ECLI:NL:PHR:2021:542

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2021
Publicatiedatum
1 juni 2021
Zaaknummer
21/00730
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:16 lid 1 WvggzArt. 5:4 lid 1 WvggzArt. 5:17 WvggzArt. 6:4 WvggzArt. 279 lid 4 Rv
Verwijzingen
29 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevolgen termijnoverschrijding Wvggz en afwijzing verzoek second opinion in zorgmachtiging

Op 29 oktober 2020 verzocht de officier van justitie de rechtbank Gelderland om een zorgmachtiging te verlenen aan betrokkene op grond van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). De rechtbank verleende deze machtiging op 19 november 2020 voor zes maanden, inclusief verplichte zorg zoals medicatie en opname onder voorwaarden.

Betrokkene stelde tijdig cassatieberoep in tegen deze beschikking, zonder verweer in cassatie. Het beroep richtte zich op drie punten: het ontbreken van het proces-verbaal voorafgaand aan het cassatieberoep, de overschrijding van de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro door de officier van justitie en de afwijzing van een verzoek om een second opinion over de diagnose en behandeling.

De Hoge Raad oordeelde dat het ontbreken van het proces-verbaal geen cassatiegrond oplevert omdat het proces-verbaal alsnog is verstrekt en betrokkene de mogelijkheid tot aanvulling niet heeft benut. Ten aanzien van de termijnoverschrijding van art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro stelde de Hoge Raad vast dat deze overschrijding niet leidt tot niet-ontvankelijkheid of afwijzing van het verzoek, maar dat schadevergoeding mogelijk is bij nadeel. Tot slot bevestigde de Hoge Raad dat de rechtbank terecht het verzoek om een second opinion, gericht op een alternatieve niet-medische behandeling (PRI-therapie), heeft afgewezen, omdat medicatie noodzakelijk is geacht en de alternatieve therapie niet passend is.

Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging blijft in stand.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de zorgmachtiging blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/00730
Zitting4 juni 2021
CONCLUSIE
G. Snijders
In de zaak
[betrokkene] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker tot cassatie,
hierna: betrokkene,
advocaat: J. van Weerden,
Tegen
de Officier van Justitie in het arrondissement Oost-Nederland,
verweerder in cassatie,
hierna: de officier van justitie,
niet verschenen.

1.Inleiding en samenvatting

1.1.
Het cassatieberoep in deze Wvggz-zaak stelt aan de orde de gevolgen van het ontbreken van het proces-verbaal op het moment van het instellen van het cassatieberoep, de overschrijding van de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro door de officier van justitie en de afwijzing van een verzoek om een second-opinion met betrekking tot de meest passende behandeling.

2.Feiten en procesverloop

2.1.
Op 29 oktober 2020 heeft de officier van justitie de rechtbank Gelderland verzocht ten aanzien van betrokkene een zorgmachtiging te verlenen als bedoeld in art. 6:4 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz). Tot de bijlagen bij het verzoek behoren onder meer de bevindingen van de geneesheer-directeur van 5 oktober 2020, de medische verklaring van 29 september 2020 en het zorgplan van 28 oktober 2020.
2.2.
De rechtbank heeft het verzoek op 19 november 2020 mondeling behandeld, via beeldbellen in verband met de maatregelen ter voorkoming van besmetting met het virus Covid-19. Daarbij heeft zij gehoord:
- betrokkene, bijgestaan door zijn advocaat;
- een verpleegkundig specialist verbonden aan GGNet;
- een spv’er en teamcoördinator van het FACT verbonden aan GGNet.
2.3.
Op 19 november 2020 [1] heeft de rechtbank een zorgmachtiging verleend voor de periode tot en met 18 mei 2021, met betrekking tot de volgende vormen van verplichte zorg:
- het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische
controles of andere medische handelingen en therapeutische behandelmaatregelen;
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het uitoefenen van toezicht op betrokkene;
- het opnemen in een accommodatie;
allen voor de duur van zes maanden, waarbij ten aanzien van de vormen van verplichte zorg te weten:
- het beperken van de bewegingsvrijheid;
- het opnemen in een accommodatie;
geldt dat deze alleen mogen worden toegepast op het moment dat de overige vormen van verplichte zorg niet langer volstaan en een opname nodig is.
Het meer of anders verzochte is afgewezen.
2.4.
Betrokkene heeft tegen deze beschikking tijdig beroep in cassatie gesteld. In cassatie is geen verweer gevoerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

3.1.
Het middel bevat drie onderdelen.
Ontbreken proces-verbaal rechtbank
3.2.
Onderdeel 1klaagt dat de rechtbank ten onrechte geen proces-verbaal heeft opgemaakt voorafgaand aan het verstrijken van de cassatietermijn, waardoor de rechtbank in strijd heeft gehandeld met het bepaalde in art. 279 lid 4 Rv Pro in verband met art. 290 lid 2 Rv Pro en art. 5 EVRM Pro. De klacht verwijst daarbij naar HR 20 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3336, rov. 3.3.1. Het onderdeel betoogt dat door het ontbreken van het proces-verbaal de bestreden beschikking niet in stand kan blijven.
3.3.
In genoemd HR 20 november 2015 is overwogen:
“3.3.1 Ingevolge art. 279 lid 4 Rv Pro wordt van het ter mondelinge behandeling verhandelde en van de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen een proces-verbaal opgemaakt. Art. 290 lid 2 Rv Pro bepaalt dat de griffier zo spoedig mogelijk een afschrift van processen-verbaal verstrekt aan de verzoeker en aan de in de procedure verschenen belanghebbenden. Deze voorschriften strekken onder meer ertoe dat de verzoeker of een belanghebbende de inhoud van een proces-verbaal kan betrekken bij zijn beslissing of en, zo ja, op welke gronden hij een rechtsmiddel zal instellen. Dit brengt mee dat het verstrekken van een afschrift van een proces-verbaal niet afhankelijk mag worden gesteld van het al dan niet zijn ingesteld van een rechtsmiddel. Aan een verzoek tot afgifte van een proces-verbaal door een advocaat die verklaart daaraan behoefte te hebben omdat wordt overwogen een rechtsmiddel tegen de beslissing in te stellen, dient dan ook onverwijld te worden voldaan.
Aan voormelde voorschriften komt extra gewicht toe in zaken waarin de beslissing strekt tot vrijheidsbeneming (vgl. HR 14 februari 1986, ECLI:NL:HR:1986:AG5193, NJ 1986/400).
3.3.2 In het aanvullend verzoekschrift heeft de advocaat van betrokkene vermeld dat het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 31 juli 2015 – daags na het verstrijken van de cassatietermijn – alsnog is verstrekt en heeft zij de gronden van het cassatiemiddel aangevuld. Nu betrokkene tot het indienen van dit aanvullend verzoekschrift is toegelaten, kan het onderdeel wegens gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.”
3.4.
Na indiening van het cassatieverzoekschrift in de onderhavige zaak is een proces-verbaal door de rechtbank (opgemaakt en) verstrekt. De griffie van de Hoge Raad heeft de advocaat van betrokkene bij brief van 19 april 2021 in de gelegenheid gesteld om de gronden van het cassatiemiddel aan te vullen, overeenkomstig het in het cassatieverzoekschrift gedane verzoek. Van die mogelijkheid heeft de advocaat van betrokkene geen gebruik gemaakt. Gelet op deze feiten kan de klacht van het onderdeel bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden.
Art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro: termijnoverschrijding en gevolgen voor ontvankelijkheid verzoek OvJ
3.5.
De officier van justitie heeft op 30 juli 2020 besloten om een verzoek voor een zorgmachtiging voor betrokkene voor te bereiden en heeft hiervoor overeenkomstig art. 5:4 lid Pro 1, aanhef en onder a, Wvggz een geneesheer-directeur aangewezen. [2] Het verzoekschrift tot het verlenen van de machtiging is hierna op 29 oktober 2020 door de officier van justitie ingediend bij de rechtbank. De officier van justitie heeft in het verzoekschrift opgemerkt dat de termijn voor het indienen van het verzoekschrift van art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro is overschreden, maar dat dit niet betekent dat het verzoekschrift niet meer kan worden ingediend en dat het evenmin in het belang van betrokkene is om opnieuw de hele voorbereidingsprocedure te doorlopen. [3]
Het meest verstrekkende verweer van betrokkene bij de rechtbank is geweest dat de officier van justitie niet-ontvankelijk is wegens forse termijnoverschrijding.
3.6.
De rechtbank heeft dit verweer in rov. 2.9 van haar beschikking verworpen:
“De rechtbank is het met de advocaat van betrokkene eens dat het verzoekschrift laat door de officier van justitie is ingediend, maar de wetgever heeft hieraan geen consequenties verboden en de rechtbank ziet niet dat betrokkene hierdoor in zijn belangen en persoonlijke levenssfeer is geschaad. Betrokkene heeft in de vertraging zelf ook een aandeel (…) gehad door zich te onttrekken aan gesprekken met psychiaters.”
3.7.
Onderdeel 2keert zich tegen dit oordeel van de rechtbank. Onder A, B en C bevat het onderdeel klachten tegen dat oordeel. Die klachten komen op het volgende neer:
i. de rechtbank had de officier van justitie niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn verzoek, gelet op de overschrijding van de termijnen genoemd in art. 5:17 Wvggz Pro in verbinding met art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro (sub A);
ii. het oordeel van de rechtbank, dat inhoudt dat zij niet ziet dat betrokkene door het late indienen van het verzoekschrift – en daarmee de termijnoverschrijding – in zijn belangen en persoonlijke levenssfeer is geschaad, is rechtens onjuist; de door de officier van justitie overschreden termijn strekt er mede toe de belangen van betrokkene te beschermen en zijn persoonlijke levenssfeer niet zonder wettelijke grondslag te schaden (sub B);
iii. de rechtbank is met haar overweging dat betrokkene in de vertraging zelf ook een aandeel heeft gehad, door zich te onttrekken aan de gesprekken met psychiaters, uitgegaan van i) een onjuiste rechtsopvatting, ii) buiten het partijdebat getreden, en/of iii) heeft een onbegrijpelijk oordeel gegeven; uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de officier van justitie een eigen verantwoordelijkheid heeft gekregen ten aanzien van het actief voorbereiden van de zorgmachtiging (sub C). [4]
3.8.
De Hoge Raad heeft na het instellen van het onderhavige cassatieberoep geoordeeld over de gevolgen van de overschrijding van de termijn van art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro. In de zaak van die uitspraak [5] werd geklaagd dat de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk had moeten verklaren wegens een overschrijding van die termijn met ruim twee weken. Als de termijn van de bepaling niet wordt gehaald, betekent dit dat de betrokkene ervan mag uitgaan dat de procedure niet wordt voortgezet, aldus het middel in die zaak. De Hoge Raad heeft hierover overwogen:
“3.2 Art. 5:16 lid Pro 1, eerste volzin, Wvggz bepaalt dat na de schriftelijke mededeling bedoeld in art. 5:4 lid Pro 2, onder a, Wvggz – inhoudende dat een verzoek voor een zorgmachtiging wordt voorbereid – de officier van justitie zijn schriftelijke en gemotiveerde beslissing of voldaan is aan de criteria voor verplichte zorg zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen vier weken, meedeelt aan de betrokkene, de vertegenwoordiger, de advocaat, de geneesheer-directeur, de zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke, alsmede in voorkomend geval aan de aanvrager, bedoeld in art. 5:3 Wvggz Pro. Hiermee wordt beoogd dat de officier van justitie binnen een redelijke termijn aan de in art. 5:16 lid Pro 1, eerste volzin, Wvggz genoemde belanghebbenden duidelijkheid verschaft of hij de rechter om een zorgmachtiging ten aanzien van de betrokkene zal verzoeken.
3.3 In de Wvggz wordt aan de niet-naleving van de in art. 5:16 lid 1 Wvggz Pro genoemde termijn van vier weken niet het rechtsgevolg verbonden van niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in het verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel van afwijzing van dat verzoek. Hoewel het onderdeel terecht aanvoert dat van de officier van justitie mag worden verwacht dat hij zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen vier weken zijn beslissing meedeelt of is voldaan aan de criteria voor verplichte zorg, strookt het niet met de bij het verkrijgen van een zorgmachtiging betrokken belangen om op de grond dat sprake is van overschrijding van deze termijn, de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek voor een zorgmachtiging, dan wel dat verzoek af te wijzen.
In geval van een termijnoverschrijding waardoor de betrokkene nadeel heeft ondervonden, kan op grond van art. 10:12 lid 3 Wvggz Pro schadevergoeding worden toegekend.”
3.9.
Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 2 evenmin slaagt. De in het onderdeel aangehaalde rechtspraak [6] dateert van voor de uitspraak van de Hoge Raad van 5 maart 2021. De vraag of de rechtbank al dan niet bij haar oordeel heeft mogen betrekken, zoals zij heeft gedaan, dat betrokkene niet in zijn persoonlijke belangen is geschaad, en dat betrokkene zelf een aandeel heeft gehad in de vertraging, behoeft geen bespreking, aangezien deze overwegingen blijkens het voorgaande haar beslissing niet dragen. Deze overwegingen kunnen eventueel in een procedure over schadevergoeding aan de orde komen.
Second opinion
3.10.
Betrokkene heeft het volgende laten aanvoeren:
“Cliënt betwist de diagnose die is gesteld door de beoordeling psychiater [betrokkene 1] . Volgens hem is [betrokkene 1] , hoewel deze niet eerder bij de behandeling van cliënt is betrokken geweest, bovendien geen onafhankelijk medisch deskundige ("objective medical expert"). Cliënt stelt dat zijn grondrechten worden aangetast, doordat hij niet vrij is om zelf te kiezen welke therapie c.q,
behandeling hij volgt. Hij wordt bovendien ten onrechte neergezet als zorgmijder. Cliënt ontkent
echter niet dat er sprake is van bepaalde problematiek maar is oneens is met GGNet over welke
behandeling passend is. De in het verzoekschrift genoemde vormen van verplichte zorg, in het bijzonder medicatie en opname, zijn volgens cliënt niet doelmatig en mede daarom disproportioneel. In plaats hiervan is cliënt groot voorstander van de zogenoemde PRI-therapie, ontwikkeld door [betrokkene 2] (https://www.pastrealityintegration.com/nl/).
Op grond van het voorgaande verzoekt cliënt uw rechtbank om een deskundige aan te wijzen voor het uitvoeren van een second opinion met betrekking tot de diagnose en de meest passende
behandeling. Hoewel [betrokkene 2] geen psychiater is, verzoekt cliënt uw rechtbank om haar wel als deskundige te benoemen, dan wel een andere therapeut die kennis heeft van PRI-therapie.” [7]
3.11.
Dit verzoek is bij de behandeling in eerste aanleg besproken. [8] De rechtbank heeft in rov. 2.2 van haar beschikking met betrekking tot het verzoek het volgende vastgesteld:
Volgens betrokkene is deze onafhankelijke psychiater geen onafhankelijke medische deskundige. Betrokkene stelt dat hij in zijn grondrechten wordt aangetast omdat hij niet vrij is om zelf te kiezen welke therapie c.q. behandeling hij volgt. Betrokkene ontkent niet dat er sprake is bepaalde problematiek, maar hij is het oneens met GGNet over welke behandeling passend is. Betrokkene vindt de vormen van zorg, en in het bijzonder de medicatie en de opname, niet doelmatig en disproportioneel. In plaats hiervan is hij voorstander van de zogenoemde PRI-therapie. Hij verzoekt de rechtbank een deskundige aan te wijzen voor het uitvoeren van een second opinion met betrekking tot de diagnose en de meest passende behandeling. Betrokkene verzoekt [betrokkene 2] als deskundige te benoemen, dan wel een andere therapeut die kennis heeft van PRI-therapie.
3.12.
De rechtbank heeft hierover het volgende overwogen:
“2.3 Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling is naar het oordeel van de rechtbank voldoende gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van grootheidswanen en overmatige achterdocht, gepaard gaande met grensoverschrijdend gedrag, agressie jegens derden en een uithuiszetting, passend bij een schizofrenie-spectrumstoornis. De rechtbank is van oordeel dat voldoende vast is komen te staan dat de onafhankelijke psychiater daadwerkelijk onafhankelijk is en tevens een medisch deskundige is. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de twijfelen aan de inhoud van de medische verklaring.
(…)
2.5 Om het ernstig nadeel af te wenden en de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren, heeft betrokkene zorg nodig. Er bestaan al langere tijd zorgen over betrokkene. Er is sprake van paranoïde en agressief gedrag naar zijn omgeving, getuige de meldingen van de politie. Betrokkene is op dit moment niet in staat om te kunnen functioneren binnen de normen zoals deze gelden in de maatschappij. De woning van betrokkene is daarnaast ernstig vervuild en de buren van betrokkene ervaren veel overlast.
2.6 Gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Betrokkene heeft geen ziektebesef en legt alle verantwoordelijkheid buiten zichzelf. Om die reden is verplichte zorg nodig. De rechtbank is van oordeel dat de in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg en de daarbij aangegeven duur noodzakelijk zijn, mede gelet op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur. Deze vormen van zorg bestaan uit:
  • het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische behandelmaatregelen;
  • (…)
2.9 (…) De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de zaak aan te houden en een deskundige te benoemen voor een second opinion. Het staat betrokkene echter vrij om deze vorm van therapie in te brengen bij GGNet en te bespreken met de behandelaren. (…)”
3.13.
Onderdeel 3klaagt over de afwijzing van het verzoek om een second opinion in rov. 2.9. Met een beroep op de wetsgeschiedenis [9] en HR 6 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:528, rov. 3.4.1, voert het onderdeel aan dat de rechtbank zonder voldoende motivering voorbij is gegaan aan het verzoek om de contra-expertise, nu de volgens het verzoek aan de deskundige voor te leggen vraag ook de mogelijkheid betrof van een effectieve behandeling op vrijwillige basis.
3.14.
Onder de Wet Bopz is in de rechtspraak van de Hoge Raad beslist hoe met een verzoek om een contra-expertise moet worden omgegaan. Bij gebrek aan bijzondere regels gelden daarvoor in beginsel de gewone regels van de verzoekschriftprocedure. Het staat de rechter dan ook vrij een verzoek om een contra-expertise af te wijzen, maar gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter op grond van de Wet Bopz te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing, kan een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen over de door hem te beslissen punten. [10]
3.15.
Ook in de Wvggz kent het verzoek om een contra-expertise geen bijzondere regeling en zijn dus de algemene bepalingen van de verzoekschriftprocedure van toepassing. Evenals art. 8 lid 6 Wet Pro Bopz regelt art. 6:1 lid 5 Wvggz Pro – de in het onderdeel ingeroepen wetsgeschiedenis betreft de toelichting op die bepaling – uitsluitend dat de rechter de door betrokkene opgegeven deskundigen voor de behandeling moeten oproepen en horen, wat iets anders is dan een contra-expertise. [11] De onder de Wet Bopz gewezen rechtspraak heeft zijn betekenis dus behouden.
3.16.
De rechtbank heeft, zoals hiervoor aangehaald, in rov. 2.3 van de bestreden beschikking vastgesteld dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van grootheidswanen en overmatige achterdocht, gepaard gaande met grensoverschrijdend gedrag, agressie jegens derden en een uithuiszetting, passend bij een schizofrenie-spectrumstoornis. Hoewel uit het hiervoor in 3.10 en 3.11 aangehaalde standpunt van betrokkene lijkt te volgen dat hij deze diagnose bestrijdt, is zijn verzoek om een contra-expertise niet zozeer gericht op bestrijding van die diagnose, maar veeleer op de vraag of een andere behandeling niet meer passend is, namelijk een behandeling in de vorm van de PRI-therapie, die een vorm van niet-medische hulpverlening is. [12] Zoals hiervoor in 3.13 weergegeven, is de klacht in cassatie ook tot dit laatste beperkt. [13]
3.17.
Waarom de rechtbank het verzoek op dit punt heeft afgewezen, is in het licht van de overwegingen in haar beschikking voldoende duidelijk en begrijpelijk. In rov. 2.3, 2.5 en 2.6 heeft de rechtbank immers, op begrijpelijke en afdoende gronden, zorg in de vorm van medicatie noodzakelijk geoordeeld. In rov. 2.9 heeft zij genoemde vorm van therapie kennelijk aangemerkt als een behandeling die, daarnaast, mogelijk ook kan worden toegepast. [14] De rechtbank heeft dus geoordeeld, kort gezegd, dat, gelet op de psychische stoornis van betrokkene, een niet-medische behandeling, zoals de PRI-therapie, niet meer tot de mogelijke behandelingen behoort, maar dat gebruik van medicatie noodzakelijk is. In dat licht is duidelijk, en behoeft dus ook verder geen motivering, dat en waarom de rechtbank het niet zinvol heeft geacht om, zoals het verzoek inhoudt, een contra-expertise te laten uitbrengen door een therapeut die kennis heeft van de PRI-therapie.
3.18.
Het voorgaande betekent dat ook onderdeel 3 faalt.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.De beschikking is mondeling gegeven op 19 november 2020. De schriftelijke uitwerking van de beschikking is vastgesteld op 24 november 2020.
2.Inleidend verzoekschrift, p. 1.
3.Inleidend verzoekschrift, p. 3.
4.Daarbij wordt verwezen naar
5.HR 5 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:349,
6.Rechtbank Noord-Holland 20 mei 2020, ECLI:NL:RBNHO:2020:3997, rechtbank Noord-Nederland 2 juli 2020, ECLI:NL:RBNNE:2020:4832 en rechtbank Overijssel 2 november 2020, ECLI:NL:RBOVE:2020:3789.
7.Brief van advocaat van betrokkene van 6 november 2020.
8.Zie p. 4, onderaan, t/m 7 van het proces-verbaal.
10.Zie o.m. HR 29 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5978,
11.Zie evenzo plv. P-G Langemeijer in zijn conclusie in zaak 21/00106, ECLI:NL:PHR:2021:399, onder 2.29.
12.Op internet (waarnaar betrokkene zelf bij het verzoek heeft verwezen) is veel informatie over deze therapie te vinden.
13.Dat is denk ik begrijpelijk, nu genoemde therapie, zo te zien, niet in de diagnose van stoornissen voorziet.
14.Dit volgt ook uit genoemde passage in het proces-verbaal van de behandeling van het verzoek.