Conclusie
Vordering als bedoeld in art. 13a van de Wet op de rechterlijke organisatie,
met een subsidiaire vordering tot cassatie in het belang der wet
1.De feiten
2.De interne klachtprocedure bij het gerechtsbestuur
3.De externe klachtprocedure tot op heden
4.Toezichthoudende taken van de kantonrechter ten aanzien van bewindvoerders
ambtshalvegebruik zal maken van een van zijn wettelijke bevoegdheden. Ten aanzien van de bevoegdheid tot ontslag van een bewindvoerder kan nog onderscheid worden gemaakt tussen gevallen waarin de kantonrechter de bewindvoerder ontslaat in één lopend bewind en, anderzijds, gevallen waarbij de kantonrechter een bewindvoerder ontslaat in alle bewinden waarin deze door de kantonrechter is benoemd. Geschillen over concrete beheershandelingen kunnen langs de weg van de door de bewindvoerder af te leggen rekening en verantwoording worden onderworpen aan rechterlijke toetsing, en eventueel langs de weg van een verzoek om ontslag van de bewindvoerder. Een dergelijk geschil kan niet rechtstreeks aan de kantonrechter ter beslissing worden voorgelegd. [24]
5.Het Landelijk kwaliteitsbureau CBM
6.De ontvankelijkheid van de klacht
in de uitoefening van zijn functiejegens klaagster heeft gedragen (art. 13a lid 1 RO). Op 7 maart 2014 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat hij ook zijn oordeel moet kunnen uitspreken over gedragingen die weliswaar niet als ‘ambtshandelingen’ kunnen worden aangemerkt, maar die redelijkerwijze wel in voldoende verband staan met de functie van de rechterlijk ambtenaar om nog te kunnen worden aangemerkt als behorend tot de uitoefening van de functie. [31] Een andere opvatting zou geen recht doen aan de maatschappelijke wenselijkheid dat met het oog op het vertrouwen in de rechtspraak een instantie bestaat die onderzoek kan doen naar de behoorlijkheid in het algemeen van het publieke gedrag van rechterlijke ambtenaren. Ook zou een andere opvatting op gespannen voet staan met het belang dat voor burgers een volwaardige klachtprocedure bij de Hoge Raad openstaat. [32]
rechterlijke beslissingbetreft. Gelet op de formulering van de brief van de kantonrechter van 29 maart 2018 (“Verbod op uitvoeren bewindvoerderstaken” en “met onmiddellijke ingang”), houd ik rekening met de mogelijkheid dat de Hoge Raad, als rechter die over de klacht oordeelt, de gedraging van de kantonrechter aanmerkt als een voltooide
beslissingen dus niet als slechts een mededeling over een in de toekomst mogelijk te nemen beslissing. Daarmee is nog niet de vraag beantwoord of de klacht een
rechterlijke beslissingbetreft als bedoeld in art. 13a lid 1 RO.
nietbetrekking heeft op een rechterlijke beslissing van de kantonrechter in een van de in (titel 19 van Boek 1 van) het Burgerlijk Wetboek geregelde gevallen. In het bijzonder betreft de ingediende klacht niet een beslissing van de kantonrechter tot benoeming, schorsing of ontslag van een bewindvoerder, noch een afwijzing van een verzoek tot benoeming, schorsing of ontslag van een bewindvoerder of een daaraan voorafgaande tussenbeslissing.
ten opzichte van die bewindvoerdergebruik maken van zijn wettelijke bevoegdheden. De huidige wettekst verschaft de kantonrechter echter geen grondslag om rechtstreeks en met onmiddellijke ingang maatregelen te treffen tegen een werkneemster van een bewindvoerder. De uitzondering in art. 13a RO voor klachten die een ‘rechterlijke beslissing’ betreffen acht ik om deze reden niet van toepassing. Een consequentie van deze rechtsopvatting is dat het gerechtsbestuur ten onrechte de klacht niet-ontvankelijk heeft verklaard in de interne klachtprocedure.
7.Bespreking van de klachten
criminal charge’) ontbreekt de veronderstelde verplichting om haar tevoren op de hoogte te stellen van de aard en de reden van de tegen haar ingebrachte beschuldiging en om nader te motiveren waarop de bewezenverklaring berust. In een procedure waarin geen burgerlijke rechten en verplichtingen van klaagster worden vastgesteld, ontbreekt een uit het beginsel van hoor en wederhoor voortvloeiende verplichting om de door de bewindvoerder aan de kantonrechter toegezonden bewijsstukken ter kennisneming en ter becommentariëring toe te zenden aan klaagster, zoals de tweede klacht veronderstelt. Voor zover klaagster hiermee wil betogen dat de kantonrechter, door haar te verbieden bepaalde werkzaamheden te verrichten, op 28 en 29 maart 2018
in feitehaar een straf heeft opgelegd en/of haar burgerlijke rechten heeft beperkt, valt de klacht samen met de eerste klacht.
8.Gronden van de subsidiaire vordering tot cassatie in het belang der wet
eersteklacht een
rechterlijke beslissingbetreft als bedoeld in art. 13a lid 1 RO, zal ik de desbetreffende beslissing van de kantonrechter voordragen voor cassatie ‘in het belang der wet’. Hier is geen sprake van een situatie waarin voor partijen tegen die beslissing (nog) een gewoon rechtsmiddel openstaat, als bedoeld in art. 78 lid 7 RO Pro. Een vernietiging ‘in het belang der wet’ brengt geen wijziging in de rechtspositie van klaagster, maar zou wel kunnen bijdragen tot verduidelijking van de toezichthoudende taak van de kantonrechter ten aanzien van bewindvoerders.
middel van cassatiedraag ik voor dat deze beslissing in strijd is met het recht, in het bijzonder met de regels in titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, omdat een wettelijke grondslag noodzakelijk is voor het rechtstreeks beperken door de kantonrechter van de werkzaamheden van klaagster op de wijze waarop dit in de bestreden beslissing is geschied. De benodigde wettelijke grondslag kan niet worden gevonden in de regels van titel 19 van Boek 1 BW, in het bijzonder niet in het bepaalde in art. 1:448 BW Pro.
9.Vordering
rechterlijke beslissingbetreft, draag ik de onder 8.2 weergegeven beslissing van de kantonrechter voor cassatie ‘in het belang der wet’ voor. De vordering strekt ertoe dat de Hoge Raad de bestreden beschikking zal vernietigen ‘in het belang der wet’ en zal verstaan dat de vernietiging geen nadeel zal toebrengen aan de door partijen verkregen rechten.