Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
als woningniet als bestaand gebruik onder het overgangsrecht valt. Het overgangsrecht beschermt wel het recht om ter plaatse een ligplaats te hebben. Het publiekrecht geeft de Gemeente, met andere woorden, niet de bevoegdheid om de verwijdering van de woonark die zij jarenlang heeft toegestaan, te bewerkstelligen. De inzet van haar privaatrechtelijke bevoegdheid als eigenaar is volgens de eigen stellingen van de Gemeente juist noodzakelijk omdat zij met het publiekrecht niet de door haar gewenste verwijdering van de woonark kan bewerkstelligen. De Gemeente zet, met andere woorden, haar bevoegdheid als eigenaar in dit geval in om de werking van het publiekrechtelijke overgangsrecht illusoir te maken. Daarmee dreigen door de inzet van het privaatrecht de rechten van [verweerder] op grond van het overgangsrecht teniet te worden gedaan.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
sturingsfunctiein die zin dat het plan gewenst gebruik van de grond bevordert en ongewenst gebruik tegengaat en de
waarborgfunctiein die zin dat het de juridische basis verschaft voor de overheid, de burgers en het bedrijfsleven ten aanzien van wat wel of niet is toegestaan in een bepaald gebied.” [21]
alleentot doel heeft het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, zoals in de tekst van art. 3.1 lid 1 Wro ook tot uitdrukking komt:
steedszo is en niet slechts in de gevallen waarin dat volgt uit hetgeen in het arrest Hoogheemraadschap Rijnland/ […] is overwogen, wat ook hetgeen is dat volgt uit de arresten Staat/Windmill en Den Haag/Staat en dat hiervoor in 3.19 en 3.20 is vermeld. Mij lijkt dat bij het neerschrijven van deze overweging niet is onderkend hoe algemeen deze luidt. Het lijkt me aannemelijk dat slechts is gedacht aan laatstgenoemde gevallen, waarin de publiekrechtelijke toestemming in beginsel ook de privaatrechtelijke toestemming impliceert, zoals in het arrest speelde.