Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CONCLUSIE
middelbevat de klacht dat uit het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep niet blijkt dat de dagvaarding in hoger beroep is betekend op het door de verdachte bij haar verhoor bij de politie op 26 en 28 augustus 2016 genoemde asielzoekerscentrum te Rennes in Frankrijk alwaar zij heeft verklaard met haar kinderen te wonen. Hoewel in het proces-verbaal van de politie geen adres van het asielzoekerscentrum in Rennes is vermeld had daarnaar volgens de steller van het middel een onderzoek moeten worden ingesteld en had de dagvaarding in hoger beroep aan dat adres moeten worden betekend. Nu een en ander achterwege is gebleven had het hof de dagvaarding in hoger beroep nietig moeten verklaren. Voorts zou uit het dossier niet blijken dat de verdachte het adres Schiedamseweg 400, 3025AT Rotterdam heeft opgegeven als haar woon- of verblijfplaats. Het is, aldus de steller van het middel, het adres van het politiebureau West te Rotterdam.
NJ2017/44 heeft Uw Raad aan A-G Aben verzocht aanvullend te concluderen over de vraag of het hof - oordelend over de geldigheid van de betekening van de appeldagvaarding – had moeten onderzoeken of de verdachte bij de gemeente een adres in het buitenland heeft opgegeven ingeval de gemeentelijke basisadministratie vermeldt dat de betrokkene is vertrokken naar een met name genoemd land zonder dat daarbij in die basisadministratie buitenlandse adresgegevens zijn geregistreerd. Aben beantwoordde deze vraag bevestigend. Nu in de betreffende zaak ID-staten SKDB bij het kopje ‘Laatst opgegeven woon- of verblijfplaats’ vermeldden ‘Datum registratie 05-05-2013, Land Groot-Brittannië’, maar de registratie ‘Land Groot-Brittannië’ niet was opgenomen in GBA of BRP had het hof naar zijn oordeel evenwel van nader onderzoek kunnen afzien. Uw Raad overwoog als volgt: