Conclusie
Een probleem met grote financiële consequenties kan zich voordoen als een zelfstandige woonruimte een hogere marktwaarde heeft dan het uitgangspunt van de minimumwaarde uit het WWS (in 2015 begonnen met € 40.000,-, hetgeen jaarlijks geïndexeerd wordt en per 1 juli 2021 € 55.888,- bedraagt) en er geen relevante WOZ-waarde voor het gehuurde voorhanden is, zodat deze minimumwaarde volgens het WWS in beginsel moet worden toegepast. Vrijwel alle zelfstandige woonruimte heeft een hogere marktwaarde dan die minimumwaarde. De praktijk worstelt ermee of en wanneer de systematiek van dit stelsel ruimte biedt om meer punten toe te kennen dan gebaseerd op deze minimumwaarde wanneer de WOZ-waarde op de ingangsdatum van de huurovereenkomst niet bekend is of geen goed beeld geeft van de waarde volgens art. 17 en Pro 18 WOZ. Daarover wordt door kantonrechters in Nederland verschillend geoordeeld en de praktijk zoekt hierin meer houvast.
Mij lijkt dat alleen in uitzonderlijke situaties waarin het puntenstelsel vanwege de aard van de woonruimte onvoldoende recht doet aan de kwaliteit van de woning er ruimte is voor afwijking van het WWS op grond van art. 5 lid 2 Besluit Pro huurprijzen woonruimte (BHW). Dat is bijvoorbeeld zo wanneer het door de systematiek van de Wet waardering onroerende zaken (WOZ) onmogelijk is om een representatieve WOZ-waarde voor te hebben liggen (bij nieuwbouw of transformatie van kantoorruimte in woningen kan dat aan de hand zijn). Voor die afwijking is geen plaats ter reparatie van administratieve omissies van de verhuurder, nu bewust is gekozen voor een gedetailleerd en zo men wil ‘strak’ WWS. Dat ook een dergelijk stelsel bij hoge uitzondering ruimte zal laten voor de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid moge zo zijn, maar die zeer beperkte ruimte lijkt praktisch niet van groot belang. De ruimte voor een grotere mate van afwijking (maatwerk) van het in beginsel strakke stelsel is volgens mij onwenselijk en juist nu ook beperkt, omdat de politiek voornemens is om het WWS stelsel te gaan herzien, maar niet valt te voorspellen hoe. In het Regeerakkoord van het in januari 2022 aangetreden kabinet Rutte IV wordt dit met één zin als volgt aangekondigd: “We vereenvoudigen het WWS en de gang naar de Huurcommissie.” Over hoe dat (mogelijk) zal worden vormgegeven, heb ik in openbare bronnen (nog) niets kunnen vinden. Het ligt met deze voorgenomen wijziging in het verschiet niet voor de hand om het blijkens de bedoeling van de wet- en besluitgever in beginsel strakke WWS nu rechterlijk in een zekere richting nader te laten uitwerken of invullen, als de politiek aankondigt dat zij hier mee aan de gang gaat en er (opnieuw) vereenvoudiging wordt beoogd – wat dat dan ook moge behelzen. Dan ligt niet erg voor de hand om het rechterlijk juist ingewikkelder te gaan maken. Ruimere aanpassingsmodaliteiten komt bovendien de rechtszekerheid niet ten goede.
Daar kan evenwel geredelijk anders over worden gedacht, wanneer men de ratio achter de (gedeeltelijke) koppeling aan de WOZ-waarde zo goed mogelijk gestand wil doen.
Het zijn precies deze twee stromingen die in de lagere rechtspraak doorklinken en het ligt met het oog op de rechtszekerheid voor de hand om daar een keuze tussen te maken in afwachting van wat de politiek aangekondigde vereenvoudiging zal gaan behelzen. Daartoe wordt in deze conclusie in de gesuggereerde beantwoording van de prejudiciële vragen een poging gedaan langs de hiervoor geschetste lijnen.
Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad? Ja
2.Beantwoording prejudiciële vragen
Inleiding
gebouwd eigendom in aanbouwwordt bepaald op de vervangingswaarde bedoeld in art. 17 lid 3 WOZ Pro, gedefinieerd als: de grondwaarde plus de stichtingskosten van de opstal naar de toestand op 1 januari van het betreffende jaar. Dit geldt zowel voor woningen als voor andere gebouwen. Uitgangspunt is dat binnen acht weken na 1 januari van het betreffende jaar de objecten in aanbouw getaxeerd zijn en de betreffende WOZ-beschikking tegelijk met de aanslag gemeentelijke belastingen wordt verstuurd [7] . Onder een gebouwd eigendom in aanbouw wordt verstaan een onroerende zaak of gedeelte daarvan waarvoor een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit volgens art. 2.1 lid 1 onder a Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is verleend, maar door de bouw nog niet geschikt is voor gebruik volgens de beoogde bestemming, zo volgt uit art. 17 lid Pro 4, slot WOZ.
Art. 18 lid 3 WOZ Pro bepaalt dat wanneer een onroerende zaak in het voorafgaande kalenderjaar:
gereguleerde huurovereenkomstenen
geliberaliseerde huurovereenkomsten(‘vrije sector’). Voor gereguleerde huurovereenkomsten geldt een uitgebreid stelsel van huurprijsbescherming. Het leidende principe daarbij is dat de hoogte van de huurprijs in verhouding moet staan tot de kwaliteit van de woonruimte. Door middel van het WWS wordt de kwaliteit van een woning, gebaseerd op onder meer de oppervlakte, voorzieningen en WOZ-waarde, uitgedrukt in een aantal punten, dat correspondeert met een maximale huurprijs. Daarbij stelt te overheid regels ten aanzien van de maximaal toegestane huurverhoging. De aanvangshuurprijs, vastgelegd bij sluiting van het huurcontract, bepaalt tot welk segment een huurwoning hoort (geliberaliseerd of niet). Bij een aanvangshuurprijs onder de liberalisatiegrens valt een woning in het gereguleerde segment. Was de aanvangshuurprijs hoger, dan is sprake van een geliberaliseerde huurovereenkomst [10] . De liberalisatiegrens bedraagt per 1 januari 2022: € 763,47 (per maand).
Punten voor de WOZ-waarde:
9. Punten voor de WOZ-waarde
een beperkt aantal woningen, zoals containerwoningen bestemd voor studentenhuisvesting. De WOZ-waarde van deze woningen zou leiden tot een aanmerkelijk lagere maximale huurprijs dan de huidige. Om die reden hanteert het WWS bij de puntentoekenning een minimum WOZ-waarde van € 40.000.” (Onderstreping A-G)
Hoofdlijn wijziging per 1 oktober 2015
punten voor de onderdelen schaarste, woonomgeving en woonvorm zijn komen te vervallen en dat in plaats daarvan punten voor de WOZ-waarde worden toegekend. Daarnaast is in de aanpassing een huurprijscorrectie verwerkt gericht op een versleuteling van de WOZ-waarde in het huurpuntentotaal met een gemiddeld gewicht van 25%. De aanpassing werd daarbij zo vormgegeven, dat de WOZ-punten voor 50% werden berekend met de absolute WOZ-waarde en voor 50% met de WOZ-waarde per vierkante meter.
ook regelingen opgenomen om schokeffecten te voorkomen bij specifieke woningen van specifieke verhuurders. Het ging hierbij om een beperkt aantal woningen zoals containerwoningen bestemd voor studentenhuisvesting. De WOZ-waarde van deze woningen zou leiden tot een aanmerkelijk lagere maximale huurprijs dan de huidige. Om die reden hanteert het WWS in deze gevallen niet de reële WOZ-waarde maar een minimale waarde. Per 1 oktober 2015 werd deze waarde vastgesteld op € 40.000.
ook een specifieke regeling in werking getreden voor nieuw gebouwde woningen bedoeld voor het geliberaliseerde segment. Deze regeling bepaalt voor deze woningen een minimum aantal punten voor de WOZ-waarde, waarmee wordt gegarandeerd dat een dalende WOZ-waarde altijd leidt tot een maximale huurprijs boven de liberalisatiegrens. Deze regeling geldt voor woningen gebouwd in het kalenderjaren 2015-2019 met een puntenaantal zonder WOZ-waarde van 110 punten of meer. In dat geval worden er voor de WOZ-waarde in elk geval minimaal 40 punten toegekend.
ook een specifieke regeling voor nieuwe woningen waarbij de WOZ-beschikking slechts de waarde weergeeft van de woning in aanbouw.
specifieke woningenvan specifieke verhuurders, zoals ‘containerwoningen’ bestemd voor studentenhuisvesting.
De WOZ-waarde vandeze woningen zou leiden tot een aanmerkelijk lagere maximale huurprijs dande huidige. Om die reden hanteert het WWS bij de puntentoekenning eenminimum WOZ-waarde. Deze waarde bedroeg per 1 oktober 2015 € 40.000.
Vraag 17
Vraag 51
door een zeer geringe oppervlakte geen 140 punten halen, doch wel van uitstekende kwaliteit zijn; bij voorbeeld zeer kleine, doch luxueuse appartementen.
dergelijke uitzonderlijke gevallende kwaliteit van de woning, en dus de redelijke huurprijs of huurprijswijziging, in afwijking van het schema vast te stellen.” [35]
Tekst en Commentaarhet volgende op over deze afwijkingsbevoegdheid (onderstrepingen A-G):
de Groene Serie Huurrecht(bijgewerkt tot 19 januari 2011) schrijft Hielkema het volgende over art. 5 lid 2 BHW Pro (onderstrepingen A-G):
Als het woningwaarderingsstelsel onvoldoende recht doet aan de kwaliteit van een woning, kan de huurcommissie in uitzonderlijke gevallen de puntenwaarde van de woning in afwijking hiervan vaststellen.
Het woningwaarderingsstelsel biedt de mogelijkheid de woningkwaliteit op een eenvoudige en objectieve wijze te meten. Nu de factoren die bepalend zijn voor het aantal waarderingspunten beperkt zijn, is het onvermijdelijk dat de uitkomst een globaal karakter heeft, waarbij geen, of maar zeer ten dele rekening wordt gehouden met specifieke elementen aan of in de woning die ook de kwaliteit beïnvloeden.
De huurcommissie kan in dit geval weliswaar extra punten toekennen op grond van artikel 5, tweede lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte, maar dit leidt niet tot voldoende duidelijkheid.” [41] (Onderstreping A-G)
dat de huurcommissie in het geval van renovatie geen grond meer zal hebben om hiervoor punten toe te kennen op grond van artikel 5, tweede lid, van het Besluit huurprijzen woonruimte. Dit vereenvoudigt de beoordeling door de huurcommissie.” [42] (Onderstreping A-G)
indien de aard van de woonruimtedaartoe aanleiding geeft. Deze afwijkingsbevoegdheid moet terughoudend worden gehanteerd. De wetgever heeft immers bewust een gedetailleerd systeem van woningwaardering ontworpen, waarvan de WOZ-waarde onderdeel uitmaakt. De toepassing van dat systeem leidt soms tot resultaten die door een verhuurder onredelijk worden gezien omdat de resultaten onvoldoende recht doen aan de werkelijke marktwaarde van de woning. Dat enkele gegeven is echter in beginsel onvoldoende om af te wijken van het WWS. De afwijkingsbevoegdheid ziet op woonruimte van bijzondere aard waaraan de wettelijke systematiek geen recht doet, maar kan niet worden toegepast in gevallen waarin het ontbreken van een (juiste) WOZ-beschikking is te wijten aan de verhuurder, althans voor diens risico komt. Dat is bijvoorbeeld zo wanneer de verhuurder wel een WOZ-beschikking had kunnen verkrijgen die rekening hield met de werkelijke situatie van het gehuurde ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, maar heeft nagelaten deze aan te vragen. Dit neemt echter niet weg dat indien de strikte toepassing van het wettelijk systeem leidt tot een uitkomst die in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, de kantonrechter tot een andere uitkomst zou kunnen komen. De rechter dient dan wel te beschikken over voldoende objectieve gegevens waaruit kan worden afgeleid welke WOZ-waarde minimaal zou zijn bepaald indien wel een op de woning betrekking hebbende WOZ-beschikking was afgegeven, zoals een WOZ-taxatierapport [47] .
eerste prejudiciële vraagluidt als volgt:
nietexpliciet dat ook van deze minimumwaarde moet worden uitgegaan als er voor de woning
geenvastgestelde waarde op de voet van hoofdstuk IV van de WOZ voorhanden is [49] . Dit volgt ook
nietuit de ‘Toelichting behorende bij bijlage I, onder A, het waarderingsstelsel voor woonruimte welke een zelfstandige woning vormt’ die, zoals hiervoor besproken, een integraal onderdeel van het WWS vormt (zie hiervoor in 2.16) [50] . En dit volgt ook
nietuit de Nota van toelichting behorende bij het Besluit van 8 juli 2015 tot wijziging van het Besluit huurprijzen woonruimte (aanpassing woningwaarderingsstelsel in verband met de introductie van de waarde op grond van de Wet waardering onroerende zaken) (zie hiervoor in 2.17) [51] .
wel de bedoeling van de wetgeveris om – in die gevallen waarin woonruimte door bijvoorbeeld nieuwbouw, transformatie of (illegale) splitsing geen of een hele lage WOZ-waarde heeft – uit te gaan van de minimum WOZ-waarde. Dit is ook conform het beleid van de huurcommissie [52] .
art. 5 lid 1 BHW Prozo moet worden uitgelegd dat een redelijke en billijke toepassing van doel en strekking van de bepalingen van de UHW/BHW wordt bereikt, en daarom aansluiting moet worden gezocht bij
de reële WOZ-waarde, lijkt bij eerste beschouwing door een gewone civielrechtelijke bril wel aantrekkelijk, maar acht ik hier problematisch. Miskend wordt dan dat het de uitdrukkelijke bedoeling is geweest van de wet- en besluitgever om in die gevallen waarin woonruimte door bijvoorbeeld nieuwbouw, transformatie of (illegale) splitsing geen of een hele lage WOZ-waarde heeft, uit te gaan van
de minimum WOZ-waarde, zoals we hebben gezien in 2.20. Ik zie niet goed hoe dat door uitleg van lid 1 van art. 5 BHW Pro desniettegenstaande zou kunnen worden ‘weg-geïnterpreteerd’, even de ‘normale’ ook hier geldende ‘escape’ van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid buiten beschouwing gelaten. Het zou ook weinig houvast bieden en leiden tot casuïstische rechtspraak en komt zodoende op gespannen voet te staan met de rechtszekerheid en kan rechtsongelijkheid in de hand werken en dat is op dit terrein van het huurrecht voor woonruimte niet wenselijk. Daarbij speelt ook een rol dat het kabinet Rutte IV het WWS wil ‘vereenvoudigen’ volgens het regeerakkoord [53] (en nog niet is aangegeven hoe), zodat de rechter ook vanuit dit perspectief hier mogelijk terughoudendheid past [54] . Ten slotte is de hele gedachte achter het puntensysteem uiteindelijk bescherming van de huurder en die lijkt niet gediend met een mogelijk ruimere bevoegdheid tot afwijking van de minimum WOZ-waarde die immers tot hogere toegestane huren leidt. Of dit laatste altijd een doorslaggevend gezichtspunt moet zijn, valt te betwijfelen, maar het is naar mij voorkomt wel een factor die op de achtergrond doorklinkt. Als afgeleide daarvan: het ligt mogelijk meer in de risicosfeer van de verhuurder en de ruimte voor afwijking lijkt qua bedoeling van de wet- en besluitgever hier niet ruim te moeten zijn.
art. 5 lid 2 BHW Proalleen bedoeld is voor de uitzonderlijke gevallen waarin het puntenstelsel - vanwege
de aard van de woonruimte- onvoldoende recht doet aan de kwaliteit van een woning, zoals we hebben gezien in 2.22. De lijn van de lagere rechtspraak volgens hoofdstroming 1 (vgl. hiervoor in 2.28) is dat mede gelet op het dwingendrechtelijke en gedetailleerde systeem van de huurprijswetgeving de afwijkingsbevoegdheid terughoudend moet worden toegepast en het
nietde bedoeling is om daarmee omissies te herstellen. Daar sluit ik mij (met enige aarzeling) bij aan.
de aard van de woonruimte– onvoldoende recht doet aan de kwaliteit van een woning. In andere gevallen dat een representatieve WOZ-waarde voor de woonruimte ontbreekt, bijvoorbeeld als gevolg van administratieve omissies of een ander handelen of nalaten dat voor risico van de verhuurder komt, is die ruimte er volgens mij niet. Overigens is dit stelsel ook weer niet zo beperkt, als dat op het eerste gezicht kan lijken, zoals we nu gaan zien bij de bespreking van de door Xior genoemde situaties in haar vraag C.
tweede prejudiciële vraagluidt:
C. Indien de rechter of Huurcommissie alleen in bijzondere situaties bevoegd is via de onder A genoemde bepalingen een andere waarde dan de minimumwaarde toe te passen,vallen een of meer van de volgende situaties dan onder die bijzondere situaties?
de aard van de woonruimte– onvoldoende recht doet aan de kwaliteit van een woning. In andere gevallen dat een (representatieve) WOZ-waarde voor de woonruimte ontbreekt, bijvoorbeeld als gevolg van administratieve omissies of een ander handelen of nalaten door of voor risico van de verhuurder, biedt art. 5 lid 1 en Pro/of lid 2 BHW die ruimte volgens mij niet.
niet mogelijkis om een voor de woning vastgestelde waarde op voet van hoofdstuk IV van de WOZ te verkrijgen, biedt art. 5 lid 2 BHW Pro inderdaad ruimte om meer punten toe te kennen dan gebaseerd op de minimum WOZ-waarde. Dat is ook waar de auteurs van het Woonrechtartikel uit 2018 op uitkomen.
onder 2: ook in het geval dat het
niet mogelijkis om aparte voor de woningen vastgestelde waarden volgens de systematiek van hoofdstuk IV van de WOZ te verkrijgen, biedt art. 5 lid 2 BHW Pro volgens mij ruimte om meer toe te kennen dan de minimum WOZ-waarde. Dat is evenwel niet zo wanneer separate vastgestelde waarden voor de woningen ontbreken als gevolg van administratieve omissies of ander handelen of nalaten dat voor risico komt van de verhuurder, want daar is art. 5 lid 2 BHW Pro niet voor bedoeld. Hiervan kan sprake zijn als de verhuurder wel separate WOZ-beschikkingen zou hebben kunnen verkrijgen die rekening hielden met de werkelijke (markt)situatie van de verhuurde woningen ten tijde van het aangaan van de huurovereenkomst, maar heeft nagelaten deze aan te vragen of ervoor te zorgen dat een en ander tijdig in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen is verwerkt. Dan geldt gewoon de minimumwaarde met alle gevolgen van dien voor de verhuurder.
onder 3: de afwijkingsbevoegdheid van art. 5 lid 2 BHW Pro is
niet bedoeldom de WOZ-waarde te herwaarderen, wanneer met dat aspect al rekening is gehouden in het WWS, zoals besproken in 2.25. Ik teken daar bij aan dat hier ook anders over gedacht kan worden, maar dat lijkt mij dan wel in strijd komen met de klaarblijkelijke bedoeling van de wet- en besluitgever, zodat dat niet zo voor de hand ligt in mijn ogen. In gevallen van aperte onbillijkheid, zou hier mogelijk ruimte zijn voor de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid.
derde prejudiciële vraagluidt:
onder 3 en 4uit vraag C van Xior, mede gelet op het dwingendrechtelijke en gedetailleerde systeem van de huurprijswetgeving, slechts in zeer uitzonderlijke gevallen sprake zal zijn van een
onaanvaardbaresituatie.
vierde prejudiciële vraagluidt:
onder d: indien de kantonrechter gebruik maakt van de afwijkingsbevoegdheid van art. 5 lid 2 BHW Pro of op grond van de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid meer punten toekent dan gebaseerd op de minimum WOZ-waarde, dient de kantonrechter inderdaad in mijn optiek te beschikken over voldoende objectieve gegevens. In zoverre kan dit gegeven relevant zijn. Te denken valt naast hetgeen genoemd wordt ook aan een taxatierapport voor een reële WOZ-waarde door een plaatselijk bekende makelaar. Ook hetgeen
onder ewordt opgemerkt kan van betekenis zijn, zoals uit de beantwoording van de eerdere vragen volgt. Handelen dat voor rekening van verhuurder behoort te blijven, kan niet gerepareerd worden met art. 5 lid 2 BHW Pro en zal vrijwel nooit leiden tot het oordeel dat sprake is van een situatie die naar redelijkheid en billijkheid
onaanvaardbaarmoet worden geoordeeld.
vijfde prejudiciële vraagluidt: