Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaring en bewijsvoering
[slachtoffer 4][doorgenummerde pagina’s 1-3]:
Op 5 oktober 2012 omstreeks 02:35 uur bevond ik mij in uitgaangelegenheid [A] in de [a-straat 1] te Amsterdam. Ik stond samen met mijn vrienden op de dansvloer. Ik zag dat er een vechtpartij ontstond. Ik wilde naar buiten gaan, want ik wilde niet betrokken raken bij een vechtpartij. Tijdens het weglopen zag ik dat er een persoon (NN1) tegenover mij kwam staan. Ik zag dat NN1 boos was. Ik voelde dat NN1 mij vastpakte bij mijn shirt ter hoogte van mijn borst. Vervolgens liet NN1 mij los. Vlak hierna zag ik dat NNI zijn rechter vuist balde. Ik voelde dat zijn vuist met een harde klap op mijn gezicht terecht kwam. Ik voelde dat ik meerdere harde vuistslagen in mijn gezicht kreeg. Ik denk dat het er minimaal vier zijn geweest. Na de klappen deed mijn hele gezicht pijn. Ik voelde dat mijn lippen opgezwollen waren. Ik voelde in mijn hoofd een harde stekende pijn.
Nadat NN1 mij geslagen had, ben ik in de chaos naar buiten gebracht. Ik wilde de club weer naar binnen gaan, toen ik zag dat er een tweede persoon (NN2) op mij afkwam lopen. Uit het niets zag ik dat NN2 zijn linker vuist balde en deze met kracht richting mijn hoofd bracht. Ik voelde dat zijn vuist met een harde klap op mijn voorhoofd terecht kwam. Ik zag een flits en voelde erge pijn in mijn hele hoofd. Ik ben hierna nog een keer geslagen.
Ik kan NNI als volgt omschrijven:
- Turks of Marokkaanse afkomst
- ongeveer tussen de 20 en 25 jaar
- crème, wit of grijs T-shirt
- gespierd postuur, brede schouders
Ik kan NN2 als volgt omschrijven:
- Turks of Marokkaanse afkomst
- zag er ouder uit dan NN1
- bol hoofd
- kleine bolle buik
Noot verbalisant: ik zie dat de lippen van aangever opgezwollen zijn en bloeden. Ik zie dat het voorhoofd van aangever opgezwollen is. Ik zie dat de rechteroorlel van aangever uitgescheurd is en bloedt.
van [slachtoffer 1][doorgenummerde pagina’s 9-11]:
Op 5 oktober 2012 tussen 2:30 en 2:40 uur bevond ik mij in [A] te Amsterdam. Ik was aan het dansen en op een gegeven moment zag ik dat mijn neef (het hof begrijpt: [slachtoffer 3] ) op de grond lag. Ik zag dat hij door twee jongens mishandeld werd. Ik zag dat mijn neef probeerde op te staan. Ik heb mijn neef vastgepakt en naar de kant geduwd.
Ik voelde dat ik bij mijn haren gepakt werd. Ik voelde dat iemand mij aan mijn haren naar achteren trok. Ik voelde dat dezelfde persoon mij bij mijn mond pakte en mij hard naar achteren trok. Hij trok mij met zijn vingers in mijn mond naar achteren. Ik voelde dat hij dit met kracht van meer dan geringe betekenis deed. Ik voelde pijn aan mijn hoofd en pijn in mijn mond. Ik proefde bloed in mijn mond. Ik voelde dat de persoon die mij vast had mij met kracht van meer dan geringe betekenis tegen de grond sloeg. Ik voelde dat ik hard op de grond terecht kwam. Ik voelde vervolgens dat hij mij weer hard bij mijn haren pakte en weer met kracht van meer dan geringe betekenis naar achteren trok. Ik voelde dat hij mij weer tegen de grond sloeg. Nadat ik weer op de grond lag, voelde ik dat hij mij weer aan mijn haren omhoog trok. Ik voelde dat hij mij weer op de grond gooide. Op het moment dat hij mij naar achteren trok, zag ik dat het een donkere jongen was met een kaal hoofd. Volgens mij had hij een zwart T-shirt aan. Ik weet wel dat hij fors was, niet gespierd maar wel dik/stevig.
3. Een proces-verbaal van aangifte met nummer PL1305-2012257060-7 van 5 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de verklaring van
[slachtoffer 2][doorgenummerde pagina’s 17-19]:
In de nacht van 4 oktober 2012 op 5 oktober 2012 zijn ik, mijn zus [betrokkene 1] en [betrokkene 2] naar [A] gegaan. Omstreeks 02:30 uur ben ik bij de nooduitgang van de [A] op de begane grond gaan staan. Hier bevindt zich een soort podium. Wij waren daar aan het dansen. Op een gegeven moment zag ik een voor mij onbekende jongen aan komen lopen. De jongen zag er als volgt uit:
- fors postuur
- Marokkaans uiterlijk
- zwart shirt
Ik zag dat de jongen iets tegen mijn zus zei. Ik hoorde dat mijn zus zei: ‘Nee, dat wil ik niet’. Ik zag dat de jongen dichter bij mijn zus ging staan, waardoor zij genoodzaakt was naar achteren te lopen. Hierdoor kwam zij tegen de muur te staan in de hoek. Ik ben hierop naar mijn zus gelopen en de voor mij onbekende jongen. Ik heb tegen de jongen gezegd dat hij mijn zus met rust moest laten. Ik hoorde de jongen zeggen: ‘Ik wilde haar alleen maar iets vragen, waar bemoei jij je mee?’. Ik zag dat mijn vriend, [slachtoffer 3] , naar ons toe kwam lopen. Ik hoorde hem tegen de jongen zeggen: ‘Je moet deze meiden met rust laten’. De jongen reageerde hierop met de woorden: ‘Je moet oprotten, bemoei je er niet mee’. Op dat moment kwam er nog een voor mij onbekende jongen bij ons staan. Deze jongen zag er als volgt uit:
- Marokkaans postuur
- grijs shirt
4. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer PL1308-2012257060-8 van 5 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 4] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
[betrokkene 1][doorgenummerde pagina’s 40-42]:
Op 5 oktober 2012 omstreeks 03:00 uur bevond ik mij in [A] , gevestigd in de [a-straat] te Amsterdam. Ik stond samen met mijn zusje, [slachtoffer 2] , voor de nooduitgang welke tegenover de trap is. Ik stond daar op een verhoging in de zaal met mijn zusje te dansen. Ik zag dat er een jongen naar mij toe kwam lopen. Ik kan deze jongen als volgt omschrijven:
NN1:
- getinte jongen
- stevig postuur
- hij droeg een zwart strak shirt met lange mouwen
Ik hoorde dat de jongen aan mij vroeg of ik met hem wilde dansen. Ik zei toen gelijk al ‘Nee’. Wederom vroeg hij of ik met hem wilde dansen. Ditmaal vroeg hij het op een dwingende toon en hierbij pakte hij mij tevens vast aan mijn arm met de bedoeling om mij op de dansvloer te krijgen. Mijn zusje werd op hetzelfde moment door een andere jongen aangesproken. Deze jongen kan ik als volgt omschrijven:
NN2:
- getinte jongen
- zeer gespierd
- een strak lichtgrijs shirtje met lange mouwen
- hij had gemillimeterd haar
NN2 begon zich ermee te bemoeien. Op een gegeven moment duwden beide jongens mijn zusje en mij in de hoek. Ik zag dat het vriendje van mijn zusje, [slachtoffer 3] , tussen ons en de jongens in kwam staan. Ik hoorde [slachtoffer 3] op een rustige toon zeggen dat mijn zusje zijn vriendin is en dat wij niet met hen wilden dansen. Wij konden vanuit de hoek wegkomen.
Op een gegeven moment zag ik dat [slachtoffer 3] zich omdraaide bij de jongens vandaan en naar ons keek. Ik zag dat vervolgens de jongen met het grijze shirt, NN2, [slachtoffer 3] een klap op zijn achterhoofd gaf. Ook de jongen met het zwarte shirt richtte zich op [slachtoffer 3] en ik zag dat beide jongens [slachtoffer 3] begonnen te duwen en te slaan.
Ik zag dat [slachtoffer 3] ten val kwam en dat de twee jongens op hem sprongen. Op het moment dat [slachtoffer 3] op de grond lag, werd hij nog diverse malen geslagen. Ik zag dat er twee portiers aan kwamen, welke zich met de vechtpartij gingen bemoeien. Ik zag dat [slachtoffer 3] en de jongen met het grijze shirt nog op de grond lagen. Ik zag dat een portier de jongen met het grijze shirt vastpakte van achteren en hem vasthield. Ik zag dat deze jongen zich los wurmde en weer terug kwam lopen om te vechten. Uiteindelijk hebben de portiers de beide jongens naar buiten weten te duwen, via de nooduitgang van de [A] .
5. Een proces-verbaal van verhoor getuige met nummer 2012257060-15 van 5 oktober 2012, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 5] . Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van
[slachtoffer 3][doorgenummerde pagina’s 37-39]:
Op 5 oktober 2012 omstreeks 02:45 uur bevond ik mij in Club [A] te Amsterdam. Ik was hier onder andere met mijn vriendin [slachtoffer 2] , haar zus [betrokkene 1] en mijn nichtje [slachtoffer 1] {het hof begrijpt: [slachtoffer 1] ). Ik zag dat [slachtoffer 2] en [betrokkene 1] samen stonden en ik zag dat [betrokkene 1] werd benaderd door een Marokkaanse jongen, welke ik bij de naam [medeverdachte] ken. Ik kan [medeverdachte] als volgt omschrijven:
- lichtbruine huidskleur
- fors / dik postuur
- kaal hoofd
- in het zwart gekleed
Ik stond ongeveer drie meter van [betrokkene 1] en [slachtoffer 2] vandaan en ik zag dat [medeverdachte] naar [betrokkene 1] liep. Ik zag dat [medeverdachte] [betrokkene 1] probeerde te versieren en ik zag dat hier niet op ingegaan werd door haar. Ik zag dat de twee meiden naar achteren stapten en hierdoor in een hoekje belandden. Hierop ben ik naar hen toe gelopen en ik vroeg [medeverdachte] of hij de dames met rust wilde laten, omdat het mijn vriendin was. Op het moment dat de dames wegliepen, voelde ik dat [medeverdachte] mijn trui van achter vastpakte en ik voelde gelijk een vuistslag op mijn achterhoofd. Ik voelde meteen pijn op mijn hoofd en draaide mij gelijk om en ik zag dat het [medeverdachte] was. Tijdens het omdraaien werd ik door een tweede persoon bij mijn keel gegrepen. Ik zag dat dit de jongen was die ik ken bij de naam [verdachte] . Ik kan [verdachte] als volgt omschrijven:
- gespierd postuur
- kaal hoofd
- grijs shirt
Ik zag en voelde dat [verdachte] mij een stoot onder mijn linkeroog gaf. Ik zag dat dit met zijn vuist opzettelijk werd gedaan. Ik voelde direct een pijnscheut op mijn jukbeen. Vanuit de hoek waar ik stond, werd ik door [medeverdachte] en [verdachte] meegetrokken meer naar het midden van de dansvloer. Ik voelde dat beide mannen op mij bleven inslaan en trappen. Ik voelde pijn op mijn hoofd, lichaam, rug en benen.
Omstanders en beveiliging hebben de jongens van mij afgehouden. Ik zag [medeverdachte] staan. Ik zag dat hij [slachtoffer 1] met één hand bij haar haren vasthield en ik zag dat zij halfschreeuwend en huilend op de grond lag.
Al vechtend verplaatste de gehele groep met Marokkaanse jongens, beveiligers en omstanders zich naar buiten. Ik zag dat een klasgenoot van mijn broertje [betrokkene 3] , ik ken hem als [slachtoffer 4] , ook betrokken was in het gevecht. Ik pakte hem vast en trok hem uit het gevecht. Ik zag dat zijn lip aan het bloeden was. Ik zag ook dat hij een bult op zijn voorhoofd had en dat zijn beide oorlellen aan het bloeden waren.
Ik zag dat het gevecht zich verplaatste in de richting van [B] . Ik zag dat er nu enkele beveiligers van de [C] en agenten bij stonden en de Marokkaanse jongens onder controle probeerden te houden.
[slachtoffer 3]:
Ik was op 5 oktober 2012 in [A] . Ik stond in het midden van de discotheek te dansen. Ik zag toen dat [betrokkene 1] werd aangesproken door een jongen met een zwarte trui. Ik kende die jongen niet. Mr. Huibers houdt mij voor dat ik tegenover de politie heb verklaard over een jongen die ik bij de naam [medeverdachte] kende. Dat is niet goed overgekomen. Na de vechtpartij werd er door verschillende mensen tegen mij gezegd dat ik met [medeverdachte] gevochten had. Het was niet zo dat ze zeiden dat die jongen met die zwarte trui [medeverdachte] heette.
Met [slachtoffer 2] , [betrokkene 1] , [slachtoffer 1] , mijn broertje en een Surinaamse jongen (het hof begrijpt: [slachtoffer 4] ) ben ik naar het politiebureau gegaan.
Mr. Huibers houdt mij voor dat in mijn politieverklaring wordt gesproken over de naam [verdachte] . Toen ik na de vechtpartij buiten weer in de discotheek was, waren er mensen die zeiden dat ik had gevochten met [medeverdachte] en [verdachte] . U vraagt mij waardoor ik dacht dat die twee over wie ik bij de politie verklaarde zo heetten. Toen wij op het politiebureau waren, zag ik die twee jongens uit het politiebusje stappen. Dat ik aannam dat de jongen met de zwarte trui [medeverdachte] was en de ander [verdachte] en niet andersom, was eigenlijk nergens op gebaseerd.
[verdachte][doorgenummerde pagina’s 53-57]:
[verdachte][doorgenummerde pagina 64]:
mededeling van de verbalisant[doorgenummerde pagina 34]:
Ik toonde [slachtoffer 2] foto 2 (
waarop [verdachte] , die een zwart shirt draagt, staat afgebeeld; naar het hof begrijpt is de foto kort na de aanhouding van [verdachte] op het politiebureau genomen), waarna zij mij verklaarde: ‘Dat is die jongen die mijn zus heeft lastiggevallen. Hij hield mijn vriend vast aan zijn T-shirt. Ik herken het gezicht van de man van foto 2 als de man die mijn vriend heeft geslagen.’
Bewijsoverweging
Tot slot heeft de verdachte bij zijn inverzekeringstelling verklaard dat het allemaal zou kunnen, dat hij ook geslagen heeft en dat hij behoorlijk wat op had(cursivering van mij, EH)
.
Het tweede middel (afwijzing voorwaardelijk verzoek horen getuigen)
Voorwaardelijk verzoekDe raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep verzocht, indien het hof de verdachte niet vrijspreekt, de getuigen [slachtoffer 4] , [betrokkene 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] (nogmaals) te horen.
Het hof wijs het verzoek af nu de noodzaak daartoe, mede gelet op hetgeen ter onderbouwing van het verzoek is aangevoerd, niet is gebleken.”
[…]”
NJ2014/441, m.nt. Borgers ter zake van het oproepen en horen van getuigen ter terechtzitting heeft de Hoge Raad onder meer geoordeeld (rov. 2.61) dat de verdediging op de voet van art. 328 Sv Pro en art. 331, eerste lid, Sv in verbinding met art. 315 Sv Pro ook ter terechtzitting in hoger beroep op de terechtzitting aan het hof kan vragen gebruik te maken van diens bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen en dat de maatstaf bij de beoordeling van zo een verzoek is of het hof het horen van de getuigen noodzakelijk oordeelt.
NJ2019/239, m.nt. Kooijmans het oog heeft. Ik citeer daaruit:
NJ2014/441, m.nt. Borgers en HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
NJ2017/440, m.nt. Kooijmans. De Hoge Raad komt thans tot onder meer de volgende overwegingen (met weglating van de voetnoten):
Uitgangspunten met betrekking tot het oproepen en horen van getuigen
16
Het eerste middel (Salduz-kwestie)
NJ2020/250, m.nt. Reijntjes, met verwijzing naar EHRM (GK) 9 november 2018, nr. 71409/10 (Beuze/België) en naar mijn aan het arrest van de Hoge Raad voorafgaande conclusie, in afwijking van zijn eerdere rechtspraak [8] heeft geoordeeld dat ook met betrekking tot verhoren van een verdachte die hebben plaatsgevonden in de periode voorafgaand aan 22 december 2015 de vraag aan de orde kan komen of de omstandigheid dat een verdachte in een concreet geval geen verhoorbijstand heeft gekregen, meebrengt dat de veroordeling van de verdachte niet berust op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM Pro. Deze uitspraak heeft dus ook te gelden voor het verhoor bij de inverzekeringstelling van de verdachte op 5 oktober 2012.
Tussenopmerking met betrekking tot (de bespreking van) het eerste en het tweede middel
Het derde middel (schadevergoedingsmaatregel/vervangende hechtenis)
NJ2020/409, m.nt. Ten Voorde kan de Hoge Raad met toepassing van art. 6:4:20 Sv Pro bepalen dat in plaats van vervangende hechtenis gijzeling van gelijke duur kan worden toegepast.