Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
Klant-op-1”, een voorgenomen herinrichting van de bedrijfsprocessen. Deze betrokkenheid zag ook op de pensioenadministratie. In het rapport “
Informatiearchitectuur Mn Services” van de hand van een medewerker van MN èn een medewerker van Aquila staan onder “Beleidsuitgangspunten” marktontwikkelingen vermeld: “
Mn Services wil 3x zo groot worden en voert hiertoe een offensieve strategie gericht op omzetgroei en verbetering van kwaliteit. Deze doelen zullen bereikt worden door (…) nieuwe opdrachtgevers (Buiten de MTB nieuwe opdrachtgevers werven, bijvoorbeeld andere pensioenfondsen. Fusie en samenwerking. Verregaande samenwerking met één of meerdere opdrachtgevers.” Dit rapport verscheen in november 2001. In dezelfde maand hebben MN en Aquila een intentieverklaring getekend. Daarin is een regeling opgenomen voor het geval MN een ander bedrijf overneemt, door een ander bedrijf wordt overgenomen of met een ander bedrijf samengaat. Dan is MN een licentievergoeding verschuldigd. Deze gevallen zijn in de Raamovereenkomst uitgewerkt in onder meer de artikelen 9.3 en 9.4. In het kader van uitwisseling tussen partijen van teksten heeft [betrokkene 1] van Aquila in een e-mail over onder meer deze bepalingen geschreven dat hij de tekst nog eens goed heeft gelezen en geen belemmeringen ziet voor de groeistrategie van MN. Het hof gaat er daarom vanuit dat partijen ook met de bepalingen in de artikelen 9.3 en 9.4 voor ogen hadden dat MN het voornemen had te groeien door het werven van nieuwe opdrachtgevers. HCP stelt ook zelf dat de raamovereenkomst rekening houdt met de groeistrategie van MN en zelfs dat het de bedoeling van MN was nieuwe klanten te bedienen.
de aanstelling van Mn Services als fiduciair vermogensbeheerder”. Bij brief van 6 juli 2007 (productie 14 bij inl. dgv.) werd Aquila geïnformeerd dat MN en PME contracten hadden getekend op grond waarvan MN het fiduciair vermogensbeheer voor PME zou gaan uitvoeren.
In 2008 heeft Mn Services intensieve gesprekken gevoerd over een mogelijke samenwerking met Syntrus Achmea.(…)
n 2008 is ook gestart met de voorbereiding voor de transitie van de pensioen-administraties van (PME, hof) en (Koopvaardij, hof). Deze transactie moet in 2009 zijn afgerond(…).”
Nadat in 2007 (PME, hof) Cerestar en Nutreco kozen voor Mn Services, volgden in 2008 het vermogensbeheer van (…) (Koopvaardij, hof). PME besloot in 2008 net als (Koopvaardij, hof) om naast het vermogensbeheer ook de pensioenadministratie onder te brengen bij Mn Services. Beide fondsen brengen de administratie bij Mn Services onder in 2010.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
subonderdeel 1.1wordt ten eerste geklaagd dat het oordeel in rov. 3.32 tot en met 3.34 over de verhouding tussen de boete en de geleden schade rechtens onjuist is, omdat het in strijd is met de tweeconclusieregel en berust op een overschrijding van de grenzen van de rechtsstrijd na cassatie en verwijzing. MN heeft eerst na de memorie van antwoord het bestaan van een wanverhouding tussen de verbeurde boete en de schade aan haar beroep op matiging ten grondslag gelegd, aldus het subonderdeel. Volgens het subonderdeel gaat het om een nieuwe stelling, die niet met ondubbelzinnige instemming van HCP onderdeel is geworden van de rechtsstrijd. In het subonderdeel wordt verder geklaagd dat het verwijzingshof bij zijn oordeel in rov. 3.32 tot en met 3.34 over de verhouding tussen de boete en de geleden schade het gezag van gewijsde van de beslissing van het hof Den Haag in rov. 12. van het eindarrest van 13 december 2016 – die volgens het subonderdeel inhoudt dat gelet op de tweeconclusieregel geen rekening meer kan worden gehouden met stellingen die na zijn tussenarrest van 14 juni 2016 zijn ingenomen – heeft miskend althans uit het oog verloren. Tot slot wordt in het subonderdeel geklaagd dat het oordeel van het verwijzingshof in ieder geval ontoereikend is gemotiveerd.
nieuwe wending” geven. [19]
over het gebruik van de relevante softwarebouwstenen voor dienstverlening aan PME en Koopvaardij”, zodat “
[h]et met de meldingsplicht beoogde doel werd(…)
vervuld” en “
het volstrekt onredelijk[is]
om de boetebepaling toe te passen na het moment dat Aquila feitelijk door MN was geïnformeerd.” Hierin ligt besloten – zoals het verwijzingshof kennelijk heeft gemeend – dat Aquila na het bedoelde moment geen nadeel heeft geleden door het uitblijven van de melding, zodat het doorlopen van de boeten over die periode onredelijk zou zijn. Dit argument kan dan ook heel wel zo worden uitgelegd dat het ziet op de verhouding tussen de boeten en de geleden schade (of beter: het door Aquila ondervonden nadeel) door niet-nakoming van de meldingsplicht, ook al worden die woorden niet expliciet gebruikt.
een grote wanverhouding[is]
tussen de werkelijke schade (nul) en de gevorderde hoogte van de boeten (€ 20 miljoen).” Gelet op wat in randnummer 3.5 werd uiteengezet, mocht het verwijzingshof bij de beoordeling of de boeten moeten worden gematigd een nadere duiding geven aan het (tijdig gevoerde) betoog van MN en nagaan in hoeverre dat aan de hand van uit het procesdossier blijkende feiten en omstandigheden kon worden gestaafd. De duiding die het verwijzingshof kennelijk aan het hiervoor weergegeven betoog van MN heeft gegeven en waarop het, na nader onderzoek naar de relevante feiten en omstandigheden, zijn oordeel in rov. 3.32 tot en met 3.34 heeft gebaseerd, namelijk dat Aquila geen schade heeft geleden door het uitblijven van de meldingen en dat er in dat licht een wanverhouding is met de boeten waarop Aquila aanspraak maakt, is geenszins onbegrijpelijk.
krachtvan gewijsde van een in cassatie niet of tevergeefs bestreden beslissing. Het
gezagvan gewijsde, waar HCP in subonderdeel 1.1 mogelijk per vergissing een beroep op doet, heeft hier geen betekenis. [30]
subonderdeel 1.2wordt geklaagd dat het oordeel in rov. 3.32 tot en met 3.34 over de verhouding tussen de boete en de geleden schade rechtens onjuist is althans onbegrijpelijk is gemotiveerd voor zover het verwijzingshof de verhouding tussen de hoogte van de boete en de werkelijk geleden schade een
sterke indicatievoor matiging heeft geacht althans overwegend belang aan deze omstandigheid heeft gehecht. Het verwijzingshof heeft daarmee, aldus nog steeds het subonderdeel, blijk gegeven van een onjuiste opvatting omtrent de aard van een boetebeding door te miskennen dat een dergelijk beding nu juist is bedoeld om een discussie over vaststelling en omvang van schade de pas af te snijden. Verder wordt in het subonderdeel geklaagd dat het oordeel van het verwijzingshof onvoldoende is gemotiveerd nu het verwijzingshof zich geen (kenbare) rekenschap heeft gegeven van de stellingen van HCP dat de boete in de eerste plaats als prikkel tot nakoming dient (en niet als gefixeerde schadevergoeding), het boetebedrag aan de productwaarde is gekoppeld, door partijen niet is gerelateerd aan mogelijke schade zijdens Aquila en nakoming (door MN) telkens achterwege blijft.
subonderdeel 1.3dat het oordeel van het verwijzingshof dat sprake is van een situatie waarin Aquila geen schade heeft geleden en dat een sterke indicatie voor matiging is onbegrijpelijk is gemotiveerd in het licht van de stellingen van HCP, dat (i) Aquila niet weet welke ‘integraties’ MN nog meer heeft uitgevoerd waarvoor MN een meldingsplicht had, in welk kader partijen nu juist het boetebeding zijn overeengekomen, en (ii) de stelling van HCP dat wanneer Aquila tijdig op de hoogte was geweest van de integraties, zij in staat was geweest om nadere diensten aan te bieden, welke kans haar nu is onthouden.
andere vormen van schadevoor Aquila te voorkomen. Dit een en ander wordt in cassatie niet bestreden. In deze overwegingen van het verwijzingshof ligt besloten dat de hiervoor weergegeven stellingen onder (i) en (ii) niet relevant zijn voor de vraag of het boetebeding moet worden gematigd. HCP maakt niet duidelijk waarom deze redenering van het verwijzingshof onbegrijpelijk zou zijn. Ik zie ook niet in wat daaraan onbegrijpelijk is.
subonderdeel 1.4is het oordeel in rov. 3.36 rechtens onjuist, omdat het verwijzingshof in strijd met art. 24 Rv Pro het verweer van MN heeft aangevuld door deze strekking van het boetebeding bij zijn matigingsoordeel te betrekken. De door het verwijzingshof genoemde strekking is niet door MN aan haar matigingsverweer ten grondslag gelegd, aldus het subonderdeel.
Subonderdeel 1.5klaagt in het verlengde daarvan ten eerste dat voor zover het verwijzingshof deze strekking uit de stellingen van MN heeft afgeleid, zijn oordeel rust op een onbegrijpelijke interpretatie van de gedingstukken, omdat de stellingen van MN geen aanknopingspunt bevatten voor een dergelijke interpretatie. Subonderdeel 1.5 bevat nog een tweede klacht: ook indien het verwijzingshof de bedoelde strekking wel uit de stellingen van MN mocht afleiden, is zijn oordeel ondeugdelijk omdat het verwijzingshof in dat geval in strijd met de tweeconclusieregel en art. 424 Rv Pro het matigingsverweer van MN in zijn overwegingen heeft ‘verdisconteerd’, zo luidt de klacht. In het verlengde daarvan klaagt HCP dat het verwijzingshof niet vrij was om de hiervoor bedoelde stellingen in zijn oordeelsvorming te betrekken, gelet op het in de eerste cassatie niet bestreden en daarom vaststaande uitgangspunt van het Haagse hof dat vanwege de tweeconclusieregel geen rekening meer kan worden gehouden met stellingen die na zijn tussenarrest van 14 juni 2016 zijn ingenomen
geen functiemeer had zodra Aquila feitelijk ervan op de hoogte was gebracht dat dat samengaan had plaatsgevonden. MN heeft daarin immers ook naar voren gebracht: “
Het met de meldingsplicht beoogde doel werd aldus vervuld.” Het verwijzingshof is er dus kennelijk en niet onbegrijpelijk van uitgegaan dat MN in het kader van haar matigingsverweer ook een beroep heeft gedaan op de strekking van het boetebeding (die sterk samenhangt met de strekking van de meldingsplicht). MN kon dit betoog ook, zonder dat dat strijd zou opleveren met de tweeconclusieregel, ook ná de memorie van antwoord en ook na cassatie en verwijzing – naar aanleiding waarvan het matigingsverweer moest worden behandeld – nader uitwerken. Dat heeft MN gedaan [32] en het verwijzingshof mocht op die uitwerking acht slaan. Het verwijzingshof mocht het betoog van HCP vervolgens relateren aan de feiten en omstandigheden die hem tijdens de procedure zijn gebleken en daaruit zijn conclusies trekken. HCP betoogt overigens niet dat wat MN na de memorie van antwoord nog over dat onderwerp naar voren heeft gebracht niet in het verlengde ligt van wat zij reeds bij conclusie van antwoord naar voren had gebracht en mijns inziens zou dat betoog ook niet slagen. Voor zover HCP een beroep doet op rov. 12. van het eindarrest van 13 december 2016 slaagt dit niet, gelet op wat ik in randnummers 3.9 en 3.10 heb opgemerkt. Het verwijzingshof heeft dus niet art. 24 Rv Pro, de tweeconclusieregel en/of art. 424 Rv Pro miskend.
subonderdeel 1.6wordt geklaagd dat het oordeel van het verwijzingshof in rov. 3.36 onvoldoende is gemotiveerd in het licht van stellingen van HCP dat Aquila niet weet welke integraties MN nog meer heeft uitgevoerd waarvoor MN een meldingsplicht had, reden waarom partijen nu juist het boetebeding zijn overeengekomen, en dat wanneer Aquila tijdig op de hoogte was geweest van de integraties, zij in staat was geweest om nadere diensten aan te bieden.
subonderdeel 1.8is het oordeel in rov. 3.37 onbegrijpelijk gemotiveerd omdat het verwijzingshof geen inzicht heeft gegeven in de relevantie van de omstandigheid dat niet gebleken zou zijn dat MN opzettelijk licentievergoedingen aan Aquila wilde onthouden voor het antwoord op de vraag waarom de billijkheid klaarblijkelijk eist dat de verschuldigde contractuele boete moet worden gematigd. Die omstandigheid laat namelijk, aldus het subonderdeel, onverlet dat MN het precieze moment van samengaan met PME en Koopvaardij in strijd met artikel 9.6 van de Raamovereenkomst niet aan Aquila heeft gemeld, terwijl de boete voor dat geval was overeengekomen, zoals het verwijzingshof zelf heeft vastgesteld in rov. 3.21 en 3.36. Dit oordeel is, aldus nog steeds het subonderdeel, bovendien tegenstrijdig aan de overweging in rov. 3.21 dat de bedoelde melding (ongeacht het feit dat Aquila mogelijk wist van enig samengaan van MN met PME en Koopvaardij) conform de Raamovereenkomst voor Aquila van belang was om de precieze contractuele boete te kunnen berekenen.
subonderdeel 1.9dat het verwijzingshof met geen woord is ingegaan op de essentiële stelling van HCP dat MN zelf de boete heeft laten oplopen door de periode van blootstelling aan een boete te laten voortduren. MN heeft nooit meegewerkt aan minnelijk overleg en heeft voor een procestactiek gekozen waarbij zij telkens heeft ontkend dat sprake was van integraties waarvoor zij een meldingsplicht had. MN heeft aldus welbewust het risico genomen dat de boete zou blijven oplopen terwijl (lees: wanneer, A-G) in rechte zou komen vast te staan dat zij wel degelijk meldingsplichtig was (welk risico zich heeft verwezenlijkt), aldus het subonderdeel. Het verwijzingshof lijkt er volgens het subonderdeel aan voorbij te hebben gezien dat matiging in die situatie niet in de rede ligt, zodat zijn oordeel ook op dit punt onvoldoende is gemotiveerd.
Ondanks het achterwege blijven van de bedongen meldingen, is Aquila immers uit de inlichtingen die MN in het kader van de door Aquila uit te brengen offerte heeft verstrekt, ermee bekend geworden dat zij gerechtigd was tot de licentievergoedingen en zij heeft haar recht op de licentievergoedingen ook geldend kunnen maken. Weliswaar heeft zij daar een geding voor moeten voeren, maar ook dit is niet veroorzaakt doordat MN haar meldingsplicht niet is nagekomen. Dit is veroorzaakt doordat MN betwistte dat Aquila gerechtigd was tot de licentievergoedingen.” Het verwijzingshof heeft kennelijk gemeend – en dat vind ik alleszins begrijpelijk – dat MN niet zo zeer een melding heeft nagelaten terwijl zij wist dat ze een melding moest doen, maar dat zij oprecht meende dat zich niet een voorval had voorgedaan dat tot melding noopte. Daarin ligt besloten dat het verwijzingshof niet van oordeel is geweest dat MN de boete heeft laten oplopen door de periode van blootstelling aan een boete te laten voortduren. Tegen dat oordeel van het verwijzingshof heeft HCP overigens geen klachten gericht.
nauwgezetmoet motiveren, worden mijns inziens te strenge eisen gesteld. Uit het gegeven dat de matigingsbevoegdheid volgens art. 6:94 lid 1 BW Pro kan worden uitgeoefend als onverkorte toepassing van het boetebeding klaarblijkelijk onbillijk zou zijn, volgt dat de rechter de boete matigt tot een bedrag dat
niet klaarblijkelijk onbillijkis. [35] Het bepalen van dat bedrag berust niet op exacte wetenschap. [36] In cassatie kan de hoogte van dat bedrag niet op juistheid maar alleen op begrijpelijkheid worden getoetst. [37] De beslissing van de rechter verlangt een waarderingsoordeel – als het ware een ‘sprongetje’ van de feiten en omstandigheden naar het gekozen bedrag – dat zich doorgaans moeilijk nader laat toelichten. Die beslissing wordt niet onbegrijpelijk enkel omdat een andere beslissing ook denkbaar en verdedigbaar zou zijn geweest. De rechter heeft dan ook (de nodige) beoordelingsruimte [38] en er worden geen bijzondere eisen gesteld aan de motivering van het bedrag waartoe de rechter komt. [39] Bovendien geldt dat die motivering (mede) besloten kan liggen in de motivering van de beslissing om te matigen en niet separaat tot uitdrukking hoeft te komen. Ook dan kan voldoende inzicht bestaan in de gedachtegang die de rechter tot het bedrag heeft geleid.