Conclusie
[eiseres])
curator)
1.Feiten
hof). [1]
Red Dragon) op eigen aangifte in staat van faillissement verklaard en daarbij de curator als zodanig aangesteld.
Stichting). [eiseres] is opgeleid als registeraccountant.
[betrokkene 1]) en woonde met hem samen. [betrokkene 1] was net als [eiseres] registeraccountant.
[bestuurder 1]), [bestuurder 2] en [bestuurder 3] (hierna:
[bestuurder 2]respectievelijk
[bestuurder 3]). Bij de akte van oprichting zijn de drie laatstgenoemden alsmede [betrokkene 1] tot bestuurders benoemd.
restaurant). Daartoe zou zij in Duiven een bedrijfspand laten bouwen.
[betrokkene 2]), werkzaam bij Coöperatieve Rabobank De Liemers U.A. in Zevenaar.
financieringsovereenkomst). De financiering bestond uit twee geldleningen van € 2.300.000,00 en € 700.000,00, welke (gedeeltelijk) zouden worden gestort op een bij Rabobank gehouden depotrekening, en een lening in rekening-courant (aangeduid als krediet) van € 100.000,00. In de financieringsovereenkomst is bepaald dat de beide geldleningen uitsluitend bestemd zijn voor de financiering van de bouw van het bedrijfspand (€ 2.300.000,00) respectievelijk de aankoop van de bedrijfsinventaris (€ 700.000,00) en dat het krediet van € 100.000,00 uitsluitend bestemd is voor de financiering van de bedrijfsuitoefening van Red Dragon.
Bouwbedrijf Kreeft) voor een totaalbedrag van € 4.786.828,36. In deze e-mail staat het volgende:
kopie rekeningafschriftenvan de Stichting nog mailen waarop de betalingen vermeld staan?
[betrokkene 3]) en [betrokkene 1] - met in de bijlage afschriften van per bank (ABN Amro) verrichte betalingen van de Stichting ten behoeve van Red Dragon aan Bouwbedrijf Kreeft, eveneens voor een totaalbedrag van € 4.786.828,36. In deze e-mail staat het volgende:
[het bouwbedrijf]). De aannemingsovereenkomst met [het bouwbedrijf] is niet overgelegd.
bedrijfsperceel). De koopprijs bedroeg € 795.046,23 inclusief btw.
mandelige parkeerterrein).
2.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank), en, voor zover thans relevant, gevorderd dat de rechtbank:
arrest) [2] vernietigt het hof het bestreden vonnis voor zover het de vorderingen tegen [eiseres] betreft, met uitzondering van de daarin opgenomen proces- en beslagkostenveroordeling, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
feitelijk beleidsbepaler?
3.Het principale cassatiemiddel
a. Inleidende opmerkingen
wanneergezegd kan worden dat iemand zo’n (mede)beleidsbepaler is in de zin van art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW en daarmee, via deze bepaling, onder genoemd bereik van art. 2:248 BW Pro valt. Het antwoord daarop in een concreet geval wordt uiteraard gekleurd door de gegeven feiten en omstandigheden. [17] De contextuele aard van de hier te verrichten analyse laat evenwel onverlet dat deze dient plaats te vinden met inachtneming van de meer principiële parameters die in de eerste plaats volgen uit de tekst en parlementaire geschiedenis van art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW. Daarbij zij telkens bedacht dat, gezien art. 150 Rv Pro en kort gezegd, op de curator de bewijslast rust dat een bepaalde persoon het beleid van de vennootschap (mede) heeft bepaald als ware hij bestuurder in de zin van art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW. [18]
Bovendien schuurt het op voorhand belasten van dit begrip ‘(mede)beleidsbepaler’ via zo’n kennelijk onbehoorlijke taakvervulling-element met het spraakgebruik, waarin zo’n element geen onderdeel is van dit begrip. Zo valt in de Van Dale bij “beleidsbepaler” niets te lezen over enige normatieve diskwalificatie, laat staan over zo’n kennelijk onbehoorlijke taakvervulling. Het innemen van die hoedanigheid van (mede)beleidsbepaler is op zichzelf ook nog niet iets ontoelaatbaars. Dat wringen geldt temeer nu een persoon die zich aldus (mede)bepalend met het beleid van een vennootschap inlaat dat heel wel ook op een wijze kan doen die niet strijdig is met het belang van de vennootschap en van de bij haar en haar onderneming betrokkenen, onder wie haar schuldeisers. Met zo’n kennelijk onbehoorlijke taakvervulling heeft dat niet van doen. Een persoon kan dus best zo’n (mede)beleidsbepaler zijn, zonder dat sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling.
Gezien dit een en ander houd ik het ervoor dat in de parlementaire geschiedenis met die toelichting op het in art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW bedoelde begrip “beleid” van de vennootschap niet zozeer tot uitdrukking is gebracht dat het kunnen aannemen van (mede)beleidsbepalerschap in de zin van deze bepaling ook zo’n betrokkenheid van de desbetreffende persoon bij kennelijk onbehoorlijke taakvervulling vergt. [28] Als wel dat door een ruime uitleg van dit begrip “beleid” van de vennootschap te hanteren, via art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW aansprakelijkheid van een niet-formele bestuurder op de voet van art. 2:248 BW Pro - waarbij dus sprake is van kennelijk onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur - zich ook kan voordoen waar deze persoon (mede) het beleid van de vennootschap bepaalt als ware hij formeel bestuurder via zo’n enkele bestuursdaad, te onderscheiden van zo’n reeks van bestuursdaden. Wat ermee gepaard kan gaan, maar niet hoeft te gaan, dat die persoon aldus handelend ook feitelijk betrokken was bij deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling.
Een door het aldus verstane art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW bestreken casus - waarin de gelijkstelling in deze bepaling dus toepassing vindt - kan ermee gepaard gaan dat de betrokken persoon die formele bestuurder(s) in het kader van de taakvervulling ‘de wil oplegt’ en zo ondergeschikt maakt, waarmee laatstgenoemde(n) feitelijk tot uitvoerder verwordt (verworden). [32] In welk geval deze persoon, die dan de lakens uitdeelt binnen het bestuur, het beleid van de vennootschap dus zelfstandig bepaalt. Maar dat hoeft niet. Denkbaar is bijvoorbeeld ook - dit is een tweede voorbeeld - dat in zo’n door art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW bestreken casus deze persoon en die formele bestuurder(s) ter zake op nevengeschikte basis fungeren, zonder zulk ‘wil opleggen’. In welk te onderscheiden geval deze persoon het beleid van de vennootschap dus niet op vergelijkbare wijze zelfstandig bepaalt, maar wel mede. Die beleidsbepaling geschiedt dan immers ten minste deels door die formele bestuurder(s) zelfstandig (binnen het eigen takenpakket) naast die persoon, althans door die persoon en (een of meer van) die formele bestuurder(s) samen en in samenspraak. [33] Ook in het tweede geval kan worden gesproken van “feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur”, van zo’n situatie waarin door die bemoeienis van die persoon met de beleidsbepaling het beleid van de vennootschap niet door louter haar formele bestuurder(s) wordt bepaald. In dat geval niet vanwege zulk ‘wil opleggen’, maar wel langs de weg van dergelijk gelijkwaardig fungeren waarvoor ruimte wordt gelaten door de formele bestuurder(s), al dan niet op basis van een taakverdeling.
Voor beide gevallen gaat op wat blijkens de parlementaire geschiedenis voor de wetgever tot de kern van art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW behoort. Te weten dat het handelen van de betrokken personen die geen formele bestuurder van de vennootschap zijn zich dan “in weinig meer [onderscheidt] van dat van de formele bestuurders; er is alleen het verschil, dat zij geen bestuurder zijn.” [34] In beide gevallen valt de betrokken persoon dus onder het bereik van deze bepaling. Het voorgaande laat reeds zien, en A-G Timmerman schreef het al in een conclusie uit 2011, [35] dat “het vereiste van feitelijke terzijdestelling niet letterlijk genomen moet worden”, [36] oftewel niet zó strikt moet worden verstaan. Dus slechts erop neerkomend dat een formele bestuurder die hoedanigheid alleen nog in naam vervult, omdat de betrokken persoon als beleidsbepaler op de bestuurdersstoel van die bestuurder heeft plaatsgenomen, waarbij laatstgenoemde uit beeld verdwijnt. Wat weer een ander - en derde - voorbeeld van zo’n door art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW bestreken casus behelst. Dat “vereiste” laat zich breder verstaan dan slechts dit derde voorbeeld, zoals ook de feitenrechtspraak laat zien. [37] Daarmee is intussen nog niet alles gezegd. Zo acht ik het niet uitgesloten dat art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW zich gezien het voorgaande ook laat toepassen in een geval waarin een persoon buiten de formele bestuurder(s) om opereert. Of in een geval waarin meerdere personen (gezamenlijk handelend) beleidsbepalend optreden als waren zij formeel bestuurder. Ik kan dat laten rusten.
Met dit een en ander ligt in lijn dat, naar de wetgever heeft onderkend, (mede)beleidsbepalerschap in de zin van art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW “een begrip [betreft] dat door toepassing van de wetsbepaling aan de hand van concrete gevallen in de praktijk inhoud moet krijgen.” [38] Het gaat immers om een voorschrift dat toepasbaar is op een geschakeerd complex van feiten en omstandigheden. [39] Niet alle situaties die zich kunnen voordoen, laten zich voorzien. [40] Kortom, aan deze bepaling is een zekere mate van flexibiliteit eigen.
Voorts ligt het in lijn met hetgeen ik uiteenzette vanaf 3.8 hiervoor om aan te nemen dat, waar de parlementaire geschiedenis van art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW rept van situaties waarin zulk ‘wil opleggen’ een rol speelt, [44] dit beter verstaan wordt als sprekende voorbeelden van gevallen waarin deze bepaling toepassing kan vinden zonder dat daarmee op voorhand het hele bereik van deze bepaling is bestreken. Waarmee intussen wel zij onderstreept dat de onder 3.8.3 hiervoor bedoelde grens tussen categorie (i) en categorie (ii) betekenisvol is, oftewel dat een persoon niet op lichte gronden aan te merken valt als (mede)beleidsbepaler in de zin van deze bepaling. In de daar genoemde drie gevalstypen (voorbeelden) is van zulke gronden m.i. geen sprake: die voorbeelden raken juist aan het hart van de in art. 2:248 lid Pro 7, eerste zin BW vervatte gelijkstelling van een (mede)beleidsbepaler met een formele bestuurder van de vennootschap.
d. dat de gedeponeerde jaarstukken over 1993 door [eiser] zijn ondertekend;
e. dat [eiser] leningen ten name van Bonbosch BV heeft aangegaan;
f. dat hij ten name van Bonbosch BV een leasecontract heeft afgesloten voor een door hemzelf te gebruiken auto; en
g. dat hij heeft beslist dat een op de dag van het faillissement van Lagro BV door Bonbosch BV ontvangen bedrag niet aan de curator werd terugbetaald en dat ter zake een kansloos verweer werd gevoerd,
tezamen genomen geen ander oordeel toelaten dan dat waartoe het hof gekomen is.”
(…)
Veelal wordt het vereiste [van feitelijke terzijdestelling van het formele bestuur, A-G] echter gerelativeerd. (…) Anders gezegd: het is voldoende dat de formele bestuurder gedoogt dat de feitelijke bestuurder het beleid (mede) bepaalt waarmee beiden naast elkaar fungeren. Deze benadering vindt veelvuldig navolging in zowel literatuur als rechtspraak.”
[zonder verwijzingen in origineel, A-G]
Voor een gelijkstelling is dus noodzakelijk dat iemand die niet formeel tot bestuurder is benoemd, het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, terwijl diegene daarbij heeft gehandeld als ware hij bestuurder. Beide vereisten worden ingevuld door de concrete omstandigheden van het geval. Er zijn dan ook verschillende varianten van (mede)beleidsbepaling denkbaar. In de literatuur onderscheidt men wel (a) de beleidsbepaler die op de stoel van het bestuur gaat zitten en deze feitelijk terzijde stelt, (b) de beleidsbepaler die opdrachten geeft en wiens opdrachten door het bestuur worden gevolgd en (c) de beleidsbepaler die samen met het formele bestuur de bestuurstaak uitoefent. Hieruit volgt, zoals ik hiervoor al aanhaalde, dat de zogenaamde enge opvatting in de literatuur en rechtspraak, waarin men voor (mede)beleidsbepaling een
feitelijke terzijdestellingvan het bestuur vereist, niet als juist kan worden aanvaard. Een gedogen door het bestuur of het medebesturen - zoals medebeleidsbepaling veronderstelt - volstaat. Bij beleidsbepaling dient men vooral te denken aan typische bestuurshandelingen en meer in het bijzonder het uitoefenen van de bestuurstaak als bedoeld in artikel 2:239 (129) BW. (…)
Het eerste vereiste heeft mijns inziens weinig zelfstandige betekenis. Het kenmerkende element van deze figuur is juist het handelen als ware hij bestuurder, dat het tweede vereiste vormt. Dit tweede vereiste verlangt met name dat de beleidsbepaler daadwerkelijk de bestuurstaak moet hebben uitgeoefend. Zoals gezegd heeft de wetgever met dit vereiste ook een zekere grens willen trekken tussen personen binnen de (sfeer van de) vennootschap en anderen, die weliswaar buiten de vennootschap staan maar toch een sterke of beslissende invloed hebben op het te voeren beleid. Deze grens brengt niet met zich dat ‘binnenstaanders’ eerder als beleidsbepalers kwalificeren dan ‘buitenstaanders’ of vice versa; het gaat hier juist om de vraag of de betrokkene buiten zijn wettelijke/statutaire of contractuele bevoegdheid is getreden en de bestuurstaak - al dan niet samen met het bestuur - op zich heeft genomen. Niet de functie of hoedanigheid van een betrokkene is dus relevant, maar de mate waarin en de wijze waarop deze zijn (feitelijke) bevoegdheden aanwendt. Met name aan vorenbedoelde binnenstaanders - organen van de vennootschap of personen die daarin zitting hebben - zijn in de regel verschillende wettelijke en statutaire bevoegdheden toegekend om een vergaande invloed op het bestuursbeleid uit te oefenen. Het manoeuvreren binnen deze bevoegdheden kan niet leiden tot een kwalificatie als beleidsbepaler.” [57] [zonder verwijzingen in origineel, A-G]
als ware hij bestuurder.De bedoeling van deze bepaling is om ook de ‘feitelijke bestuurder’ onder de regeling te doen vallen. Zij is in de eerste plaats gericht tegen degene die van achter de schermen een stroman als juridische bestuurder laat optreden. Zij is echter niet tot dit soort gevallen beperkt. Ook een persoon die zich als aandeelhouder, commissaris, titulair directeur of anderszins intensief met het beleid bemoeit en daarbij initiatieven neemt ‘als ware hij bestuurder’ loopt een risico. (…) Als beleidsbepaler in de zin van lid 7 zal onder deze omstandigheden ook kunnen gelden de moedermaatschappij van een gefailleerde dochter (…).”
Voor wat betreft de collectieve matiging verkeert de beleidsbepaler in dezelfde positie als de bestuurder. Voor wat betreft de individuele matiging zal men de woorden 'in functie is geweest' moeten lezen als 'is opgetreden'.” [68] [zonder verwijzing in origineel, A-G]