Conclusie
verweerder in het voorwaardelijk incidenteel
cassatieberoep,
niet verschenen,
eiser in het voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep,
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Veroordelingen in de zaak tegen [eiser]:
de openstaande hoofdsom en€ 697.378,- verschuldigd is aan [eiser];”
3.Bespreking van beide cassatieberoepen
Onderdeel Ikeert zich tegen het oordeel van het hof in rov. 3.15 dat [eiser] gehouden is met de Staat een overeenkomst te sluiten met de door het openbaar ministerie geformuleerde voorwaarden.
Onderdeel IIricht zich tegen de oordelen van het hof in rov. 3.12-3.13 met betrekking tot de omvang van het door Holding verschuldigde bedrag.
Onderdeel IIIis een voortbouwklacht en mist zelfstandige betekenis.
Onderdeel IVis ingesteld onder de voorwaarde dat het hof het hiervoor in 2.11 genoemde verzoek van de Staat tot herstel van het dictum van het arrest van 1 september 2020 geheel of gedeeltelijk afwijst.
onderdeel IVis ingesteld, niet vervuld. Dit onderdeel behoeft derhalve geen bespreking. Hetzelfde geldt voor
onderdeel III, nu dat als gezegd zelfstandige betekenis mist. Resteren ter bespreking de onderdelen I en II.
aanvullende voorwaarden grote schade toebrengen aan de hem toekomende rechten”. [30] Deze opmerking is echter niet of nauwelijks toegelicht of uitgewerkt. Niet duidelijk is met name op welke feiten de passage waarin deze opmerking voorkomt, concreet ziet en waarom deze feiten tot ‘grote schade’ voor [eiser] zouden leiden. In elk geval is niet aangevoerd wat verderop in het onderdeel als de bezwaren 1-4 naar voren wordt gebracht (zie hiervoor in 3.3), waarvan het onderdeel dan ook geen vindplaatsen vermeldt. Hierop gelet behoefde het hof die opmerking of passage mijns inziens niet op te vatten als een grief. Dat het hof dit niet heeft gedaan – zoals blijkens hetgeen het hof in rov. 3.15 heeft overwogen, onmiskenbaar het geval is –, is in dit licht in elk geval niet onbegrijpelijk.
Subonderdeel IIAklaagt dat zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is dat het hof in rov. 3.12 de verschuldigde basisrente heeft toegewezen tot 30 april 2020, en niet tot het moment waarop de betalingsonmacht van Holding daadwerkelijk wordt weggenomen, zijnde het moment waarop het onroerend goed daadwerkelijk wordt geleverd.
subonderdeel IIBis zonder nadere toelichting onbegrijpelijk dat het hof in rov. 3.12 en 3.13 uitgaat van de berekening die [eiser] in zijn schriftelijk dupliek in eerste aanleg onder 14 heeft opgenomen. Dit betreft namelijk een voorbeeldberekening die uitsluitend de basisrente van 10% per jaar over de hoofdsom omvat en niet mede de verschuldigde vertragingsrente en de contractuele boete. Dit klemt temeer nu het hof in rov. 2.2 wel expliciet refereert aan de boeteclausule en de vertragingsrenteclausule, aldus het subonderdeel.