Conclusie
- geldbedragen en
- onroerende zaken
heeft verhuld wie de rechthebbende daarop was, immers, hebben verdachte en/of haar mededader de volgende onroerende zaken (al dan niet met gebruikmaking van (notariële) volmachten) geleverd/laten leveren (waarbij de namen van een of meer derden zijn gebruikt bij de notaris om de onroerende zaken op diens naam te registreren en/of in juridisch eigendom te verkrijgen), te weten:
de panden
- [w-straat 1] te Den Haag [1] en
- [a-straat 1] te Den Haag en
- [x-straat 1] te Den Haag
- [d-straat 1] te Barendrecht
welke onroerende zaken (deels) – middellijk of onmiddellijk – afkomstig waren van enig misdrijf en welke (voornoemde) handelingen door verdachte en/of haar mededader zijn verricht om daarmee te verhullen wie de rechthebbende op voornoemde voorwerpen was, terwijl zij verdachte wist
althans redelijkerwijs moest vermoedendat (de opbrengst van) voornoemde voorwerpen van misdrijf afkomstig waren en
verscheen voor mij, notaris met 's-Gravenhage als plaats van vestiging:
zaken aan de beslissing van scheidsmannen en arbiters te onderwerpen, eden op te dragen, terug te wijzen, aan te nemen of af te leggen, belastingaangiften te doen en zo nodig te beëdigen.
eerder is veroordeeld voor strafbare feiten. Ik ben in 1974 in Nederland gekomen en in 1976 zijn wij getrouwd. Als mijn echtgenoot mij iets vroeg te doen, dan deed ik dat. Hij vroeg mij wel eens om naar de notaris te gaan en iets te ondertekenen. Het klopte dat ik over volmachten beschikte. Ik had ook een volmacht van [betrokkene 6] .
Tjacco Siebren van der Velde
haar) hypotheek voor de aankoop van het pand aan de [g-straat 2] te 's-Gravenhage.
17,79
BFK: volgt een overzicht met de kasstorting en spoedoverboeking)
NLG 1.034.625 op 08/03/01, samengesteld uit coupures van NLG 100, 250, 1.000.
door [betrokkene 12] in alle hoedanigheden welke hij mocht bezitten aan [betrokkene 49] .
Een geschrift, zijnde een notariële volmacht d.d. 29 oktober 2003, gecodeerd DD/330. Dit geschrift houdt onder meer in - zakelijk weergegeven:
blijkt uit een akte van volmacht op negenentwintig oktober tweeduizend drie door [betrokkene 57], notaris te 's-Gravenhage.
1.Overboekingen naar rekening [020]
2.[a-straat 1] te Den Haag
3.[d-straat 1] te Barendrecht
4.[w-straat 1] te Utrecht
5.Noorderbeekwarsstraat 149/151 te Den Haag
De echtgenoot van de verdachte, dan wel de verdachte zelf, had deze vermogensbestanddelen en de inkomsten daaruit, wat daar verder ook van zij, in zijn aangiften voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting (tot de afschaffing daarvan) moeten opgeven.
Naar het oordeel van het hof leidt het mede gelet op de onder bewijsmiddel 4 bij de algemene bewijsmiddelen, aangehaalde getuigenverklaring van belastinginspecteur [betrokkene 39] geen twijfel dat verdachte noch haar echtgenoot - die ontkent dat de tegoeden (en panden) feitelijk uitsluitend aan hem toebehoren - deze vermogensbestanddelen en/of de inkomsten daaruit nimmer in zijn (haar) aangiften voor de inkomstenbelasting (en vermogensbelasting) - voor zover gedaan - heeft aangegeven. Datzelfde geldt ten aanzien van de juridische eigenaren. In de eerder ambtshalve opgelegde aanslagen zijn ‘de buitenlandse bankrekeningen’ dus ook niet verdisconteerd.
eerstemiddel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen van (opzet)witwassen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid, in het bijzonder doordat het hof zonder nader onderzoek bewezen heeft verklaard dat de onroerende zaken en banktegoeden (on)middellijk afkomstig waren van enig misdrijf, althans dat de bewijsvoering op dit punt onvoldoende begrijpelijk is. Uit de toelichting blijkt dat het middel is toegespitst op het bewijs van de wetenschap van de verdachte dat de banktegoeden van misdrijf afkomstig waren.
tweedemiddel klaagt eveneens over de bewijsvoering. Uit de toelichting op het middel blijkt dat het zich in het bijzonder richt op het medeplegen van het witwassen.
BFK: de verdachte) naar de DSB bank’ is gegaan, dat [betrokkene 49] ‘toen bij de DSB de papieren’ heeft ingevuld en dat hij ([betrokkene 65]) een ‘kruisje als handtekening’ heeft gezet. Waar de papieren over gingen wist hij niet en is hem ook niet uitgelegd (bewijsmiddel 5).
derdemiddel houdt in dat het bewezenverklaarde medeplegen van witwassen niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en dat de bewezenverklaring tevens onvoldoende gemotiveerd is. Uit de toelichting kan worden afgeleid dat dit middel ziet op de verklaring van de verdachte dat het geld uit de erfenis van haar schoonvader afkomstig was.
vierdemiddel bevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, althans onbegrijpelijk verzoeken tot het doen van nader onderzoek heeft afgewezen. Dat zou een schending van (onder meer) art. 6 EVRM Pro opleveren. Uit de toelichting op het middel begrijp ik dat de stellers van het middel bij deze klacht enkel het oog hebben op de afwijzing van verzoeken tot het opvragen van bankstukken bij de banken BNP Paribas Fortis, KBC België, Commerzbank en BLG Paribas Luxemburg alsmede op de afwijzingen van verzoeken tot het horen van medewerkers van buitenlandse en Nederlandse banken als getuige. [15]
1. [betrokkene 49]De voorzitter deelt mede dat het hof in de zaak tegen de verdachte [betrokkene 49] op de gedane onderzoekswensen als volgt heeft beslist.
De rechter is niet verplicht medewerking te verlenen aan een door de verdediging verzochte "phishing expedition". Voorts ligt het in de rede dat alsdan de afweging wordt gemaakt of het wel in de rede ligt om het openbaar ministerie te belasten met het oproepen van de verzochte getuige.
nummer 25 tot en met 65genoemde getuigen, kort gezegd de bankmedewerkers van de diverse banken, overweegt het hof het volgende. Ter motivering van deze verzoeken is door de verdediging aangevoerd dat de bankmedewerkers kunnen verklaren over de periode dat de ouders van de verdachte [betrokkene 49] bij de Nederlandse, Belgische en Luxemburgse banken bankierden, wanneer de rekeningen (daadwerkelijk) zijn geopend, wat het startbedrag was ten tijde van de opening van de rekeningen, aan wie de openingssaldi toebehoorden en wat de rekeninghouders ten tijde van het openen van de rekeningen hebben verklaard over de herkomst van de gelden. Ook zouden zij kunnen verklaren dat er nimmer sprake is geweest van vermenging met andere geldstromen.
Daarbij gelden de algemene opmerkingen inzake rechtmatigheidsgetuigen, getuigen a decharge en het confronteren van getuigen met andere verklaringen net zo zeer in de zaken van de overige verdachten.
noodzakelijkacht.
noodzaakvan hetgeen wordt verzocht is gebleken (zie Hoge Raad d.d. 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3302).
NJ2019/298 m.nt. Rozemond heeft Uw Raad eerdere rechtspraak over het bewijs van het bestanddeel ‘afkomstig is uit enig misdrijf’, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr), als volgt samengevat:
vijfdemiddel valt uiteen in een aantal deelklachten. De
eerste deelklachthoudt in dat ’s hofs oordeel over de alternatieve verklaring van de verdachte, inhoudend dat de ‘ten laste gelegde voorwerpen’ afkomstig zijn uit het familiekapitaal van haar schoonouders, mede gelet op door de verdediging uitdrukkelijk onderbouwde standpunten onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is.
tweede deelklachthoudt mede blijkens de toelichting in dat het gerechtshof ten onrechte verzoeken tot (1) het als getuige horen van de (als verdachte aangemerkte) familieleden over het familiekapitaal, (2) nader onderzoek naar de eertijds door de ouders van de echtgenoot van de verdachte aangehouden bankrekeningen en de in de tenlastelegging genoemde bankrekeningen en (3) het als getuige horen van verschillende bankmedewerkers heeft afgewezen althans zijn beslissing op deze verzoeken onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd.
NJ2019/298 m.nt. Rozemond heeft geformuleerd. Uw Raad spreekt daarin over een situatie waarin ‘de door het openbaar ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is’. Van de verdachte mag in die situatie worden verlangd dat hij ‘een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is’. Indien de verdachte een dergelijke verklaring geeft, ligt het volgens Uw Raad ‘op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring’. De formulering van het hof kan tevens zijn ingegeven door de omstandigheid dat het hof, bij toewijzing van onderzoekwensen, voor de realisatie daarvan mede van inspanningen van het Openbaar Ministerie afhankelijk was geweest. Uit de bedoelde overweging kan niet worden afgeleid dat het hof zou hebben miskend dat nader onderzoek, indien één of meer verzoeken waren toegewezen, in opdracht van de rechter had plaatsgevonden.
derde deelklachthoudt in dat het hof de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed en zijn beslissingen op de verzoeken die met de ten laste gelegde feiten verband hielden onvoldoende en/of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Nu in de toelichting geen elementen naar voren komen die specifiek met deze algemeen geformuleerde deelklacht samenhangen en niet bij andere (deel)klachten reeds naar voren zijn gebracht, zie ik van bespreking af.
zesdemiddel betreft de strafmotivering. Geklaagd wordt dat het hof bij het bepalen van de strafsoort, strafhoogte en strafmodaliteit ten nadele van de verdachte heeft meegewogen dat zij eerder onherroepelijk wegens strafbare feiten is veroordeeld terwijl het uittreksel uit de justitiële documentatie waar het hof voor die veroordeling(en) naar verwijst geen enkele eerdere onherroepelijke veroordeling bevat.
Desgevraagd heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat zij nooit iemand kwaad heeft willen doen, maar zij weigerde de feitelijke consequenties van het handelen van haar echtgenoot onder ogen te zien. Het hof hecht eraan op te merken dat de verdachte ook na zovele jaren strafrechtelijk onderzoek er nog immer geen blijk van geeft om afstand te willen nemen van de praktijken van haar echtgenoot. Het hof is er dan ook niet van overtuigd dat de verdachte ermee zal stoppen haar echtgenoot in dat opzicht te blijven bijstaan.
Alleen al om die reden is in deze zaak slechts ruimte voor een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Het hof hecht er echter ook aan de verdachte andermaal in te scherpen dat zij beducht moet zijn voor de onroerend goed praktijken van haar echtgenoot, zodat zij zal afzien van verdere samenwerking met hem op dat gebied. Om die reden zal een deel van de gevangenisstraf in voorwaardelijke vorm worden op gelegd.
zevendemiddel klaagt dat het hof niet heeft gereageerd op het verzoek tot het doen opmaken van een reclasseringsrapport, althans dit verzoek ongemotiveerd heeft afgewezen, dan wel zijn (kennelijke) oordeel dat het doen opmaken van het rapport niet noodzakelijk is niet of onvoldoende heeft gemotiveerd. Het arrest zou daardoor, zo wordt in de toelichting gesteld, wat de strafoplegging betreft niet naar de eis der wet zijn gemotiveerd.
Cliënte kan op de zitting haar persoonlijke omstandigheden wel toelichten. Beantwoording van de recidivevraag is naar haar oordeel niet aan de orde.
Het zou handig zijn als dit automatisch van staatswege zou worden gedaan in zaken waarin de culturele context zo een nadrukkelijke rol speelt.’
achtstemiddel klaagt over schending van het vereiste van berechting binnen een redelijke termijn. Uit de toelichting blijkt dat in de eerste plaats geklaagd wordt dat het hof ten onrechte een beroep op schending van dit vereiste heeft afgewezen. Daarnaast wordt geklaagd over schending van de inzendingstermijn in de cassatiefase.
Redelijke termijn
NJ2008/358 m.nt. Mevis heeft Uw Raad onder meer overwogen:
a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter.
b. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn, kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.
a. De ingewikkeldheid van de zaak. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de omvang van het verrichte onderzoek, waaronder begrepen een gerechtelijk vooronderzoek, alsmede de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten en/of van andere zaken tegen de verdachte.
b. De invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de naleving door de verdachte van wettelijke voorschriften die mede met het oog op de betekening van gerechtelijke stukken in het leven zijn geroepen, en het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak.
c. De wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Daartoe kan bijvoorbeeld worden gerekend de mate van voortvarendheid die in het opsporingsonderzoek, het gerechtelijk vooronderzoek en/of het onderzoek ter terechtzitting is betracht.