Conclusie
Nummer21/02241
eerstemiddel bevat de klacht dat art. 425 Sv Pro is geschonden doordat in het bestreden arrest het (vernietigde) vonnis waarvan beroep niet is aangeduid. In het mondelinge arrest wordt, aldus de steller van het middel, diverse malen gesproken over het ‘vonnis waarvan beroep’ en het ‘beroepen vonnis’, maar nergens wordt ‘geconcretiseerd welk vonnis dit betreft.’ De afzonderlijke ‘aantekening mondeling arrest’ die zich bij de stukken bevindt, zou wel zodanige gegevens bevatten, maar die aantekening is door de aantekening van het mondelinge arrest in het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op grond van art. 426, vierde lid, Sv komen te vervallen. Derhalve zou aan deze aantekening geen rechtskracht meer toekomen.
BESLISSING
tweedemiddel bevat de klacht dat het hof niet heeft gerespondeerd op het namens de verdachte gevoerde verweer betreffende de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
derdemiddel voorgesteld. Dat bevat de klacht dat het bestreden arrest is gewezen door een raadsheer die niet op de bij de wet voorziene wijze als zodanig is beëdigd.