Conclusie
1.Inleiding
De onderhavige conclusie betreft het door Box Consultants c.s. ingestelde beroep tegen de beschikking van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 24 september 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:2936 (hierna: de bestreden beschikking).
Deze zaak hangt samen met de cassatieberoepen van Box Consultants c.s. in de zaken van de andere getuigen [2] , alsmede met de cassatieberoepen van de vier getuigen [3] . In die zaken concludeer ik vandaag eveneens.
Als te horen getuigen hebben Box Consultants c.s. opgegeven [betrokkene 1] en de deurwaarder die op verzoek van Box Consultants c.s. bewijsbeslag ten laste van [betrokkene 1] heeft gelegd (hierna: de deurwaarder), alsmede medewerkers van de Belastingdienst en de FIOD en twee officieren van justitie die betrokken zijn (geweest) bij het hiervoor onder 2.6 genoemde (strafrechtelijke) onderzoek tegen Box Consultants c.s. [6]
Bij beschikking van 7 september 2018 [10] heeft de Hoge Raad deze beschikking vernietigd, maar uitsluitend voor zover het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor van Box Consultants c.s. is afgewezen en Box Consultants c.s. zijn veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De Hoge Raad heeft het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De Hoge Raad heeft met betrekking tot onderdeel 1, dat was gericht tegen het hiervoor onder 2.13 onder (iii) genoemde oordeel, het volgende overwogen:
- Heeft u de IRS-brief ontvangen?
- Wanneer heeft u de IRS-brief ontvangen?
- Wat is er vervolgens met de IRS-brief gedaan?
- heeft [betrokkene 1] daarbij vertrouwelijke bedrijfsgegevens van Box gedeeld en zo ja welke?
- Welke indrukken liet [betrokkene 1] bij u achter?
Ten aanzien van het beroep van de getuige op het verschoningsrecht met betrekking tot vragen over de gang van zaken rondom de IRS-brief:De kantonrechter wijst het verzoek af op de gronden zoals hiervoor in het proces-verbaal weergegeven.
Ten aanzien van het beroep van de getuige op het verschoningsrecht met betrekking tot de vragen over FIOD- en of Trafi-journaals, de vraag waar het team Trafi mee is belast, of de getuige in de strafzaak in 2016 naar waarheid heeft verklaard, over de algemene werkwijze en of er journaals worden opgemaakt(…)
Kantonrechter: het verschoningsrecht geldt niet voor elke vraag. Ten aanzien van de bovengenoemde vragen wordt het beroep op verschoningsrecht verworpen. Beantwoording van de deze vragen kan geschieden zonder dat informatie wordt geopenbaard die geheim moet blijven.
Ten aanzien van het beroep op verschoningsrecht met betrekking tot de vraag of het het handschrift is van de getuige dat op de stukken die u toont voorkomtKantonrechter: Ik wijs het beroep op het verschoningsrecht af. Beantwoording van die vraag kan geschieden zonder dat informatie wordt geopenbaard die geheim moet blijven.’ [15]
b. Ook in de huidige tekst van art. 52 Wjsg Pro staat dat alleen uitzonderingen aan de orde zijn waarin de Wjsg zelf voorziet. (3.8.2.9)
c. Art. 39b Wjsg gaat (slechts) over gegevensverwerking. De regels met betrekking tot gegevensverstrekking staan in art. 39f Wjsg, met daarbij horend uitgebreid gereglementeerd verstrekkingsregime. In de aan partijen in deze zaak bekende uitspraak van dit hof van 6 augustus 2020 (zaaknummer 200.265.410/01) [22] is dit uitgebreid geschetst, en uit een en ander blijkt geen onbeperkte getuigplicht zoals door Box Consultants c.s. voorgestaan. (3.8.2.10)
d. Uit de parlementaire geschiedenis van de Wpg blijkt dat in art. 7 Wpg Pro niet langer een geheimhoudingsplicht is vervat die ook boven bepalingen die een getuigplicht bevatten gaat. (3.8.2.13)
e. In algemene zin komt in ieder geval op grond van art. 52 Wjsg Pro aan de officieren en opsporingsambtenaren als getuige in een civiel getuigenverhoor een inroepbaar verschoningsrecht toe ter borging van deze geheimhoudingsplicht. De afweging wat in geval van een civiel getuigenverhoor zwaarder weegt (waarheidsvinding of geheimhouding) is door de wetgever al gemaakt. Aan een belangenafweging komt het hof niet toe. (3.8.3)
f. Of dit verschoningsrecht als gebaseerd op de Wjsg wordt ingeroepen, is aan de getuige. Indien de getuige het verschoningsrecht eerder niet heeft ingeroepen, betekent dit niet dat is erkend dat een verschoningsrecht niet van toepassing is, althans is erkend dat hem geen verschoningsrecht toekomt. Het hof leest overigens in de door Box Consultants c.s. geciteerde passages uit het verhoor door de rechter-commissaris van getuigen [betrokkene 2] en [verweerder] in het kader van de strafzaak geen enkele erkenning of afstand. (3.8.4)
g. Dat Box Consultants c.s. mede degenen betreffen waar de verzochte informatie over gaat, doet aan de mogelijkheid het verschoningsrecht in te roepen niet af. Voor het feit dat [betrokkene 1] geen bezwaar zou maken geldt hetzelfde, nog los van het feit dat geen bezwaar maken niet hetzelfde is als 'instemmen’. (3.8.5)
h. De aan te leggen maatstaf is in civiele zaken en fiscale zaken (zie A-G IJzerman in de zogenaamde (fiscale) tipgeverszaak) dat de rechter een beroep op een verschoningsrecht tamelijk marginaal moet toetsen. Verder moet ten aanzien van de belastingambtenaar dezelfde conclusie worden getrokken als ten aanzien van de officier van justitie en de opsporingsambtenaar is getrokken in relatie tot de Wjsg. Voor het geval door betreffende ambtenaren van justitie ook werkzaamheden zijn verricht die kwalificeren als werkzaamheid in de zin van art. 67 AWR Pro bestaat er voorts een dubbele grondslag voor een in te roepen verschoningsrecht. (3.8.7)
i. Aan de getuigen en dus ook [verweerder] komt een verschoningsrecht toe, hetzij gebaseerd op de AWR, hetzij gebaseerd op de Wjsg, hetzij op beide regelingen, en niet op grond van de Wpg. Per vraag kan de getuige zich op genoemd verschoningsrecht beroepen en zal moeten worden beoordeeld in hoeverre zulks terecht is. (3.9)
j. [verweerder] heeft geweigerd de in het beroepschrift onder 2.9 opgenomen vragen te beantwoorden over de IRS-brief, nu de informatie waarnaar wordt gevraagd, ziet op fiscale aangelegenheden. De vragen e tot en met h heeft [verweerder] om dezelfde redenen geweigerd te beantwoorden. [verweerder] heeft zich erop beroepen dat hij daarover niet kan verklaren en dat hij zich beroept op zijn verschoningsrecht met betrekking tot alle vragen over gegevens die hij uit hoofde van zijn beroep onder zich heeft gekregen. (3.12.1)
k. De kantonrechter heeft dit beroep verworpen nu door haar geen verschoningsrecht als gebaseerd op een geheimhoudingsplicht krachtens de AWR aanwezig werd geacht met betrekking tot de IRS-brief. Voorts heeft zij het beroep op een verschoningsrecht van [verweerder] aangaande de vragen e tot en met h afgewezen nu ten aanzien van die vragen beantwoording kan geschieden zonder dat informatie wordt geopenbaard die geheim dient te blijven. (3.12.2)
l. Het hof oordeelt anders ten aanzien van de vraag of de AWR ten aanzien van de IRS-brief een verschoningsrecht kan opleveren. Dit verschoningsrecht ziet immers op alle informatie, dus ook op informatie waarvan wordt betoogd dat deze vals zou zijn of informatie gerelateerd aan een stuk waarvan zou vaststaan dat dit vals zou zijn. De opvatting van de betrokken belastingplichtige (Box), waar de IRS-brief betrekking op heeft, doet bij dit oordeel niet ter zake. Ten aanzien van de vragen betreffende de Trafi-journaals komt [verweerder] zowel vanwege artikel 67 AWR Pro als op artikel 52 Wjsg Pro een beroep toe op een verschoningsrecht. (3.12.3)
m. Resteert ten aanzien van de vragen a tot en met f de marginale toets. Vragen aangaande het verloop en de inhoud van het onderzoek door de Belastingdienst naar de IRS-brief, inclusief het ontvangen van de brief en het moment daarvan, dan wel het moment van enige melding in het kader van het strafrechtelijk onderzoek, alsook de verwerking in al dan niet bestaande journaals en de inzet van een bepaald (Trafi)team vallen in dit geval buiten redelijke twijfel onder hetgeen niet onthuld mag worden, respectievelijk nog niet onthuld mag worden. Een verdere belangenafweging is niet aan de orde. In deze zaak is in ieder geval geen sprake van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat op het verschoningsrecht een uitzondering moet worden gemaakt, waarbij het belang van de waarheidsvinding voorrang behoort te krijgen. (3.12.4)
n. Het beroep op het verschoningsrecht slaagt derhalve ten aanzien van de vragen a tot en met f en alle daarop direct voortbouwende vragen. (3.12.5)
o. Gezien de betekenis van art. 215 Sv Pro doorstaat het beroep van [verweerder] ten aanzien van vraag g (‘hebt u in de strafzaak naar waarheid verklaard?’) niet de marginale toets. (3.12.6)
p. Ten aanzien van de vraag of het handschrift op de getoonde stukken het handschrift van [verweerder] is: de vraag of een stuk tot een fiscaal dossier behoort, dan wel alle daarmee in verband staande vragen, valt (vallen) in dit geval per saldo buiten redelijke twijfel onder hetgeen niet onthuld mag worden, respectievelijk nog niet onthuld mag worden. Een verdere belangenafweging is niet aan de orde. In deze zaak is in ieder geval geen sprake van zodanig uitzonderlijke omstandigheden dat op het verschoningsrecht een uitzondering moet worden gemaakt, waarbij het belang van de waarheidsvinding voorrang behoort te krijgen. Het beroep op het verschoningsrecht slaagt derhalve ten aanzien van vraag h en alle daarop direct voortbouwende vragen. (3.12.7)
q. Box Consultants c.s. zijn ontvankelijk in hun beroep tegen het door de kantonrechter tot uitgangspunt nemen van een mogelijk verschoningsrecht van de getuige. De kantonrechter heeft terecht aangenomen dat in beginsel aan [verweerder] een verschoningsrecht toekomt als gebaseerd op artikel 67 AWR Pro. Los daarvan is het hof van oordeel dat [verweerder] voor zijn werkzaamheden in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zich (ook) kan beroepen op het verschoningsrecht als voortvloeiend uit artikel 52 Wjsg Pro. Het stond [verweerder] vrij in de strafzaak geen en in deze zaak wel een beroep te doen op een hem toekomend verschoningsrecht. De incidentele grief van Box Consultants c.s. faalt derhalve. (3.13.3-3.13.6)
[verweerder] heeft verzocht het cassatieberoep te verwerpen.
3.Ontvankelijkheid cassatieberoep Box Consultants c.s.
getuigewiens beroep op een verschoningsrecht door de raadsheer-commissaris van het hof was afgewezen, als volgt overwogen:
4.Algemeen kader
Wel wordt in cassatie door Box Consultants c.s. betoogd, kort gezegd,
(i) dat de betreffende geheimhoudingsplichten niet gelden jegens Box Consultants c.s., omdat het gegevens betreft die op henzelf betrekking hebben (subonderdelen 2.1 en 3.1) en
(ii) dat de geheimhoudingsplichten zich niet uitstrekken tot gegevens die vals zijn en evenmin tot de verkrijging en het gebruik daarvan (onderdeel 1 en subonderdelen 2.2 en 3.2).
Daarnaast bevat het middel klachten met betrekking tot de toepassing door het hof van de zogeheten ‘marginale toets’ (onderdeel 4).
De cassatiemiddelen in de hiervoor onder 1.3 genoemde negen cassatieberoepen van Box Consultants c.s. zijn van gelijke strekking en goeddeels gelijkluidend. Alvorens op het middel in te gaan, schets ik in dit hoofdstuk een algemeen kader, dat in de conclusies in al deze negen zaken gelijk is.
Te dien aanzien moet worden vooropgesteld dat, naar in cassatie terecht onbestreden is gebleven, de notaris behoort tot de beperkte groep van personen die uit hoofde van de aard van hun maatschappelijke functie verplicht zijn tot geheimhouding van al [hetgeen] hun in hun hoedanigheid wordt toevertrouwd, en aan wie in verband daarmede tevens het recht toekomt zich te dien aanzien ook ten overstaan van de rechter van het afleggen van getuigenis te verschonen. De grondslag van dit verschoningsrecht moet worden gezocht in een in Nederland geldend algemeen rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij zodanige vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden. Dit beginsel vindt onder meer erkenning voor het burgerlijk recht in art. 1946 lid 2 aanhef Pro en onder 3e BW, voor het strafrecht in art. 218 Sv Pro en voor het belastingrecht in de art. 53 Algemene Pro Wet inzake rijksbelastingen en 15 lid 3 aanhef en onder b Wet administratieve rechtspraak belastingzaken.’ [38]
Stb.2007, 376) bevatte lid 2 van art. 67 als Pro enige uitzondering dat de minister ontheffing kan verlenen van de in het eerste lid vervatte verbod. [58] In de parlementaire geschiedenis is ter toelichting op de uitbreiding van de wettelijke uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht onder meer het volgende opgemerkt:
Een aantal jaren geleden heeft de Registratiekamer, de voorganger van het College bescherming persoonsgegevens, een rapport uitgebracht over informatieverstrekking door de Belastingdienst. In het rapport constateerde de Registratiekamer dat het bestaande ontheffingenstelsel van artikel 67, tweede lid, AWR geen adequate wettelijke grondslag is voor verstrekking van persoonsgegevens door de Belastingdienst. Hierdoor zijn er onvoldoende waarborgen tegen ongewenste inbreuken op het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Met de nu voorgestelde wijziging van de geheimhoudingsplicht, waarin de reikwijdte van het ontheffingenstelsel wordt beperkt, zal sprake zijn van een duidelijke en meer transparante wettelijke regeling inzake gegevensverstrekking door de Belastingdienst die beantwoordt aan de nationale en internationale normen van privacybescherming.’ [59]
Het ontheffingenstelsel in het derde lid van artikel 67 blijft Pro nog voor drie situaties gehandhaafd. Ten eerste voor gegevensverstrekkingen aan belastingplichtigen zelf voorzover de verstrekking niet noodzakelijk is voor de heffing of invordering (op grond van het eerste lid bestaat in die situatie geen geheimhoudingsplicht) en voorzover de verstrekking in het voorgestelde artikel 67, tweede lid, onderdeel c, niet is uitgezonderd van de geheimhoudingsplicht. (…)’ [62]
mogelijk(mijn cursivering, A-G) door henzelf zijn verstrekt, voorzover de verstrekking niet noodzakelijk is voor de heffing en invordering, in de wet geregeld dient te worden in plaats van bij wege van ontheffing door de Minister [63] , en bepleitte aldus een verdergaande wettelijke uitzondering met betrekking tot de belastingplichtige betreffende gegevens dan in het wetsvoorstel was uitgewerkt. De keuze om dit advies slechts ten dele over te nemen in het wetsvoorstel – dus slechts voorzover het gegevens betreft die door of namens de belanghebbende zijn verstrekt – en voor alle overige gegevens die de belanghebbende zelf betreffen de geheimhoudingsplicht (met de mogelijkheid van ontheffing) te handhaven [64] , is in de parlementaire behandeling bekritiseerd. [65] Die kritiek heeft niet tot een verruiming van deze uitzonderingsgrond geleid. De regering deelde niet het standpunt dat belanghebbenden over alle op hen betrekking hebbende gegevens moeten kunnen beschikken (ongeacht de herkomst daarvan). Daarbij is opgemerkt dat er belangrijke redenen kunnen bestaan om de belanghebbende niet de gegevens te verstrekken waar hij om vraagt, bijvoorbeeld de opsporings- en controlestrategie van de Belastingdienst en andere uitzonderingsgronden die ook in de Wbp en de Wob vermeld zijn. [66] Voorts is van regeringszijde het volgende opgemerkt:
stukkendie de belastingplichtige eerder zelf aan de Belastingdienst heeft verstrekt, waarvan de Belastingdienst later weer een kopie aan de belastingplichtige mag verstrekken.
Al met al behelst de hier besproken uitzondering op de geheimhoudingsplicht dus een zeer beperkte afwijking van het uitgangspunt dat de geheimhoudingsplicht geldt voor gegevens die de belastingplichtigen zelf betreffen. [69] De rechtspraak van de Hoge Raad over de geheimhoudingsplicht van art. 67 lid 1 AWR Pro (oud) en het daaraan gekoppelde verschoningsrecht heeft (voor het overige) mijns inziens zonder meer zijn belang behouden.
In art. 8:33 lid 3 Awb Pro is art. 165, tweede en derde lid, Rv van overeenkomstige toepassing verklaard.
Het hof heeft o.m. geoordeeld dat de Inspecteur met zijn weigering de rechtsorde ernstig heeft geschonden en dat dit op zichzelf reeds rechtvaardigt dat het hof daaruit de gevolgtrekking maakt dat de aanslagen moeten worden vernietigd.
in feiteeen verschoningsrecht in het leven geroepen, maar dat is m.i. zozeer verweven met de positie van de Inspecteur als procespartij in een fiscale procedure, dat dit voor de onderhavige zaak niet van betekenis is.
In de wet, die aanvankelijk alleen betrekking had op de verwerking van justitiële gegevens, is in 2004 een regeling opgenomen voor het verwerken van strafvorderlijke gegevens door het openbaar ministerie. [75] Deze aparte regeling bevat een concretisering van de algemene normen van de – voormalige [76] – Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) voor strafvorderlijke gegevens. In de Wjsg is ook aangesloten bij de systematiek van de Wbp. [77] De Wjsg beoogt, behalve het algemeen belang van een goede uitoefening van strafvorderlijke taken, mede het belang te dienen van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. [78]
derdeningevolge de artikelen 39e en 39f voorziet de Wjsg ook in een mogelijkheid voor de
betrokkene [82] om inzage te krijgen in hem betreffende (o.m.) strafvorderlijke gegevens.
Op grond van art. 39i lid 1 Wjsg heeft de betrokkene het recht om uitsluitsel te verkrijgen over de al dan niet verwerking van hem betreffende strafvorderlijke gegevens en, wanneer dat het geval is, om (o.m.) die gegevens in te zien (vgl. art. 18 voor Pro justitiële gegevens). Een verzoek daartoe wordt ingevolge art. 39l lid 2 in verbinding met art. 21 lid 2 Wjsg Pro afgewezen voor zover het onthouden van inzage een noodzakelijke en evenredige maatregel is, onder meer, ter vermijding van belemmering van de gerechtelijke onderzoeken of procedures (onder a) en ter vermijding van nadelige gevolgen voor de voorkoming, de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen (onder b). [83] Ingevolge art. 51f lid 1 Wjsg zijn (o.m.) de artikelen 18 en 21 van overeenkomstige toepassing op gerechtelijke strafgegevens (waaronder volgens art. 1, aanhef en onder e Wjsg moet worden verstaan persoonsgegevens of gegevens over een rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van het behandelen en beslissen van zaken waarop het Nederlandse strafrecht van toepassing is en die in een gegevensbestand zijn of worden verwerkt).
Het recht op kennisneming biedt betrokkene de mogelijkheid om er achter te komen of er over hem gegevens in een strafdossier, Compas of hoger beroepsystemen zijn vastgelegd en te beoordelen of die gegevens juist zijn. Indien dat niet het geval blijkt te zijn, kan hij vervolgens op basis van het voorgestelde artikel 39m, eerste lid, bij het College van procureurs-generaal een verzoek indienen zijn gegevens te verbeteren, aan te vullen, te verwijderen of af te schermen.’ [85]
Voor zover het gesloten stelsel van de Wjsg en/of de Wpg in een concreet geval aan verstrekking van bepaalde gegevens in de weg staat, kan door toepassing van art. 843a, lid 3 en/of lid 4, Rv (afwijzing wegens een geheimhoudingsplicht en/of wegens gewichtige redenen) een doorkruising van dat gesloten stelsel worden voorkomen. [102] Afhankelijk van de rechtsbetrekking tussen de bij de informatieverstrekking betrokken partijen, is echter niet uit te sluiten dat art. 843a Rv verplicht tot exhibitie van bescheiden die op grond van de Wjsg en/of de Wpg niet kunnen worden verkregen. [103] ’
5.Bespreking van het cassatiemiddel van Box Consultants c.s.
Het hof heeft in alle hiervoor onder 1.3 genoemde zaken een verschoningsrecht van de getuige aangenomen, hetzij gebaseerd op de AWR, hetzij gebaseerd op de Wjsg, hetzij op beide regelingen. In zaken waarin uitsluitend de ene geheimhoudingsbepaling aan de orde is, bestaat (vanzelfsprekend) geen belang bij klachten die betrekking hebben op de andere geheimhoudingsbepaling.
In verschillende zaken heeft het hof evenwel
in algemene zinoverwogen dat de getuige op grond van beide geheimhoudingsbepalingen een verschoningsrecht toekomt, maar bij de beoordeling per vraag slechts één van de geheimhoudingsbepalingen betrokken. In die gevallen zou m.i. moeten worden aangenomen dat het oordeel dat ook op grond van de ándere geheimhoudingsbepaling in algemene zin een verschoningsrecht kan worden aangenomen, de beslissing in het dictum dat bepaalde vragen niet behoeven te worden beantwoord, niet draagt, en dat klachten tegen dat oordeel om die reden belang ontberen. In sommige zaken is evenwel dat algemene oordeel
zelfin het dictum opgenomen. In dat geval neem ik zekerheidshalve wel belang aan.
Omwille van de leesbaarheid en het zo veel mogelijk voorkomen van onderlinge verschillen tussen de verschillende conclusies (en aangezien, zoals hierna zal blijken, de klachten m.i. hoe dan ook moeten falen) zal ik hierna alle onderdelen bespreken. In deze zaak kan m.i. overigens gelet op het voorgaande ook niet op voorhand worden gezegd dat belang bij enige klacht ontbreekt. [105]
Onderdeel 1is gericht tegen rov. 3.12.3, waarin het hof als volgt heeft overwogen:
alleinformatie, zoals uit bovenstaande blijkt (onderdeel 3.8.6.2), dus ook informatie waarvan wordt betoogd dat deze vals zou zijn of informatie gerelateerd aan een stuk waarvan zou vaststaan dat dit vals zou zijn. De opvatting van de betrokken belastingplichtige (Box),waar de IRS-brief op betrekking heeft, doet bij dit oordeel niet ter zake.
Subonderdeel 1.2bevat een voortbouwklacht.
ook overigensvals is, in die zin dat er in cassatie (veronderstellenderwijs) van moet worden uitgegaan dat de in de brief geuite aantijgingen aan het adres van Box Consultants c.s. ongegrond zijn (zie in subonderdeel 1.1, waar wordt gesproken van ‘informatie (…) [die] vals en onterecht belastend is’ en ‘valse beschuldigingen’), merk ik het volgende op.
Overigens merk ik nog op dat de vindplaatsen waarnaar in dit verband in het middel wordt verwezen [109] niet uitdrukkelijk de valsheid van de inhoud (valse beschuldigingen) betreffen. Op deze vindplaatsen wordt gesproken hetzij over de authenticiteit van de brief, hetzij over valsheid in algemene zin.
In de eerste plaats merk ik op dat als gezegd thans geen plaats is voor de veronderstelling van het onderdeel dat de informatie ‘onterecht belastend is’ of dat sprake is van ‘valse beschuldigingen’. Als uitgangspunt dient dat de IRS-brief in zoverre vals is dat deze niet afkomstig is van de IRS, maar van [betrokkene 1] (en dus is ‘vervalst’). De IRS-brief is bij Box Consultants c.s. bekend. [110] De vragen ten aanzien waarvan [verweerder] zich (volgens het hof met recht) op een verschoningsrecht heeft beroepen, zijn door het hof voor zover thans van belang samengevat als vragen ‘aangaande het verloop en de inhoud van het onderzoek door de belastingdienst naar de IRS-brief, inclusief het ontvangen van de brief en het moment daarvan’ (rov. 3.12.4). Als het al zo zou zijn dat het verschoningsrecht zich niet uitstrekt tot valse informatie, dan betekent dat dus nog niet dat het antwoord op de hier bedoelde vragen niet onder het verschoningsrecht zou vallen.
Daarbij is overigens ook op te merken dat volgens [verweerder] de IRS-brief geen rol heeft gespeeld in de strafzaak. [111]
Op basis van het bovenstaande komt het hof tot de bevinding dat in algemene zin in ieder geval op grond van artikel 52 wjsg Pro aan de officieren en opsporingsambtenaren als getuige in een civiel getuigenverhoor een inroepbaar verschoningsrecht ter borging van deze geheimhoudingplicht toekomt.Althans in die zin dat de gestelde of opgegeven vragen of vragen niet behoeven te worden beantwoord zolang aan redelijke twijfel onderhevig is of de beantwoording naar waarheid zou kunnen geschieden zonder dat ten aanzien van strafvorderlijke gegevens geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven. De afweging wat in geval van een civiel getuigenverhoor zwaarder weegt (waarheidsvinding of geheimhouding) is aldus door de wetgever al gemaakt. Aan een belangenafweging als kenbaar uit Hof Amsterdam 30 januari 2018, ECLI:GHAMS:2018:238 [ECLI:NL:GHAMS:2018:239, A-G] (verweerschrift Box c.s. p. 43) komt het hof in deze niet toe, temeer nu laatstgenoemde uitspraak zag op de Wet Politieregisters-oud, als opgevolgd door de WPG (zie hiervoor) en niet op de wjsg.
(…)
onder adat deze oordelen onjuist zijn en dat het hof heeft miskend dat de bedoeling van art. 52 Wjsg Pro is om de privacy te beschermen van degene om wiens gegevens het gaat (in dit geval Box Consultants c.s.). De geheimhoudingsplicht en het verschoningsrecht in algemene zin gelden daarom volgens het subonderdeel niet, althans niet zonder meer, jegens degene om wiens (inkomens)gegevens het gaat. Dat geldt temeer nu (a) de IRS-brief volgens [verweerder] geen rol heeft gespeeld in de strafzaak [en dus, A-G] van een ‘verstoring’ van de strafzaak ook geen sprake kan zijn, (b) het verwijzingshof een dergelijke verstoring ook niet heeft kunnen vaststellen en (c) [verweerder] nadien evenmin concreet heeft gesteld waaruit een dergelijke daadwerkelijke verstoring zou bestaan.
Onder bwordt geklaagd dat het mede in het licht van de bedoeling van art. 52 Wjsg Pro zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom in dit geval de door het hof aangenomen geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht in algemene zin zou bestaan jegens degene om wiens gegevens het gaat. Met name valt volgens het subonderdeel niet in te zien welk door de Wjsg te beschermen (privacy)belang wordt gediend met geheimhouding van verstrekte (inkomens)gegevens en het gebruik ervan jegens degene om wiens gegevens het gaat.
De klachten van subonderdeel 2.1 lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
in algemene zineen verschoningsrecht is te baseren. Ter toelichting merk ik het volgende op.
In rov. 3.8.3 heeft het hof – kennelijk in aansluiting op met name de rov. 3.8.2.7-3.8.2.9 – onder meer overwogen dat in algemene zin in ieder geval op grond van art. 52 Wjsg Pro aan de officieren en opsporingsambtenaren als getuige in een civiel getuigenverhoor een verschoningsrecht toekomt ter borging van deze geheimhoudingsplicht en dat de afweging wat in geval van een civiel getuigenverhoor zwaarder weegt (waarheidsvinding of geheimhouding) al door de wetgever is gemaakt. In onderdeel 2 wordt weliswaar geklaagd dat (o.m.) het oordeel in rov. 3.8.3 onjuist is en dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat een verschoningsrecht op grond van art. 52 Wjsg Pro bestaat, maar die klachten komen er in de kern op neer dat hier de geheimhoudingsplicht niet geldt (en om díe reden ook geen verschoningsrecht bestaat). Ik lees daarin geen klacht tegen de overweging van het hof dat genoemde belangenafweging door de wetgever is gemaakt. Ook het verweerschrift in cassatie gaat van die lezing uit. [112] Dát in de geheimhoudingsplicht van art. 52 Wjsg Pro een verschoningsrecht ligt besloten, dient mijns inziens dan ook bij de beoordeling van de klachten tot uitgangspunt. [113] Toch veroorloof ik mij twee opmerkingen over meergenoemd oordeel van het hof.
Aangezien het verschoningsrecht een uitzondering vormt op de regel dat een ieder verplicht is getuigenis in rechte af te leggen, kan alleen dan worden aangenomen dat in een wettelijke geheimhoudingsplicht een verschoningsrecht ligt besloten indien uit de bewoordingen, de strekking of de geschiedenis van de desbetreffende bepaling onmiskenbaar duidelijk blijkt dat de hiervoor bedoelde belangenafweging door de wetgever is verricht (zie hiervoor onder 4.8). Daarmee strookt het m.i. niet om een verschoningsrecht (zonder meer) af te leiden uit het feit dat de wettelijke geheimhoudingsbepaling uitzonderingen bevat waar het afleggen van een getuigenverklaring in een civiel getuigenverhoor er niet één van is. [114] Dat de geheimhoudingsplicht in bepaalde gevallen niet geldt, laat de mogelijkheid van een verschoningsrecht in gevallen waarin (zo’n uitzondering niet aan de orde is en) de geheimhoudingsplicht wél geldt, onverlet (vgl. art. 67 AWR Pro).
In de tweede plaats wijs ik erop dat ik in de cassatieberoepen van de getuigen betoog dat uit de bewoordingen, de strekking en de geschiedenis van art. 7 Wpg Pro niet onmiskenbaar duidelijk blijkt dat de voor het aannemen van een verschoningsrecht vereiste afweging door de wetgever is verricht. Gelet op de gemeenschappelijke achtergrond en ratio van de Wpg en de Wjsg acht ik het niet onaannemelijk dat voor art. 52 Wjsg Pro hetzelfde zou moeten gelden. [115]
De redenering in dit arrest loopt niet over de band van de geheimhoudingsplicht. Mijns inziens laat deze redenering zich voor het voorlopig getuigenverhoor op één lijn stellen met het zwaarwichtig bezwaar als grond voor afwijzing van een voorlopig getuigenverhoor onderscheidenlijk de mogelijkheden tot beperking van het verhoor, die zijn genoemd in rov. (3.6.4-)3.6.7 onderscheidenlijk rov. (3.8.3-)3.8.5 in de beschikking van de Hoge Raad van 7 september 2018 in de onderhavige zaak (zie hiervoor onder 2.14-2.15). [116] Over de geheimhoudingsplicht van art. 52 Wjsg Pro – die in het kader van het verschoningsrecht wel essentieel is – en de reikwijdte daarvan is daarmee evenwel nog niets gezegd.
In de Wjsg, die is geënt op de voormalige Wbp, staat onmiskenbaar het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene centraal. Bij de verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan een derde is het (in de eerste plaats) dat belang dat dient te worden afgewogen tegen het zwaarwegend algemeen belang bij verstrekking van de gegevens.
Het privacy-belang van de betrokkene vindt onder de Wjsg mede invulling/uitwerking in het recht dat de betrokkene heeft om uitsluitsel te krijgen over de al dan niet verwerking van de hem betreffende (o.m.) strafvorderlijke gegevens en, wanneer dat het geval is, om die gegevens in te zien. De betrokkene heeft evenwel op grond van de Wjsg geen absoluut recht op inzage in gegevens die hemzelf betreffen [117] ; zoals hiervoor onder 4.34 is vermeld, kan een verzoek om inzage o.m. worden afgewezen voor zover dat een noodzakelijke en evenredige maatregel is ter vermijding van belemmering van de rechtelijke onderzoeken of procedures of van nadelige gevolgen voor de opsporing, het onderzoek en de vervolging van strafbare feiten.
Mijns inziens gaat het subonderdeel er – zowel onder a als onder b – hiermee ten onrechte van uit dat de geheimhoudingsplicht niet geldt jegens degene om wiens gegevens het gaat.
mededegenen betreffen waar de verzochte informatie over gaat. Het is met andere woorden niet alleen de persoonlijke levenssfeer van Box Consultants c.s. die in het geding is. En dat [betrokkene 1] geen bezwaar zou maken, doet, naar het – eveneens onbestreden – oordeel van het hof, niet af aan de mogelijkheid het verschoningsrecht in te roepen. Het middel lijkt aan een en ander voorbij te zien.
onder a, samengevat, dat met het geheim houden van valse gegevens jegens degene op wie die gegevens betrekking hebben en het geheim houden van de (wijze van) verkrijging (en verspreiding) en het gebruik van die valse gegevens door officieren en opsporingsambtenaren geen door de Wjsg te beschermen (privacy)belang wordt gediend. Voorkomen moet worden dat officieren en opsporingsambtenaren valse gegevens verkrijgen, deze gebruiken en verspreiden, en daarom dienen het verkrijgen van valse gegevens, het gebruik en de verspreiding ervan niet verborgen te worden gehouden voor degene op wie deze gegevens betrekking hebben. Voor zover al een geheimhoudingsplicht zou bestaan voor deze informatie over de verkrijging, het gebruik en de verspreiding, geldt geen verschoningsrecht jegens degene op wie de (valse) gegevens betrekking hebben, aldus het subonderdeel. Hij dient daarentegen in staat te zijn of te worden gesteld de onjuistheid van verstrekte of gebruikte gegevens te achterhalen, die te (doen) corrigeren, de gevolgen van de verstrekking en het gebruik ervan zoveel mogelijk te redresseren en vergoeding van de geleden schade te verkrijgen. Het subonderdeel klaagt
onder bdat zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de (wijze van) verstrekking van de valse gegevens door [betrokkene 1] aan de Belastingdienst en het gebruik ervan door de betrokken opsporingsambtenaren en officieren valt onder de geheimhoudingsplicht van de Wjsg of een eventueel daaraan verbonden verschoningsrecht. Het gaat immers, aldus het subonderdeel, niet, althans niet zonder meer, om (persoons)gegevens die in het belang van de privacy van Box Consultants c.s. geheim moeten blijven voor Box Consultants c.s. Als degene op wie de valse gegevens betrekking hebben, hebben Box Consultants c.s. daarentegen een voldoende belang erbij te kunnen achterhalen dat valse gegevens zijn of worden verstrekt, gebruikt, verspreid en die verstrekking, dat gebruik en die verspreiding te (doen) corrigeren en de gevolgen ervan zoveel mogelijk te redresseren. [118] De klachten van het subonderdeel lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
Overigens is door de getuigen naar voren gebracht dat de IRS-brief geen rol heeft gespeeld in de strafzaak. [120]
buitendit verband van een strafzaak – een geheimhoudingsplicht op de voet van art. 52 Wjsg Pro bestaat, zie ik geen aanleiding om van beslissend belang te achten dat het hier gaat om valse gegevens in de hiervoor onder 5.5-5.6 bedoelde zin (de IRS-brief is door [betrokkene 1] vervalst). Ervan uitgaande dat informatie over de (wijze van) verstrekking van de gegevens en het gebruik ervan door de officieren en opsporingsambtenaren onder het bereik van de geheimhoudingsplicht vallen wanneer de brief zou zijn geschreven uit naam van [betrokkene 1] zelf of anoniem, valt m.i. niet in te zien dat iets anders zou gelden vanwege de enkele omstandigheid dat de brief is vervalst. Voor dit door het subonderdeel voorgestane onderscheid is m.i. geen grond.
nog niet onthuldmag worden, vallen.
onder adat het hof heeft miskend dat artikel 67 AWR Pro het belang van de belastingplichtige dient. Art. 67 AWR Pro strekt ertoe dat gegevens betreffende een belastingplichtige niet tegen zijn wil bekend worden gemaakt aan iemand anders dan de Belastingdienst en daarbij maakt het volgens het subonderdeel niet uit of die gegevens – spontaan of desgevorderd – zijn verstrekt door de belastingplichtige zelf of door een derde. De strekking van art. 67 AWR Pro is, althans, volgens het subonderdeel niet dat ter zake van een bepaalde belastingplichtige door de Belastingdienst ontvangen gegevens steeds geheim worden gehouden voor die belastingplichtige, als de Belastingdienst op basis van de ontvangen gegevens overgaat tot het – in het kader van de uitvoering van de hem opgedragen taak – nemen of voorbereiden van maatregelen tegen de belastingplichtige. Dat zou ook onder meer in strijd zijn met de door art. 3:2 Awb Pro vereiste zorgvuldigheid, het verbod van détournement de pouvoir (art. 3:3 Awb Pro) en de in art. 7:18 en Pro 8:42 Awb neergelegde verplichtingen van de inspecteur en de ontvanger om inzage te geven in ‘alle op de zaak betrekking hebbende stukken’, aldus het subonderdeel.
Onder bklaagt het subonderdeel dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, althans niet valt in te zien waarom beantwoording van de onder D en F bedoelde vragen [123] waarvoor het hof het verschoningsrecht heeft gehonoreerd in strijd komt met het algemene belang dat het publiek niet wordt weerhouden van het verstrekken van inlichtingen en bescheiden aan de Belastingdienst uit vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak. Inherent aan het – spontaan of desgevorderd – door derden verstrekken van gegevens aan de Belastingdienst met het oog op de belastingheffing van een belastingplichtige is immers dat die gegevens aan deze belastingplichtige op enig moment bekend worden gemaakt. Het valt daarom niet, zeker niet zonder meer, in te zien, aldus het subonderdeel, waarom art. 67 AWR Pro eraan in de weg zou staan dat de Belastingdienst aan de belastingplichtige op wie de gegevens betrekking hebben, bekendmaakt hoe hij die gegevens heeft verkregen en hoe hij op basis daarvan is overgegaan tot het in het kader van de uitvoering van de hem opgedragen taak nemen of voorbereiden van maatregelen tegen de belastingplichtige.
De geheimhoudingsplicht van art. 67 lid 1 AWR Pro vindt (naar ik aanneem nog altijd) mede zijn grond in het algemene belang dat het publiek niet van het verstrekken van inlichtingen en bescheiden aan de Belastingdienst wordt weerhouden door de vrees dat die gegevens voor andere doeleinden kunnen worden gebruikt dan voor een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak, en dient dan ook niet louter het belang van de belastingplichtige, maar mede het belang, kort gezegd, van de juiste uitvoering van de belastingwet. Anders dan het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, is het niet aan de individuele persoon om wiens gegevens het gaat om te bepalen of deze gegevens bekend mogen worden gemaakt. De geheimhoudingsplicht geldt dus in beginsel óók jegens degene op wie de gegevens betrekking hebben. Dat is slechts anders voorzover de gegevens door of namens hem zijn verstrekt (art. 67 lid Pro 2, aanhef en onder c, AWR). Deze uitzondering heeft een beperkt toepassingsbereik en doet zich hier niet voor.
Als de Belastingdienst, zoals het subonderdeel tot uitgangpunt neemt, op basis van ontvangen gegevens overgaat tot het – in het kader van de uitvoering van de aan hem opgedragen taak – nemen of voorbereiden van maatregelen tegen de belastingplichtige, zullen in een eventuele fiscale procedure op de voet van art. 8:42 lid 1 Awb Pro de op de zaak betrekking hebbende stukken moeten worden overgelegd (art. 67 lid Pro 2, aanhef en onder a) en zal (in beginsel) geen geheimhoudingsplicht gelden waar het gegevens betreft waarop de belastingheffing en -invordering is gebaseerd (art. 67 lid Pro 1). [124] De onderhavige procedure betreft echter niet dergelijke (belasting)maatregelen als waarop het subonderdeel het oog heeft.
Onder abetoogt het daartoe dat de strekking van art. 67 AWR Pro in elk geval niet is om degene te beschermen die, al dan niet spontaan, valse of vervalste gegevens uit andermans naam verstrekt. Het artikel strekt evenmin ertoe voor de belastingplichtige verborgen te houden hoe de Belastingdienst die valse informatie heeft verkregen en wat hij daarmee heeft gedaan in het kader van de uitvoering van de hem opgedragen taak (of daarbuiten). De verstrekking noch het gebruik van valse gegevens kunnen immers naar hun aard dienen voor een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak, aldus het subonderdeel.
Onder bklaagt het subonderdeel dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, althans niet valt in te zien welk zinnig belang zou worden beschermd met het voor de belastingplichtige verborgen houden van de verstrekking van valse op hem betrekking hebbende gegevens en de wijze waarop die – ten onrechte – jegens de belastingplichtige zijn gebruikt door de Belastingdienst in het kader van de uitvoering van de hem opgedragen taak (of daarbuiten). Hetzelfde geldt voor de verdere verspreiding van die valse gegevens aan derden. Het valt evenmin zonder meer in te zien hoe het verborgen houden van die verstrekking en dat gebruik door de Belastingdienst kan bijdragen aan een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak. Het door het hof gehonoreerde beroep op het verschoningsrecht ter zake van de verstrekking en het gebruik van valse gegevens draagt, integendeel, eerder eraan bij dat verborgen blijft wat in strijd is met een juiste en doelmatige uitvoering van de aan de Belastingdienst opgedragen taak.
Ik roep verder opnieuw in herinnering dat in cassatie tot uitgangspunt dient dat de IRS-brief in die zin ‘vals’ is, dat deze niet van de IRS (maar van [betrokkene 1] ) afkomstig is (zie hiervoor onder 5.5-5.6 en vgl. onder 5.22). Op voorhand valt niet uit te sluiten dat de inhoud van de IRS-brief ‘juist’ is.
(…)