaan worden aan de bescherming van zwangere leerkrachten als aan de belangen van de onderwijsorganisatie.”
evidentdat uit het
Gómez-arrest voortvloeit dat de oordelen van de Hoge Raad (en van de CRvB) onhoudbaar zijn. [88] Daarbij wijst zij onder meer op de overwegingen van het Hof van Justitie dat het recht op jaarlijkse vakantie een ander doel heeft dan het recht op zwangerschapsverlof, en dat de Zwangerschapsrichtlijn meebrengt dat tijdens zwangerschapsverlof de rechten verbonden aan de arbeidsovereenkomst moeten worden gewaarborgd (met uitzondering van het recht op bezoldiging). Daar valt het recht op vakantie dus ook onder. Tot slot brengt zij in herinnering dat de Gelijkebehandelingsrichtlijn (oud) beoogt om de rechtspositie van mannelijke en vrouwelijke werknemers in materieel opzicht gelijk te trekken en niet zozeer om (alleen) formele gelijke rechten te waarborgen, terwijl in haar ogen de Hoge Raad en de CRvB trachten de toepassing van het EG-recht (en ook het relevante Nederlandse recht) te omzeilen ‘door een recht op vakantie niet aan te merken als een recht op vakantie’.
4.Beschouwing
geenbepalingen die gericht zijn op de bescherming van de vrouw in verband met zwangerschap of moederschap. [89]
Gómez-arrest (zie onder 3.51-3.70). In dat arrest besliste het Hof dat art. 11, lid 2, sub a, van de Zwangerschapsrichtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat een werkneemster haar jaarlijkse vakantie in een andere periode moet kunnen nemen dan gedurende haar zwangerschapsverlof, ook wanneer het zwangerschapsverlof samenvalt met de periode van de jaarlijkse vakantie die algemeen bij bedrijfsakkoord is vastgesteld voor het gehele personeel. Dat geldt ook wanneer sprake is van een langer vakantieverlof dan het wettelijke minimum. Ook bovenwettelijk vakantieverlof kwalificeert als ‘aan de arbeidsovereenkomst verbonden rechten’, die op grond van art. 11, aanhef en onder 2, sub a, Zwangerschapsrichtlijn moeten worden gewaarborgd.
bepaald aantalvakantiedagen. Hoe dan ook geldt dat de werkneemster met zwangerschaps- en bevallingsverlof in de schoolvakanties geen ‘vakantieverlof’ heeft indien dat verlof samenvalt met een van die schoolvakanties (behoudens de zomervakantie).
1. Zijn de artikelen 15.1 lid 7 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 lid 7 CAO-VO 2018-2019 (waarin is bepaald dat zwangerschaps- en bevallingverlof niet wordt gecompenseerd in geval van samenloop met andere schoolvakanties dan de zomervakantie en de vijf extra dagen, zoals bedoeld in lid 1 onder a van artikelen 15.1 CAO-VO 2016-2017 en 14.1 CAO-VO 2018-2019) in strijd met artikel 7:646 lid 1 BW Pro (waarin is bepaald dat de werkgever geen onderscheid mag maken tussen mannen en vrouwen bij - onder andere - de arbeidsvoorwaarden) en/of artikel 5 lid 1 sub e Awgb Pro (dat het maken van onderscheid op grond van - onder meer - geslacht bij arbeidsvoorwaarden verbiedt), en daarmee nietig?