Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
dringend eigen gebruik [a-straat 1]
belangenafweging
Principaal appel
3.Dringend eigen gebruik bij verhuur van 290-bedrijfsruimte
verplichtebeëindigingsgronden in die zin dat als de rechter eenmaal heeft vastgesteld dat één van deze gronden zich voordoet, voor een afweging van belangen op grond van lid 3 geen plaats is. [19] De beëindigingsvordering wordt dan dus toegewezen.
[…] / […]. [27] In deze procedure ging het om een opzegging van een huurovereenkomst tegen het einde van de tweede huurtermijn met betrekking tot een pand waarin door de huurder een Chinees-Indisch restaurant werd gedreven. De verhuurder, […] , zegde de huurovereenkomst op wegens dringend eigen gebruik. […] stelde in zijn opzeggingsbrief het pand nodig te hebben als exclusief Chinees specialiteitenrestaurant, uit te baten door zijn echtgenote in verband met de ontvangst van zakelijke relaties van de door […] opgerichte importmaatschappij. In hoger beroep voerde […] aan dat het opzetten van de importmaatschappij was mislukt en dat hij nu genoodzaakt was om zelf een restaurant te gaan exploiteren. Hij wees daarbij op aanzienlijke belastingaanslagen die hij inmiddels had ontvangen. Het hof woog deze omstandigheden mee in het kader van de vraag of […] de dringende noodzaak tot het persoonlijk in gebruik nemen van het pand voldoende aannemelijk had gemaakt. In cassatie klaagde […] , kort samengevat, dat het hof had miskend dat de verhuurder in een procedure tot huurbeëindiging gebonden is aan de beëindigingsgronden die in de huuropzegging zijn vermeld. Uw Raad echter overwoog dat het hof er kennelijk en niet onbegrijpelijk van is uitgegaan dat […] in hoger beroep niet een nieuwe grond voor de opzegging heeft aangevoerd, maar slechts een gewijzigde feitelijke grondslag voor de voor de opzegging gegeven en ook in hoger beroep gehandhaafde grond ‘dringende noodzaak van persoonlijk gebruik van het gehuurde’ in verband met het voornemen in het gehuurde een restaurant te exploiteren (rov. 3.3.3). Hiermee had het hof volgens Uw Raad niets verkeerd gedaan. Het hof had door de door […] in hoger beroep gewijzigde (feitelijke) grondslag voor de gestelde dringende noodzaak in zijn beoordeling te betrekken en te oordelen dat het erom ging of die gestelde dringende noodzaak om het verhuurde zelf in gebruik te nemen aanwezig was ten tijde van zijn uitspraak, toepassing gegeven aan de regel dat de vraag of een verhuurder van bedrijfsruimte het verhuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik als bedoeld in art. 7:296 lid 1 aanhef Pro en onder b BW dient te worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval (rov. 3.3.4).
ZSN/Telec(1980),
Klaver/Hoes(1991),
Fuld/Madurodam(1997) en
Alog/Ultimo(2014).
ZSN/Telec-arrest [30] is van dringend nodig hebben voor eigen gebruik niet enkel sprake indien de verhuurder in de situatie – waarin hij behoefte heeft zelf het verhuurde als bedrijfsruimte in gebruik te nemen – is geraakt door van zijn wil onafhankelijke omstandigheden en hij buiten machte is in die situatie op andere wijze te voorzien. Volgens Uw Raad doet het er in beginsel [31] niet toe hoe de bedoelde situatie is ontstaan en kan van dringend nodig hebben ook sprake zijn als de verhuurder andere mogelijkheden heeft om in die situatie te voorzien. Dat laatste zal anders zijn wanneer het benutten van die andere mogelijkheden voldoende in de rede ligt.
RvdW2009/673 (art. 81 RO Pro). A-G Langemeijer spreekt zich hier uit over de in cassatie door de huurder naar voren gebrachte klacht dat het hof uit het oog heeft verloren dat van een dringende noodzaak van eigen gebruik in de zin van art. 7:296 lid 1 aanhef Pro en onder b BW alleen dan sprake is, indien aannemelijk is dat het voor de verhuurder van wezenlijk belang is dat hij (juist) dit object zelf in gebruik kan nemen:
Klaver/Hoes-arrest [32] heeft Uw Raad de lijn uit het
ZSN/Telec-arrest bevestigd. Hoes exploiteerde een supermarkt in een pand dat hij huurde van Klaver. Klaver, een groothandel in artikelen voor de kruideniersbranche, heeft op enig moment te kennen gegeven dat zij het pand dringend nodig heeft voor eigen gebruik. In eerste aanleg heeft de kantonrechter het verzoek van Klaver afgewezen, omdat zij geen dringend belang zou hebben bij de toewijzing hiervan. Volgens de kantonrechter zijn er voor Klaver andere mogelijkheden aanwezig om haar ondernemersdoel – het uitbreiden van haar uit eigen distributiepunten bestaande winkelketen – te verwezenlijken en ligt het in de rede dat zij die andere mogelijkheden benut. In hoger beroep heeft de rechtbank Klaver de gelegenheid gegeven om het rapport van een adviesbureau over te leggen, waarop zij zich voor de dringendheid van het door haar beoogde gebruik mede had beroepen. Nadat Klaver een deel van dat rapport en enige andere stukken had overgelegd en partijen over en weer commentaar hadden gegeven, heeft de rechtbank de beschikking van de kantonrechter bekrachtigd op de grond dat zij uit geen van de stukken kan “
afleiden om welke reden, anders dan de algemene bedrijfseconomische motieven, genoemd in voormeld rapport, Klaver nu juist het pand waarin Hoes zich als huurster bevindt dringend voor eigen gebruik van node heeft” (rov. 2.5).
de huurderom dit laatste te stellen en aannemelijk te maken:
Fuld/Madurodam-arrest [34] zegde Madurodam de huur op met betrekking tot een door Fuld op het terrein van Madurodam gebruikte fotokiosk, omdat zij, na een verbouwing, de verkoop van alle artikelen op haar terrein in eigen beheer wilde nemen. Zij streefde een eenvormige uitstraling naar haar bezoekers na. [35] Uw Raad herhaalde nog eens dat algemene bedrijfseconomische redenen zeer wel voldoende kunnen zijn om een dringend nodig hebben voor eigen gebruik aannemelijk te achten. [36] Verder heeft Uw Raad in dit arrest overwogen dat voor een beroep op een dringend nodig hebben voor eigen gebruik niet is vereist dat de verhuurder in zijn maatschappelijk voortbestaan wordt bedreigd en dat hij de verhuurde ruimte nodig heeft om aan deze bedreiging het hoofd te kunnen bieden. [37]
Alog/Ultimo-arrest [38] verdient hier enige aandacht. In deze zaak heeft verhuurder Ultimo de huurovereenkomst met Alog opgezegd wegens onder meer dringend eigen gebruik, in verband met renovatie van het winkelcentrum waarvan de door Alog gehuurde ruimte deel uitmaakte. Het hof heeft de vordering van Ultimo toegewezen, omdat partijen het erover eens zijn dat het winkelcentrum moet worden gerenoveerd nu het sterk verouderd is en Ultimo voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat na de geplande renovatie een kostendekkende exploitatie met verhuur aan Alog tegen een huur van maximaal € 170 per vierkante meter onmogelijk is. [39] Alog heeft in cassatie aangevoerd dat het hof ten onrechte (enkel) doorslaggevend heeft geacht dat een kostendekkende exploitatie na de renovatie met verhuur aan Alog niet mogelijk is. Volgens Alog had het hof moeten onderzoeken of een structurele wanverhouding bestaat tussen de exploitatiekosten en de huuropbrengsten. Daarbij heeft Alog een beroep gedaan op de door Uw Raad in het
Herenhuis-arrest gegeven maatstaf, die geldt bij dringend eigen gebruik in verband met renovatie bij verhuur van
woonruimte:
ex nunc. Niet is vereist dat de verhuurder haast heeft; hij moet een wezenlijk belang hebben bij het gewenste eigen gebruik van het verhuurde. De verhuurder kan volstaan met aannemelijk te maken dat hij het gehuurde dringend zelf nodig heeft. Hij hoeft dit niet met objectieve gegevens aan te tonen. Verder geldt dat:
de huurderom te stellen en aannemelijk te maken dat de verhuurder andere mogelijkheden ten dienste staan en dat het benutten daarvan voldoende in de rede ligt;
4.Bespreking van het cassatiemiddel
behoorlijk rendement” behaalt (rov. 2.8), waar het hof heeft overwogen dat “
meer rendement” voor een eigenaar in beginsel altijd nastrevenswaardig is maar de wens om dat te bereiken door alleen voor dit pand nu weer terug te schakelen van de positie van belegger/verhuurder naar de positie van uitbater onvoldoende dringend is (rov. 2.9) en waar het hof heeft overwogen dat met de beleggingswaarde van het pand “
in absolute zin” niet veel mis is (rov. 2.6).
behoorlijk rendement” behaalt (rov. 2.8), dat “
meer rendement” voor een eigenaar in beginsel altijd nastrevenswaardig is maar de wens om dat te bereiken door alleen voor dit pand nu weer terug te schakelen van de positie van belegger/verhuurder naar de positie van uitbater onvoldoende dringend is (rov. 2.9) en dat met de beleggingswaarde van het pand “
in absolute zin” niet veel mis is (rov. 2.6), betekent niet dat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan het beroep van [de verhuurder] op dringend eigen gebruik. Het hof moest de relevante feiten en omstandigheden van het geval, waaronder ook de hier genoemde omstandigheden, waarderen en dat heeft het gedaan. Dat deze waardering in het nadeel van verhuurder [de verhuurder] uitpakt, maakt nog niet dat het hof te hoge eisen heeft gesteld.
moetenoordelen dat van dringend eigen gebruik sprake is. Ook onder die omstandigheden immers blijft het uitgangspunt dat het afhangt van (een waardering van) alle omstandigheden van het geval of sprake is van dringend eigen gebruik. Met andere woorden: een verplichting of regel als hier door [de verhuurder] lijkt te worden voorgestaan bestaat niet. In dit verband merk ik op, voor het geval [de verhuurder] ook daarover beoogt te klagen, dat het hof omstandigheden (a), (b) en (c) ook niet heeft miskend. Het hof heeft immers voor ogen gehad dat het hier gaat om een opzegging door de verhuurder tegen het einde van de tweede termijn als bedoeld in art. 7:292 lid 2 BW Pro (omstandigheid (a)), gelet op hetgeen het hof heeft overwogen in rov. 2.7. van het tussenarrest en gelet op de jaartallen die het hof in rov. 2.9 van het bestreden arrest noemt. Verder heeft het hof in rov. 2.5 overwogen dat [de verhuurder] in 2019 een jaarlijkse winst van € 400.000 kan behalen door gestegen kamerprijzen als gevolg van de toegenomen populariteit van Amsterdam als toeristische bestemming, dus door omstandigheden die losstaan van verhuur of verkoop (omstandigheid (b)). En in rov. 2.8, eerste zin, van het bestreden arrest heeft het hof met zoveel woorden erkend dat de winstpotentie van het hotel aanzienlijk is en zelfexploitatie voor [de verhuurder] tot een behoorlijke rendementsverbetering kan leiden (omstandigheid (c)).
een beter economisch rendement kan halen als hij het hotel weer zelf gaat exploiteren”.
Als [de verhuurder] maar aannemelijk maakt dat hij een beter economisch rendement kan halen, heeft hij een wezenlijk belang en is van dringend eigen gebruik sprake”. Van een erkenning door Centre Hotel als door het subonderdeel wordt voorgesteld, is echter geen sprake, nog daargelaten of het hof daaraan gebonden zou zijn geweest. In randnummer 123. van haar memorie van antwoord in principaal appel tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel tevens houdende vermindering/wijziging van eis, waar het subonderdeel naar verwijst, geeft Centre Hotel enkel, en op juiste wijze, een specifieke regel van het regime met betrekking tot dringend eigen gebruik weer: de verhuurder hoeft enkel aannemelijk te maken dat hij het gehuurde dringend zelf nodig heeft en hij hoeft dit niet met objectieve gegevens aan te tonen (randnummer 3.14 hiervoor). Dat is geen erkenning van het een of het ander in de verhouding tussen partijen.
juist het gehuurde” dienstbaar moet worden gemaakt aan zijn wens om zelf een hotel uit te baten en waarom “
juist op dit moment”, alsmede over de vergelijkbare overweging dat de wens om meer rendement te bereiken door “
alleen voor dit pand” nu weer terug over te schakelen van de positie van belegger/huurder naar de positie van uitbater onvoldoende dringend is. Volgens [de verhuurder] heeft het hof hiermee miskend dat het niet aan hem was om te stellen en aannemelijk te maken dat hij kort gezegd “
juist het gehuurde” nodig heeft voor zijn wens om een hotel uit te baten, en aldus het door hem gestelde economisch voordeel te behalen, maar dat het aan Centre Hotel was om te stellen en aannemelijk te maken dat van [de verhuurder] kan worden gevergd dat hij een van de andere panden in zijn vastgoedportefeuille aanwendt om een hotel uit te baten, en dat hij aldus het door hem gestelde economisch voordeel kan behalen. Dit geldt volgens [de verhuurder] temeer nu Centre Hotel heeft erkend dat dit de juiste verdeling van stelplicht en bewijslast is.
juist het gehuurde” dienstbaar moet worden gemaakt aan de wens van [de verhuurder] om zelf een hotel uit te baten. In de laatste zin van rov. 2.9 heeft het hof het over “
alleen voor dit pand”. Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat het niet inziet waarom [de verhuurder] juist het gehuurde dringend nodig zou hebben nu hij mogelijk net zo goed een ander pand uit zijn vastgoedportefeuille zou kunnen inzetten om daarin een hotel uit te baten. Aldus heeft het hof inderdaad de door Uw Raad in het
ZSN/Telec-arrest (randnummer 3.16 hiervoor) en het
Klaver/Hoes-arrest (randnummer 3.19 hiervoor) gegeven regel miskend. Het bestaan van andere mogelijkheden staat alleen dan in de weg aan een beroep op het dringend nodig hebben voor eigen gebruik van het verhuurde, indien het benutten van die andere mogelijkheden voldoende in de rede ligt, en het is aan de
huurderom dit laatste te stellen en aannemelijk te maken. Over de vraag of het voldoende in de rede ligt dat [de verhuurder] een ander pand uit vastgoedportefeuille aanwendt om daarin een hotel uit te baten, heeft het hof zich niet uitgelaten.
“(bescheiden)” vastgoedportefeuille beschikt. Volgens [de verhuurder] heeft het hof hiermee de enige feitelijke onderbouwing van Centre Hotel voor haar stelling dat [de verhuurder] – kort gezegd – alternatieven heeft, te weten het betoog van Centre Hotel dat [de verhuurder] over een omvangrijke vastgoedportefeuille van 50 stuks vastgoed zou beschikken, in plaats van de door [de verhuurder] gestelde 7 panden, verworpen.
juist het gehuurde” dienstbaar moet worden gemaakt aan [de verhuurder] wens om een hotel uit te baten, ontoereikend gemotiveerd, in het licht van de volgende vaststaande feiten en stellingen die in cassatie voor juist moeten worden gehouden:
juist het gehuurde” dienstbaar moet worden gemaakt aan zijn wens om een hotel uit te baten.
in tijd. Volgens het subonderdeel heeft het hof dit miskend door te overwegen dat dat de vraag zich opdringt waarom juist het gehuurde “
juist op dit moment” dienstbaar moet worden gemaakt aan [de verhuurder] wens zelf een hotel uit te baten.
ex nunc, het hof dan ontoereikend heeft gemotiveerd waarom voorgenomen eigen gebruik
ten tijde van het eindarrest niet dringend in de zin van wezenlijk is. Dat oordeel zou immers tegenstrijdig zijn met de overwegingen van het hof in rov. 2.7 en 2.8 dat zelfexploitatie voor [de verhuurder] tot een behoorlijke rendementsverbetering kan leiden.
juist op dit moment” in rov. 2.9 enkel tot uitdrukking heeft gebracht dat het ‘nu’ (ten tijde van zijn uitspraak) niet kan aannemen dat [de verhuurder] het verhuurde dringend nodig heeft voor eigen gebruik. Daarbij wijst het hof erop dat de reden daarvoor “
thans” niet meer kan worden gevonden in de geringe hoogte van de huurprijs na herziening.
thans” niet meer worden gevonden in de geringe hoogte van de huurprijs na herziening. Deze overwegingen van het hof zijn inderdaad, zoals het subonderdeel aanvoert, in strijd met ’s hofs eerdere overweging dat zelfexploitatie van het hotel voor [de verhuurder] tot een behoorlijke rendementsverbetering kan leiden (rov. 2.7 en 2.8). Die omstandigheid immers verklaart waarom [de verhuurder] het gehuurde “
juist nu” dringend nodig heeft voor eigen gebruik. In zoverre is dus inderdaad sprake van een ontoereikende motivering.
betrekkelijk recente eigen keuze van [de verhuurder]” afdoet aan “
de dringendheid van zijn wens om zelf een hotel uit te baten.” Met ‘eigen keuze’ doelt het hof op de omstandigheid dat [de verhuurder] er in 2006 voor heeft gekozen om het hotelbedrijf te verkopen aan De Lantaerne “
voor een bedrag van € 800.000,= en de bedrijfsruimte aan die vennootschap te verhuren”. Volgens het hof ligt het voor de hand om aan te nemen dat in 2006 zelfexploitatie van het hotel [de verhuurder] ook al meer kon opleveren dan verhuur van het pand, omdat anders voor De Lantaerne geen winstpotentie zou hebben bestaan. “
Van die extra winst door zelfexploitatie heeft [de verhuurder] in 2006 welbewust afgezien”, aldus het hof (zie de eerste drie zinnen van rov. 2.9).
betrekkelijk recent” zou zijn, laat staan waarom een dergelijke keuze zou afdoen aan de dringendheid van de wens om het pand in eigen gebruik te nemen ten tijde van het eindarrest, dus meer dan veertien jaar later. Deze overwegingen behoefden volgens [de verhuurder] temeer nadere motivering, nu de vraag of het voorgenomen gebruik dringend is in beginsel dient te worden beoordeeld op het moment dat de rechter uitspraak doet over de beëindigingsvordering, dus
ex nunc.
betrekkelijk recent” zou moeten worden aangemerkt.
betrekkelijke recente” keuze (in tijd), valt evenmin goed in te zien waarom die keuze afdoet aan de dringendheid van de wens van [de verhuurder] om het hotel weer zelf te exploiteren. [48]
dieextra winst door zelfexploitatie, aldus [de verhuurder] .
Het is weliswaar vaste rechtspraak dat de omstandigheid dat een verhuurder de dringende noodzaak tot het eigen gebruik zelf in het leven heeft geroepen, op zichzelf niet aan de toewijzing van de beëindigingsvordering in de weg hoeft te staan, maar dat betekent niet [dat] die omstandigheid bij de beoordeling van de dringendheid geen rol zou mogen spelen.” Het hof is er dus van uitgegaan dat, in het kader van de vraag of sprake is van dringend eigen gebruik, mee mag wegen de omstandigheid dat [de verhuurder] zelf welbewust heeft afgezien van het maken van extra winst met zelfexploitatie. Hiermee heeft het hof kennelijk bedoeld: het maken van extra winst in het algemeen, dus ongeacht de hoogte daarvan. Dit wordt door het subonderdeel miskend, waar het erop wijst dat [de verhuurder] in 2006 niet heeft kunnen afzien van de winst die hij in 2015 en 2019 zou voorzien. Daar gaat het het hof niet om en dat heeft het hof dus ook niet bedoeld. Het gaat het hof erom dat [de verhuurder] in 2006 heeft afgezien van het maken van winst in het algemeen.