ECLI:NL:PHR:2022:375

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
19 april 2022
Publicatiedatum
14 april 2022
Zaaknummer
21/01305
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 140 SrArt. 26 WWMArt. 141 SrArt. 157 SrArt. 284 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak deelname criminele organisatie Hells Angels Haarlem wegens gebrek aan bewijs crimineel oogmerk

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een veroordeling van de verdachte voor deelname aan een criminele organisatie, namelijk de Hells Angels Haarlem, en het bezit van vuurwapens en munitie. De verdediging betwist dat de gehele organisatie het oogmerk had strafbare feiten te plegen en stelt dat er sprake was van twee aparte organisaties binnen de club: een kleinere groep van vier hoofdverdachten met een crimineel oogmerk en de grotere club zonder dat oogmerk.

De verdediging voert aan dat de verdachte en andere leden van de grotere organisatie geen wetenschap hadden van de strafbare feiten gepleegd door de kleinere groep en dat zij ook geen aandeel hadden in het criminele oogmerk. Er wordt gewezen op het ontbreken van bewijs dat de gehele club een beloningssysteem voor geweld kende en dat de zogenaamde patches en termen zoals 'dequiallo' en 'omerta' niet objectief kunnen worden toegeschreven aan het belonen van geweld.

Getuigenverklaringen en bewijsmiddelen tonen aan dat slachtoffers vaak buiten medeweten van de grotere club werden benaderd en mishandeld door leden van de kleinere groep. De verdediging benadrukt dat de verdachte en de overige leden van de grotere groep direct hebben opgetreden tegen de kleinere groep toen zij wetenschap kregen van hun strafbare gedragingen.

Het hof heeft vastgesteld dat de Hells Angels Haarlem als organisatie een bepaalde structuur en duurzaamheid kent, maar het criminele oogmerk alleen kan worden toegeschreven aan de kleinere groep binnen de club. De verdediging concludeert dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bestaat voor deelname van de verdachte aan een criminele organisatie met dat oogmerk en verzoekt tot vrijspraak.

Uitkomst: De Hoge Raad behandelt cassatie tegen veroordeling deelname criminele organisatie; verdediging voert gebrek aan bewijs crimineel oogmerk aan.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/01305
Zitting19 april 2022
CONCLUSIE
B.F. Keulen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 10 maart 2021 door het Gerechtshof Amsterdam wegens 1. ‘deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ en 2. ‘handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie’ veroordeeld tot 25 maanden gevangenisstraf, waarvan 5 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27, eerste lid, Sr. Het hof heeft voorts een aantal inbeslaggenomen voorwerpen verbeurd verklaard en van een aantal voorwerpen de onttrekking aan het verkeer bevolen.
Er bestaat samenhang met de zaken 21/01219, 21/01206, 21/01309, 21/01312, 21/01271 en 21/01272. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. Mr. W.H. Jebbink, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld.
De eerste beide middelen hebben betrekking op feit 1. Het eerste middel klaagt over de verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt en het tweede middel bevat bewijsklachten. Het derde middel bevat een bewijsklacht over feit 2. Het vierde middel betreft de strafmotivering. Voordat ik de eerste twee middelen bespreek, geef ik de bewezenverklaring, een deel van de pleitnota, de bewijsoverwegingen en een deel van de in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen die op feit 1 zien weer, en maak ik nog een aanvullende opmerking.
Bewezenverklaring, pleitnota, bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen
5. Ten laste van de verdachte is onder 1 bewezenverklaard dat:
‘hij in de periode van 01 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 te Haarlem en elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie bestond uit:
- Hells Angels, charter Haarlem (gevormd door: verdachte en [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] ) en
- Stichting Hells Angels Haarlem en
- [betrokkene 4] ,
welke organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, te weten één of meer misdrijven
omschreven in:
- artikel 141 van Pro het Wetboek van Strafrecht (het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen) en
- artikel 157 van Pro het Wetboek van Strafrecht (het opzettelijk brand stichten of een ontploffing te weeg brengen) en
- artikel 284 van Pro het Wetboek van Strafrecht (een ander door geweld of enige andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of bedreiging met enige andere feitelijkheid, gericht tegen die ander of tegen een derde wederrechtelijk dwingen iets te doen of niet te doen of te dulden) en
- artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen en/of bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, zware mishandeling of brandstichting) en
- artikel 300 van Pro het Wetboek van Strafrecht (mishandeling) en
- artikel 301 van Pro het Wetboek van Strafrecht (mishandeling gepleegd met voorbedachte raad) en
- artikel 302 van Pro het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling) en
- artikel 303 van Pro het Wetboek van Strafrecht (zware mishandeling gepleegd met voorbedachte raad) en
- artikel 304 aanhef Pro en onder sub 2 van het wetboek van strafrecht (mishandeling, mishandeling met voorbedachte raad en/of zware mishandeling van een of meer ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn / hun bediening) en
- artikel 317 van Pro het Wetboek van Strafrecht (afpersing) en
- artikel 26 van Pro de Wet Wapens en Munitie (voorhanden hebben van (een) wapen(s) en munitie van de categorie(ën) II en III van de Wet wapens en munitie).’
6. Uit het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gehouden op 26 januari 2021 blijkt dat de raadsman van de verdachte en de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 4] en de Stichting Hells Angels Haarlem gezamenlijk het woord tot verdediging hebben gevoerd overeenkomstig overgelegde pleitnotities. Deze houden onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten en verwijzingen):
‘Feit 1: deelname aan een criminele organisatie met geweldsoogmerk door [verdachte] , (…)
(…)
4. In tegenstelling tot het oordeel van de rechtbank en het openbaar ministerie, handhaaft de verdediging in hoger beroep het standpunt dat cliënten dienen te worden vrijgesproken van de deelname van een criminele organisatie ex artikel 140 Sr Pro wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs.
5. De volgende omstandigheden van artikel 140 Sr Pro zal de verdediging cumulatief afzonderlijk bespreken:
a. Geen deelname criminele organisatie door cliënten wegens ontbreken van enig oogmerk
b. Geen wetenschap van strafbare feiten en dus geen deelname aan een criminele
organisatie
Primair: geen deelname aan een criminele organisatie door cliënten, geen oogmerk
6. Dat cliënten [verdachte] en [medeverdachte 4] lid zijn van het
charter Hells AngelsHaarlem en dat de stichting de beheerder is van hun clubhuis wordt niet betwist. Dat het
chartereen organisatie is met een bepaalde structuur, zal de verdediging ook niet betwisten. Wat wel wordt betwist is dat cliënten hebben deelgenomen aan een organisatie die het oogmerk heeft gehad strafbare feiten te plegen. Kortom betwist wordt dat cliënten deel hebben genomen aan een criminele organisatie. De verdediging stelt zich derhalve op het standpunt dat zij dienen te worden vrijgesproken.
7. De reden dat verdediging stelt dat geen sprake is van deelname aan een criminele organisatie is gelegen in het feit dat sprake is geweest van
twee organisatiesin het onderzoek Toren. Er kan namelijk worden gesproken over de
Hells AngelsHaarlem, een vereniging, een organisatie zonder een oogmerk tot het plegen van strafbare feiten. En een, kleinere, organisatie gevormd door drie leden van de
Hells AngelsHaarlem en een niet lid, die een dergelijk crimineel oogmerk wel hebben gehad en waartoe cliënten
niethebben behoord en waarvan zij geen lid zijn geweest.
8. Uit het onderzoek Toren volgt namelijk dat er vier hoofdverdachten zijn. [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] .
9. De eerste signalen die aanleiding gaven voor het onderzoek kwamen in 2014 binnen; waarop het onderzoek gericht op de hoofdverdachten vervolgens in maart 2015 is gestart. De reden daarvoor is bekend, deze hoofdverdachten waren betrokken bij alle incidenten. Het gehele onderzoek richtte zich bijna twee jaar lang op hen. Cliënten komen, als leden van de
Hells AngelsHaarlem, vervolgens vanzelfsprekend her en der voor in dat onderzoek. Het onderzoek richtte zich echter niet op hen. Pas aan het eind van het langdurige onderzoek worden zij daar object van.
10. Van belang daarbij is allereerst dat de groep hoofdverdachten in alle zaaksdossiers individueel of met elkaar worden verdacht van het plegen van de strafbare feiten met uitzondering van het vermeende vuurwapen bezit van cliënt [verdachte] en de vermeende deelname aan openlijk geweld door cliënt [medeverdachte 4] .
11. Daarnaast zijn de omstandigheden dat medeverdachte [betrokkene 4] geen lid was van het
charteren dat de overige medeverdachten enkel deelname aan een criminele organisatie wordt verweten. Die twee omstandigheden maken dat het
charteren ook de stichting niet automatisch de organisatie is geweest die een oogmerk tot het plegen van misdrijven heeft gehad. De enige link tussen cliënten en drie van de vier hoofdverdachten is echter dat
charter, meer niet.
12. Gelet op het voorgaande is – primair – sprake geweest van twee verschillende groepen, twee organisaties. De eerste wordt gevormd door het gehele
charter Hells AngelsHaarlem (en daar behoorde [betrokkene 4] niet toe) en de tweede bestond uit de vier hoofdverdachten (inclusief [betrokkene 4] ). Cliënten zijn alleen in verband te brengen met die eerste organisatie en bij die eerste organisatie kan de deelname aan criminele organisatie niet worden vastgesteld nu het criminele oogmerk bij een gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs daartoe niet kan worden aangenomen. Cliënten hebben slechts deelgenomen aan een organisatie, niet aan een
crimineleorganisatie.
Twee organisaties, twee verschillende oogmerken
13. De verdediging stelt zich allereerst op het standpunt dat het feit dat de vier hoofdverdachten al dan niet (gewelds)misdrijven hebben gepleegd en tegen bepaalde personen kenbaar hebben gemaakt dat zij dat uit naam van het gehele
charterc.q. de medeverdachten deden, niet maakt dat cliënten
daarmeeook onderdeel hebben uitgemaakt van diezelfde organisatie die deze misdrijven tot het oogmerk heeft gehad.
14. Simpeler gezegd: de vier hoofdverdachten kunnen met elkaar weliswaar een intensieve duurzame organisatie hebben gehad met het oogmerk tot het plegen van misdrijven en het opbouwen van een bepaalde gewelddadige reputatie van de
Hells Angelsin Haarlem et cetera, maar dat maakt niet dat dit dezelfde organisatie is geweest waartoe cliënten zouden behoren en dat cliënten derhalve ook onderdeel zijn geweest van de organisatie met zo’n oogmerk.
15. Van belang om dit te kunnen beoordelen is het feit dat de vier hoofdverdachten gedurende de ten laste gelegde periode intensief onderling met elkaar hebben overlegd en contact hebben over het eventueel plegen van misdrijven. Nergens uit blijkt dat zij daarbij hulp of ondersteuning hebben gekregen vanuit de overige leden van het
charter. Dit bevestigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ook telkens tijdens de behandelingen van hun strafzaken in eerste aanleg en tijdens hun getuigenverhoren. Daarbij sprak geen van deze drie over een bijdrage van de andere leden aan de intensieve samenwerking die zij met zijn drieën hadden. Tekenend zijn de verklaringen van [betrokkene 3] : “
Ik vergaderde in besloten kring met de twee andere verdachten. [...] Wij drieën hadden zonder overleg de vinger in de pap. Met de rest hadden we nauwelijks tot geen contact, niet over bepaalde dingen die besproken waren.” en “
Als mensen niets weten, horen of zien kunnen ze daar ook geen vragen over stellen.”
16. Nergens blijkt uit dat cliënten op de hoogte zijn geweest van het plegen van strafbare feiten en dat deze feiten
namens het charterwerden gepleegd en derhalve ook op hen sloegen als lid van het
charter. Sterker nog uit de verklaring van [betrokkene 3] blijkt juist dat het niet de bedoeling was dat andere members van de hoed en de rand wisten.
17. Dat sprake is van twee organisaties, of beter gezegd: een kleine organisatie binnen een grotere organisatie, blijkt ook uit de verklaring van ex
Hells Angelslid [getuige 1] : “
[betrokkene 1] was van de jonge lichting in de club en in 2014 was er een duidelijke splitsing ontstaan tussen de oude en de jongere lichting clubleden.” De rechtbank overweegt zelf: “
In zijn verklaringen schetst [getuige 1] een beeld van de Hells Angels Haarlem, waarbij er vanaf 2014 met de komst van [betrokkene 1] , die vervolgens president werd, een groep binnen de groep is ontstaan; de ‘oude’ en de ‘nieuwe garde’”. Dit biedt beide ondersteuning voor het standpunt van de verdediging dat sprake is geweest van twee aparte organisaties met tevens verschillende oogmerken.
18. Kortom, het enkele feit dat vier hoofdverdachten bezig zouden zijn geweest met het plegen van (gewelds)misdrijven (onderdeel A in de vonnissen) en een reputatie van de
Hells AngelsHaarlem hebben laten ontstaan ten opzichte van de (Haarlemse) maatschappij (onderdeel C in de vonnissen), maakt niet dat de overkoepelende organisatie waartoe cliënten zouden behoren hetzelfde oogmerk zouden hebben gehad. Schematisch ziet dat er als volgt uit:
(…)
19. De organisatie in de buitenste ring in het schema bestaat uit de groep personen die allemaal lid zijn van het
charter. Deze groep heeft dezelfde organisatorische kenmerken die door de rechtbank zijn genoemd in haar vonnis, namelijk dat:
a. alle personen lid zijn van de club
Hells AngelsHaarlem;
b. de contributie wordt stort op de bankrekening van de Stichting
Hells AngelsHaarlem ten behoeve van de vaste lasten van het clubhuis;
c. op donderdagavond een vergadering is van het
charter,
d. er eigen clubregels zijn
e. beslissingen op een democratische wijze worden genomen waarbij alle leden een stem hebben in te nemen beslissingen.
20. Enkel op basis van deze kenmerken blijkt die groep personen, het
charterzónder [betrokkene 4] ,
geenorganisatie te hebben gevormd met
als oogmerk het plegen van misdrijven. De voornoemde kenmerken kunnen immers kenmerken zijn van iedere voetbalclub in Amsterdam en zijn geen kenmerken van een
crimineleorganisatie.
21. Dat een deel van de leden van een club (de hooligans) zich vervolgens schuldig maken aan allerlei strafbare feiten uit naam van die club maakt immers nog niet dat alle leden van die club daarvan wetenschap hebben, laat staan daarmee instemmen.
22. In tegenstelling tot hetgeen de rechtbank heeft overwogen, stelt de verdediging zich overigens op het standpunt dat medeverdachte [betrokkene 4] geen onderdeel heeft uitgemaakt van het
charteren [betrokkene 4] derhalve ook geen deelnemer is geweest van dezelfde organisatie waartoe cliënten behoren. Daarvoor is ook geen enkel bewijs voorhanden. [betrokkene 4] had geen contact met andere leden anders dan de drie hoofdverdachten: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en was geen lid van het
charter. Dat is ook een ondersteuning voor het feit dat sprake is geweest van twee aparte organisaties, met verschillende oogmerken. [betrokkene 4] wordt niet gezien in het clubhuis, niet bij vergaderingen en heeft – anders dan aan ‘de drie’ – geen enkele boodschap aan het
charterdoorgegeven. Zij speelt derhalve ten aanzien van het
chartergeen enkele rol, hooguit een rol binnen de kleine organisatie met de drie hoofdverdachten waarvan zij wel deel leek uit te maken.
23. Al de genoemde kenmerken maken weliswaar dat een samenwerkingsverband bestaat tussen cliënten en de hoofdverdachten (behalve [betrokkene 4] ), maar niet dat
dátsamenwerkingsverband, het
charter, ook het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Het samenwerkingsverband met zo’n oogmerk zou op basis van het dossier eerder hebben bestaan bij de organisatie tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] én [betrokkene 4] , de kleinere zwarte cirkel in het schema. Cliënten behoren niet toe aan die organisatie. Dat er tussen de hoofdverdachten een intense relatie bestaat bevestigde [betrokkene 1] ook: “
Voor mij is zij een fantastische vrouw en ik neem het mijzelf kwalijk dat zij door mij op een verkeerde manier in beeld is gebracht. [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zijn onze privévrienden. Wij komen op elkaars verjaardagen. Wij zijn er voor elkaar, ook als er iets vervelends aan de hand is.”
24. En ook [betrokkene 3] wees ook op hun onderlinge verhoudingen: “
Zij zijn mijn vrienden. Ik ging buiten de club met ze om. We hadden regelmatig contact, over schrijnende dingen maar ook over leuke dingen.” En: “
Ik had alleen contact met [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . Zij zijn als familie voor mij.”
OVC-gesprek Mercedes – “één lijn”
25. Kort zal ik in dit kader nog enkele opmerkingen plaatsen bij het OVC-gesprek van [betrokkene 1] op 19 januari 2016 waarin hij ‘zijn lijn’ benoemde.
26. Dat [betrokkene 1] tegen een niet-lid van de
Hells AngelsHaarlem opschept over ‘zijn lijn’, maakt niet dat die lijn er a) daadwerkelijk is geweest b) die lijn is besproken met alle leden van de
Hells AngelsHaarlem en c) dit een lijn is die door het hele
charter, dus ook cliënten, wordt gesteund.
27. De stelling dat cliënten dit dus zouden weten, vindt geen enkele ondersteuning in het dossier. Sterker nog uit alle verhoren in hoger beroep is juist het tegendeel gebleken. [medeverdachte 1] antwoordt op de vraag of de club als ‘kei en kei hard’ bekend stond: “
In mijn beleving niet, in hun beleving misschien. Waarom moet dat, daar gaat het helemaal niet om. Ik ben voor de Oude-Jongens-Krentenbrood mentaliteit.” [medeverdachte 3] kan zich de specifieke uitspraak niet herinneren, maar noemt het eveneens ‘grote praat’.
28. Opmerkelijk in dit verband is ook dat dit niet blijkt uit enige feitelijke handeling of gesprek tussen de oudere garde binnen of buiten het clubhuis, hetgeen natuurlijk wel te verwachten zou zijn als dit clubbreed zou gelden. Kortom die lijn was er wellicht wel, maar niet binnen de
Hells AngelsHaarlem, maar slechts binnen de kleine op zichzelf staande organisatie van [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] .
29. Een dergelijke organisatie bestond hooguit enkel uit de vier hoofdverdachten en stond los van hun lidmaatschap van het
charter. Dat getuigen en anderen aannamen of is verteld dat deze vier hoofdverdachten werden gesteund in hun doen en laten door de overige leden van het
charter, maakt dit niet anders. Die personen konden immers niet van de hoed en de rand weten. Zulks is ook gebleken uit getuigenverklaringen waaruit naar voren kwam dat nimmer is gesteld dat dergelijk handelen vanuit de club werd gedaan, maar vaak ‘een persoonlijk dingetje’ was. [verdachte] heeft bijvoorbeeld verklaard dat [betrokkene 2] tegen hem heeft gezegd dat zijn aanvaring met [getuige 2] een persoonlijk ding was. En [medeverdachte 3] wees uw hof erop dat getuige [getuige 3] slechts enkele weken
hang aroundis geweest en dus geen weet kon hebben of bepaalde handelingen van de hoofdverdachten namens de club werden verricht.
30. Het
chartersteunden de vier hoofdverdachten niet in hun criminele doen en laten en steunden hun ook niet in
hunoogmerk strafbare feiten te plegen. Het verschil in strafbladen tussen de hoofdverdachten en de rest van de verdachten spreekt in dit kader voor zich. Ook is kenmerkend wat [betrokkene 1] hierover zegt: “
Ikzelf heb losse handjes en ben in het verleden gewelddadig geweest. Daar heb ik een straf voor gehad en daar heb ik van geleerd. Dat heeft niets met de club te maken. Veel leden hebbennaast de verdenking van deelname aan een criminele organisatiegeen andere feiten op hun tenlastelegging staan.”
31. Alle verdachten hebben ten overstaan van uw hof bevestigd dat zij niet hebben geweten van de vreselijke dingen waarvan de vier hoofdverdachten verantwoordelijk waren totdat zij het dossier in handen kregen.
32. Dat anderen uit naam van de club dergelijke strafbare handelingen zouden verrichten was ook alles behalve te verwachten. Immers, hebben alle verdachten ter zitting erkend dat ingrijpende beslissingen in de vergadering moesten worden besloten, of in elk geval werd gevraagd wat men er van vond. Niets in de dat verband is gebeurd. Het dossier bevat geen OVC-opnames die daar op wijzen. Daaruit blijkt ook dat zij op eigen houtje bezig waren.
33. Dat aangevers zelf menen dat dit gedragingen zijn met goedkeuring van de “oude garde”, is een veronderstelling van de aangevers. Zij hebben het gevoel, veronderstellen, dat cliënten en overige oude leden niet zouden hebben kunnen ingrijpen en niets hebben kunnen doen tegen strafbare gedragingen die door de hoofdverdachten namens het
chapterzouden zijn gepleegd. Al deze aangevers, op basis van wiens verklaringen de rechtbank tot verstrekkende conclusies komt, hebben echter geen enkele onderbouwing voor dat gevoel, die veronderstelling die zij hebben. Zij hebben geen enkele concrete aanwijzing, anders dan hun gevoel, dat de oude garde op enige wijze zou hebben kunnen én moeten ingrijpen ten aanzien van de hoofdverdachten. Zij hebben immers ook geen enkele concrete aanwijzing, anders dan hun gevoel, dat de gedragingen jegens hen namens het
chapterwerden gepleegd.
34. Het is op basis van hun gevoel, hun veronderstelling, net zo goed mogelijk, al ware het een alternatief scenario, dat de hoofdverdachten de buitenwereld hebben laten veronderstellen dat zij handelde namens het
chapter, terwijl dat eigenlijk helemaal niet het geval was, integendeel. In dit alternatief scenario, dat geenszins onaannemelijk is en niet haaks staat op bewijsmiddelen in het dossier, is het zeer wel mogelijk dat de hoofdverdachten ook tegenover cliënten slechts hebben doen blijken dat zij zelf
persoonlijkbepaalde gedragingen hebben gepleegd, zoals ze ook zelf hebben verklaard en niet dat zij deze gedragingen namens het
chapterhebben gepleegd. Uit geen enkel OVC-gesprek in het clubhuis blijkt dat er is gestemd over “boetes”, gestemd over motoren die moeten worden ingeleverd of is gestemd over bepaalde incidenten met andere motorclubs.
Conclusie
35. Kortom, de onderdelen (A, B en C) beschreven in het vonnis van de rechtbank, die kenmerkend zouden zijn voor het oogmerk van de vermeende organisatie van cliënten (grote cirkel), gaan wat de verdediging betreft niet op.
36. Allereerst heeft de organisatie waartoe cliënten zouden toebehoren, enkel het
charterzonder [betrokkene 4] , nimmer bijgedragen dan wel enige rol gehad bij een bedreigende en gewelddadige reputatie van het
chapter(onderdeel A in het vonnis) dan wel bij enige strafbare feiten, gepleegd door de vier hoofdverdachten (onderdeel C in het vonnis). Die onderdelen hebben eerder betrekking op de organisatie bestaande uit [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . Niet het
charterwaar cliënten lid van zijn. Dan blijft onderdeel B, het belonen van geweld door het
charter, over. Ook dat kan niet aan cliënten worden gelieerd. Daartoe wijs ik op het volgende.
Beloning geweld gelieerd aan organisatie cliënten, hetcharter?
37. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de overwegingen van de rechtbank omtrent een beloningssysteem voor het plegen van geweld feitelijke onderbouwing mist en derhalve niet het oogmerk van enige organisatie waartoe cliënten zouden behoren kan vaststellen.
38. De rechtbank heeft het beloningssysteem – summier – vastgesteld op basis dat:
a. bepaalde uiterlijke kenmerken van de
Hells Angels(Haarlem) zichtbaar waren en verdachten daar niets over zouden willen zeggen, dat
Dequiallo,
Deathhead Purple Heart,
Ball Peen Hammeretc. (deel B in het vonnis) hoe dan ook in direct verband zouden hebben gestaan met het belonen van geweld binnen het
charter Hells AngelsHaarlem (en derhalve bij kenmerken van de buitenste ring zouden behoren) en;
b. cliënt [verdachte] zou hebben gefluisterd dat men moet zwijgen, cliënten dit ook doen en
Omertazou staan geschreven op de muur van het clubhuis.
Uiterlijke kenmerken
39. De genoemde uiterlijke kenmerken en termen zouden een onderdeel vormen van het
charteren onderbouwing bieden voor het oogmerk. De verdediging bestrijdt die onderbouwing, nog los van het feit dat het
charterals geheel geen organisatie vormde die het oogmerk heeft gehad op het plegen van de verschillende strafbare feiten genoemd in de zaaksdossiers.
40. Allereerst hebben cliënten en de medeverdachten wel degelijk verklaard - en is dus geen sprake van
omerta- over de genoemde uiterlijke kenmerken. In eerste aanleg verklaarden zij namelijk al dat het hun niet zoveel zegt en als het ze wat zegt, het vooral kenmerken zijn die van oudsher al bij de
Hells Angelshoren.
41. Ten overstaan van uw hof verklaarde [medeverdachte 3] : “
Dequiallo betekent voor mij persoonlijk niks. Voor sommigen ziet het op een tegenslag die zij hebben overwonnen en dat zij nu weer vol in het leven staan. Daar heeft het mee te maken. Ik ken wel een paar die dat dragen [...] Ik ken niemand die geweld heeft gebruikt tegen de politie.”
42. Ter terechtzitting ten overstaan van uw hof zijn alle verdachten uitgebreider ingegaan op hetgeen dergelijke
patchesen symbolen volgens hen én voor hen betekenen. Cliënt [medeverdachte 4] heeft uw hof uitgelegd waarom hij eerder op de oppervlakte bleef met betrekking tot de betekenis van de patch
Dequiallo. Cliënt [medeverdachte 4] heeft een groot wantrouwen tegen iedereen en heeft al meermaals zaken ook hun context zien worden gehaald. Nu heeft hij het uitgelegd, het gaat voor hem over het overwinnen van heftige levensgebeurtenissen.
43. Dat anderen daaraan mogelijk een andere betekenis geven, doet daar dan ook niks aan af.
44. Daarnaast bestaan er ook objectieve contra-indicaties voor de betekenis van de genoemde termen zoals
Dequiallo. Zo blijkt uit de strafbladen van de verdachten in het onderzoek Toren namelijk geen enkel verband tussen het plegen van een geweldshandeling en het dragen van een
patchzoals
Dequialloof
Deathhead Purple Heart. Sterker nog het openbaar ministerie heeft op geen enkele wijze onderbouwd noch aangetoond dat überhaupt door één of meer leden van
Hells Angelsverzet tegen gezagsdragers is gepleegd waarvoor een dergelijke
patchzou zijn verstrekt. Datzelfde geldt voor de
Deathhead Purple Heart. Wegens het ontbreken van dat verband kunnen die termen dan ook geen ondersteuning vormen voor een beloningssysteem binnen enig oogmerk van een organisatie waartoe cliënten behoorden.
45. In dit kader merkt de verdediging op dat het openbaar ministerie ter onderbouwing van de betekenissen en de stelling dat de
patchesaantonen dat geweld beloond wordt, heeft gewezen op het arrest in de civiele zaak. Ter onderbouwing in die zaak is gewezen op een tap gesprek uit nota bene onderhavige strafzaak. Het laat zich overigens inmiddels wel raden uit welke groep de persoon komt die deze uitlating heeft gedaan. Het is echter aan uw hof om in deze strafzaak onder meer te oordelen over de vraag of
in de organisatie van cliëntensprake is van beloning van geweld. Het oordeel van een ander hof in een civiele zaak over een aannemelijke betekenis is daarbij mijns inziens geenszins redengevend.
(…)
Tussenconclusie
50. Conclusie, de betekenis die de rechtbank heeft toegekend
enkelaan bepaalde uiterlijke kenmerken en termen, is niet objectief vast te stellen in de onderhavige zaak. Niet is immers vast te stellen dat daaruit het belonen van geweld kan worden aangenomen als zijnde een kenmerk van een organisatie waartoe cliënten behoorden. Het feit dat uit een onderzoek de betekenis zou volgen van verschillende termen, doet daar niets aan af. Het moet in de concrete casus worden vastgesteld dat één van de verdachten met een
patchzoals
dequiallodeze
patchdan zou hebben “verdiend” door het plegen enig strafbaar feit. En dat blijkt uit geen enkel bewijsmiddel.
51. Vooralsnog moet het er dus voor worden gehouden dat
patchesniet meer zijn dan een versiering zonder dat daaraan een bepaalde betekenis werd gehecht.
Omerta
52. Ten aanzien van het tweede onderdeel, namelijk de bewoordingen van cliënt [verdachte] in de arrestantenbus en het woord
Omerta, maakt ook dit niet dat kan worden geconcludeerd dat binnen het
chartereen beloningssysteem voor geweld/strafbare feiten zou bestaan. Uit het enkele feit dat er:
a. een woord op de muur zou staan, niet gerelateerd aan enige geweldshandeling, en;
b. dat cliënt voorts medeverdachten zou hebben geadviseerd over de proceshouding;
blijkt niet dat
daaruitzou volgen dat geweld zou worden beloond binnen het
charteren
daaruithet criminele oogmerk zou kunnen worden afgeleid. Dat is te kort door de bocht en in het dossier bevindt zich geen enkele onderbouwing voor die conclusie.
53. Bovendien is het niet zo dat alle verdachten zich integraal hebben beroepen op hun zwijgrecht tijdens het proces. Eigenlijk hebben alleen de verdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] niets over de club willen verklaren, maar de overige leden van het
charterjuist wel. Over verschillende termen hebben bijna alle leden van het
chartereen verklaring afgelegd. In hoger beroep zijn in elk geval alle vragen van uw hof onder ede én als verdachte beantwoord.
54. Dat zij eerder niet op
allevragen antwoord hebben gegeven maakt niet dat daarmee
omertaeen essentieel onderdeel is van een beloningssysteem voor geweld
in hetcharter. Ja het klopt, dat leden van de
Hells Angelseen soort erecode hebben en niet praten over wat er precies speelt binnen club, hoe de regels zijn, wie er wel en geen lid zijn. In dat verband moet ook de inmiddels achterhaalde opmerking van cliënt [verdachte] worden gezien. Maar geldt dat niet voor iedere vereniging? Sommige zaken zijn privé en gaan niemand verder wat aan, dat wil niet direct zeggen dat er dus strafbare feiten worden gepleegd.
55. Cliënt [medeverdachte 4] - en overigens meerdere van de medeverdachten – heeft zoals eerder al opgemerkt ook aangegeven waarom hij in beginsel slechts weinig kwijt wilde over de club. Telkens worden zaken in een verkeerde context geplaatst en verdraaid. Exemplarisch is het opgenomen gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] dat het openbaar ministerie voorhield aan [verdachte] waarin werd gesproken over een ‘
kuttijd om een motor te kopen’ ‘
motor in de brand’, ‘
het snel regelen door Japie’ en ‘
betalingen’. Cliënt [verdachte] heeft uw hof uitgelegd waar dit over ging. Hieruit zou volgens het openbaar ministerie moeten blijken dat de motor van voormalig
member[getuige 4] zou zijn afgepakt. Uit de uitleg van cliënt [verdachte] bleek evident dat dit niet aan de orde was.
56. Het is kenmerkend dat juist de drie hoofdverdachten niets over de club hebben willen verklaren en de overige leden van het
chartermeer openheid van zaken hebben gegeven. Kenmerkend ook voor het bestaan twee verschillende lijnen, twee verschillende organisaties.
57. Daarmee loopt tot slot ook onderdeel B, het belonen van geweld, genoemd in het vonnis ter onderbouwing van het oogmerk van de organisatie waartoe cliënten zouden behoren (samen met het
charter), spaak en zijn de overwegingen van de rechtbank te kort door de bocht. Geen enkele verdachte heeft in zijn verklaring bevestigd dat een dergelijke cultuur van het belonen voor het gebruik van geweld door leden, bestond binnen het
charter. De rechtbank heeft de ontkenning over het bestaan van een dergelijke cultuur zonder enige onderbouwing ter zijde geschoven.
58. Het feit dat de drie/vier hoofdverdachten wellicht een beloning voor geweld passend zouden vinden, betekent niet dat die zienswijze op het plegen van geweld toebehoort aan het
chapter Hells AngelsHaarlem. De overige leden van het
charterhebben dat bovendien expliciet ontkend.
Conclusie
59. Concluderend, de drie onderdelen waaruit volgens de rechtbank het oogmerk zou blijken van de vastgestelde organisatie waartoe cliënten zouden behoren, lopen ten aanzien van cliënten spaak. Zij hebben allereerst geen betrekking op het gehele
charter, maar alleen op de vier hoofdverdachten (onderdelen A en C). Daarnaast mist onderdeel B feitelijke onderbouwing in het dossier, in ieder geval ten aanzien van cliënten. Dit leidt tot de conclusie dat de overwegingen van de rechtbank ten aanzien van het deelnemen aan een criminele organisatie met het oogmerk het plegen van strafbare feiten niet houdbaar zijn.
60. De organisatie waartoe cliënten behoorden had geen crimineel oogmerk, louter het oogmerk tot het behouden van de motorclub met hun eigen club gerelateerde activiteiten zoals de Harley-dag, motorrijden, BBQ-en en bierdrinken. Dat dit oogmerk - en geen crimineel oogmerk - bestond blijkt ook wel uit de banden die de club had met de gemeente op het moment dat cliënt [verdachte] de president van de
Hells AngelsHaarlem is geweest.
61. Vele getuigen waaronder [getuige 1] verklaarden over de club: “
De gezelligheid uitte zich in clubavonden met andere clubs en leuke evenementen als motorshows, de Harleydag, en de tattooconventie. Die evenementen gingen altijd in overleg met de gemeente Haarlem. Dat ging altijd goed. De verhouding tussen de Hells Angels en de gemeente was uitstekend toen.” Ook benoemden verschillende getuigen het feit dat de burgemeester en wijkagent wel eens in het clubhuis kwamen en dat de burgemeester heeft opgetreden op de Harleydag.
62. Dat cliënten onderdeel zijn geweest van het
charter, maakt niet zij daarmee lid zijn geweest van een organisatie die het oogmerk had tot het plegen van misdrijven. Daarvoor moet ten aanzien van het
chartervoldoende bewijs bestaan en niet louter ten aanzien van de drie hoofdverdachten die lid waren van het
charter. Dat bewijs is echter niet voorhanden. Uit niets blijkt dat het
charterin z’n geheel het criminele oogmerk had. Daarnaast is er een veelheid aan aanwijzingen voorhanden waaruit volgt dat de vier hoofdverdachten, niet allen lid van het
charter, zelf een (criminele) organisatie hebben gevormd. Het openbaar ministerie noemde het ‘de donkere schaduwzijde’, wat de verdediging betreft een compleet afzonderlijke criminele tak.
63. Dat leden van het
charter, cliënten, daar eventueel achteraf wetenschap van hebben gehad, maakt niet dat het
charterin z’n geheel daarmee een oogmerk heeft gehad tot het plegen van die misdrijven. Dat oogmerk had het
charternamelijk niet.
64. Gelet daarop verzoek ik uw hof cliënten vrij te spreken wegens het ontbreken van de deelname aan een criminele organisatie met het oogmerk tot het plegen van misdrijven. Cliënten hebben immers geen deelgenomen aan de criminele organisatie van de vier hoofdverdachten noch hebben zij het oogmerk gehad strafbare feiten te plegen.
Subsidiair: geen wetenschap, geen duurzaam en gestructureerde samenwerking en dus geen deelname aan een criminele organisatie
65. Mocht uw hof van oordeel zijn dat sprake is van een organisatie waartoe cliënten behoren én dat
dezeorganisatie tevens het oogmerk had tot het plegen van misdrijven, dan stelt de verdediging zich subsidiair op het standpunt dat onvoldoende bewijs voorhanden is om te kunnen bewijzen dat cliënten daar bewust aan hebben deelgenomen. Laat staan dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband op dit punt. Om die reden dienen cliënten dan ook subsidiair te worden vrijgesproken.
66. Volgens vaste rechtspraak is van deelneming aan een criminele organisatie sprake indien zij behoort tot een organisatie en een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. De verdediging betwist dat voor voornoemde kenmerken voldoende bewijs voorhanden is.
67. Ten aanzien van de deelname van cliënten spelen wat dat betreft twee aspecten een rol. Allereerst hebben zij geen wetenschap (achteraf) gehad over enige gepleegde strafbare feiten gelieerd aan het
charteren ten tweede hebben zij ook geen wezenlijk aandeel gehad bij het laten voortbestaan van die criminele organisatie. Het is hierom dat de verdediging zich subsidiair op het standpunt stelt dat cliënten dienen te worden vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigd bewijs. Ik zal de twee aspecten afzonderlijk bespreken.
Wetenschap (achteraf)
68. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat cliënten in z’n algemeenheid wetenschap zouden hebben gehad van een aantal strafbare feiten. Cliënten wordt door de rechtbank verweten dat zij geen vragen hebben gesteld of hun afkeuring over bepaalde uitlatingen zouden hebben uitgesproken ondanks deze wetenschap. Daarnaast zouden zij in z’n algemeenheid op de hoogte zijn geweest van teksten als
dequiallo,
omertaen
power is taken not givenen daarmee van een beloningssysteem voor het gebruik van geweld door de
Hells AngelsHaarlem. Cliënten ontkennen de vastgestelde (algemene) wetenschap te hebben gehad over het strafbare oogmerk van de organisatie waartoe zij zouden hebben behoord, te weten slechts het
charter Hells AngelsHaarlem.
69. Om te beginnen heeft te gelden dat géén van de leden van het
chartertijdens de ten laste gelegde periode is veroordeeld voor strafbare feiten die gerelateerd waren aan het
charter, de
Hells AngelsHaarlem. Cliënten ook niet.
70. Op basis van de bewijsmiddelen is daarnaast zeer aannemelijk en kan niet worden uitgesloten van [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] strafbare feiten hebben gepleegd uit naam van het
charterzonderdat de andere leden, cliënten, daar enig aandeel in of enige wetenschap van zouden hebben gehad
voorafgaanddaaraan of tijdens de strafbare feiten. De eventuele wetenschap
achterafmaakt voorts niet dat de handelingen “die het daglicht niet kunnen verdragen”
daarmeein het kader van het
charterzijn gepleegd, maar juist in het kader van de organisatie van de vier hoofdverdachten. Dat raakt direct de relevantie van die eventuele wetenschap achteraf bij cliënten.
71. Dat cliënten in die situatie hun afkeuring niet kenbaar zouden hebben gemaakt, maakt niet dat zij
daarmeede eventuele strafbare gedragingen van de vier hoofdverdachten hebben ondersteund. Dit, los van het feit dat op basis van het dossier en de getuigenverklaringen aannemelijk is dat cliënten naar aanleiding van krantenberichten over het incident bij Van der Valk wel degelijk met elkaar en [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hebben gesproken over hun activiteiten en dat zij dus wel zeker zijn aangesproken op dit mogelijk strafrechtelijk verwijtbare gedrag toen dat bekend werd. [betrokkene 1] heeft als getuige bovendien bevestigd tot de orde geroepen te zijn met betrekking tot het Van der Valk hotel.
72. Bovendien zijn er ook andere aanwijzingen voor het feit dat [betrokkene 1] wel degelijk is aangesproken door andere leden op zijn gedragingen. Dat blijkt uit de mond van hem zelf tijdens een opname in een voertuig. Daarop is te horen dat portieren worden ontgrendeld en [betrokkene 1] instapt. Hij zegt
'stelletje flikkers, vieze flikkers, bangepoepers, bleh'. Vervolgens zegt hij nog '
kankerflikkers',
'je moet dit niet, je moet dat niet, kankerhomo's bleh..',
'Kankerflikkers allemaal, bah',
'helemaal misselijk van die kankerclub’. Hieruit blijkt duidelijk dat hij is aangesproken op zijn gedrag en daarmee op z’n zachtst gezegd niet blij is. Dat maakt het ook aannemelijk dat hij dingen uit rancune eventueel op eigen houtje is gaan doen, binnen zijn eigen kleine organisatie.
73. Dat laatste blijkt ook uit het feit dat zodra cliënten en de rest van de leden van het
charteruit het dossier wetenschap krijgen van de stevige verdenkingen aan het adres van de drie heren [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , zij direct een zogenaamde
patch in the boxhebben gekregen op 1 april 2017 en daarna de status
outop 7 juni 2017. Dit betekent dat zij alle drie dus uit het
charterzijn gezet door cliënten en de overige leden. Hieruit blijkt dat direct zelfregulerend is opgetreden door het
charteren tevens de afkeuring van het criminele oogmerk dat de drie hoofdverdachten samen met [betrokkene 4] hadden.
74. Geconcludeerd moet worden dat cliënten geen wetenschap hebben gehad van het eventuele criminele oogmerk van de organisatie van [betrokkene 1] en als die wetenschap er al was, is deze pas achteraf gekomen, waarna onverwijld is gehandeld door cliënten en de andere leden van het
charter. Zo heeft het
charterde drie leden, hoofdverdachten, uit het
chartergezet. Dat zijn geen lichtzinnige beslissingen en staan hoe dan ook haaks op de veronderstelling van het openbaar ministerie dat de
Hells Angelseen criminele organisatie zou zijn. Dat is simpelweg niet het geval.
75. De rechtbank heeft geoordeeld dat alle clubleden, ook cliënten, duidelijk is geweest dat met regelmaat (ernstige) strafbare feiten werden gepleegd en zij
dusin zijn algemeenheid hebben geweten dat
Hells AngelsHaarlem tot oogmerk had het plegen van misdrijven en dat zij ook wetenschap hadden van concreet aantal gepleegde strafbare feiten. De verdediging betwist het causale verband tussen de (wetenschap van) gepleegde strafbare feiten door leden van de
Hells AngelsHaarlem en
daarmeewetenschap van strafbare gedragingen door de
club Hells AngelsHaarlem. In dat verband acht de verdediging het van belang hier te vermelden dat ook vanuit de overheidsinstanties waarmee de
Hells AngelsHaarlem veelvuldig contact onderhielden geen enkele mededeling is gedaan over de strafbare feiten gepleegd door [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [betrokkene 2] en [betrokkene 4] . Hierdoor is - bij gebrek aan wetenschap - cliënten de kans ontnomen om in te kunnen grijpen en dat terwijl justitie die wetenschap wel had maar de strafbare feiten bewust onder haar toeziend doorgang heeft laten vinden.
76. Dat enkele leden op eigen houtje,
niet in het clubhuis, strafbare feiten plegen en dat over die feiten wetenschap achteraf zou bestaan, maakt namelijk niet dat deze feiten enkel vanwege hun lidmaatschap zijn gepleegd in het kader van de club en het aan cliënten is om daarvan iets te vinden en te zeggen. De rechtbank heeft zich ten aanzien van dit causale verband laten leiden door overtuiging, maar niet door wettig bewijs. In dat verband bespreek ik graag het volgende met uw hof.
Specifieke zaaksdossiers
77. In haar vonnis oordeelde de rechtbank dat (individuele) leden van de
Hells AngelsHaarlem zich in de ten laste gelegde periode schuldig hebben gemaakt aan verschillende misdrijven, die naar het oordeel van de rechtbank rechtstreeks verband houden met de club
Hells AngelsHaarlem en waaruit het oogmerk van die organisatie kan worden afgeleid.
(…)
85. Hoe het kan dat slachtoffers verklaarden dat zij bang waren voor
deHells Angelsheb ik uw hof al eerder voorgehouden. Eén of meer leden van “de jonge garde” hield een slachtoffer voor dat zij een probleem hadden met de club
Hells Angels, terwijl dit feitelijk volstrekt onjuist was. De overige zes leden van de oude garde wisten hier in werkelijkheid helemaal niets van af.
86. Uit het dossier blijkt dat de slachtoffers allen in het geniep, zonder medeweten van de overige
membersvan de
Hells AngelsHaarlem zijn benaderd en buiten het clubhuis werden afgeperst, bedreigd en/of mishandeld. Dit is niet enkel verklaard door de leden van “de oude garde”. Ter terechtzitting hebben [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] bevestigd dat zij strafbare feiten pleegden zonder medeweten, laat staan instemming van de overige leden. In dat verband volgen hieronder enkele citaten. [betrokkene 1] : “
Ik denk niet dat alle leden op de hoogte waren van alles wat er speelde. Ik ga er vanuit dat als mensen wisten dat er dingen zijn waarvan wij allemaal verdacht werden, we dat wel gehoord zouden hebben.”
87. En ook [betrokkene 3] verklaarde: “
U vraagt mij of er sprake was van een vergaderstructuur. Ik besprak veel met de andere twee verdachten ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ). De andere leden zag ik op de clubavonden. De clubavond was op donderdag. Ik vergaderde in besloten kring met de twee andere verdachten. Je praat dan met elkaar onder het genot van een drankje of BBQ, dat heeft niets met echt vergaderen te maken. Je kunt het niet als werkoverleg kwalificeren. Wij drieën hadden zonder overleg de vinger in de pap. Met de rest hadden we nauwelijks tot geen contact, niet over bepaalde dingen die er besproken waren.”
88. En: “
Zij ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ) zijn mijn vrienden. Ik ging buiten de club ook dagelijks met ze om. We hadden regelmatig contact, over schrijnende dingen, maar ook over leuke dingen. Dat niet alle leden op de hoogte waren van alles wat er gebeurde is een terechte conclusie.”
89. In al hiervoor door het openbaar ministerie aangehaalde zaaksdossiers hadden de slachtoffers enkel en alleen contact met de leden van de “jonge garde.” Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de “jonge garde” daarbij steeds volgens twee vaste methodes te werk gingen. Bij de eerste methode werden slachtoffers buiten het clubhuis, bij voorkeur in hun eigen woning of onderneming opgezocht, bedreigd en/of mishandeld. Daarbij werd de suggestie gewekt dat dit een actie was die door de gehele club
Hells Angelswerd gesteund, terwijl de overige leden hier in werkelijkheid geen weet van hadden.
90. Bij de tweede methode, de zogenoemde “Holleeder” methode, onder meer toepast op olliebollenbakker [getuige 5] , deed [betrokkene 1] zich voor als tussenpersoon en bemiddelaar tussen de
Hells AngelsHaarlem en het slachtoffer, waarbij hij het slachtoffer deed geloven dat hij hem juist probeerde te helpen. Een geraffineerde en valse truc, waarmee tevens direct werd voorkomen dat er rechtstreeks contact door het slachtoffer zou worden gezocht met een van de
membersvan “de oude garde”.
91. Indien uw hof de verklaringen van alle voornoemde slachtoffers nauwkeurig ontleed en tegen het licht houdt, blijkt dat in geen van die zaken direct of indirect contact is geweest met een van de leden van de “oude garde”. Hoe geraffineerd de “jonge garde” daarbij te werk ging blijkt onder meer uit het verhoor van getuige [getuige 5] , die in de veronderstelling verkeerde te worden afgeperst door de
Hells AngelsHaarlem, terwijl zijn “jeugdvriend” [betrokkene 1] daarbij als bemiddelaar optrad: “
Ik heb er met niemand van de Hells Angels over gesproken. Dat ging via iemand die ik ken. Ik heb daar geen boodschap aan. Als iemand geld van mij wil of ik word afgeperst, verwacht ik dat ze persoonlijk naar mij toekomen. Er is niemand naar mij toegekomen. U houdt mij voor dat [betrokkene 1] ook bij de Hells Angel zat en ik met hem over het geld heb gesproken. Nee, hij is vrijgekomen. Ik heb hem geld gegeven. U vraagt mij hoe ik het zo zeker weet dat [betrokkene 1] er niets mee te maken heeft dat ik hem geld heb betaald. (...) Van hem zou ik nooit verwachten dat hij dat zou doen.”
92. Nadat de verdediging de getuige het tapgesprek van 12 december 2015 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] voorhield, waaruit evident bleek dat [betrokkene 1] niet zijn vriend was, verklaarde deze: ‘
Dat is niet de [betrokkene 1] die ik ken. Nu u mij dit voorhoudt kun je erover gaan twijfelen of [betrokkene 1] er niet mee te maken heeft. Mensen kunnen in korte tijd veranderen. Ik was heel goed met hem. Als wat ik nu hoor zo is, dan sta ik ervan te kijken.”
93. De verklaring van [getuige 5] , dat hij met niemand anders van de
Hells AngelsHaarlem dan [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] contact had over de afpersingen en aan wie was wijsgemaakt dat zij handelden namens
deHells AngelsHaarlem, stond niet op zichzelf.
94. In al voornoemde zaaksdossiers werden slachtoffers op vergelijkbare wijze, buiten medeweten van de overige leden van de
Hells AngelsHaarlem, benaderd, afgeperst en/of mishandeld.
95. Geen van hen heeft verklaard dat de overige leden van de
Hells AngelsHaarlem daarvan op de hoogte waren, dan wel konden zijn. (…)
98. De rechtbank heeft drie c.q. vier zaaksdossier genoemd waarvan cliënten achteraf wetenschap zouden hebben gehad: C14-Uitkijk (dit geldt alleen voor cliënt [verdachte] en de stichting), C15-Martini, C17-Millenium, en C22-Spits. En daarnaast is de bespreking van het incident in het Van der Valk Hotel, dossier C20-Slechtvalk, aangehaald. De verdediging betwist die wetenschap en zal dit kort doorlopen.
99. Ten aanzien van de wetenschap van specifieke zaaksdossiers heeft de rechtbank op geen enkele manier een nadere uitwerking in het vonnis gegeven waaruit die wetenschap bij cliënten zou blijken. Dat is ook logisch, want die onderbouwing daarvoor blijkt ook nergens uit.
De afpersing en mishandeling vanhang around[getuige 3] (zaaksdossier – C14)
100. Om te beginnen wil ik met uw hof het zaaksdossier rondom [getuige 3] bespreken. Het incident met [getuige 3] , die verklaarde door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] te zijn afgeperst, is door de rechtbank en het openbaar ministerie eveneens beoordeeld als een clubaangelegenheid van de
Hells AngelsHaarlem. Dit wordt door cliënten en alle medeverdachten in hoger beroep uitdrukkelijk betwist. Geen van hen heeft ingestemd met, noch vooraf (concrete) wetenschap gehad van de afpersing en de mishandeling van [getuige 3] . Dat zij allen wel wilden dat hij de club zou verlaten doet daaraan niets af.
101. [getuige 3] is anderhalf jaar lid geweest van de Redliners en is daar president geweest. Hierna is [getuige 3] tweeëneenhalve maand
hang aroundgeweest bij de
Hells AngelsHaarlem, waarna hij de club heeft moeten verlaten. Niet
bad standing, zoals in het dossier wordt gesuggereerd. Dat zou ook niet logisch zijn. [getuige 3] was namelijk slechts
hang around. De gedachte achter de positie van een
hang aroundis dat diegene geheel vrijblijvend kan ervaren hoe het is om lid te zijn van de
Hells Angels. Omgekeerd biedt dit de bestaande
memberseen kans om de
hang aroundbeter te leren kennen en op hun beurt een oordeel te vellen of de
hang around,
prospectmag worden.
102. In het geval van [getuige 3] is na tweeëneenhalve maand democratisch besloten dat hij de club diende te verlaten. [getuige 3] had maling aan verschillende clubregels, verkeerde structureel onder invloed van drank en drugs en maakte een psychisch labiele indruk. Daarmee was de kwestie voor de
full membersvan de
Hells AngelsHaarlem afgedaan. Althans dat dachten zij. Wat zij niet wisten en waarvan zij pas veel later kennis van hebben genomen, zijn de criminele activiteiten die [betrokkene 3] en [betrokkene 2] hierna op eigen initiatief hebben ondernomen met [getuige 3] als slachtoffer. Uit geen bewijsmiddel in het dossier blijkt dat cliënten hiervan op de hoogte waren, dan wel konden of moesten zijn. Ook [getuige 3] zelf weet eigenlijk niet of zijn afpersing een clubaangelegenheid betrof of niet.
103. [getuige 3] verklaarde als getuige wat hem was overkomen nadat hij niet meer welkom was als
hang around. “
Ik heb contact opgenomen met de politie vanwege de bedreigingen van [betrokkene 2] . U vraagt mij of dat vanuit hem kwam of vanuit de club de Hells Angels Haarlem. Dingen die worden opgelegdgaan volgensmij altijd via de club.” (...) “Ik weet nietof [betrokkene 2] en [betrokkene 3] dat op eigen initiatief hebben gedaan. Daar kan ik geen oordeel over vellen, maar ik kan wel vertellen dat het negen van de tien keer clubbesluiten zijn.” En: “Van man tot man is er weinig druk op mij uitgeoefend. Het is een beetje in het geniep gegaan.
104. Dat de afpersing van [getuige 3] een clubbesluit was, wordt door cliënten uitdrukkelijk betwist en ontkend. Overigens verklaarde [getuige 3] als getuige uitdrukkelijk dat hij nooit door [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 5] is afgeperst of aangesproken om zijn motor in te leveren. Daartoe bestond immers ook geen enkele reden. [getuige 3] was
hang arounden op enig moment is besloten dat hij niet meer welkom was bij de
Hells AngelsHaarlem. Op welke wijze de beslissing dat [getuige 3] niet langer
hang aroundmocht zijn tot stand is gekomen en met hoeveel stemmen dit besluit al dan niet is genomen, is wat de verdediging betreft niet relevant. Relevant is dat de meerderheid het niet met [getuige 3] zag zitten en om die reden besloot niet met hem verder te willen gaan. Daarmee was voor de “oude garde” de kous af.
105. Van belang in dat verband, om het voorgaande beter te kunnen duiden, is dat de kleding die [getuige 3] moest overdragen aan [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , waarbij hij door hen werd mishandeld en afgeperst, kleding betrof van de Redline. Niet van de
Hells AngelsHaarlem – dat kan ook niet anders was hij was geen
memberen had dus geen
Hells Angelskleding. [betrokkene 2] verklaarde hierover als getuige: “
Ik was bij die ontmoeting bij de Mac Donalds en er zijn kleren ingeleverd, maar dat waren Redline-kleren.”
106. In dat verband wijst de verdediging u tevens op het navolgde citaat uit een telefoongesprek tussen [getuige 3] en een NN persoon: “
Toen zat die gozer er met zijn klauwen tussen. Dus ik pak die zak van die Redline troep.”
107. Het inleveren van die Redline kleding, laat staan het opleggen van een boete of afpakken van een motor, betrof dan ook geen club aangelegenheid waarover diende te worden gestemd, zoals [getuige 3] veronderstelde. De
Hells AngelsHaarlem stonden hier volledig buiten en werden om die reden hier ook niet over geïnformeerd door “de jonge garde”.
108. Het was voor [betrokkene 2] en [betrokkene 3] dus relatief eenvoudig om de voormalig president van de door hun opgerichte supportclub het leven zuur te maken, buiten medeweten om van de overige leden van de
Hells AngelsHaarlem, die immers geen contact meer hadden met de voormalig
hang around.
109. In zijn verklaring als getuige bevestigt [getuige 3] dat cliënten, noch één van de medeverdachten in hoger beroep op enige wijze betrokken zijn geweest bij de afpersing door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Wat hij de “oude garde” vooral verwijt is dat zij niet zouden hebben ingegrepen. Dit verwijt kan cliënten enkel worden gemaakt, indien zij daadwerkelijk op de hoogte waren geweest van de afpersing van [getuige 3] , hetgeen zij uitdrukkelijk betwisten. Voor de verklaring van [getuige 3] , dat hierover mogelijk zou gestemd binnen de
Hells AngelsHaarlem, ontbreekt ieder ondersteunend bewijs. Dat [getuige 3] hierover, nadat hij bij de Mac Donalds was afgeperst, kort telefonisch contact heeft gehad met medeverdachte [medeverdachte 2] , waarbij de verbinding werd verbroken, maakt dit niet anders.
110. Het enkele feit dat [getuige 3] naar [medeverdachte 2] heeft gebeld en zou hebben gezegd dat hij is afgeperst en geslagen, is volstrekt onvoldoende om aan te nemen dat
daaromniet alleen [medeverdachte 2] , maar ook alle andere leden van de
Hells AngelsHaarlem, waaronder cliënten, (vooraf) kennis hebben gehad van een strafbaar feit. Volledigheidshalve merk ik op dat uit de bewijsmiddelen overigens niet blijkt dat [getuige 3] , na dit gesprek met [medeverdachte 2] , op enig moment nogmaals is benaderd door [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , terwijl de poging tot afpersing had op dat moment al plaatsgevonden en [medeverdachte 2] dus ook niet meer had kunnen ingrijpen.
111. Tot slot stelt de verdediging bovendien dat het handelen door [betrokkene 2] en [betrokkene 3] jegens [getuige 3] geen rechtstreeks verband hield met de club
Hells AngelsHaarlem. Dat zou slechts anders zijn indien zij vooraf zouden hebben ingestemd met de afpersing en mishandeling van [getuige 3] . Dat is expliciet niet het geval geweest. De “oude garde” heeft hiermee niet ingestemd. Cliënten wisten niets van de afpersing van [getuige 3] af, totdat zaaksdossier C-14 Uitkijk hen onder ogen kwam.
112. Al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, hield de afpersing van [getuige 3] geen rechtstreeks verband met de club
Hells AngelsHaarlem. Daaruit kan het oogmerk van die vermeende organisatie waaraan cliënten zouden hebben deelgenomen, dan ook niet worden afgeleid, noch kan worden bewezen dat cliënten – voorafgaand daaraan – wetenschap hadden van de afpersing van [getuige 3] .
Mishandeling van een lid van motorclub No Surrender (zaaksdossier Martini - C-15)
(…)
De vechtpartij bij Van der Valk en OVC 16 september 2016
(…)
Afpersing van [getuige 5] (C-17)126. Uit het dossier blijkt dat [getuige 5] een akkefietje had met [getuige 4] . Nadat [getuige 4] geen lid meer was van de
Hells AngelsHaarlem hebben [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , [getuige 5] gedwongen tot betaling van 10.000 euro. [getuige 5] verklaarde ten overstaan van uw hof dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] tegen hem hadden gezegd dat door hem diende te worden betaald aan de
Hells AngelsHaarlem. Ook verklaarde hij hierover geen enkel contact te hebben gehad met één of meer van de andere members van de
Hells AngelsHaarlem. Hij verkeerde in de veronderstelling dat de van hem verlangde betaling een besluit van de club betrof, omdat dit door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zo aan hem was medegedeeld. Pas nadat hem een OVC-gesprek tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] werd voorgehouden, verklaarde [getuige 5] : ‘
Dat is niet de [betrokkene 1] die ik ken. Nu u mij dit voorhoudt kun je erover gaan twijfelen of [betrokkene 1] er niet mee te maken heeft.
(…)
128. (…) In aanvulling op hetgeen eerder over dit zaaksdossier is aangevoerd, zal ik uw hof toelichten waarom ook dit standpunt van het openbaar ministerie, te weten dat de afpersing van [getuige 5] een clubaangelegenheid betrof, waarvan een ieder wetenschap had, geen stand kan houden.
129. In het onderzoek Toren is op 5 december 2015 in de auto die in gebruik is bij [betrokkene 2] de vertrouwelijke communicatie opgenomen. Er vindt dan een gesprek plaats tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] : “
Ik ga hem heel simpel zeggen,, ik zeg luister, dat zijn beslissingen genomen, ik zeg [getuige 5] , daar ken ik niks aan veranderen simpel zat. Ik zeg ik vind het heel vervelend en heel klote allemaal voor je maar dit is een beslissing die ligt er, en ik zeg ja om het goed af te handelen ik ken er niks aan veranderen.(...)“(...) ik ga me er wel in mengen dan uhhh. Ik ga hem wel effetjes opzoeken. Volgens mij is hij er zondag, zondag is hij er he?[betrokkene 2] :

Hij zei, hij weet dat hij moet betalen, dat heb ik ook gezegd, dat weet ie, maar wel regelen met [betrokkene 1].”
130. Anders dan de rechtbank oordeelde en het openbaar ministerie rekwireerde, blijkt uit het voorgaande wellicht dat er kennelijk een beslissing is genomen dat [getuige 5] diende te betalen, maar niet blijkt door wie deze beslissing zou zijn genomen, laat staan dat deze beslissing is genomen door de
Hells AngelsHaarlem als geheel.
131. Ook het OVC-gesprek tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en NN man [betrokkene 5] van 10 december 2015 maakt dit niet anders. Uit dit gesprek blijkt namelijk niet meer dan dat [betrokkene 1] tegen de NN-man [betrokkene 5] , kennelijk een bekende van [getuige 5] , zegt dat de van [getuige 5] verlangde betaling een beslissing is van de “jongens.” Een beslissing waaraan hij niets zou kunnen veranderen.
132. Overigens heeft het openbaar ministerie nog willen suggereren dat deze [betrokkene 5] cliënt [medeverdachte 4] zou betreffen. [medeverdachte 4] wordt echter [medeverdachte 4] en geen [betrokkene 5] genoemd en ontkent ook dat hij de desbetreffende persoon uit het gesprek is.
133. Voorgaand OVC-gesprek betreft dan ook geen bevestiging voor de stelling dat de afpersing vanuit de
Hells AngelsHaarlem kwam en derhalve een clubaangelegenheid betrof. Integendeel. Voorgaand OVC-gesprek is wat de verdediging betreft juist kenmerkend voor de geraffineerde en doortrapte wijze waarop [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , door zich voor te doen als vriend van het slachtoffer, hun slachtoffers geld aftroggelden.
134. In dat verband is ook opvallend dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in het OVC-gesprek van 12 december met elkaar spreken over de afpersing van [getuige 5] en over geld dat zij moeten wegstoppen voor hun oude dag. Indien de afpersing van [getuige 5] daadwerkelijk een clubaangelegenheid betrof, dan zou aannemelijk zijn dat de opbrengsten daarvan ook aan de club zouden komen. Uit de OVC van zaaksdossier Millenium blijkt echter dat het geld van [getuige 5] in de zakken van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] zelf terecht is gekomen.
135. In dat verband houd ik u het OVC gesprek van 5 januari 2016 voor tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 1] in de auto:
L:
Ja jij zegt gisteren wel, jij geeft mij ruggies maar, ik heb jou ook ruggies gegeven gek, zonder mij had [getuige 5] nooit betaald.
R:
Ja, dat denk jij dat denk jij.
L:
Ja dat heb je toch gezien, een gesprekkie pik.
R: Jaah omdat hij anders... ken maar moet jij eens opletten.. als ie.. gaat ie nog meer betalen.
L:
Ja, we doen het samen.
R:
Ja.
136. Wat de verdediging betreft blijkt al het voorgaande evident dat de afpersing van [getuige 5] heeft plaatsgevonden op instigatie en initiatief van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] en deze geen verband hield met de club. [getuige 5] heeft ook geen enkele keer, direct of indirect, contact gehad met een van de leden van “de oude garde”. Ook over de betaling die hij zogenaamd aan de HAH zou moeten doen heeft hij nooit met een van hen gesproken. Uit OVC en de verklaring van [getuige 5] als getuige blijkt dat [betrokkene 1] zich tegenover hem voordeed als bemiddelaar en vriend, terwijl hij in werkelijkheid diens geld in zijn eigen zak stak. Gelet op al het voorgaande kan ter zake de afpersing van [getuige 5] , niet worden bewezen dat de leden van de “oude garde” hier op enige wijze betrokken zijn geweest, dan wel hier wetenschap van hebben gehad.
[getuige 4] (Zaakdossier Breugel C-10 en C-27 paragraaf 4.5.2.)
(…)
Het bezit van een vuurwapen door [betrokkene 2] (zaaksdossier C-22)
(…)
Vuurwapens in woning cliënt [verdachte] (Z30-Hoek)
(…)
Conclusie wetenschap op basis van de genoemde strafbare feiten
154. Kortom de vermeende wetenschap op basis van de vier genoemde strafbare feiten en ook de andere in het dossier genoemde strafbare feiten zijn volstrekt niet aan de orde en van een dergelijke wetenschap, al dan niet achteraf, is geen sprake geweest bij cliënten.
155. Mocht uw hof ten aanzien van al het voorgaande toch van oordeel zijn dat cliënten achteraf wetenschap hebben gehad over enige strafbare gedragingen door anderen, dan kan op basis van de bewijsmiddelen niet worden vastgesteld dat zij deze niet-club gerelateerde gedragingen hebben ondersteund op enige wijze. Er is onvoldoende bewijs voorhanden om te kunnen vaststellen dat de strafbare gedragingen zijn ontstaan door en voortkomen uit het lidmaatschap van de hoofdverdachten bij het
chapter. Als sprake is geweest van strafbare gedragingen zijn die ontstaan door de hoofdverdachten zelf en vonden deze plaats
buitende club. In die gevallen waarin zij aangaven dat zij dit namens of in het kader van de club hebben gedaan, is tegelijkertijd vastgesteld dat zij misbruik hebben gemaakt van die club. Cliënten hebben echter
nooitwetenschap gehad van dit misbruik, hooguit van de strafbare gedragingen die de hoofdverdachten vanuit zichzelf hebben gepleegd. Ook hebben zij geen wetenschap gehad van strafbare gedragingen in het clubhuis of anderszins direct club gerelateerd.
156. Het voorgaande leidt reeds tot de conclusie dat cliënt wegens gebrek aan wetenschap integraal dient te worden vrijgesproken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Aandeel cliënten [verdachte] en [medeverdachte 4]
157. Dan merk ik ten aanzien van cliënten [verdachte] en [medeverdachte 4] nog het volgende op. Indien uw hof onverhoopt toch net als de rechtbank zou oordelen dat cliënten enige wetenschap achteraf hebben gehad van strafbare feiten die in het kader van het
charterzijn gepleegd, dan is het eveneens noodzakelijk dat zij ook daadwerkelijk een aandeel hebben gehad in de criminele organisatie. Bovendien dient dan ook nog sprake te zijn van enige duurzaamheid en een gestructureerd samenwerkingsverband.
158. De rechtbank heeft dit aandeel geconstrueerd aan de hand van het feit dat cliënten lid zijn geweest en gebleven van het
charter, ondanks de wetenschap achteraf, dat zij hebben nagelaten de hoofdverdachten uit het
charterte zetten en tot slot dat cliënt [verdachte] zelf vuurwapens voorhanden heeft gehad. Ik meen dat dit te kort door de bocht is om te stellen dat deze elementen strafrechtelijk verwijtbaar zijn voor deelname aan een criminele organisatie. Laat staan dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband.
(…)
Conclusie
(…)
206. Gelet op het voorgaande verzoek ik uw hof om cliënten dan ook – meer subsidiair – vrij te spreken van het ten laste gelegde feit wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van de deelname aan enige criminele organisatie.’
7. Het hof heeft in het bestreden arrest inzake de bewezenverklaring van feit 1 het volgende overwogen (met overneming van voetnoten):
‘Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de aan de verdachte tenlastegelegde deelname aan een criminele organisatie bewezen dient te worden verklaard, met dien verstande dat het niet bewezen kan worden dat de organisatie - tevens - het oogmerk heeft tot het plegen van misdrijven als bedoeld in de artikelen 141a, 170, 287, 289 en 312 Sr.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van de tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie.
Primair heeft de raadsman daartoe naar voren gebracht dat enig oogmerk ontbreekt. Er was sprake van twee organisaties met twee verschillende oogmerken: binnen de Hells Angels Haarlem was er een organisatie bestaande uit [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] , die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, én een organisatie bestaande uit alle leden van de Hells Angels Haarlem, maar zonder [betrokkene 4] , die geen crimineel oogmerk had. Deze laatste organisatie was gericht op het voortbestaan van de Hells Angels Haarlem en de verdachte behoorde daartoe. Nergens blijkt uit dat de verdachte – in zijn algemeenheid – op de hoogte was van het plegen van strafbare feiten door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en dat deze feiten namens het charter werden gepleegd. De verdachte hoeft nimmer bijgedragen aan dan wel enige rol gehad bij een bedreigende en gewelddadige reputatie van het charter of bij strafbare feiten. De verdediging heeft – bij wijze van alternatief scenario – naar voren gebracht dat de hoofdverdachten (het hof begrijpt: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ) naar de buitenwereld, hebben opgetreden namens het hele charter, terwijl zij tegenover de overige leden van de Hells Angels deden alsof het ging om persoonlijke gedragingen. Ten aanzien van het belonen van het geweld, dat in verband wordt gebracht met het criminele oogmerk, geldt dat de betekenissen van bepaalde uiterlijke kenmerken en termen daar geen onderbouwing voor bieden, nu de betekenissen daarvan niet objectief kunnen worden vastgesteld. De verklaring die de verdachte over de patch ‘dequiallo’ heeft gegeven wordt niet weersproken door de inhoud van zijn strafblad. De term ‘omerta’ kan evenmin bijdragen aan de stelling dat geweld wordt beloond binnen het charter en dat daaruit het criminele oogmerk kan worden afgeleid. Als al sprake zou zijn van wetenschap van betekenissen, dan brengt dit niet mee dat de verdachte in zijn algemeenheid heeft geweten van een oogmerk tot het plegen van misdrijven. Voor zover geoordeeld zou worden dat sprake is van een organisatie waartoe de verdachte behoort én dat deze organisatie tevens het oogmerk had tot het plegen van misdrijven, is er onvoldoende bewijs dat de verdachte bewust heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, laat staan dat sprake is geweest van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband op dit punt. De verdachte heeft geen wetenschap (achteraf) gehad van de gepleegde strafbare feiten gelieerd aan het charter en hij heeft ook geen wezenlijk aandeel gehad bij het laten voortbestaan van die criminele organisatie. De verdediging heeft onder verwijzing naar verschillende zaaksdossiers betwist dat de oude garde, waartoe de verdachte behoorde, vooraf wetenschap had van de door [betrokkene 1] , [betrokkene 3] of [betrokkene 2] gepleegde strafbare feiten en dat deze strafbare feiten zijn gepleegd in het kader van de club. Indien er al sprake was van wetenschap, is deze achteraf gekomen, waarna door de verdachte en de andere leden van het charter onverwijld is gehandeld door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] uit de club te gooien. Daaruit blijkt eveneens dat de verdachte en de andere leden van de Hells Angels Haarlem eerder niet op de hoogte waren van het plegen van strafbare feiten door voornoemden. Het zelfregulerende vermogen van de club blijkt eveneens uit de maatregelen die zijn getroffen tegen getuigen [getuige 1] en [getuige 4] . Naar het oordeel van de verdediging kan niet worden gesteld dat de verdachte een wezenlijk aandeel had in het laten voortbestaan van die criminele organisatie. De verdachte kan niet worden verweten het lidmaatschap te hebben laten voortduren, nu de gepleegde strafbare feiten niet raakten aan zijn lidmaatschap of het charter. Voorts kan uit de OVC-gesprekken in het clubhuis niet worden afgeleid dat de verdachte fysiek aanwezig was tijdens bepaalde besprekingen. Voornoemde kan geen enkele steun bieden voor bewijs van de wetenschap in algemene zin dan wel enig aandeel hebben in enige criminele organisatie.
Beoordeling door het hof
Voor beantwoording van de vraag of de verdachte (hierna ook: [verdachte] ) zich in de ten laste gelegde periode schuldig heeft gemaakt aan deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, zal het hof hierna de bestanddelen “organisatie”, “oogmerk van de organisatie” en “deelneming aan de organisatie” bespreken.
Het hof verwijst in een deel van de tekst van deze beoordeling met noten naar de betreffende bewijsmiddelen. Voor zover in de tekst geen noten zijn opgenomen, blijken de betreffende bewijsmiddelen uit de bijgevoegde bewijsmiddelenbijlage. De bewijsmiddelen uit de noten staan in beginsel niet in de bewijsmiddelenbijlage vermeld, maar in een aantal gevallen is sprake van een dubbele vermelding.
Organisatie
Beoordelingskader
Volgens vaste jurisprudentie moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro worden verstaan een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon – om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt – moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is (Hoge Raad 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378).
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen het volgende af. De Stichting Hells Angels Haarlem (hierna ook: de Stichting) staat ingeschreven op het adres aan de [a-straat 1] te Haarlem en is eigenaar van het aldaar gelegen pand. [verdachte] is voorzitter van de Stichting. Hells Angels, charter Haarlem (hierna ook: Hells Angels Haarlem), maakt gebruik van het pand aan de [a-straat 1] te Haarlem als clubhuis. De Stichting beschikt over een bankrekening, die wordt gevoed door contante stortingen en vanaf welke rekening de vaste lasten voor het clubhuis worden betaald. De ‘treasurer’ (hof: penningmeester) van de Hells Angels Haarlem heeft de beschikking over de bankrekening van de Stichting. In de ten laste gelegde periode zijn [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] allen lid van dit charter. Binnen het charter is sprake van een strakke structuur met diverse functies. [betrokkene 1] is president, [medeverdachte 1] is vice-president, [medeverdachte 2] is ‘road captain’, [betrokkene 3] is ‘treasurer’, [medeverdachte 3] is ‘secretary’ en [betrokkene 2] is de ‘sergeant at arms’. [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [verdachte] zijn ‘full colour member’. De leden dragen een hesje, de zogenaamde ‘colours’, waardoor zichtbaar is dat zij lid zijn van Hells Angels, charter Haarlem. Zij betalen contributie voor het lidmaatschap, met welke contributie de vaste lasten voor het clubhuis worden betaald, met uitzondering van [medeverdachte 5] , die daar de laatste jaren van is vrijgesteld gelet op zijn leeftijd en zijn financiële situatie. Leden van de Hells Angels Haarlem overleggen structureel in periodieke overleggen en op basis van ad-hoc belegde bijeenkomsten.
Hells Angels Haarlem heeft eigen clubregels. De verdachte was bekend met deze regels. Beslissingen binnen het charter worden op democratische wijze genomen, waarbij alle leden een stem hebben in te nemen beslissingen.
[betrokkene 4] is geen lid van Hells Angels, charter Haarlem. Ten tijde van de detentie van haar partner [betrokkene 1] was zij wel de cruciale schakel tussen [betrokkene 1] en andere leden van de Hells Angels Haarlem. Met name met [betrokkene 3] en [betrokkene 2] onderhield zij telefonisch contact en zij had ontmoetingen met hen, onder meer over club gerelateerde zaken.
Het hof concludeert op basis van het voorgaande dat sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de leden van de Hells Angels Haarlem, zijnde [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 4] , [betrokkene 1] , [betrokkene 3] , [medeverdachte 5] , [betrokkene 2] en [medeverdachte 2] , samen vormend Hells Angels, charter Haarlem, en de Stichting en [betrokkene 4] gedurende de ten laste gelegde periode.
Oogmerk van de organisatie
Beoordelingskader
Het oogmerk van de organisatie moet zijn gericht op het plegen van misdrijven, maar niet is vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148). Het oogmerk ziet op het feitelijke en gewenste doel van de organisatie. Daarbij is voor een bewezenverklaring voldoende dat het plegen van misdrijven wordt beoogd, zodat nog geen aanvang hoeft te zijn gemaakt met het daadwerkelijke plegen daarvan. Het oogmerk behoeft in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zal uit de bewijsmiddelen moeten blijken (HR 13 oktober 1987, NJ 1988/425). Voor bewijs van het bestanddeel "oogmerk" zal onder meer betekenis kunnen toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, aan het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, zoals daarvan kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie, en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie (HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502 NJ 2008/559).
De organisatie bestond, zoals hiervoor is vastgesteld uit de full members van het charter Hells Angels Haarlem, [betrokkene 4] en de Stichting Hells Angels Haarlem. Het charter Hells Angels Haarlem vormde daarbij het middelpunt van de organisatie.
Bij het beantwoorden van de vraag of de organisatie het oogmerk had op het plegen van misdrijven komt naar het oordeel van het hof betekenis toe aan de volgende feiten en omstandigheden.
A. Bedreigende en gewelddadige reputatie
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat het charter Hells Angels Haarlem een bedreigende en gewelddadige reputatie heeft. Uit diverse verklaringen en tapgesprekken blijkt dat slachtoffers van
strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels Haarlem geen aangifte durven te doen uit angst voor represailles en dat getuigen niet of nauwelijks durven te verklaren. Zo heeft getuige [getuige 6] in het contact met de politie verklaard dat de Hells Angels nergens voor terugdeinzen en tot alles in staat zijn. [1] Ook blijkt uit zijn gesprek met de politie dat hij zeer angstig is dat de club erachter komt dat hij contact heeft met de politie. [2] Hij durft van meerdere voorvallen geen aangifte te doen. Ook getuige [getuige 7] wilde geen verklaring afleggen of aangifte doen, omdat hij geen lopende schietschijf wil zijn in Haarlem. [3] Uit de gesprekken met de politie en de tapgesprekken blijkt dat de getuige [getuige 3] , voormalig ‘hangaround’ van de Hells Angels Haarlem, angstig is, niet wil dat de leden van de club erachter komen wat hij de politie heeft verteld en hij hen tot alles in staat acht. [4] Wanneer de politie bij de getuigen [getuige 8] en [getuige 9] langs komt, naar aanleiding van de mishandeling van [getuige 8] , geeft [getuige 9] aan geen aangifte te willen doen, omdat de Hells Angels dan ongetwijfeld langs komen en de ramen inschieten met mitrailleurs. [5] Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij in het verleden betalingen heeft moeten doen aan de Hells Angels Haarlem en dat hij in die tijd doodsbang was. [6] Tenslotte verklaart ook getuige [getuige 10] , afgeperst en mishandeld door leden van de Hells Angels Haarlem, nauwelijks uit angst voor wat er kan gebeuren. [7]
Voornoemde getuigen zijn, met uitzondering van [getuige 7] , eveneens ter terechtzitting in hoger beroep gehoord. Gelet op de in hoger beroep afgelegde verklaringen, bezien in samenhang met de eerder door hen afgelegde verklaringen, kan het hof zich niet aan de indruk onttrekken dat een aantal van de getuigen nog steeds niet het achterste van hun tong heeft durven laten zien uit angst voor mogelijke represailles. Zo geeft getuige [getuige 6] enerzijds aan niet te weten van waaruit de opdracht om hem te dwingen zijn tattooshop te sluiten is gegeven, maar verklaart hij anderzijds:
“Ik weet niet precies vanuit welke groep dit is gekomen, maar als er al twee aan je deur staan..” Dit, nadat hij even ervoor had gezegd dat [betrokkene 1] en [betrokkene 2] aan de deur stonden, daarbij doelend op [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , van wie hij wist dat ze lid waren van de Hells Angels Haarlem. Op de vraag of hij bang was antwoordt hij: “
Weet u, ik had niet te maken met de plaatselijke roeivereniging en ik wist niet wie ik tegenover mij had.” [8] Getuige [getuige 9] geeft aan zich delen van het gesprek met de politie niet meer te kunnen herinneren en evenmin dat zij contact heeft gezocht met [betrokkene 3] . [9] Getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij het geld dat hij heeft betaald niet zag als een boete en dat hij zich nooit afgeperst heeft gevoeld. Tegelijkertijd verklaart hij: “
Ik heb twee ouders en meerdere zaken en als je auto in de brand wordt gestoken (…).” [10] [getuige 10] heeft verklaard dat het niet klopt dat hij bang was en dat de politie zoveel kan opschrijven. [11] Voorts verklaart hij: “
Als je een boete moet betalen, moet je het betalen. Ik wil er niets meer over verklaren. Ik ben er klaar mee. Ik heb ook tegen de agent gezegd dat ik geen represailles wilde.” Getuige [getuige 3] heeft voorafgaand aan het verhoor ter terechtzitting laten weten angstig te zijn te verklaren in het bijzijn van de verdachten. [12] Ter terechtzitting heeft hij verklaard dat hij niet door tuig opgewacht wil worden vanwege het afleggen van een getuigenverklaring. Ook verklaarde hij op de vraag van medeverdachte [medeverdachte 2] of hij bang voor hem is: “
Ik ben voor geen één van jullie individueel bang. Ik weet dat de club ver reikend kan zijn en een club waarmee ik niet op goede voet sta – en dat sta ik op dit moment niet – heeft de mogelijkheden om mij door anderen het leven zuur te laten maken.” [13] Ten slotte is in hoger beroep ook oud-lid van de Hells Angels Haarlem [getuige 1] als getuige gehoord. Hij verklaarde eerder bij de politie bang te zijn dat de Hells Angels er via de advocaten achter komen dat hij wat heeft verteld. [14] Daarmee geconfronteerd ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde hij dat hij het niet zo tegen de politie heeft gezegd. Nadat wordt voorgehouden dat hij tot twee keer tegen de politie heeft gelegd dat hij angst had voor represailles, antwoordt hij dat dat misschien voor zichzelf was maar niet voor zijn vrouw en kinderen en dat hij het merkwaardig vindt dat de politie het zo heeft opgeschreven. [15]
Dat de leden van de Hells Angels Haarlem zich ook bewust zijn van deze reputatie, blijkt onder meer uit een uitlating die [betrokkene 2] doet tijdens de clubvergadering op 16 september 2016, in aanwezigheid van de verdachte en de overige leden van de Hells Angels Haarlem, namelijk dat het chapter Haarlem in Holland bekend staat als kei- en keihard. [16] Ook zegt [betrokkene 1] in een telefoongesprek met [betrokkene 4] : “
Wij zijn het beestachtige chapter” (...) ‘‘op een clubavond waar vier of vijf man van ons zijn, we steken de boel in de brand, gooien de krukken door de deur heen, ehhh ... wat doen we niet, er wordt gewoon geschoten binnen in het clubhuis.” [17]
De reputatie van de Hells Angels Haarlem komt tevens naar voren in een tweetal krantenberichten in het dossier van 30 april 2015 en 19 juni 2015. In het eerste bericht staat vermeld dat [betrokkene 1] de [verdachte] is van en nieuwkomer is binnen het beruchte chapter in Haarlem en hij in verband wordt gebracht met het plegen van strafbare feiten. [18] In het tweede bericht staat vermeld dat Hells Angels Haarlem voorman [betrokkene 1] uit is op oorlog en een harde lijn hanteert. [19]
B. Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen
Voorts leidt het hof uit de bewijsmiddelen af dat het plegen van strafbare gedragingen, met name geweld, door de Hells Angels Haarlem wordt aangemoedigd en beloond.
In het clubhuis hangt een oorkonde met de tekst ‘Deathhead Purple Heart’. Op de oorkonde staat in het Engels dat een ieder die dit heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. [20] Het hof leidt uit het dossier af dat de zogenaamde patch ‘dequiallo’ verdiend kan worden door toegepast geweld door clubleden van Hells Angels richting overheidspersoneel. Deze term is in het clubhuis op de muur geschilderd. [21] Vier leden van de Hells Angels Haarlem dragen deze patch: [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [medeverdachte 4] en [medeverdachte 2] . De pas ter zitting in hoger beroep naar voren gebrachte lezing die de verdachte hierover heeft gegeven, te weten dat leden van de Hells Angels die iets in hun leven hebben meegemaakt of overwonnen deze patch dragen, acht het hof gelet op het navolgende niet aannemelijk. In een afgeluisterd gesprek noemt [betrokkene 1] [betrokkene 3] een slappeling omdat hij nog geen ‘dequiallo’ heeft en zegt dat hij [verbalisant 1] (hof: de wijkagent [22] ) in elkaar moet stompen. [23] In de arrestantenbus op 26 januari 2017 zegt [betrokkene 3] dat ze voor zijn neus stonden en dat hij dacht aan ‘dequiallo’. [24] Ook in een ander gesprek zegt [betrokkene 3] : “
Als ik aangehouden word, ga ik voor dequiallo.” [25] Ten slotte heeft [betrokkene 2] ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat verzet bij arrestatie een betekenis van ‘dequiallo’ is. [26] Tijdens de clubvergadering van 16 september 2016 wordt het belang van het dragen van de patches door [medeverdachte 3] onderstreept: “
Het is een sowieso een straf als jij je patch niet aan mag, of je nou een T-shirt mag dragen of niet het gaat om je patch.” [27]
Ook gebruikt de Hells Angels Haarlem de ‘ball been hammer’ (bolhamer) als symbool. Dit symbool is bedoeld voor leden die geverifieerd geweld namens de club hebben gebruikt. [28] Op de motor van [medeverdachte 3] is een ‘ball peen hammer’ aangetroffen. [29]
Dat het plegen van strafbare feiten door de leden van de Hells Angels Haarlem volstrekt normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd – en daarmee indirect wordt aangemoedigd – blijkt ook uit de inzamelingen die voor gedetineerde leden worden georganiseerd, de zogenaamde Big House Crew. Op 23 juli 2016 vindt een inzameling plaats voor [betrokkene 1] die op dat moment gedetineerd zit. [30] In dat verband wijst het hof ook op de uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering op 16 september 2016: “
we moeten wel aan de toekomst denken en (...) laten we hopen van niet maar ik ken vast komen, hij ken vast komen als jij woorden krijgt met je buurman en je slaat hem achterstevoren dan ken je ook vast komen”, “
We kennen allemaal vastkomen” en “
dan moet het niet zo zijn dat nu moeten jullie voor mij betalen maar als er twee of drie man vast zitten dan heb je een fucking probleem.” [31] Op diezelfde clubvergadering zegt [betrokkene 1] : “
Hee als justitie zijn shit beter had geregeld en van der Valk betere camera’s had gehad ja? Dan had hij vast gezeten, had hij vast gezeten, had hij vast gezeten en had ik vast gezeten ja? [32]
De acceptatie van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels blijkt naar het oordeel van het hof eveneens uit de omstandigheid dat het niet de bedoeling is dat leden van de Hells Angels Haarlem (met de politie) praten. Dit volgt allereerst uit regel 12 van de clubregels van de Hells Angels Haarlem: “Alles wat Hells Angels H’lem met elkaar bespreken blijft tussen ons; dus wordt op geen enkele manier naar buiten gebracht.” [33] Op een muur in het clubhuis staat ook groot de tekst ‘omerta (hof: de geheimhoudingsplicht/zwijgplicht [34] )’ geschilderd. Na de aanhouding van leden van de Hells Angels Haarlem op 26 januari 2017 fluistert de verdachte in de arrestantenbus: “
zwijgen ... met alles [35]
Tevens wordt op de clubvergadering van 16 september 2016 gesproken over het ‘sweepen van het clubhuis’, waarna [betrokkene 1] zegt: “
je moet hier gewoon niet domme dingen lullen” en “
we zitten
allemaal van hier niet praten en daar niet praten als er echt wat te bespreken, wat we echt niet willen gaan we weg. Gaan we ergens anders heen simpel zat. Die dagelijkse dingen en die club dingen daar kennen we gewoon over praten.” [36] Tijdens een andere clubvergadering wordt [medeverdachte 4] aangesproken dat hij zijn telefoon moet weggooien en een nieuw nummer moet nemen, omdat ‘ze alles terug kunnen halen’. [37] Ten slotte blijkt ook uit een afgeluisterd gesprek van [medeverdachte 5] dat hij, wanneer een vrouw contact met hem zoekt die ervan wordt beschuldigd verdovende middelen te hebben gestolen vanuit het clubhuis van de Hells Angels te Haarlem, niet wil dat dit soort dingen over de telefoon wordt besproken. [38]
C. Misdrijven
Tevens blijkt uit de bewijsmiddelen in het dossier dat leden van de Hells Angels Haarlem zich in de tenlastegelegde periode schuldig hebben gemaakt aan het plegen van misdrijven, die naar het oordeel van het hof rechtstreeks verband houden met het charter. Het hof maakt daarbij een onderscheid tussen delicten waarbij sprake is van (fysieke en/of verbale) intimidatie en feiten die verband houden met wapenbezit.
Afpersing, dwang, bedreiging en mishandeling
Het hof leidt uit het dossier af dat een aantal strafbare feiten zijn gepleegd jegens personen omdat zij lid zijn van een andere motorclub dan wel omdat concurrentie van andere motorclubs niet wordt geduld. De verhouding tussen de Hells Angels Haarlem en andere motorclubs komt onder meer een aantal keer ter sprake tijdens de clubvergadering van 16 september 2016. Zo zegt [betrokkene 2] : “
wij kwamen er een paar weken geleden een tegen he? Ik dacht eerst No Surrender, ik rij de benzine pomp op, ik had bijna me stuur verbogen want er zaten een paar andere gasten, zat daar een Satu..” Ook [betrokkene 1] zegt: “
Onze club is het belangrijkste wij moeten met elkaar door een deur kennen en waarom moet je handjes schudden met Satudarah” en “
ik vind dat we alle recht van spreken hebben omdat we met heel veel dingen het voortouw hebben genomen en als enigste stad kunnen zeggen dat wij die kanker honden hier niet hebben en dat komt alleen maar door onze eigen houding die we hebben en wij kennen gewoon zeggen van luister als er geflikkerd word met die Satudarah’s, Bandidos, No Surender, Mongols, Outlaws die hele kanker zooi als Holland daar voor is dan krijgen we net als vorige keer gewoon weer tweestrijd.”
In zaaksdossier C-02 Alt is getuige [getuige 7] in zijn café door zes leden van de Hells Angels in full
colours gedwongen om zijn No Surrender-vest af te geven. De Hells Angels hebben [getuige 7] duidelijk gemaakt dat ze geen No Surrender in Haarlem willen. Toen [getuige 7] zijn lidmaatschap bij No Surrender niet had beëindigd, zoals hem door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] was opgedragen, is hij in hun bijzijn geslagen.
In dossier C-13 Vuurduin is getuige [getuige 11] , lid van de motorclub Satudarah, mishandeld door [betrokkene 3] . Volgens een getuige werd er ook ‘tering Satudarah’ geroepen. Na dit voorval is er contact tussen [betrokkene 2] , als ‘sergeant at arms’ van de Hells Angels Haarlem, en de ‘national sergeant’ van Satudarah. Getuige [getuige 2] , lid van No Surrender, wordt in zaaksdossier C-15 Martini (met voorbedachte raad) mishandeld door [betrokkene 2] . Deze mishandeling vindt plaats vlak nadat [betrokkene 2] door Meijnckens op de hoogte wordt gebracht van het feit dat hij een lid van No Surrender ziet rijden.
Ten slotte blijkt uit de zaaksdossiers C-04 Begles, C-05 Bornrif, C-07 Stereo en C-08 Kasteel dat [betrokkene 1] tweemaal opdracht gegeven heeft tot brandstichting bij sporthal De Weyver in Hoogwoud. Bij een van die brandstichtingen heeft hij de opdracht daartoe via [betrokkene 4] aan [betrokkene 3] gegeven, die voor de verdere uitvoering moest zorgdragen. [betrokkene 1] heeft ook op verschillende momenten dreigberichten naar [betrokkene 6] , de eigenaar van sporthal De Weyver, verstuurd. Door middel van deze dreigberichten en brandstichtingen heeft [betrokkene 1] [betrokkene 6] geprobeerd te dwingen om de jaarlijks georganiseerde choppershow van de motorclub Rogues MC geen doorgang te laten vinden.
Tevens hebben een aantal strafbare feiten plaatsgevonden tegen personen die (voorheen) gelieerd waren aan de Hells Angels Haarlem.
Toen de getuige [getuige 3] als ‘hangaround’ bij de Hells Angels Haarlem wilde stoppen, is geprobeerd hem met geweld en bedreiging met geweld te dwingen zijn motor af te geven, waarbij [betrokkene 3] [getuige 3] een klap in het gezicht heeft gegeven (zaaksdossier C-14 Uitkijk).
Ook [getuige 10] is door [betrokkene 1] en [betrokkene 2] afgeperst (zaaksdossier C-18 Wester). [getuige 10] was lid van Alcatraz Wanted, een supportclub van Hells Angels Haarlem, en had – in de ogen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] – nagelaten een envelop met ingezameld geld te bezorgen bij de vrouw van een gedetineerd lid van Alcatraz Wanted. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben daarin aanleiding gezien om aan [getuige 10] als lid van een supportclub een boete op te leggen. [getuige 10] moest om die reden een aantal keren naar het clubhuis komen, waar hij tevens klappen heeft gehad van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] .
Tenslotte hebben ook een aantal strafbare feiten plaatsgevonden tegen willekeurige personen. Uit het dossier blijkt dat [betrokkene 3] [getuige 8] heeft mishandeld nadat hij eerder heeft geprobeerd hem te dwingen tot afgifte van een geldbedrag (zaaksdossier C-16 Westpoint). In de afgeluisterde telefoongesprekken verwijst [betrokkene 3] naar de Hells Angels en dat de club ermee gemoeid is. Tevens blijkt daaruit dat [betrokkene 3] zich na de mishandeling van [getuige 8] moet melden in Haarlem. Ten overvloede merkt het hof op dat uit het dossier nog blijkt dat wanneer [betrokkene 3] erachter komt dat de getuige bij een andere motorclub zit, hij het helemaal een legitieme reden vindt en dat er dan helemaal op hem gejaagd gaat worden.
Voorts blijkt uit het zaaksdossier C-17 Millennium dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] [getuige 5]
hebben afgeperst door hem met bedreiging met geweld te dwingen tot de afgifte van € 10.000,-. Uit gesprekken in het dossier blijkt dat deze beslissing er lag en dat [betrokkene 2] en [betrokkene 1] hieraan uitvoering hebben gegeven.
Ten slotte is de getuige [getuige 6] door [betrokkene 2] en [betrokkene 1] gedwongen om zijn tattooshop in Haarlem te sluiten. Alhoewel [betrokkene 2] en [betrokkene 1] voor dit zaaksdossier (C-01 Budel) zijn vrijgesproken, nu het sluiten van de tattooshop door [getuige 6] niet in de tenlastegelegde periode heeft plaatsgevonden, blijkt naar het oordeel van het hof uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep dat de getuige zich door de mededelingen van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] , namelijk dat ze niet blij waren met de terugkomst van [getuige 6] in Haarlem en dat hij maar beter kon stoppen met zijn pas geopende tattooshop, genoodzaakt heeft gevoeld zijn tattooshop te sluiten.
Wapens en munitie
[betrokkene 1] en [betrokkene 3] hebben in het clubhuis van de Hells Angels Haarlem een vuurwapen en een geluiddemper voorhanden gehad (zaaksdossier C-19 Boor). Uit het dossier blijkt dat met dit wapen is geschoten, gelet op de kogel die in de openhaard van het clubhuis is aangetroffen.
Conclusie met betrekking tot het oogmerk
Het hof constateert dat de Hells Angels Haarlem een bedreigende en gewelddadige reputatie hebben en dat het plegen van strafbare feiten wordt aangemoedigd en beloond. Uit het voorgaande en de bewijsmiddelen in het dossier is tevens gebleken dat door de leden van de Hells Angels Haarlem strafbare feiten worden gepleegd uit naam van het charter en niet, zoals door de verdediging betoogd, op persoonlijke titel.
Om die reden komt het hof tot de conclusie dat de organisatie een oogmerk heeft gericht op het plegen van misdrijven, namelijk openlijke geweldpleging, brandstichting, dwang, bedreiging, (zware) mishandeling (met voorbedachte raad en van ambtenaren), afpersing en overtreding van de Wet wapens en munitie. Het hof acht onvoldoende bewijs aanwezig met betrekking tot het oogmerk ten aanzien van de overige tenlastegelegde misdrijven.
Deelneming
Beoordelingskader
Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad is sprake van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Sr Pro als de verdachte behoort tot het samenwerkingsverband én als de verdachte een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in artikel 140 Sr Pro bedoelde oogmerk.
Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken. In het bestanddeel
deelneming aaneen organisatie als bedoeld in art. 140 lid 1 Sr Pro ligt tevens het opzet van de verdachte besloten. Redelijke wetsuitleg brengt volgens de Hoge Raad mee dat voor "deelneming" voldoende is dat de verdachte in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het opzet van de verdachte moet dus zijn gericht op het deelnemen aan de organisatie. Volgt uit de bewijsvoering dat de verdachte een aan de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie
bijdragende of ondersteunende handeling heeft verricht, dan ligt daarin zijn wetenschap met betrekking tot dat oogmerk besloten.
Heeft [verdachte] aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen verricht?
Het hof zal hieronder verschillende handelingen van [verdachte] bespreken. Hierbij zal het hof telkens beoordelen of de betreffende handeling aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdraagt of ondersteunt.
Het hof leidt de betreffende handelingen veelal af uit OVC- dan wel tapgesprekken. In (de uitwerking van) deze gesprekken worden de deelnemers en de betrokkenen bij hun bijnaam, dan wel verkorte voornaam, genoemd. Voor een goed begrip van de gesprekken worden deze namen hier weergegeven [39] :
[betrokkene 1] :
, [betrokkene 1][betrokkene 2] :
, [betrokkene 2]
[betrokkene 3] :
Lange
[medeverdachte 1] :
[medeverdachte 1]
[medeverdachte 2] :
[medeverdachte 2]
[medeverdachte 3] :
[medeverdachte 3]
[medeverdachte 4] :
, [medeverdachte 4]
[medeverdachte 5] :
, [medeverdachte 5]
[verdachte] :
[verdachte]
[betrokkene 4] :
[betrokkene 4]

1.Deelnemen aan vergaderingen: besluitvorming/koersbepaling

[verdachte] heeft deelgenomen aan vergaderingen van de Hells Angels Haarlem. [40]
Algemene overweging over vergaderingen en besluitvormingsproces bij de Hells Angels HaarlemDe vergaderingen van de Hells Angels Haarlem zijn één keer in de twee weken en alleen toegankelijk voor de leden. [41] Er is sprake van een democratie. Tijdens de vergaderingen wordt gestemd en ieder member heeft een stem. Dat ieder member een stem heeft blijkt onder meer uit het volgende gesprek van 12 juni 2016 tussen [betrokkene 2] en [betrokkene 3] : ‘
zegt nou ik zal je eerlijk zeggen [medeverdachte 2] gaat er niet mee akkoord en [verdachte] wil ook zijn wijf mee dus die gaat tegen stemmen dat hebben ze al gezegd. (...) [betrokkene 2] zegt als de meeste stemmen voor zijn, ik denk het niet hoor. [medeverdachte 1] is tegen, jij, ik [betrokkene 1] , [medeverdachte 3]. [betrokkene 3] zegt nou dan zijn we er al. Nou alleen [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 2] ja en [medeverdachte 5].’ [42]
De beslissing of iemand member mag worden, wordt met 100% van de stemmen genomen en zo ook de beslissing of iemand de club moet verlaten. [43] Verder worden beslissingen met een meerderheid van stemmen genomen. [44]
Getuige [getuige 1] , lid van de Hells Angels Haarlem van ongeveer 2009 tot medio september 2014, heeft ter terechtzitting van het hof verklaard: “
als je niet aanwezig was op vergaderingen waarin beslissingen zouden worden genomen, dan werd er niet gestemd. Ik ben nog nooit geconfronteerd met beslissingen van de jonge garde(hof: [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] )
zonder dat de oude garde(hof: [verdachte] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] )
daarvan afwist.(...)
Het klopt dat hij(hof: [medeverdachte 5] )
niet veel op clubavonden en vergaderingen was. Als hij er niet was werden er geen besluiten genomen.” [45]
Getuige [getuige 4] , voormalig lid van de Hells Angels Haarlem, kreeg in augustus 2015 ‘patch in the box’ opgelegd en moest de club verlaten omdat hij zonder overleg een brief aan de burgemeester van Haarlem had geschreven. [46] [getuige 4] heeft ter terechtzitting van het hof verklaard: “
besluiten neem je met zijn allen. Het is een democratische club. Als iemand verhinderd is om te komen dan gaat het niet door. Alle leden moesten er zijn.(....).” [47]
Deze verklaringen vinden bevestiging in een gesprek van 9 augustus 2015 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] dat, naar het hof begrijpt, over [getuige 4] gaat. Uit dit gesprek blijkt dat een besluit wordt genomen waar iedereen bij is -zakelijk weergegeven-:
‘ [betrokkene 1] (hof: [betrokkene 1] ):
En hij gaat even leuk brieven schrijven. (..) Ik vind gewoon dat ie sowieso patch in de box gaat totdat ik terug ben. [betrokkene 3] (hof: [betrokkene 3] ):
Dat wilde ik doen, dat wilde ik vragen. Wat is je optie. Wachten tot jij terug bent en dan dat jij he eh een op.... eh gewoon dan regelt. (...)[betrokkene 1] : Als
het mijn mening is. Jullie zijn met allemaal volwassen gasten daarzo ja, en ik zou aan de ene kant niet weten waarom dit niet behandeld ken worden zonder dat ik erbij ben. [betrokkene 3]: (...)
dat wilde ik sowieso. We hebben nu afgesproken. We waren maar met 5 man. Binnen nu en anderhalve week zijn we helemaal compleet. Ik heb gezegd dat het ehh... [betrokkene 1] :
[medeverdachte 4](hof: [medeverdachte 4] )
is terug. [verdachte](hof: [verdachte] )
is ook terug als het goed is. [betrokkene 3]:
nee [verdachte] stuurde net nog een bericht die is langer en [medeverdachte 4] was ook nog niet terug die bleef ook langer. [betrokkene 1] :
Nee man. Ik heb [medeverdachte 4] gister gesproken. [betrokkene 3]:
Ohh dan was ie, donderdag was ie nog niet terug. (...)[betrokkene 1] :
Ik heb [medeverdachte 4] gister gesproken en [medeverdachte 4] zei dat [verdachte] vandaag terugkwam. [betrokkene 3]:
O dat zou kunnen want gisteravond kreeg ik een app want [verdachte] had zijn wacht niet geregeld. (...)[betrokkene 1] :
Alleen ik ga je 1 ding zeggen: Als er vanuit ons niet de goede keus wordt gemaakt. Daar heb ik schijt, dan ga ik, dan gooi ik het in Holland op tafel.[betrokkene 3]
: (..) Iedereen is hier nu compleet, ik wil dat ding op tafel hebben wat je geschreven hebt. Of het inderdaad wat je zegt.. dan gaan we allemaal beslissingen over nemen. En dan heb ik effe de tijd gehad met jou ruggenspraak te houden. (..) Daarom heb ik effe die 2 weken ook effe gezegd. De volgende meeting hebben we het erover. En [betrokkene 2](hof: [betrokkene 2] )
heb ook al gezegd dit kan gewoon niet.. NVT sancties op.. We gaan beslissen als de hele groep er is en dat wil ik ook dat ding op tafel hebben die brief, dus nahh datte die moet ie eh die moet ie gaan tonen. (...)[betrokkene 1] :
Fucking brief sturen met de burgemeester (...)[betrokkene 3]:
(...) Ik ga met [betrokkene 2] zo even kortsluiten. Als jij ook straks. Wanneer iedereen bij elkaar is, roepen we iedereen bij elkaar. Gaan we er gewoon eerder over hebben en klaar. Roep [betrokkene 2] maar op en zeg maar dat het eerder is, dat ie de brief meeneemt. En dan gaan we het erover hebben. En we een beslissing moeten nemen en dan loopt ie maar lekker weg. En dan gooien we hem, wat jij zegt, voorlopig in de box totdat jij terug bent. Is dat een optie?[betrokkene 1] :
Ja en als jullie de hardste beslissing zelf kennen nemen, dan ken dat ook.’ [48]
[betrokkene 1] was een deel van de tenlastegelegde periode gedetineerd en kon dus niet bij de vergaderingen zijn. Uit het hiervoor genoemde gesprek van 9 augustus 2015, alsmede uit de hierna genoemde gesprekken, blijkt dat [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] tijdens de detentie van [betrokkene 1] aan hem overbrengen waar beslissingen over moeten worden genomen en dat [betrokkene 1] via hen zijn stem uitbrengt.
De deelname en rol van [verdachte] aan/bij vergaderingen over:

Het door [getuige 3] moeten afstaan van zijn motor bij zijn vertrek
[getuige 3] was ‘hangaround’ bij de Hells Angels Haarlem en wilde stoppen. Op 18 augustus 2015 heeft hij een ontmoeting met [betrokkene 3] en [betrokkene 2] , waarbij hem door hen te verstaan wordt gegeven dat hij zijn motor dient in te leveren. [49]
In een OVC gesprek van 30 juni 2015, opgenomen in de PI, bespreekt [betrokkene 4] de situatie rond [getuige 3] met [betrokkene 1] -zakelijk weergegeven-:
‘S (hof: [betrokkene 4] ):
[betrokkene 2](hof: [betrokkene 2] )
denkt dat [getuige 3] wil stoppen (..). Hij(hof: [betrokkene 2] )
vroeg aan mij wat ‘ie moet doen als ‘ie(hof: [getuige 3] )
wil stoppen. Of ’t ie dan terug naar Redline mag of dat je hem dan helemaal wil deleten?L (hof: [betrokkene 1] ):
Nee. Ik denk dan deleten. S:
Oh, oké. En z’n motor?L:
lekker laten staan. S:
Oké. Dat wou die(hof: [betrokkene 2] )
effen weten. Dan kan ik dat doorgeven want [medeverdachte 1](hof: [medeverdachte 1] )
had gezegd ‘ja, anders kan ie misschien maar beter terug naar de Redline.’ ‘L:
Nee, dat werkt niet. (..) S:
Maar in ieder geval ken ik hem(hof: [betrokkene 2] )
antwoord geven. Dan weet ie een beetje hoe jij erover denkt. (...) Anders weet je het wel he?Ze kunnen niks beslissen zonder jou(..).’ [50]
In een OVC gesprek van 22 juli 2015, opgenomen in de PI, tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] bespreekt [betrokkene 4] “het probleem [getuige 3] ” met [betrokkene 1] -zakelijk weergegeven-:
‘S (hof: [betrokkene 4] ),
Nou dan hebben we [getuige 3] , het probleem [getuige 3] . (..) Hij wil echt stoppen hoor. Hij had tegen [betrokkene 3](hof: [betrokkene 3] )
had gezegd van [getuige 3] euh weet je (...) Hij(hof: [betrokkene 3] )
zegt dus ik hou het zo lang mogelijk vol maar hij zei je moet wel effe aan [betrokkene 1](hof: [betrokkene 1] )
vragen als hij(hof: [getuige 3] )
dan echt niet meer wil hij(hof: [betrokkene 1] )
zegt of we hem dan kennen laten gaan. Hij zegt of dat we gewoon moeten slikken en hem moeten houden. L:
overst.... simpel onverst...S:
Oke dat zal ik zeggen. Dat zeg ik tegen [betrokkene 3] (..) En euh hij(hof: [betrokkene 3] )
zegt ja en als hij er uit moet, we hadden het over me ouders hun huis. Hij zegt weet je wat ik vind dat wij wat voor je ouders eigenlijk moeten doen. (…) Hij zegt want ik vind als [getuige 3] zijn motor dan achter laat en we verkopen die motor. Hij zegt en die verkopen we voor 10 dat je ouders dan van ons 5000 krijgen om een dingetje. Hij zegt maar dat moet je effe aan [betrokkene 1] vragen hoe hij dat wil, maardan ga ik het in de groep gooien.’ [51]
Op 13 augustus 2015 hebben [betrokkene 3] en [betrokkene 1] een telefoongesprek, opgenomen in de PI -zakelijk weergegeven-:
‘F (hof [betrokkene 3] ):
ik kreeg net een appje van onze vriend [getuige 3](hof: [getuige 3] ).
[medeverdachte 2](hof: [medeverdachte 2] )
heeft hem gevraagd hoe het met hem ging qua gezondheid en hij appt een hele lange tekst terug die hij ook naar mij gestuurd heeft. (...) De club wordt gewoon niks meer. Dat staat er 2x in dus dan weet je dat.L (hof: [betrokkene 1] ):
Je weet wat hebben afgesproken. Dat hoeft dan ook niet te wachten. F
: dan weet je het ff, [medeverdachte 2] weet het ook.Zo meteen heb ik het er met de gasten even over over het sms’je of appje dat ik gehad heb. Maar dan ben je in ieder geval op de hoogte. Hoef je me ook niet meer te bellen. L:
Zeker maar ook dat hij niet het respect heb om te wachten, weer gaat lopen mauwen en weet ik veel wat. Weet je wat je te doen staat. Ja toch?F:
daarom dan weet jij het ook effentjes. Hoef jij ook niet te bellen en te doen.Terwijl wij misschien een andere koers gaan varen.’ [52]
Naar het oordeel van het hof blijkt uit het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, dat door alle leden van de HelIs Angels Haarlem, dus ook door [verdachte] , is vergaderd en gestemd over het door [getuige 3] achter moeten laten van zijn motor in verband met zijn wens te stoppen bij de Hells Angels. Kennelijk is in deze besluitvorming geen andere koers gevaren dan die door [betrokkene 1] werd voorgestaan.

Het opleggen van een boete aan [getuige 5]
heeft op 15 december 2015 in het kader van een boete een bedrag van € 10.000,00 aan [betrokkene 1] betaald. [53]
In het dossier bevindt zich een OVC-gesprek van 10 december 2015 tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en een NN-man, opgenomen in een auto. Het hof begrijpt dat dit gesprek over [getuige 5] gaat, omdat er wordt gesproken over ’’[getuige 5]” en hoe lang en goed [betrokkene 1] hem kent en een “dubbele wagen” (hof: het bedrijf van [getuige 5] exploiteert gebak- en poffertjeskramen). Een zakelijke weergave van dit gesprek:
‘L (hof: [betrokkene 1] ): ...
(ntv) jongens... ken ik niet zeggen van ehh gaan we even anders doen of weet ik veel wat. (...) en daarom, ik zeg je heel eerlijk. Ik heb ook helemaal geen zin om me erin te mengen of in te doen ofzomaar ik sta gewoon achter de jongens die een beslissing hebben genomen en dan sta ik daar gewoon achter.NN-man:
Ja natuurlijk, je hebt gelijk. L:
En op het moment dat er geen beslissing is genomen en je bent buiten en je ken met elkaar iets oplossen, dan los je het op. (...) Alleen ik was er niet. (....) het is een opeenstapeling van dingen. Ook ehhh met die auto van Wil en weet ik wat veel allemaal. (..) Dus ehhh die jongens pikken dat gewoon niet. En dan vind ik het kut omdat hij mij .. (ntv) denkt dat ik wat ken veranderen ofzo voor hem maar ik ken helemaal niks veranderen. Omdat wij staan als mannen achter mekaar, zo hoe het hoort.NN:
Ja weet ik.L:
En daar ken niemand wat aan veranderen. N:
Ik weet hoe het werkt. L: (..)
het is heel simpel, ik werk niet voor de Verenigde Naties of weet ik veel allemaal. Als hun wat zeggen dan is het gewoon zo.(..)
Zelfs jou ken ik minder goed en lang dan ik [getuige 5] ken maar als er een probleem is met één van onze jongens en jij komt naar mij toe voordat er dingen uitgesproken zijn (...) dan kan ik mijn beste beentje voor zetten en ken ik kijken wat ik kan doen. (..)Maar op het moment dat er beslissingen zijn genomen dan eh kan ik er ook niks meer aan doen. Want wij zijn mannen van ons woord en als er ehh met zijn allen wordt gezegd van zo gaat het gebeuren dan gaat het uiteindelijk zo gebeuren. (...) wij als brothers gaan elkaar daar niet op ehh .. (ntv) afvallen. (…) Hun hebben mij precies uitgelegd wat er gezegd is wat er gedaan is en daar sta ik gewoon vierkant achter. (hof: nadat de NN-man de auto uitstapt gaat het gesprek verder) L:
Het blijft geen feest. (..)’. [54]
Het hof leidt uit dit gesprek, dat in lijn is met het gebleken besluitvormingsproces binnen de Hells Angels Haarlem, af dat door alle leden van de Hells Angels Haarlem, dus ook door [verdachte] , is vergaderd en gestemd over het opleggen van een boete aan [getuige 5] .
• De relatie met andere motorclubs
[verdachte] heeft deelgenomen aan een vergadering/bespreking van 26 mei 2016 in het clubhuis van de Hells Angels Haarlem -zakelijk weergegeven-: ‘ [betrokkene 2] (hof; [betrokkene 2] ):
het ergste nog is. Amsterdam kwam met nog een vraag. Ze wilden weer in contact komen met de Satoes?’(..) NN-man:
dit is toch waanzin. [betrokkene 3] (hof: [betrokkene 3] ):
[betrokkene 2](hof: [betrokkene 2] )
en ik hebben heel hard gas op gegeven(..). [verdachte] (hof: [verdachte] ):
op het moment dat er lokaal wat aan de hand is, wordt er lokaal gepraat. En dan heb ik het niet over Satudarah. Ntv afspraken... No Surrender tering sus of zo. Iedereen lokaal. Ntv. Dat wel de afspraak. (...) Het is gewoon duidelijk Haarlem is tegen. We blijven gewoon nee zeggen. We moeten vragen om uitleg. En dan vragen we gewoon: waar wil jij dan over praten? (...) We kenne dr heel erg lang over door blijven praten maar mijn mening is heel duidelijk nee.’ [55]
Ook heeft [verdachte] deelgenomen aan een vergadering op het clubhuis op 17 december 2015, betreffende de mishandeling eerder die dag door [betrokkene 2] van een lid van No Surrender, [getuige 2] . [56] Dit blijkt uit het volgende.
Op 17 december 2015, nadat deze mishandeling heeft plaatsgevonden, belt [betrokkene 1] naar [medeverdachte 3] - zakelijk weergegeven-: ‘L (hof: [betrokkene 1] ):
hee [medeverdachte 3](hof: [medeverdachte 3] )
effe niet..niet dat ik jou gepasseerd heb, maar ik heb net [betrokkene 7](hof: [betrokkene 7], National Secretary Hells Angels Holland)
gevraagd of tie een kopje koffie vanavond bij ons wilde regelen. (...) jij hoeft waarschijnlijk geen bevestigingsmail te sturen, omdat wij het zelf hebben gevraagd.’ [57]
“Koffie vanavond” betekent: een vergadering. [58]
Die dag aan het eind van de middag voert [betrokkene 1] een telefoongesprek met [medeverdachte 1] -zakelijk weergegeven-:
‘[medeverdachte 1] (hof: [medeverdachte 1] ) had gezegd, omdat hij morgen weggaat, dat hij niet kwam. [betrokkene 1] (hof: [betrokkene 1] ):
naar aanleiding van gister is er geen aanleiding om te komen, maar er is vandaag wel watvoorgevallen, dus wij hebben wel koffie vanavond, laat maar zeggen. (...) je kan zeggen, ik hoor het later, maar dan weet je in ieder geval wel, dat er zo wat besproken wordt. [medeverdachte 1]:
oké.. en hoe laat is dat, de koffie? [betrokkene 1] :
koffie is altijd 9 uur he..[medeverdachte 1] vindt 9 uur wel erg laat en moet even kijken. [medeverdachte 1] ziet [verdachte] en [medeverdachte 4] morgen. [betrokkene 1] zal [verdachte] informeren en dan hoort [medeverdachte 1] het morgen wel van [verdachte].’ [59]

De koers/toekomst van de organisatie zelf en verhullen/afdekkenOp 16 september 2016 vindt er een vergadering plaats op het clubhuis. [60] [betrokkene 1] is op dat moment met weekendverlof vanuit zijn detentie. [61] [verdachte] heeft aan deze vergadering deelgenomen, niet alleen wordt hij door een verbalisant herkend op de camerabeelden van die avond, gericht op het clubhuis van de Hells Angels te Haarlem [62] , het blijkt ook uit de opmerking van [betrokkene 1] aan het begin van de vergadering: “
zullen we dan maar effe lekker beginnen dan kunnen we daarna nog effe gezellig napraten. Ik ben blij jullie allemaal weer effe te zien.” [63] Voorts wordt de naam “[verdachte]” genoemd. [64]
Tijdens de vergadering wordt ook gesproken over de koers/toekomst van de organisatie -zakelijk weergegeven-:
‘ [betrokkene 1] (hof: [betrokkene 1] ):
We hoeven geen troep aan te halen maar we moeten er wel voor zorgen dat onze club weer gezond gaat worden en we zijn gezond met de jongens wie we zijn alleen we moeten wel aan de toekomst denken en ik zeg je euhh laten we hopen van niet maar ik ken vast komen, hij ken vast komen als jij woorden krijgt met je buurman en je slaat hem achterstevoren dan ken je ook vast komen, we kennen allemaal wat gebeuren. Wij zijn bij politie en justitie een doorn in het oog. [65] [betrokkene 2] (hof: [betrokkene 2] ) zegt:
weet je wat het is, dit chapter staat gewoon kei en kei hard in Holland bekend, ik hoor de laatste tijd, we zijn, weet je, euhhh te extreem dit en dat zus en zo. (..) Ze willen hier wel komen de jongens van buiten, ze willen biertje doen, ze willen stoer zijn, effe fotootje maken bla bla bla maar op het punt dat ze over het lijntje moeten springen, raken ze zwaar in paniek want ze denken alleen maar negatieve shit, dat ze geld moeten afstaan, dat ze klappen krijgen als ze het niet goed doen, dat ze 24 uur hier moeten lopen, dat beleid is gewoon te donker dat weten ze niet snap je? [66] [betrokkene 1] zegt
(..) ik heb een beetje zitten rekenen maar ik denk dat we echt blij mogen zijn als we zo meteen gewoon 15 members hebben en dat is dan niet super groot maar het vult het wel aan en als er dan eens 2 van ons in de problemen zitten of weef ik veel wat, dan valt het niet op, is er geen probleem(..).’ [67]
[betrokkene 1] : ‘
Hee als justitie zijn shit beter had geregeld en Van der Valk(het hof begrijpt dat hier wordt gesproken over de vechtpartij tussen de Hells Angels en de Mongols in het Van der Valk hotel te Rotterdam op 7 april 2016)
betere camera’s had gehad ja? Dan had hij vast gezeten, had hij vast gezeten, had hij vastgezeten en had ik vastgezeten ja?NNman [medeverdachte 3] (hof: [medeverdachte 3] ):
ja, dat weet ik. [betrokkene 1] :
en dan hadden we allemaal een probleem gehad. NNman ([medeverdachte 3]):
mother fucking probleem gehad ja. [betrokkene 1] :
snap je wat ik bedoel en dat is gewoon en dat is iets waar we nu over na moeten denken. Dat we sowieso niet meer op deze manier moeten handelen.(..) [betrokkene 2] valt [betrokkene 1] in de rede:
maar [betrokkene 1] , wij hebben ook zitten brainstormen met elkaar, we hebben ook meetingen met elkaar erover gehad, kijk dat beleid wat hier is (..) we moeten soms ook daar in de richtlijnen, niet de richtlijnen van de club maar he het elastiek van de broekriem misschien wat losser doen. Het is wat je zegt je zal mensen moeten hebben of gebruiken maar het is heel moeilijk. [betrokkene 1] :
ja maar als ik op die manier een brother moet binnen halen dan is het al niet meer me brother dan is het een gebruiksvoorwerp.’ [68]
Tevens wordt op deze vergadering gesproken over verhullen en afdekken -zakelijk weergegeven-:
‘[betrokkene 2] (hof: [betrokkene 2] ) zegt
dan heb ik nog een dingetje dat euhh sweep ding want die was niet in orde en ik wil eigenlijk vragen dat we na het feest volgende week ofzo het clubhuis weer eens sweepen. [betrokkene 1] (hof: [betrokkene 1] ) zegt
mag ik euhh zal ik je heel eerlijk zeggen het is allemaal hartstikke fijn dat je dat wil doen maar als hun af willen luisteren doen ze het niet meer door microfoontjes hier te plaatsen dan zitten ze daar verderop dan kennen ze op afstand kennen ze hier op richten en dan horen ze alles (..) je moet hier gewoon niet domme dingen lullen (..) je ziet het nu weer met die fucking No Surrender met die [betrokkene 8] ehh ze hebben gewoon het clubhuis in Amsterdam afgeluisterd van No Surrender en daar zijn gewoon belastende tapes uitgekomen en die zijn gewoon toegevoegd bij zijn dossier, zo simpel is het en dat weten we allemaal want we zitten allemaal van hier niet praten en daar niet praten als er echt wat te bespreken, wat we echt niet willen gaan we weg. Gaan we ergens anders heen simpel zat.’ [69]
Aan de, verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen?
[verdachte] heeft met de andere leden van de Hells Angels Haarlem vergaderd en gestemd over concrete, door de organisatie te plegen strafbare feiten en heeft vergaderd over gepleegde strafbare feiten. Voorts heeft [verdachte] bijgedragen aan/ondersteund de vijandigheid en de gewelddadigheid van de Hells Angels Haarlem richting onder meer Satudarah, No Surrender en de Mongols. Dit wordt bevestigd door [betrokkene 1] tijdens de vergadering op het clubhuis van 16 september 2016:
‘ [betrokkene 1] ' (hof: [betrokkene 1] ): (..) heel raar dat Amsterdam er weer over begint (hof: over contact met
Satudarah) (...)
ik vind dat we alle recht van spreken hebben omdat we met heel veel dingen het voortouw hebben genomen en als enigste stad kunnen zeggen dat wij die kankerhonden hier niet hebben en dat komt alleen maar door onze eigen houding die we hebben en wij kennen gewoon zeggen van luister als er geflikkerd wordt met die Satudarah’s, Bandidos, No Surrender, Mongols, Outlaws die hele kankerzooi als Holland daar voor is dan krijgen we net als vorige keer gewoon weer tweestrijd.’ [70]
Verder is [verdachte] door zijn aanwezigheid bij de vergadering van 16 september 2016 betrokken bij gesprekken over de (moeizame, want het beleid van het chapter is “te donker”) werving van nieuwe leden voor de Hells Angels Haarlem en de toekomst van de organisatie, die op het spel kan komen te staan als er teveel leden gedetineerd raken, zoals bijvoorbeeld dreigde in verband met het treffen tussen de Hells Angels en de Mongols in het Van der Valk hotel te Rotterdam. [verdachte] heeft voorts deelgenomen aan gesprekken over verhulling en afdekking verband houdende met het criminele oogmerk van de organisatie, aan welke verhulling en afdekking hij, blijkens hetgeen op de vergadering wordt besproken, ook actief meewerkt.
Het hof merkt, gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, de onderhavige gedragingen van [verdachte] aan als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie.
2. Wachtlopen
Bij de doorzoeking in het clubhuis op 26 januari 2017 is een “wachtlijst” aangetroffen, met hierop namen van leden van de Hells Angels Haarlem, namelijk:
[verdachte](hof: [verdachte] ),
[medeverdachte 1](hof: [medeverdachte 1] ),
[medeverdachte 2](hof: [medeverdachte 2] ),
[medeverdachte 3](hof: [medeverdachte 3] ),
[betrokkene 3](hof: [betrokkene 3] ),
[medeverdachte 4](hof: [medeverdachte 4] ),
[medeverdachte 5](hof: [medeverdachte 5] ) en
[betrokkene 2](hof: [betrokkene 2] . Op de lijst staan de dagen van de week en bijbehorende datum. Ook staat er een kolom “ruil” op. [71] [verdachte] heeft ter terechtzitting van het hof verklaard dat de “wachtlijst” inhoudt dat je van 19:00 uur tot 6.00 uur aanwezig bent op het clubhuis. [72] In het dossier bevindt zich een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] van 26 december 2015: ‘
[medeverdachte 2](hof: [medeverdachte 2] )
vraagt of hij wacht heeft vanavond. Ja, zegt [betrokkene 2](hof: [betrokkene 2] ).
Je hebt geruild met [medeverdachte 5](hof: [medeverdachte 5] )
of met [verdachte](hof: [verdachte] ).
Het staat op de lijst.’ [73] Het hof stelt dan ook vast dat [verdachte] wacht heeft gelopen bij het clubhuis.
Aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling?
[verdachte] heeft verklaard dat er “wacht” is, omdat een buitenlands member (onverwacht) langs kan komen en opgevangen dient te worden. Het hof overweegt met betrekking tot het doel van dit wachtlopen het volgende. In het dossier bevindt zich een in de auto opgenomen gesprek van 4 januari 2016 tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 2] (‘s middags) en later die dag (’s avonds) tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] :
‘L (hof: [betrokkene 1] ):
Maar weet je wat het is die gasten van ons hebben geen gevoel pik voor de club (...) ik heb de hele tijd zitten kijken met dat ding hij is niet verroerd helemaal niks niet en iedereen moet er nu dan toch van op de hoogte zijn. R (hof: [betrokkene 2] ): Ik heb hem zo ingepakt weer. L: Ja maar hij ligt daar de hele tijd zo. (...) R
: Ik had hem laatst in me handen. Ik was benieuwd. Ik denk zal ik zelf in de garage schieten kijken hoe dat klinkt. L:
hij staat op scherp he. (..). [74]
[betrokkene 1] en [betrokkene 4] stappen in de auto en het gesprek gaat vervolgens (om 20:36 uur) tussen hen verder;
(…)
L:
En dan merk ik gewoon dat discussies soms zo maar een kant op gaan waar het helemaal niet heen hoort te gaan. En dan euh stond ik op sloeg ik zo met twee vuisten op tafel. Nou ben ik het zat. Ik zeg met dat kanker gezeik over dat ding.’ S (hof: [betrokkene 4] ):
Ooh, alweer. L:
ik zeg de eerste de beste kankerlijer die niet dat ding gebruikt als er iemand voor de deur gaat er bad standing uit.’ S:
en wat zeiden ze?’L:
Ik zeg we hebben het toch afgesproken. Ja ja nee toen toen in keer begon iedereen het effe te snappen weer ehh. S:
en wat zei [medeverdachte 5](hof: [medeverdachte 5] )?’ L:
ja die vond dat geen probleem maar (ntv) vond hij wel een probleem. Ik zeg luister 10 maanden meer misschien euh mongool. Ik zeg wat denk je wat er gebeurt als hier iemand voor de deur staat en schiet hem door zijn kankerpan heen. Hoeveel straf je dan krijgt, mafkees. Ik zeg dan ga jij lopen muilen over een paar maanden.’ [75]
In het dossier bevindt zich tevens een gesprek tussen [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] van 30 november 2015 -zakelijk weergegeven-: ‘F (hof: [betrokkene 3] ):
hee broer ehh. je ken ook kerst en oud en nieuw er wel uitlaten denk ik.R (hof: [betrokkene 2] ):
ik laat niks eruit, vul het gewoon in want ehh de eerste kerstdag is al opgevuld (..) er zal toch...dr zal toch een wacht gelopen moeten worden.’ [76] Voorts bevindt zich in het dossier een gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , gevoerd in de ochtend van 18 december 2015, de dag na de mishandeling van No Surrender lid [getuige 2] en de (spoed)vergadering daarover op het clubhuis: ‘L (hof: [betrokkene 1] );
Er zitten nog een paar gasten van die overgebleven zijn hier van de meeting (..) Het leek ons goed om goed bemand te zijn vanavond eventjes hier.’ [77]
Op grond van deze gesprekken, in combinatie met het criminele oogmerk van de organisatie, concludeert het hof dat het doel van het wachtlopen de beveiliging van het clubhuis is. Er is kennelijk op enig moment een vuurwapen in het clubhuis aanwezig dat gebruikt kan worden in het geval van eventuele indringers en het clubhuis moet zelfs met Kerst en Oud en Nieuw bemand zijn, dagen waarop het onwaarschijnlijk is dat een buitenlands member spontaan zou langskomen. Voorts moet het clubhuis extra beveiligd worden na de mishandeling door [betrokkene 2] van een lid van No Surrender.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen acht het hof het wachtlopen door [verdachte] ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie.

3. Betalen voor een gedetineerd lid

Bij de doorzoeking in het clubhuis op 26 januari 2017 zijn twee “BHC”-potten aangetroffen. BHC staat voor ‘Big House Crew’. Hierover heeft [medeverdachte 3] als getuige ter terechtzitting van het hof verklaard: “
dit is een pot met geld voor jongens die vastzitten.” [78] Op een van de potten staat de naam “[betrokkene 1]”. [79] Tijdens de vergadering van 16 september 2016 wordt, zoals hiervoor al weergegeven, besproken dat er nieuwe aanwinsten (hof: nieuwe leden) nodig zijn. [betrokkene 1] , op dat moment met verlof uit zijn detentie, zegt: ‘
kijk wij hebben een huurhuis ja? En wij redden het financieel wel (..) Maar ik weet ook, ik zie hier ook mensen die een fucking baan hebben met een contract, fucking hypotheken hebben, die echt fucking gezeik krijgen wanneer ze een tijdje weggaan en weet je wat het allerergste dan is dan moet het niet zo zijn dat nu moeten jullie voor mij betalen(..).’ [80]
Uit het voorgaande, in onderlinge samenhang, leidt het hof af dat [verdachte] voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens diens detentie.
Aan het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling?
[betrokkene 1] was gedetineerd in verband met een veroordeling voor bezit van diverse, zware wapens. [81] Zoals het hof hiervoor al uiteen heeft gezet, oefende [betrokkene 1] vanuit detentie, via [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , zijn invloed en stemrecht uit bij de Hells Angels Haarlem. Naar het oordeel van het hof is de betaling door [verdachte] voor [betrokkene 1] aan te merken als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie.

4.Betalen van contributie

[verdachte] heeft een contributie van € 150,- per maand betaald voor het lidmaatschap van de Hells Angels Haarlem. [82] [medeverdachte 3] heeft als getuige ter terechtzitting van het hof verklaard dat hiermee de vaste lasten voor het clubhuis werden betaald, namelijk gas, water en licht, internet en de “WOZ” (het hof begrijpt: de gemeentelijke belastingen). [83]
Aan het oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handeling?
Het hof overweegt dat het clubhuis het hart vormt van de Hells Angels Haarlem. Hier komen de leden samen, worden er besluiten genomen en allerlei andere gesprekken gevoerd in verband met het criminele oogmerk van de organisatie. Het clubhuis moet worden ‘gesweept’ en bewaakt en er wordt geld ingezameld voor gedetineerde leden. Het betalen van de vaste lasten voor dit clubhuis beschouwt het hof dan ook ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie.
Conclusie met betrekking tot wetenschap
In het verrichten van al de hiervoor genoemde gedragingen, waarmee [verdachte] aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende en ondersteunende handelingen heeft verricht, ligt wetenschap van [verdachte] van dit oogmerk besloten. De stelling van [verdachte] dat hij niet van het criminele oogmerk van de organisatie heeft geweten en hooguit achteraf wel eens iets heeft gehoord over (mogelijk) gepleegde strafbare feiten, wordt weersproken door de bewijsmiddelen.
Eindconclusie
Het hof acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen.’
8. In de aanvulling zijn een groot aantal bewijsmiddelen opgenomen. In de conclusie in de zaak van medeverdachte [medeverdachte 5] , die ik vandaag eveneens neem, zijn de bewijsmiddelen integraal overgenomen. De bewijsmiddelen die in de andere zaken in de aanvulling zijn opgenomen komen daar grotendeels mee overeen. De klachten richten zich hoofdzakelijk op de overwegingen in het bestreden arrest. In dat licht volsta ik in de onderhavige zaak wat de bewijsmiddelen in de aanvulling betreft met het weergeven van de door de verdachte afgelegde verklaringen die door het hof voor het bewijs zijn gebezigd en (delen van) enkele andere bewijsmiddelen waar in het navolgende naar wordt verwezen (onder toevoeging van vernummering):
‘1. De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting van de rechtbank van 26 maart 2018
Deze verklaring houdt onder meer het volgende in:
Ik ben sinds 2001 lid van de Hells Angels. Ik ben een tijd geleden president geweest. Ik was regelmatig op het clubhuis.
Als ik op de motor zat had ik een vestje aan. We gingen heel vaak motor rijden met een aantal jongens. Dan had ik mijn Hells Angels shirtje aan. Ik heb een tatoeage van de Hells Angels. Ik ken [betrokkene 4] . Zij is de vrouw van [betrokkene 1] . Ik ken [getuige 1] .
Ik word [verdachte] genoemd.
Ik ging zelf het clubhuis binnen met de sleutel.
U vraagt mij of er meerdere leden zijn die [verdachte] heten. Nee.
(…)
2, Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 25 augustus 2015 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Ik verbalisant, [verbalisant 2], BOA van Politie (…) en werkzaam als Operationeel Specialist B bij de Eenheid Noord-Holland, verklaar het volgende:
Binnen het Titel V onderzoek naar de Hells Angels Haarlem zijn de bankafschriften opgevraagd van de Stichting Hells Angels Haarlem bij ABN AMRO bank over de periode 1 januari 2013 t/m 10 juli 2015.
Uit de bankafschriften van bankrekening [001] blijkt het volgende:
Soort rekening: Bestuursrekening
Tenaamstelling: Stichting Hells Angels Haarlem
t.a.v. [verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] Haarlem
Beginsaldo: € 1.159,28 credit (31-12-2012)
Eindsaldo € 2.902,36 credit (datum bankafschrift is 14-07-2015)
Op de bankrekening vonden de volgende (noemenswaardige) bijschrijvingen plaats:
Per jaar (totalen) werden de volgende bedragen contant op de rekening gestort
2013 € 17.285,00
2014 € 14.920,00
2015 (- 14/07) € 8.600,00
Totaal € 40.805,00
Op de rekening vonden de volgende (noemenswaardige) afschrijvingen plaats:
Er werden diverse bedragen voor verschillende personen overgemaakt naar verschillende Pi’s (penitentiaire inrichting).
In 2013 was dit een bedrag van € 1.600,00 t.b.v. [betrokkene 9]
In 2014 was dit een bedrag van € 1.440,00 t.b.v. [medeverdachte 4] en [betrokkene 9]
In 2015 was dit een bedrag van € 1.800,00 t.b.v. [medeverdachte 4] en [betrokkene 1]
Van de rekening werden de volgende betalingen voor vaste lasten gedaan (de bedragen zijn totalen over de gehele periode):
UPC (communicatie) € 3.282,46
Gemeentebelasting € 5.771,48 (en € 157,64 ontvangen inzake gemeentebelasting)
NUON (GWL) € 10.723,21 (en € 671,09 ontvangen van NUON)
3. Een proces-verbaal van bevindingen van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 22 augustus 2016 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Ik verbalisant, [verbalisant 2], BOA van Politie (…) en werkzaam als Operationeel Specialist B bij de Eenheid Noord-Holland, verklaar het volgende:
Binnen het Titel V onderzoek naar de Hells Angels Haarlem zijn de bankafschriften opgevraagd van de Stichting Hells Angels Haarlem bij de ABN AMRO bank over de periode 11 juli 2015 t/m 19 januari 2016.
Uit de bankafschriften van bankrekening [001] blijkt het volgende:
Soort rekening: Bestuurrekening
Tenaamstelling: Stichting Hells Angels Haarlem
t.a.v. [verdachte]
[a-straat 1]
[postcode] Haarlem
Beginsaldo: € 2.902,36 credit (datum bankafschrift is 14-07-2015)
Eindsaldo: € 1.950,82 credit (datum bankafschrift is 12-01-2016)
Bijschrijvingen
De rekening wordt gevoed door de volgende contante stortingen:
10-08-2015 € 1.000,00 Europaboulevard 154(G) A,PAS [002]
04-09-2015 € 3.550,00 Europaboulevard 154(G) A,PAS [002]
06-11-2015 € 2.415,00 Europaboulevard 154(G) A,PAS [002]
22-12-2015 € 1.000,00 Europaboulevard 154(G) A,PAS [002]
Afschrijvingen
Eenmalige overboekingen
€ 2.882,64 [A] NV inz. Polisnr [003]/ [a-straat 1] Haarlem
€ 1.200,00 [betrokkene 10] [004] inz. Thanks from Haarlem Holland
Terugkerende overboekingen
Ziggo (maandelijks) bedrag variërend tussen de € 126,90 en € 131,48
NUON € 321,00 (maandelijks)
PB Sound BV € 190,58 (per kwartaal)
Diverse overboekingen naar eigen rekeningen van de Hells Angels i.v.m. kosten.
PI Zwaag [betrokkene 1] [geboortedatum]-1982
10-08-2015 € 400,00
04-09-2015 € 400,00
12-10-2015 € 400,00
4. De verklaring van [verdachte] als getuige ter terechtzitting van het hof van 19 januari 2021, (…) en bij gebleven als verdachte ter terechtzitting van het hof van 21 januari 2021, (…).
Deze verklaring houdt onder meer het volgende in:
De contributie bedroeg 6 150,00 euro per maand. Iedereen betaalde contributie behalve [medeverdachte 5] . Hij is met pensioen. Iedereen betaalde evenveel contributie. Met deze gelden worden het clubhuis, verzekeringen, de WOZ-waarde en de televisie betaald, de huishoudelijke dingen.
De vergaderingen waren één keer in de twee weken en soms één keer in de maand. Het was meestal op donderdagavond. Soms was iedereen daarbij aanwezig en soms niet. Er werd gesproken over koetjes en kalfjes. Over dingen die een vereniging aangaan, bijvoorbeeld of iemand
hangaroundwordt en hoe die gozer is. Er werd vooral ook over huishoudelijke dingen gesproken. We spraken ook over moties waarover we moesten stemmen.
(…)
5. De verklaring van [verdachte] als verdachte ter terechtzitting van het hof van 21 januari 2021 (…)
Deze verklaring houdt onder meer het volgende in:
U houdt mij voor dat tijdens de doorzoeking in het clubhuis een document is aangetroffen getiteld Angels MC Haarlem Holland Clubregels’; U vraagt hoe de regels aan een nieuwe member werden uitgelegd. De regels werden voorgelezen. Ik heb dat zelf ook wel ééns gedaan. Bij mij zijn de regels ook voorgelezen (...).
(…)
6. Een proces-verbaal van bevindingen beluisterde OVC gesprekken in Volkswagen, type Golf, kleur zwart, voorzien van kenteken: [kenteken], van de datum 09-06-2016 van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 15 juli 2016 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Door de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland en de rechtercommissaris van de Rechtbank Noord-Holland zijn [...] een machtiging tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel in een voertuig, zijnde een Volkswagen type Golf, kleur zwart, voorzien van het kenteken [kenteken] afgegeven. […]
Gespreksdeelnemers van deze dag zijn: [betrokkene 3] , [betrokkene 11], NNMan, [betrokkene 2] […]
Donderdag 09 juni 2016
[betrokkene 3]: [medeverdachte 2] rijdt al in Zandvoort, die gaat al kijken daarzo [...]
NNman: Wat was er met die motor van hem, had ie panne of zo?
[betrokkene 3]. Ja. Als die kankermotors van die Mongols daar ergens staan pik, ik trap ze allemaal om. NNMan: (onverst) zat ik daar al (onverst).
[betrokkene 3]: Is echt fucking bijdehand, zitten in ons territorium joh, in Zandvoort gaan rondrijden, toevallig gisteren hebben die gasten zijn gestopt pik. En nou in ene rijen ze daar rond. Ook zoiets raars hè? [... ]
[betrokkene 3]: ja wat denk jij dan. Ze zitten in onze wijk. Is gewoon provoceren jongen die (onverst) kankerhonden. (stilte).
(…)
7. Een proces-verbaal uitluisteren OVC Bus 001. 26012017 van de Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 23 februari 2017 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Door de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland en de rechtercommissaris van de Rechtbank Noord-Holland zijn op grond van artikel 126L Strafvordering, een machtiging en bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel, die zal plaatsvinden in 2 detentiebussen (van de Dienst Vervoer en Ondersteuning), waarmee een of meer van de in het bevel genoemde verdachten na aanhouding zullen worden overgebracht naar het Justiteel Complex Schiphol afgegeven. De aanvraag, het bevel, machtiging en de verlengingen zijn gevoegd in het methodiekendossier.
Uitleg opname OVC
Aangezien de verdachten over drie compartimenten verdeeld werden zijn er de volgende drie opnames:
-Compartiment voor.
Hierin is verdachte [betrokkene 2] alleen geplaatst.
-Compartiment midden.
Hierin zijn verdachten [betrokkene 3] en [medeverdachte 2] geplaatst.
-Compartiment achter.
Hierin zijn verdachten [medeverdachte 1] en [verdachte] geplaatst.
File 260117 – 200500
(…)
[verdachte]: … ntv … (fluistert) … ntv … zwijgen … met alles
(…)
8. Een proces-verbaal van bevindingen tapgesprekken van de Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 oktober 2014 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
(…)
Tap telefoon [getuige 6]
Door de rechter-commissaris is toestemming verleend om het telefoonnummer van [getuige 6] voor de duur van één week af te luisteren. De gesprekken via het telefoonnummer [telefoonnummer 1] zijn daarop vanaf zaterdag 5 juli 2014 te 17:55 uur tot donderdag 10 juli 2014 omstreeks 10:45 uur opgenomen en uitgeluisterd.
(…)
Getapt telefoonnummer: [telefoonnummer 1]
Sessienummer: 62
Datum en tijd: 6-7-2014 13:25 uur
Samenvatting:
[getuige 6] bun [betrokkene 12] (NG=H)
H: Hallo met [betrokkene 12]
B: Hai met [getuige 6]
H: Hai [getuige 6]
B: Hoi he ik kan het nummer van [betrokkene 1] niet te pakken krijgen en ik vroeg me af of jij misschien via [betrokkene 13] of zo dat wel kon. Of heb jij van [betrokkene 13] geen nummer ook.
H: Jawel ik uhh ga zo wel effe informeren voor je. Hoe heet ie precies?
B: [betrokkene 1]
H: [betrokkene 1]
B: Maar ik hoef alleen maar het nummer te hebben, voor de rest uhh
H: Ja ik zal kijken voor je
B: Ja okay (…)
Getapt telefoonnummer: [telefoonnummer 1]
Sessienummer: 314
Datum en tijd: 9-7-2014
(het hof begrijpt: 6-7-2014)14:12 uur
[getuige 6] bum [betrokkene 14]
B: Ik heb “[medeverdachte 1]” (fon) aan de lijn gehad en die geeft mijn nummer door.
F: aan eehh…?
B: Desbetreffenden
F: Ja
B: Want hij zei, ik zie hem vanavond en anders eeh sowieso morgen
F: Oh .. eeh … [betrokkene 1]
B: ja (…)
F: Ik ben wel nieuwsgierig als er belangrijke informatie is voor mij ook om te weten.
B: Nou ja het eerste contact is gelegd om … he verdomme.. wacht effe hoor ik moet effe mijn hoofd recht hebben hoor … moment
B: Ik heb [medeverdachte 1] gebeld met de vraag of hij eeh mijn nummer wil doorgeven met de vraag of die contact wil opnemen
F: OK
(…)
F: .. Maar ik snap 1 ding niet. Hoezo zag [medeverdachte 1] dan, hoezo ziet hij hem.
B: Omdat [medeverdachte 1] bij Haarlem zit (…)
F: Maar hij zat toch in een andere chapter, niet in Haarlem?
B: Nee, eeh hij zat in een andere club … en is … eeh toen overgestapt, .. vandaar
F: Oh.
B: Ja, dus .. zo zit dat
F: Oh, .. dus die weet ook van alles .. van de hoed en de rand, waarschijnlijk
B: Ik denk het.. ik weet het niet
(…)
9. Een proces-verbaal van bevindingen van de Politie Eenheid Noord-HoIIand d.d. 23 september 2014 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Tweede telefoonnummer [getuige 6]
Op 5 juli 2014 te 22:55 uur wordt vanaf het getapte telefoonnummer van [getuige 6] , het nummer 06-[telefoonnummer 1], een sms verstuurd naar het telefoonnummer 06-[telefoonnummer 2]. De inhoud van de sms betreft de tekst: 'testjen', vermoed wordt dat hiermee 'testje' werd bedoeld. Gezien dat:
[getuige 6] op 7 juli 2014 een telefoongesprek (sessienummer 158) voert waarin hij zegt:
... Dat hoor ik morgen, ik probeer wat tijd te winnen en weet niet hoe coulant ze zijn. Ik moet afwachten hoe dat gaat lopen. Ik heb een apart mobieltje gehaald, ik geef je straks effe dat nummer door ook, dan heb je in ieder geval twee nummers van me....
Er op 5 juli 2014 naar een onbekend nummer, welke maar 1 keer voorkomt als contact gedurende de getapte periode, het woord 'testjen' wordt gestuurd waarna geen reactie volgt;
deed vermoeden dat het telefoonnummer van het tweede mobieltje 06-[telefoonnummer 2] betreft. (...)
Analyse historische verkeersgegevens 06-[telefoonnummer 2]
Uit een analyse van de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer 06-[telefoonnummer 2] in het politiesysteem digitale communicatie sporen (DCS) blijkt onder andere dat:
het telefoonnummer sinds 5 juli 2014 te 13:11 uur actief is en dan veelal onder bereik is van zendmasten in het centrum van Haarlem.
(…)
er tot 9 juli 2014 te 14:08 uur, behalve internetverkeer, geen communicatie is met andere telefoonnummers.
op 9 juli 2014 te 14:08 uur, 14:10 uur en 14:12 uur zijn er uitgaande contacten met het nummer [telefoonnummer 3]. Het contact om 14:08 uur is een gesprek van 85 seconden. Uit onderzoek op internet blijkt dat dit nummer behoort bij de tattooshop '[medeverdachte 1]’ te Leiden. Volgens het Ciot blijkt dat dit nummer op naam staat van [medeverdachte 1] te Leiden. Uit onderzoek in de registers van de KvK en politiesystemen blijkt dat de eigenaar van Tattooshop '[medeverdachte 1]' is:
[medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum] 1956 [geboorteplaats]
Van [medeverdachte 1] is bekend dat hij full member van de Hell's Angels, chapter Haarlem is. (. ..)
Op 9 juli 2014 te 14:28 uur; 14:37 uur en 14:41 uur zijn er inkomende contacten met het telefoonnummer 06-[telefoonnummer 4]. Het contact om 14:41 uur betreft een gesprek van 81 seconden. Uit Ciot gegevens blijkt dat dit telefoonnummer op naam staat van:
[betrokkene 4] , [b-straat 1] te [plaats].
Uit het register van de gemeentelijke basisadministratie blijkt dat de enige ingeschrevene op dit adres is:
[betrokkene 4] , geboren op [geboortedatum]-1984 te [geboorteplaats].
Uit registraties in politiesystemen blijkt dat [betrokkene 4] een relatie heeft met [betrokkene 1] , na het contact met het telefoonnummer 06-[telefoonnummer 4] op 9 juli 2014 te 14:41 uur zijn er met dit nummer geen verdere contacten meer.
(…)
10. Proces-verbaal van bevindingen van de Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 9 september 2014 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Op [...] 25 augustus 2014 [...] hadden wij, verbalisanten, naar aanleiding van een aantal incidenten met leden van de Hells Angels een gesprek met [getuige 7] , geboren [geboortedatum] 1966. [...] [getuige 7] [...] vertelde [...] ons, kort en zakelijk weergegeven:
Dat hij sinds 4 a 5 maanden lid is van de motorclub No Surrender, chapter Rotterdam. [...]
Dat hij een vestje had gekregen waarop alleen “Rotterdam” stond in de kleuren van No Surrender Dat hij dit vestje wel eens droeg in Haarlem en in zijn café.
Dat hij, voor zover hij weet, het enige No Surrender lid is in Haarlem.
Dat hij met zijn vriendin [betrokkene 15] sinds 1 jaar eigenaar is van rock café “[...]” te Haarlem.
[…]
Dat hij sinds hij verteld heeft aan de vriend die lid is van de “Gringo’s” dat hij lid is van No Surrender problemen ondervindt.
Dat ongeveer 3 maanden geleden zijn vestje is afgepakt door 6 leden van de Hells Angels.
Dat dit is gebeurd op een donderdagavond omstreeks 21:30 uur in zijn café terwijl hier diverse klanten aanwezig waren.
Dat hij nog weet dat het een donderdag was omdat die avond een clubavond van de Hells Angels is.
Dat er 6 Hells Angels in full colours het café binnen kwamen, hem in een hoek dreven en vervolgens vertelden dat ze zijn vest wilden hebben.
Dat hij eerst geweigerd zou hebben maar vervolgens toch zijn vest hebben gegeven omdat hij bang was voor de veiligheid van zijn klanten.
Er door de Hells Angels vervolgens nog is gezegd: “de boodschap hoor je nog wel” en “we willen geen No Surrender in Haarlem”.
Dat hij, nadat de Hells Angels waren vertrokken, naar zijn club heeft gebeld om dit incident te melden.
[…]
Dat hij 4 weken later tijdens een clubavond zijn vestje terug heeft gekregen.
Dat hij niet precies weet hoe het vestje terug gekomen is maar dat dit overgedragen zou zijn door een Hells Angel in Heemstede aan een onbekende.
Dat na de teruggave er wel twee Hells Angels in zijn café zijn geweest en vertelden dat er verder geen problemen zouden zijn als hij zijn vestje maar niet meer zou dragen in Haarlem en respect zou tonen naar de Hells Angels.
[…]
Dat enige tijd hierna twee No Surrender leden in colours in zijn café zijn geweest en hij hiervan de Hells Angels op de hoogte heeft gesteld.
Dat er vervolgens Hells Angels naar zijn café zijn gegaan maar dat de No Surrender leden al weg waren.
Dat hij vervolgens op een avond, een week voor Haarlem Jazz, door twee leden van de Hells Angels die hij kent als “[betrokkene 1]” en “ [betrokkene 2] ” in zijn café werd aangesproken en naar buiten moest komen.
Dat “[betrokkene 1]” en “ [betrokkene 2] ” van hem wilden weten of twee mannen die voor café “van Beinum” stonden leden van No Surrender waren.
Dat hij de twee mannen die “[betrokkene 1]” en “ [betrokkene 2] ” aanwezen niet kende. Dat “[betrokkene 1]” en “ [betrokkene 2] ” vervolgens tegen hem zeiden dat ze volgende week zouden terugkomen en dan wilden horen dat hij geen lid meer was van No Surrender.
Dat een week later, tijdens Haarlem Jazz er 3 mannen in full colours van de Hells Angels zijn café binnen kwamen.
Dat er op dat moment 1 klant in hef café zat die van de Hells Angels buiten moest wachten met zijn biertje, hetgeen deze deed.
Dat hem vervolgens gevraagd werd of hij nog lid was van No Surrender.
Dat hij hierop bevestigend had geantwoord.
Hij vervolgens 1 klap tegen zijn gezicht kreeg en hij knock-out is gevallen op de grond en hij niet weet wie hem geslagen heeft.
11. Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen NNVrouw5811 en [betrokkene 3] d.d. 20 juli 2015, opgemaakt door Politie Eenheid Noord-Holland (…)
Dit tapgesprek houdt onder meer het volgende in :
Datum: 20-07-2015 10:44:34
[betrokkene 3] WGD NNVrouw5811 (...)
NNVrouw5811: Nou ik weet het niet maar voor hetzelfde geld waren ze wel allemaal jouw kant opgegaan [betrokkene 3]. Want ze reden hier allemaal langs op een gegeven moment die kant op. Ik denk straks hebben ze je adres. Ze waren wel op zoek naar je.
[betrokkene 3] : Ze zoeken maar een end heen. (…) Was ff een persoonlijk dingetje wat ik met die jongen had dus ik vind het prima
NNVrouw5811: Zo zien ze het dus blijkbaar niet. Het krioelde in de stad gister. Ze reden met auto's, motoren. Jouw naam werd genoemd dus ik denk ik zal het ff zeggen voordat ze wel jouw kant [betrokkene 3] : Ze zijn altijd welkom. Dat weet je. Tuurlijk, goed dat je het zegt.
(…)
12. Een proces-verbaal van relaas van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 19 juli 2017 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Op 20 juli 2015 omstreeks 10.44 uur wordt [betrokkene 3] gebeld door [betrokkene 16] (NNVrouw5811) die gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer 5]. (...) Het telefoonnummer (...) staat blijkens een vordering identificerende gegevens op naam van [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] is full colour member van MC Hells Angels Haarlem (...). Uit onderzoek blijkt dat [betrokkene 16] de vriendin is van [medeverdachte 2] en de gebruiker is van genoemd telefoonnummer.
(…)
13. Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 13 augustus 2015, opgemaakt door Politie Eenheid Noord-Holland (…)
Dit tapgesprek houdt onder meer het volgende in:
Datum 13-08-2015 13:37:13
[betrokkene 3] WGD [betrokkene 1] (...)
F: Hey even andere informatie. Ik kreeg net een appje van onze vriend [getuige 3] . [medeverdachte 2] heeft gevraagd hoe het met hem ging qua gezondheid en hij appt een hele lange tekst terug die hij ook naar mij gestuurd heeft. Maar hij zit zwaar in de shit, problemen. Hij woont in Apeldoorn nu etcetera. De club wordt gewoon niks meer. dat staat er 2x in dus dan weet je dat
L: Je weet wat we hebben afgesproken. Dat hoeft dan ook niet te wachten
F: dan weet je het ff. [medeverdachte 2] weet het ook. Zometeen heb ik het er met de gasten even over over het sms'je of appje dat ik gehad heb. Maar dan ben je in ieder geval op de hoogte. Hoef je me ook niet meer te bellen.
L: Zeker maar ook dat hij niet het respect heb om te wachten, weer gaat lopen mauwen en weet ik veel wat. weet je wat je te doen staat, ja toch?
(…)
14. Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [getuige 3] en [medeverdachte 2] (t.n.v. [medeverdachte 2] ) d.d. 18 augustus 2015, opgemaakt door Politie Eenheid Noord-Holland (…)
Dit tapgesprek houdt onder meer het volgende in:
Datum 18-08-2015 18:25:17
[getuige 3] BUM [medeverdachte 2] (…)
[medeverdachte 2]: Joehh .. Willie
[getuige 3] : Ja, [medeverdachte 2].. He [medeverdachte 2], even een vraag aan jou … [medeverdachte 2]: Ja..
[getuige 3] : Hebben jullie aan de tafel besloten dat ik mijn motor moet inleveren? [medeverdachte 2]: Dat weet ik niet
[getuige 3] : Maar, laten we even heel duidelijk zijn [medeverdachte 2]: Ja?
[getuige 3] : Ik word nu door die 2 imbecielen afgeperst, stomp voor mijn hersens. Ik kan 2 dingen doen: of we kunnen het op een normale manier regelen of of ik ga gewoon aangifte doen, he. Ik laat me niet meer afpersen, ik laat me niet meer verrot schelden, laat me niet meer op mijn bek stompen door die kanker [betrokkene 3]. Ik wou hem doodschieten, maar ik doe het godverdomme niet..
Verbinding wordt verbroken.
(…)
15. Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en Tattoo [medeverdachte 1] d.d. 17 december 2015 opgemaakt door Politie Eenheid Noord-HoIland (…)
Dit tapgesprek houdt onder meer het volgende in:
Datum 17 12-2015 17:38:18
[betrokkene 3] / [betrokkene 1] BUM [medeverdachte 1]
[betrokkene 3] geeft even zijn direct leidinggevende, alias Hitler aan de telefoon.
[betrokkene 1] moet lachen en zegt wat een teringleier he .. tegen [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] moet lachen
had gezegd, omdat hij morgen weggaat, dat hij niet kwam.
[betrokkene 1] : Naar aanleiding van gister is er geen aanleiding om te komen, maar er is vandaag wel wat voorgevallen, dus wij hebben wel koffie vanavond, laat maar zeggen.
: Ja
[betrokkene 1] : Euhh .. Je ken zeggen, van Ja euhh .. ik hoor het later, maar dan weet je in ieder geval wel, dat er zo wat besproken wordt.
: Oké .. en hoe laat is dat, de koffie? [betrokkene 1] : Koffie is altijd 9 uur he ..
vindt 9 uur wel erg laat en moet even kijken [medeverdachte 1] ziet [verdachte] en [medeverdachte 4] morgen.
[betrokkene 1] zal [verdachte] informeren en dan hoort [medeverdachte 1] het morgen wel van [verdachte]. [...]
16. Een proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 1] vordering tot inbewaringstelling d.d. 1 februari 2017 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
U houdt mij voor dat [betrokkene 1] mij na de mishandeling van [getuige 2] heeft gebeld en dat hij heeft gezegd dat er vandaag jets is voorgevallen en dat er vanavond koffie is. Hij heeft ook gezegd: 'Dan weet je in ieder geval dat er zo wat besproken wordt'. Achteraf hebben wij gehoord dat dat incident had plaatsgevonden.
(…)
17. Een proces-verbaal van onderzoek wapen van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 26 juli 2016 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Op [...] 19 juli 2016 werden gedurende een zoeking in een woning op het adres [c-straat 1] te [plaats] een vuurwapen en munitie aangetroffen.
(…)
18. Een proces-verbaal van bevindingen beluisterde OVC gesprekken in het clubhuis Hells Angels, charter Haarlem van de datum 19-07-2016 van de Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 7 december 2016 (…).
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Door de officier van justitie van het arrondissementsparket Noord-Holland en de rechtercommissaris van de Rechtbank Noord-HoIland zijn [....] een machtiging en bevel tot het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel in het clubhuis van de Hells Angels, charter Haarlem, [a-straat 1] te Haarlem afgegeven. [...]
Identificatie gespreksdeelnemers OVC gesprekken. (...)
Deze deelnemers die vooralsnog zijn geïdentificeerd betreffen:
[betrokkene 2] , geboren [geboortedatum]-1974. (...)
[betrokkene 3] , geboren op [geboortedatum]-1980 te [geboorteplaats]. (...)
[verdachte] , geboren [geboortedatum]-1965. (...)
[medeverdachte 4] , geboren [geboortedatum]-1972. (...)
OVC van [a-straat 1] te Haarlem (...) Uitwerking OVÇ gesprekken van 19-07-2016 (...)
12:04:56 uur komt [betrokkene 2] boven aan op het CH. [betrokkene 2] : vuurwapen gevonden.
Nnman1: is ie mee. [betrokkene 2] : huh ... Nnman1: is ie mee.
[betrokkene 2] : zeg jij het maar pik ... onverstaanbaar... tip gehad veel geld veel wapens ... op zoek naar wapens en er moet veel geld in huis liggen ... onverstaanbaar.
Nnman1 : ik geeft ze geen ongelijk hahaha. (...)
[betrokkene 2] : ... onverstaanbaar ... [betrokkene 3] ... gister naar mijn moeder gereden en me moeder belde kom effe naar huis ... onverstaanbaar...
[betrokkene 2] ... Nokiatje .
[betrokkene 3]: maar wat hadden ze nog meer gevonden. [betrokkene 2] : niks, een wapen en de tas ... onverstaanbaar.
[betrokkene 3]: ohh das kut voor haar, ja want het is natuurlijk een huurhuis of niet.
[betrokkene 2] : dan word je er toch niet uitgegooid want een huur huurhuis ... onverstaanbaar... vuurwapens ...
[betrokkene 3]: nee maar ze moet dan wel zeggen van wie die is natuurlijk.
[betrokkene 2] : onverstaanbaar. (...)
[betrokkene 3]: maar ze hebben t wel meegenomen, maar ze hebben alleen je wapen mee genomen [betrokkene 2] : jah alleen wapen (...)
12-15-34
[betrokkene 2] : onverstaanbaar... ze moesten blijven zitten en eh toen vroegen ze een nummer hun bellen naar mijn schoonzus ... onverstaanbaar ... en toen hebben ze vuurwapen gevonden
[betrokkene 3]: stond hier die hond bij
.. onverstaanbaar...
Nnman1: ik moest toen aan de keukentafel blijven zitten .. een keer.... .
onverstaanbaar ... er roept een nnman jongens ik ben aan het werk hoor, sorry. Er klinkt een ringtoon van een telefoon. De nnman neemt op en zegt met [verdachte] . (de stem van de NNman lijkt na stemvergelijking op de tap op de stem van [verdachte] )
[betrokkene 2] : onverstaanbaar ze waren naar geld op zoek en wapens
[betrokkene 2] : beloof me 1 ding beloof met gewoon effe 1 ding gooi die kankertelefoon in 't Noordzeekanaal Nnmannen: ja
[betrokkene 2] : al kost het 500 (...)
[betrokkene 2] : ik gooi hem gooi hem voor dat je vanavond gaat slapen regel je shit ouwe haal een nieuwe telefoon .. onverstaanbaar gooi em gooi em
Nnman2: maakt niet uit dat je hem kan delete
.. onverstaanbaar..
[betrokkene 3]: je moet hem echt weg gooien [medeverdachte 4] onverstaanbaar ze kunnen alles terughalen je ken deleten
maar ze vinden alles terug (…)
12.37.40
uur
[betrokkene 3]: maar goed gebarricadeerd pik als ze niet eens binnen kunnen komen
[betrokkene 2] : hij zat niet eens op nachtslot het is gewoon een aluminium deur … onverstaanbaar …
… er gaat een nnman (de stem van de NNman lijkt na stemvergelijking op de tap op de stem van [medeverdachte 4] ) weer werken en verder gaat het over een abonnement voor telefoon ook over dat ze de telefoons moeten vernietigen maar dat ze de sim kaartjes kunnen houden. Foto’s en adressen wissen van telefoon Icloud en skypen. [betrokkene 2] legt aan nnman uit hoe hij dat moet doen en zegt misschien weet Kate het wel. (…)
19. Een proces-verbaal aanvulling OVC clubhuis 19-07-2016 van Politie Eenheid Noord-Holland) d.d. 1 mei 2017 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Op woensdag 7 december 2016, werd een proces-verbaal van bevindingen opgemaakt naar aanleiding van het opnemen van vertrouwelijke communicatie met een technisch hulpmiddel in het clubhuis van de Hells Angels, charter Haarlem, [a-straat 1] te Haarlem.
De datum van opname van deze gesprekken betrof 19 juli 2016.
Gespreksdeelnemers van deze dag zijn:
Onder de kop
“Gespreksdeelnemers van deze dag zijn”staan onderstaande namen beschreven als gespreksdeelnemers van die dag:
[betrokkene 2]
[betrokkene 3] NNmannen
Hier moet echter staan als gespreksdeelnemers van die dag: [betrokkene 2]
[betrokkene 3] (…)
[verdachte] NNman ([medeverdachte 4])’
9. Ik attendeer erop dat bij de civiele kamer van Uw Raad het cassatieberoep aanhangig is tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin onder meer is beslist dat de in eerste aanleg uitgesproken verbodenverklaring en ontbinding van Hells Angels Motorcycle Club Holland in stand blijven. [84] In die zaak spelen feiten en omstandigheden een rol die ook in deze strafzaak aan de orde zijn. Het gaat hier evenwel om een andere procedure, met andere rechtsvragen; ik zal in het navolgende niet aan deze zaak refereren. Ik vermeld voorts dat een deel van de vonnissen en arresten die gewezen zijn in de strafzaken tegen leden van het charter Hells Angels Haarlem zijn gepubliceerd. [85] En ik wijs erop dat art. 140 Sr Pro ook bij de strafvervolging van leden van andere Outlaw Motorcycle Gangs een belangrijke rol heeft gespeeld. [86]
Het eerste middel
10. Het eerste middel bevat de klacht dat het hof op onbegrijpelijke en/of ontoereikende gronden is voorbijgegaan aan het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat niet de Hells Angels charter Haarlem, maar enkel de jonge garde daarvan, gevormd door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] , een criminele organisatie vormde. Het middel valt in een aantal deelklachten uiteen. Alvorens op die deelklachten in te gaan merk ik het volgende op.
11. Voor een veroordeling wegens art. 140 Sr Pro is vereist dat sprake is van een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. Van een organisatie is sprake bij een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon. [87] Van een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft, kan ook worden gesproken als het plegen van die misdrijven het naaste doel of een nevendoel van de organisatie is; vereist is niet dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is. [88]
12. Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is sprake als dat standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. In verband met de mate waarin een beslissing nader dient te worden gemotiveerd komt betekenis toe aan onder meer de aard van het aan de orde gestelde onderwerp alsmede de inhoud en indringendheid van de aangevoerde argumenten. Daarbij kan zich het geval voordoen dat de nadere motivering in de bewijsmotivering besloten ligt. [89] Naar het mij voorkomt kan het door de raadsman aangevoerde bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met de in het middel verwoorde inhoud.
13. Het hof is met de bewezenverklaring van het bepleite standpunt afgeweken. Het hof heeft in de bewijsmotivering vooropgesteld dat er sprake is van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband tussen de leden van de Hells Angels Haarlem, de Stichting en [betrokkene 4] gedurende de ten laste gelegde periode. Het hof heeft inzake het oogmerk van de organisatie vervolgens (A) de bedreigende en gewelddadige reputatie van de organisatie, (B) het belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen, en (C) gepleegde misdrijven in aanmerking genomen. En het hof heeft vervolgens tegen deze achtergrond geconcludeerd dat de organisatie ‘een oogmerk’ heeft gericht op het plegen van (de in de bewezenverklaring omschreven) misdrijven. Aldus ligt in de bewijsmotivering van het hof besloten waarom het, in afwijking van het standpunt dat de raadsman heeft betrokken, de leden van het charter Hells Angels Haarlem samen met de Stichting en [betrokkene 4] heeft aangemerkt als een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. [90] Het middel betreft de begrijpelijkheid en toereikendheid van deze overwegingen.
14. In verband met die begrijpelijkheid wijs ik alvast op een arrest van Uw Raad van 22 januari 2008. [91] In het betreffende arrest was ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat hij samen met vijf medeverdachten had deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van (nader omschreven) in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven. Uw Raad was van oordeel dat het hof uit de bewijsmiddelen had kunnen afleiden dat (kort gezegd) de verdachte en een medeverdachte in gestructureerd verband hadden samengewerkt, dat de verdachte daarbij telkens een centrale rol vervulde en dat de verdachte en deze medeverdachte beiden hadden samengewerkt met een of meer van de andere medeverdachten van wie was bewezenverklaard dat zij deel uitmaakten van (kort gezegd) de criminele organisatie. Daarmee illustreert het arrest dat een organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft kan bestaan uit enkele personen die (bij het plegen van misdrijven) een centrale positie innemen en andere personen.
15. De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat ’s hofs vaststellingen over de reputatie van de Hells Angels blijkens de bewijsvoering uitsluitend te herleiden zijn tot de medeverdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] . ’s Hofs vaststelling dat de leden van de Hells Angels Haarlem zich bewust zijn van deze reputatie zou voorts uitsluitend gegrond zijn op uitlatingen van de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] . De beide krantenberichten die het hof vermeldt zouden uitsluitend over medeverdachte [betrokkene 1] gaan.
16. In de bewijsoverwegingen die het hof aan de bedreigende en gewelddadige reputatie van de Hells Angels Haarlem heeft gewijd, stelt het de verklaringen en tapgesprekken van slachtoffers voorop. Daarbij gaat het om de getuigen [getuige 6] , [getuige 7] , [getuige 3] , [getuige 8] , [getuige 9] , [getuige 5] en [getuige 10] . Uit de uitlatingen van deze getuigen in deze verklaringen en tapgesprekken blijkt van (het hebben van angst voor) de Hells Angels als groep. Alleen al tegen deze achtergrond heeft het hof de bedreigende en gewelddadige reputatie als een kenmerk van de Hells Angels Haarlem als geheel kunnen aanmerken. Ik wijs er daarbij op dat het in de rede ligt dat de grootte van de groep Hells Angels als zelfstandige factor aan de reputatie (en de angst) heeft bijgedragen. Het hof behoefde in dit kader niet in te gaan op de in het pleidooi betrokken stelling dat [getuige 3] ‘eigenlijk’ niet zou hebben geweten of zijn afpersing een clubaangelegenheid was (pleitnota randnummer 102); uit de bewijsvoering volgt in toereikende mate dat zijn angst de club betrof.
17. Aan ’s hofs vaststelling dat de leden van de Hells Angels Haarlem zich bewust waren van hun reputatie doet niet af dat die vaststelling gebaseerd is op uitlatingen van de medeverdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 1] , die tot de jonge garde behoorden. De betreffende uitlating van [betrokkene 2] , inhoudend dat het chapter Haarlem in Holland bekend staat als kei- en keihard, is gedaan op de clubavond op 16 september 2016 waar de verdachte en de andere leden bij aanwezig waren en draagt het karakter van een constatering. In beide krantenberichten komt de naam van [betrokkene 1] voor, maar wordt ook gesproken over het ‘beruchte chapter’, van het uit zijn op oorlog en van het hanteren van een harde lijn. Daaraan heeft het hof in verband met (bekendheid bij de leden van) de reputatie van het chapter betekenis kunnen hechten.
18. De eerste deelklacht faalt.
19. De steller van het middel voert voorts aan dat de misdrijven die het hof opsomt telkens (in wisselende samenstelling) zijn begaan door uitsluitend [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] . De afpersing van [getuige 7] is volgens het hof, zo vermeldt de steller van het middel, begaan door zes leden van ‘de Hells Angels’, daarbij zou het hof evenwel in het midden hebben gelaten of dit leden van het charter Haarlem waren.
20. Als laatste (zevende) deelklacht voert de steller van het middel voorts aan dat het hof een aantal stellingen die de verdediging ter onderbouwing van haar standpunt naar voren heeft gebracht ten onrechte onbesproken zou hebben gelaten. Deze houden in de eerste plaats in dat in 2014 een duidelijke splitsing was ontstaan in het charter Haarlem tussen de oude en de jongere lichting clubleden, dat de door ‘de jonge garde' gepleegde geweldsincidenten niets met de club te maken hadden en dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] de buitenwereld hebben laten denken dat zij handelden namens het charter terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. Deze stellingen houden volgens de steller van het middel voorts in dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] gedurende de tenlastegelegde periode intensief onderling met elkaar hebben overlegd over het eventueel plegen van misdrijven en dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] ter terechtzitting hebben bevestigd dat zij strafbare feiten pleegden zonder medeweten, laat staan instemming van de overige leden van het charter. En deze stellingen zouden ten slotte inhouden dat het charter geen wetenschap droeg van een ‘harde lijn’ van [betrokkene 1] , dat de slachtoffers allen in het geniep zijn benaderd (zonder medeweten van de overige members) en buiten het clubhuis werden afgeperst, bedreigd en of/ mishandeld en dat de ‘oude garde’ de ‘jonge garde’ aansprak op negatief gedrag en dat de ‘jonge garde’ na kennisneming van hun criminele gedragingen de club uit is gezet.
21. Deze beide deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
22. Uit de bewijsmiddelen volgt dat [getuige 7] heeft verklaard dat op de betreffende avond zijn vestje van No Surrender is afgepakt door zes leden van de Hells Angels, dat zij op een donderdagavond omstreeks 21:30 uur in zijn café kwamen, dat donderdagavond een clubavond van de Hells Angels is, dat zij in full colours het café binnenkwamen, en dat de Hells Angels hebben gezegd dat zij geen No Surrender in Haarlem wilden (bewijsmiddel 10). Uit de bewijsmiddelen kan niet worden afgeleid wie precies voor de afpersing van het betreffende vest verantwoordelijk waren. Wel volgt daaruit dat de afpersing in het teken stond van de doelstellingen van Hells Angels Haarlem en niet door alleen de door de raadsman genoemde personen is gepleegd.
23. Uit ’s hofs bewijsvoering volgt voorts dat [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] bij hun criminele activiteiten niet op eigen houtje opereerden. De afpersing van [getuige 3] en daarmee de klap die in dat kader is uitgedeeld was uitvloeisel van een clubbesluit. Dat geldt ook voor de afpersing van [getuige 5] . De gewelddadigheden tegen leden van andere motorclubs zijn een uitvloeisel van wat [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering van 16 september 2016 (bewijsoverwegingen onder het kopje ‘Afpersing, dwang, bedreiging en mishandeling’) omschrijft als ‘onze eigen houding’. Uit de bewijsvoering volgt ook dat meer leden van het charter bij acties in dit kader betrokken zijn. Als Mongols worden gespot in Zandvoort (dat de Hells Angels Haarlem als onderdeel van hun territorium zien) rijdt medeverdachte [medeverdachte 2] daar rond (bewijsmiddel 6). De vriendin van medeverdachte [medeverdachte 2] waarschuwt [betrokkene 3] nadat deze [getuige 11] , lid van Satudarah, heeft mishandeld, dat ‘ze’ naar hem op zoek zijn (bewijsmiddelen 11 en 12). Medeverdachte [betrokkene 1] wijst vier leden van het charter aan (waaronder zichzelf) die vast hadden gezeten als Van der Valk (waar een vechtpartij tussen de Hells Angels en de Mongols had plaatsgevonden) betere camera’s had gehad (bewijsoverweging onder het kopje ‘De koers/toekomst van de organisatie zelf en verhullen/afdekken’). Na de mishandeling van [getuige 2] (lid van No Surrender) vindt een vergadering plaats waarover in ieder geval de verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] worden geïnformeerd (bewijsmiddelen 15 en 16).
24. Ook bij de gang van zaken rond andere misdrijven zijn meer leden van het charter betrokken. [getuige 6] , die wordt gedwongen om zijn tattooshop te sluiten, belt medeverdachte [medeverdachte 1] , die in Leiden een tattooshop heeft (bewijsmiddelen 8 en 9). [getuige 3] stuurt een appje naar medeverdachte [medeverdachte 2] en belt hem ook (bewijsmiddelen 13 en 14). De verdachte en medeverdachte [medeverdachte 4] krijgen na de inbeslagneming van een vuurwapen van medeverdachte [betrokkene 2] het advies om hun telefoon in het Noordzeekanaal te gooien (bewijsmiddelen 17, 18 en 19). En bij de andere misdrijven die het hof in aanmerking neemt ligt eveneens in de bewijsvoering besloten waarom deze met (het criminele oogmerk van) de organisatie verband houden. [getuige 10] is afgeperst uit hoofde van de positie die [betrokkene 1] en [betrokkene 2] binnen de Hells Angels Haarlem hadden, en heeft klappen gekregen in het clubhuis; [betrokkene 3] verwijst bij de afpersing van [getuige 8] in telefoongesprekken naar de Hells Angels en geeft aan dat de club ermee gemoeid is. En het hof koppelt de in de open haard van het clubhuis aangetroffen kogel aan het vuurwapen dat [betrokkene 1] en [betrokkene 3] voorhanden hadden.
25. De enkele omstandigheid dat de misdrijven die het hof opsomt voor het overgrote deel zijn begaan door [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] staat er in dit licht niet aan in de weg dat het hof het grotere verband van de Hells Angels Haarlem, samen met [betrokkene 4] en de Stichting, mede op grond van deze misdrijven heeft kunnen aanmerken als een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
26. Aan de toereikendheid van ’s hofs bewijsvoering doet niet af dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 4] gedurende de tenlastegelegde periode intensief met elkaar zouden hebben overlegd over het plegen van misdrijven. In zoverre een beroep wordt gedaan op verklaringen waarin [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] zouden hebben aangegeven dat zij strafbare feiten pleegden zonder medeweten van de overige leden van het charter herinner ik eraan dat selectie en waardering van het bewijsmateriaal aan de feitenrechter is. Dat slachtoffers zonder medeweten van de overige members van de Hells Angels Haarlem zouden zijn benaderd doet er niet aan af dat het hof mede op grond van de jegens hen gepleegde misdrijven heeft kunnen aannemen dat de in de bewezenverklaring omschreven organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had. Dat leden van de oude garde leden van de jonge garde zouden hebben aangesproken op negatief gedrag en dat de jonge garde na de bewezenverklaarde periode uit de club is gezet doet evenmin af aan de toereikendheid van ‘s hofs bewijsvoering.
27. In ’s hofs vaststellingen ligt al met al besloten waarom het van oordeel is dat in de bewezenverklaarde periode niet sprake was van een ‘scheiding’ tussen jonge en oude garde die meebrengt dat de Hells Angels Haarlem niet in zijn geheel als organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven heeft kan worden aangemerkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. In zoverre wordt geklaagd dat het hof niet expliciet op alle stellingen van de raadsman is ingegaan merk ik op dat de in art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv omschreven motiveringsplicht niet zo ver gaat dat bij de niet-aanvaarding van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan. [92]
28. De tweede en zevende deelklacht falen.
29. De steller van het middel voert in verband met de oorkonde ‘
Deathhead Purple Heart’, de patch ‘
dequiallo’ en het symbool van de ‘
ball peen hammer’aan dat volgens de bewijsoverwegingen in concreto uitsluitend over ‘
dequiallo’ is gesproken, en wel door de medeverdachten [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] . Uit de bewijsoverwegingen zou voorts volgen dat in de context van strafbare feiten uitsluitend door deze medeverdachten aan ‘
dequiallo’ is gerefereerd. Ook zou het hof in dit verband ten onrechte niet hebben gereageerd op door de raadsman betrokken stellingen dat uit de strafbladen van de verdachte en de medeverdachten geen enkel verband blijkt tussen het plegen van een geweldshandeling en het dragen van een patch zoals ‘
dequiallo’ of ‘
Deathhead Purple Heart’, en dat het openbaar ministerie op geen enkele wijze heeft aangetoond dat door een of meer leden van de Hells Angels Haarlem verzet tegen gezagsdragers is gepleegd.
30. Het hof wijst in de bewijsoverweging over ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ eerst op de oorkonde ‘
Deathhead Purple Heart’ die in het clubhuis hangt en stelt vast dat op die oorkonde in het Engels staat dat een ieder die dit heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Het hof leidt vervolgens uit het dossier af dat de zogenaamde patch ‘
dequiallo’ verdiend kan worden door geweld dat clubleden van Hells Angels hebben toegepast richting overheidspersoneel. Deze patch is in het clubhuis op de muur geschilderd en vier leden dragen deze patch. Het hof overweegt vervolgens dat een andere betekenis van de term ‘
dequiallo’ niet aannemelijk is, en wijst in die context op afgeluisterde gesprekken van [betrokkene 1] en [betrokkene 3] en op de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van [betrokkene 2] . De omstandigheid dat alleen uitlatingen van deze medeverdachten (mede) aan de vaststelling van de betekenis ten grondslag zijn gelegd, doet er niet aan af dat het hof de vaststellingen inzake deze patch mede ten grondslag heeft kunnen leggen aan het oordeel ‘dat het plegen van strafbare gedragingen, met name geweld, door de Hells Angels Haarlem wordt aangemoedigd en beloond’.
31. Het hof behoefde dat oordeel niet nader te motiveren in verband met hetgeen is aangevoerd omtrent de strafbladen van de verdachte en de medeverdachten. Ik merk in dat verband op dat niet elk strafbaar feit wordt opgespoord en vervolgd. Het hof behoefde (derhalve) evenmin in te gaan op het standpunt dat het openbaar ministerie ook op andere wijze niet heeft aangetoond dat de verdachten eerder geweld hebben gepleegd jegens overheidspersoneel. Ook indien deze stellingen juist zijn doet dat er niet aan af dat het hof in het licht van de bewijsvoering de daarin vermelde betekenis aan de patch en de oorkonde heeft kunnen toekennen.
32. Ook de derde deelklacht faalt.
33. De steller van het middel meent voorts dat niet begrijpelijk is dat uit de door het hof genoemde symbolen een aanmoedigen en belonen van strafbare feiten kan worden afgeleid, nu het hof niet heeft vastgesteld dat de oorkonde, de patch en de ‘
ball peen hammer’ telkens in lijn met de betekenis die daar volgens de overwegingen aan moet worden toegekend is verstrekt. En ook als aan deze symbolen een verheerlijking van geweld niet kan worden ontzegd, zou ’s hofs arrest niet toereikend zijn gemotiveerd, nu verheerlijking van geweld geen misdrijf is. Het hof zou in dit verband ten onrechte niet hebben gereageerd op de door de raadsman betrokken stellingen dat clubevenementen altijd in goed overleg met de gemeente Haarlem werden georganiseerd, dat de verhouding tussen de gemeente en de Hells Angels destijds uitstekend was, en dat volgens verschillende getuigen de burgemeester en de wijkagent weleens in het clubhuis kwamen.
34. Uit ’s hofs overwegingen volgt, zo bleek, dat de oorkonde ‘
Deathhead Purple Heart’ in het clubhuis hangt, en dat op die oorkonde in het Engels staat dat een ieder die dit heeft verdiend, zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de oorkonde een beloning is voor de toepassing van geweld. Geweldsdelicten zijn in de bewezenverklaring vermeld; bewezenverklaard is dat de organisatie onder meer het plegen van openlijke geweldpleging en de strafbaar gestelde vormen van mishandeling tot oogmerk heeft. De patch ‘
dequiallo’ kan volgens het hof, zo bleek, verdiend worden door geweld dat clubleden van Hells Angels hebben toegepast richting overheidspersoneel. Deze patch was in het clubhuis op de muur geschilderd en vier leden droegen deze patch. Het hof heeft daaruit kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de patch een beloning is voor het toepassen van geweld tegen een ambtenaar in functie. In de bewezenverklaring is onder de geweldsdelicten expliciet ook (gekwalificeerde) mishandeling van ambtenaren gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening opgenomen. De ‘
ball peen hammer’ is, zo stelt het hof vast, een symbool bedoeld voor leden die geverifieerd geweld namens de club hebben gebruikt en is op de motor van medeverdachte [medeverdachte 3] aangetroffen. Het hof heeft kunnen oordelen dat ook dit symbool aldus een beloning is voor een geweldsdelict. Aldus ligt in ’s hofs vaststellingen besloten dat van het enkel verheerlijken van geweld geen sprake is. Ik attendeer er voorts op dat het hof de bewezenverklaring van het criminele oogmerk niet alleen heeft gebaseerd op de omstandigheden waar het onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ op heeft gewezen.
35. Verder ontgaat mij waarom het hof afzonderlijk zou hebben dienen te reageren op de stellingen dat clubevenementen in goed overleg met de gemeente Haarlem werden georganiseerd, dat de verhouding tussen de Hells Angels en de gemeente uitstekend was en dat de burgemeester en wijkagent weleens in het clubhuis kwamen. Uit de pleitnota (randnummer 60) leid ik af dat deze stelling betrekking heeft op de periode waarin de verdachte president was. Dat de Hells Angels Haarlem in de bewezenverklaarde periode een goed contact zouden hebben gehad met de politie vindt zijn weerlegging in een voor het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 1] : ‘Wij zijn bij politie en justitie een doorn in het oog’. Los daarvan merk ik op dat art. 359, tweede lid, tweede volzin, Sv de rechter er niet toe noopt op elk detail van het aangevoerde in te gaan.
36. De vierde deelklacht faalt eveneens.
37. De steller van het middel voert voorts aan dat ’s hofs oordeel dat uit ‘inzamelingen voor gedetineerde leden’ blijkt dat het plegen van strafbare feiten door de leden van de Hells Angels Haarlem volstrekt normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd, onbegrijpelijk is, omdat uit de bewijsvoering niet zou blijken van meerdere inzamelingen en het daadwerkelijk ophalen van geld. Ook zou daaruit niet blijken dat [betrokkene 1] , met wiens detentie de inzameling verband hield, gevangen zat wegens een feit dat uit naam van de Hells Angels Haarlem is begaan. Uit ’s hofs bewijsvoering zou niets anders kunnen worden afgeleid dan dat dergelijke inzameling de betekenis had van het verlenen van financiële steun ter voorkoming van het verlies van de woning wanneer door de gedetineerde de huur of hypotheekrente niet meer zou zijn op te brengen.
38. Het hof heeft onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ overwogen dat ook uit de inzamelingen die voor gedetineerde leden worden georganiseerd, blijkt dat het plegen van strafbare feiten door de leden van de Hells Angels Haarlem volstrekt normaal wordt gevonden en wordt geaccepteerd en daarmee indirect wordt aangemoedigd. Het hof wijst daarbij op ‘de zogenaamde Big House Crew’. Onder het kopje ‘Betalen voor een gedetineerd lid’ is vermeld dat bij de doorzoeking van het clubhuis op 26 januari 2017 twee ‘BHC-potten’ zijn aangetroffen, waarbij op één de naam ‘[betrokkene 1]’ is vermeld, en waarover medeverdachte [medeverdachte 3] als getuige heeft verklaard: ‘
dit is een pot met geld voor jongens die vastzitten’. Het hof wijst voorts op een inzameling die op 23 juli 2016 plaatsvindt voor [betrokkene 1] , die op dat moment gedetineerd zat. En het hof wijst op uitlatingen van [betrokkene 1] tijdens de clubvergadering van 16 september 2016, waarin deze ingaat op het risico van vast komen te zitten. Uit een proces-verbaal van bevindingen waarin verslag wordt gedaan van onderzoek naar bankafschriften van de Stichting Hells Angels Haarlem over de periode 1 januari 2013 t/m 10 juli 2015 blijkt voorts dat in deze periode ‘diverse bedragen voor verschillende personen’ zijn overgemaakt naar verschillende penitentiaire inrichtingen. In 2013 is een bedrag van € 1.600,00 t.b.v. [betrokkene 9] overgemaakt. In 2014 is een bedrag van € 1.440,00 overgemaakt t.b.v. [medeverdachte 4] en [betrokkene 9]. En in 2015 is een bedrag van € 1.800,00 overgemaakt ten behoeve van [medeverdachte 4] en [betrokkene 1] (bewijsmiddel 2). Anders dan de steller van het middel meen ik dat uit de bewijsvoering blijkt van meerdere inzamelingen (via de Big House Crew en op 23 juli 2016 voor [betrokkene 1] ) en van het daadwerkelijk ophalen van geld voor en betalen van geld aan gedetineerde leden.
39. Aan de begrijpelijkheid van ’s hofs overwegingen doet voorts niet af dat niet blijkt dat [betrokkene 1] gevangen zat wegens een feit dat uit naam van de Hells Angels Haarlem is begaan. Het hof leidt uit de (betalingen en) inzameling slechts af dat het plegen van strafbare feiten meer in het algemeen volstrekt normaal wordt gevonden en geaccepteerd. Dat blijkt ook uit de uitlatingen van [betrokkene 1] die door het hof geciteerd worden. [betrokkene 1] sprak onder meer over het risico van ‘vast komen als jij woorden krijgt met je buurman en je slaat hem achterstevoren’. Het gaat ook [betrokkene 1] kennelijk niet alleen om detentie als gevolg van strafbare feiten die met het criminele oogmerk van de Hells Angels Haarlem samenhangen.
40. Ook de omstandigheid dat betalingen en inzamelingen samen zouden hangen met het risico van verlies van de woning doet aan die begrijpelijkheid niet af. Waar het hof in de geciteerde overweging betekenis aan hecht is dat het risico van vast komen te zitten blijkens de betalingen en inzameling niet wordt gezien als een persoonlijk risico dat het betrokken lid – dat voor het strafbare feit vast zit – zelf dient te dragen. Juist bij dit risico springen de andere leden en de Stichting bij.
41. De vijfde deelklacht faalt.
42. De steller van het middel acht het ook onbegrijpelijk dat het hof de acceptatie van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels Haarlem tevens afleidt uit de omstandigheid dat het niet de bedoeling is dat deze leden (met de politie) praten. Een dergelijke ‘geheimhoudingsplicht’ of ‘zwijgplicht’ zou niet kunnen worden geduid als een beloning en/of aanmoediging van geweld. En uit de bewijsvoering zou niet kunnen worden afgeleid dat een dergelijke plicht betrekking had op (één van) de in de bewezenverklaring genoemde misdrijven. Het hof zou daarbij ten onrechte onbesproken hebben gelaten dat het charter Haarlem volgens de verdediging goede contacten had met de gemeente, de wijkagent wel eens in het clubhuis kwam en de verdachte en de medeverdachten zich tijdens het proces niet integraal hebben beroepen op hun zwijgrecht. Dat het hof betekenis heeft toegekend aan de uitlating van de verdachte in de arrestantenbus zou evenmin begrijpelijk zijn, omdat hij deze uitlating kennelijk deed als verdachte en uit de bewijsvoering niet zou blijken jegens wie hij deze deed. Tot slot zou ’s hofs overweging dat medeverdachte [medeverdachte 5] niet wil dat over de telefoon over drugs in het clubhuis wordt gesproken niet begrijpelijk zijn omdat het oogmerk op overtreding van de Opiumwet niet bewezen is verklaard en [medeverdachte 5] deze uitlating deed in een telefoongesprek met een vriendin.
43. Het hof heeft onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’ overwogen dat de acceptatie van strafbare gedragingen door leden van de Hells Angels naar het oordeel van het hof eveneens blijkt uit de omstandigheid dat het niet de bedoeling was dat leden van de Hells Angels Haarlem (met de politie) praatten. Het hof wijst daarbij in de eerste plaats op regel 12 van de clubregels en op de tekst ‘omerta’ die op de muur van het clubhuis was geschilderd. Anders dan de steller van het middel meen ik dat het hof aan deze omstandigheid betekenis heeft kunnen hechten in verband met het oordeel dat het plegen van strafbare gedragingen door de Hells Angels Haarlem wordt aangemoedigd en beloond. Dat het niet de bedoeling is dat de leden met de politie praten brengt mee dat de kans wordt verkleind dat strafbare feiten waar andere leden kennis van dragen tot een veroordeling leiden. [93] Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat daar, in samenhang met de andere vaststellingen inzake het criminele oogmerk van de organisatie, een aanmoediging vanuit gaat om deze feiten (in het bijzijn van andere leden) te plegen.
44. Uit ’s hofs overwegingen volgt voorts dat het hof heeft geoordeeld dat de geheimhoudingsplicht betrekking heeft op alle strafbare feiten. Regel 12 van de clubregels luidt: ‘Alles wat Hells Angels H’lem met elkaar bespreken blijft tussen ons; dus wordt op geen enkele manier naar buiten gebracht’. Juist dit algemene, ongeclausuleerde karakter van de zwijgplicht, en de handhaving via de clubregels, brengt mee dat het hof mede uit de zwijgplicht heeft kunnen afleiden dat het plegen van strafbare feiten door de organisatie werd aangemoedigd. Dat algemene karakter brengt voorts mee dat de zwijgplicht ook betrekking heeft op de in de bewezenverklaring omschreven – door de organisatie beoogde – misdrijven. De stelling dat het charter goede contacten zou hebben gehad met de gemeente en de wijkagent doet voorts niet aan de begrijpelijkheid van ’s hofs overwegingen af. Ik neem daarbij in aanmerking dat niet is aangevoerd dat de wijkagent op de hoogte is gebracht met feiten en omstandigheden die onder de zwijgplicht vallen. Dat de verdachte en de medeverdachten zich tijdens de berechting in hoger beroep niet op hun zwijgrecht hebben beroepen doet evenmin af aan toereikendheid van de bewijsmotivering. Ik wijs er daarbij nog op dat het hof in de context van de strafmotivering overweegt ‘zich niet aan de indruk (te) kunnen onttrekken dat de verklaringen van de verdachten onderling waren afgestemd’.
45. Het hof heeft in deze context ook gewezen op een uitlating van de verdachte in de arrestantenbus: “zwijgen … met alles”. Anders dan de steller van het middel meent, kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte in de arrestantenbus met [medeverdachte 1] in het compartiment achter is geplaatst (bewijsmiddel 7). De gefluisterde mededeling van de verdachte was derhalve kennelijk voor medeverdachte [medeverdachte 1] bedoeld. Dat is voor de betekenis die het hof aan deze mededeling heeft gehecht naar het mij voorkomt overigens niet van belang. Dat de verdachte deze uitlating mogelijk als verdachte heeft gedaan, staat er evenmin aan in de weg dat het hof er betekenis aan kon hechten in verband met de vaststelling van een zwijgplicht. Ik wijs er in dat verband op dat [medeverdachte 1] werd meegedeeld dat hij ‘met alles’ moest zwijgen.
46. Het hof heeft er aan het slot van de overwegingen inzake de zwijgplicht nog op gewezen dat medeverdachte [medeverdachte 5] , wanneer een vrouw contact met hem zoekt die ervan wordt beschuldigd verdovende middelen te hebben gestolen vanuit het clubhuis van de Hells Angels te Haarlem, niet wil dat dit soort dingen over de telefoon wordt besproken. Naar het mij voorkomt heeft het hof ook aan de uitlatingen van [medeverdachte 5] in dit telefoongesprek in deze context betekenis kunnen hechten. Daaraan doet niet af dat niet bewezen is verklaard dat de organisatie het plegen van in de Opiumwet strafbaar gestelde misdrijven tot oogmerk heeft. Waar het om gaat is dat ook uit deze uitlatingen duiden op een cultuur waarin het weghouden van informatie over strafbare feiten bij de politie een belangrijk element is. Ook de omstandigheid dat de uitlatingen zijn gedaan in een gesprek met een vriendin doet aan deze betekenis niet af.
47. De zesde deelklacht faalt.
48. In verband met de (overkoepelende) klacht dat het hof ontoereikend gemotiveerd voorbij is gegaan aan het standpunt dat de Hells Angels charter Haarlem niet (samen met [betrokkene 4] en de Stichting) een criminele organisatie vormden, wijs ik nog op het ook door het hof en de steller van het middel genoemde arrest van Uw Raad van 15 mei 2007. [94] Uw Raad gaf in dat arrest aan dat voor het bewijs van dit oogmerk onder meer betekenis zal kunnen toekomen aan, kort gezegd (1) misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd, (2) het meer duurzaam of gestructureerde karakter van de samenwerking, en (3) de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op het gemeenschappelijk doel van de organisatie verrichte activiteiten. Het hof heeft in de bewijsoverwegingen uiteengezet welke betekenis het heeft gehecht aan misdrijven die in het kader van de organisatie zijn gepleegd. Uit ‘s hofs overwegingen blijkt voorts dat de samenwerking een sterk gestructureerd karakter had. De Stichting vervulde een aantal functies, het charter had een strakke structuur met diverse functies, en er was structureel periodiek overleg waar beslissingen op democratische wijze werden genomen. De planmatigheid en stelselmatigheid van de met het oog op het plegen van misdrijven verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie komen alleen al uit de bewijsvoering inzake de bedreigende en gewelddadige reputatie van de Hells Angels Haarlem naar voren.
49. Al met al meen ik dat de bewezenverklaring van het criminele oogmerk van de organisatie en de afwijking van het omschreven standpunt ook in het licht van de vingerwijzing die Uw Raad in genoemd arrest heeft gegeven toereikend zijn gemotiveerd.
50. Het eerste middel faalt.
Het tweede middel
51. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof het deelnemen door de verdachte aan een criminele organisatie op onbegrijpelijke althans ontoereikende gronden heeft aangenomen. Ook deze klacht valt in een aantal deelklachten uiteen.
52. De steller van het middel voert in de eerste plaats aan dat het hof de bewezenverklaring (mede) heeft gebaseerd op het door de verdachte deelnemen aan vergaderingen waarin op grond van democratische besluitvorming is gestemd over het door [getuige 3] achter moeten laten van zijn motor in verband met zijn wens te stoppen bij de Hells Angels en het opleggen van een boete aan [getuige 5] . Dat daadwerkelijk is vergaderd over deze twee onderwerpen zou niet uit de bewijsvoering kunnen volgen. Het hof zou voorts in dit verband slechts hebben vastgesteld dat in vergaderingen op grond van democratische besluitvorming werd beslist en niet hoe telkens de stem van de verdachte luidde. Aldus zou het hof ten onrechte geen betekenis hebben gegeven aan de mogelijkheid dat de verdachte in die vergaderingen tegen deze besluiten heeft gestemd.
53. Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in art. 140 Sr Pro is sprake ‘indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in dat artikel bedoelde oogmerk’. [95] Ook betrekkelijk passieve gedragingen kunnen de kwalificatie ‘deelneming’ rechtvaardigen. [96] Van het hebben van een aandeel in dan wel ondersteunen van dergelijke gedragingen is geen sprake als de vastgestelde activiteiten van de betrokkene verband houden met aspecten van de organisatie die los staan van het criminele oogmerk. [97] A-G Hofstee heeft het wel aldus geformuleerd dat ‘de deelnemers aan een organisatie die in de criminele tak ervan geen enkele rol spelen buiten schot blijven’. [98]
54. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat de verdachte één van de negen deelnemers aan de vergaderingen van de Hells Angels Haarlem was. Die vergaderingen werden (in beginsel) eens per twee weken gehouden. Het hof heeft voorts verklaringen en bescheiden voor het bewijs gebezigd waaruit blijkt dat besluiten alleen werden genomen als alle leden aanwezig waren. [99] Dat brengt mee dat de aanwezigheid van de verdachte bij de vergaderingen waar werd beslist over het door [getuige 3] achter moeten laten van zijn motor en over het opleggen van een boete aan [getuige 5] , cruciaal was.
55. Dat door alle leden en dus ook door de verdachte is vergaderd over het door [getuige 3] moeten inleveren van zijn motor heeft het hof afgeleid en kunnen afleiden uit de drie aangehaalde OVC-gesprekken. Het eerste is het gesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] waarin [betrokkene 1] over de motor van [getuige 3] zegt: ‘lekker laten staan’. [betrokkene 4] zegt tegen [betrokkene 1] dat zij aan [betrokkene 2] zal doorgeven hoe [betrokkene 1] over de kwestie denkt en merkt vervolgens op: ‘ze kunnen niks beslissen zonder jou’. In het tweede gesprek, eveneens tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] , wordt gesproken over het voorstel om de motor van [getuige 3] te verkopen. In dat gesprek vertelt [betrokkene 4] tegen [betrokkene 1] dat [betrokkene 3] een bestemming van een deel van de opbrengst van de motor heeft genoemd en heeft aangegeven dat als [betrokkene 1] dat wil, hij ‘het in de groep (gaat) gooien’. In het derde gesprek, tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] , bespreekt [betrokkene 3] een appje van [getuige 3] dat hij heeft ontvangen. [betrokkene 1] herinnert [betrokkene 3] aan ‘wat we hebben afgesproken’. [betrokkene 3] zegt dat hij het met ‘de gasten’ over het appje zal hebben. Hij geeft aan dat [betrokkene 1] niet hoeft ‘te bellen en te doen. Terwijl wij misschien een andere koers gaan varen’. [100]
56. Inzake het opleggen van de boete aan [getuige 5] heeft het hof gewezen op een gesprek van 10 december 2015 tussen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en een NN-man dat over [getuige 5] ging. Het hof heeft uit dat gesprek afgeleid en ook kunnen afleiden dat door alle leden van de Hells Angels Haarlem, dus ook door de verdachte, is vergaderd en gestemd over het opleggen van een boete aan [getuige 5] . Ik wijs er daarbij in het bijzonder op dat [betrokkene 1] in dat gesprek heeft gezegd: ‘maar ik sta gewoon achter de jongens die een beslissing hebben genomen’ en ‘Maar op het moment dat er beslissingen zijn genomen dan eh kan ik er ook niks meer aan doen. Want wij zijn mannen van ons woord en als er ehh met zijn allen wordt gezegd van zo gaat het gebeuren dan gaat het uiteindelijk zo gebeuren’.
57. Het hof heeft voorts uit de bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de beslissingen die door de vergadering genomen werden de leden sterk bonden. Ik wijs daarbij op de opmerkingen van medeverdachte [betrokkene 1] naar aanleiding van de aan [getuige 5] opgelegde boete. De beslissingen waar de verdachte aan meewerkte door aan de vergaderingen deel te nemen en aldaar te stemmen waren de grondslag voor de daaropvolgende (strafbare) gedragingen jegens [getuige 3] en [getuige 5] . Het hof heeft in dat licht kunnen oordelen dat de verdachte door het deelnemen aan deze vergaderingen en door daarin te stemmen een aandeel had in (dan wel ondersteunde) gedragingen die strekten tot (of rechtstreeks verband hielden met) de verwezenlijking van het bewezenverklaarde oogmerk van de organisatie (het plegen van onder meer bedreiging met geweld en afpersing).
58. Daarbij kan ook met een schuin oog worden gekeken naar rechtspraak en literatuur over het begrip feitelijke leidinggeven. Ook daar kan het gaan om persoonlijke verantwoordelijkheid voor gedragingen die in de context van een organisatie worden begaan. Van feitelijke leidinggeven kan volgens Uw Raad onder meer sprake zijn ‘bij de verdachte die bevoegd en redelijkerwijs gehouden is maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en die zulke maatregelen achterwege laat’. [101] De Hullu meent dat een taakverdeling binnen een bestuur van een rechtspersoon bij het gehouden zijn tot ingrijpen relevant kan zijn. [102] Van een taakverdeling was in dit verband geen sprake, het ging om democratisch genomen beslissingen. En de verdachte bleef na de vergaderingen waarin de betreffende beslissingen werden genomen lid, en was (uitgaande van de normering van het feitelijke leidinggeven) ook na de vergaderingen gehouden maatregelen te treffen ter voorkoming van de voorgenomen misdrijven.
59. Ik merk nog op dat deelneming aan een criminele dan wel terroristische organisatie ook in een arrest van 3 juli 2012 (mede) uit het deelnemen aan bijeenkomsten was afgeleid. [103] De misdrijven waarop het oogmerk was gericht waren (kort gezegd) opruiing (de artt. 131 en 132 Sr), het aanzetten tot haat en geweld (art. 137d Sr), en bedreiging (art. 285 Sr Pro). Uw Raad overwoog dat het hof blijkens de gebezigde bewijsmiddelen had vastgesteld dat de verdachte ‘met enige regelmaat bijeenkomsten bijwoonde waarbij de gewelddadige verspreiding van de islam werd gepropageerd en waarbij beeldmateriaal van onthoofdingen werd vertoond’. En voorts dat de verdachte ‘zelf voor zulke bijeenkomsten wel eens beeldmateriaal meebracht van het afslachten van vrouwen en kinderen en van het opblazen van Russische tanks, teneinde het gedachtegoed van de jihad uit te dragen’. Het hof had voorts vastgesteld dat de verdachte ‘actief heeft willen bijdragen aan het propageren van de islam door aan bedoelde bijeenkomsten deel te nemen en mee te werken aan de verspreiding van een geschrift met radicale inhoud, getiteld "How to catch a wolf", waarin tot de gewapende jihad wordt opgeroepen’ (rov. 2.5). ’s Hofs oordeel ‘dat de verdachte door zo te handelen daadwerkelijk een aandeel heeft gehad in, of heeft ondersteund, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het binnen de organisaties bestaande oogmerk en derhalve aan die organisaties heeft "deelgenomen" in de hiervoor bedoelde betekenis’ was volgens Uw Raad niet onbegrijpelijk (rov. 2.6).
60. Keijzer stelde in zijn noot onder het arrest dat de term ‘ondersteunt’ veronderstelt ‘dat de betrokkene het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd bevordert, in die zin dat het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven wordt vergroot’. [104] Voor zover die eis van ‘bevordering’ (ook in deze context) geldt, is daar naar het mij voorkomt in de onderhavige zaak aan voldaan: door deel te nemen aan besluitvorming inzake deze beslissingen, die de basis vormden voor de daaropvolgende (strafbare) gedragingen jegens [getuige 3] en [getuige 5] , heeft de verdachte het gevaar van verwezenlijking vergroot. Keijzer wees in verband met de uit de bewijsvoering blijkende gedragingen van de verdachte op het proefschrift van De Vries-Leemans, die schreef: ‘Zo zal bijvoorbeeld het spreken op vergaderingen alleen dan strafbare deelneming kunnen opleveren indien met het betoog ook daadwerkelijk een bijdrage wordt geleverd aan de verwezenlijking van het oogmerk, bijvoorbeeld door het opruien van de toehoorders tot het plegen van de beoogde misdrijven of door het bewust verschaffen van informatie welke op het plegen van die misdrijven betrekking heeft.’ [105] Deze passage illustreert dat het mede van het tenlastegelegde delict en de (andere) omstandigheden van het geval afhangt, of en zo ja welke gedragingen van de verdachte op een bijeenkomst als deelneming in de zin van art. 140 Sr Pro kunnen gelden. Als opruien één van de door de organisatie beoogde misdrijven is, kan het verspreiden van (opruiende) geschriften op een bijeenkomst deelneming opleveren. Het kan dat ook zijn als de opruiing ertoe strekt de door de organisatie beoogde misdrijven door derden (die daartoe opgeruid worden) te laten verwezenlijken. In de context van de onderhavige zaak, waarin door negen leden van de Hells Angels werd besloten over jegens [getuige 3] en [getuige 5] te plegen strafbare feiten, heeft het hof kunnen oordelen dat het mogelijk maken en deelnemen aan die besluitvorming deelneming in de zin van art. 140, eerste lid, Sr oplevert.
61. Ik merk ten slotte op dat in hoger beroep niet is aangevoerd dat de verdachte tegen heeft gestemd of nadien de uitvoering van de genomen besluiten op andere wijze heeft getracht te verhinderen. Daarvan blijkt ook niets uit de bewijsvoering van het hof. De raadsman heeft in hoger beroep over het inleveren van de motor door [getuige 3] aangevoerd dat geen sprake was van een clubbesluit en ten aanzien van het door [getuige 5] betaalde bedrag aangevoerd dat dit op volledig initiatief van [betrokkene 2] en [betrokkene 1] was en dat dit geen verband hield met de club. [106]
62. De eerste deelklacht faalt.
63. De tweede deelklacht betreft het door de verdachte deelnemen aan een vergadering waarin de relatie van de Hells Angels Haarlem met andere motorclubs aan de orde is gekomen. Het hof zou in dat verband niet meer hebben vastgesteld dan dat de verdachte over het contact met andere motorclubs heeft gezegd dat als er wat aan de hand is, er wordt gepraat, en: ‘We moeten vragen om uitleg. En dan vragen we gewoon: waar wil jij dan over praten?’ Daaruit zou niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte heeft bijgedragen aan de vijandigheid en de gewelddadigheid van de Hells Angels Haarlem richting onder meer Satudarah, No Surrender en de Mongols of deze zou hebben ondersteund.
64. De derde deelklacht betreft het door de verdachte deelnemen aan een vergadering over de daaraan voorafgaande mishandeling van een lid van No Surrender door [betrokkene 2] . Uit ‘s hofs bewijsvoering zou niet kunnen worden afgeleid dat de voorgenomen vergadering daadwerkelijk zou hebben plaatsgevonden en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen. Zonder nadere motivering zou voorts niet begrijpelijk zijn dat uit deelname aan die vergadering over een reeds begane mishandeling kan worden afgeleid dat wordt bijgedragen aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie. Dat zou temeer klemmen omdat het hof niets zou hebben vastgesteld over de reden voor deze vergadering en hetgeen aldaar is besproken en voorts in het midden zou hebben gelaten het door de verdediging aangevoerde dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] door de andere leden werden aangesproken op hun gedragingen.
65. Deze beide deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.
66. Onder het kopje ‘De relaties met andere motorclubs’ overweegt het hof dat de verdachte heeft deelgenomen aan een bespreking van 26 mei 2016 in het clubhuis van de Hells Angels Haarlem. In die bespreking heeft [betrokkene 2] ‘het ergste nog’ aan de orde gesteld: Amsterdam wil ‘weer in contact komen met de Satoes’. Na een NN-man en [betrokkene 3] doet ook de verdachte een duit in het zakje. Als er ‘lokaal wat aan de hand is’ moet er volgens hem ‘lokaal gepraat’ worden. Na een verwensing (‘No Surrender tering’) stelt hij dat ‘de afspraak’ zo zou zijn. En hij vervolgt met: ‘Het is gewoon duidelijk Haarlem is tegen. We blijven gewoon nee zeggen. We moeten vragen om uitleg. En dan vragen we gewoon: waar wil jij dan over praten?’. Vervolgens overweegt het hof dat de verdachte (met andere leden van de Hells Angels) heeft gesproken over de mishandeling op 17 december 2015 door [betrokkene 2] van een lid van No Surrender, [getuige 2] .
67. Onder het kopje ‘Aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen?’ overweegt het hof vervolgens dat de verdachte heeft ‘bijgedragen aan/ondersteund de vijandigheid en de gewelddadigheid van de Hells Angels Haarlem richting onder meer Satudarah, No Surrender en de Mongols’. Dit wordt volgens het hof bevestigd door hetgeen [betrokkene 1] tijdens de vergadering op het clubhuis van 16 september 2016 heeft gezegd: ‘
Ik vind dat we alle recht van spreken hebben omdat we met heel veel dingen het voortouw hebben genomen en als enigste stad kunnen zeggen dat wij die kankerhonden hier niet hebben en dat komt alleen maar door onze eigen houding die we hebben en wij kennen gewoon zeggen van luister als er geflikkerd wordt met die Satudarah’s, Bandidos, No Surrender, Mongols, Outlaws die hele kankerzooi als Holland daar voor is dan krijgen we net als vorige keer gewoon weer tweestrijd’. Het hof vermeldt daarbij dat de verdachte aanwezig was bij de vergadering van 16 september 2016.
68. Het hof heeft uit de weergave van hetgeen tijdens de vergadering van 26 mei 2016 besproken is kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat de verdachte niet alleen maar heeft aangegeven dat als er wat aan de hand is, er wordt gepraat. De opmerkingen van de verdachte hebben de strekking dat het chapter Haarlem niet wil dat er in breder (dan lokaal) verband met Satudarah gepraat wordt. Daar is Haarlem (volgens hem) tegen. Als anderen zulk (breder) overleg wel willen, zou hen om uitleg moeten worden gevraagd. Die afhoudende opstelling sluit aan bij de benadering die [betrokkene 1] op 16 september 2016 als ‘onze houding’ verwoord. De verdachte wil dat het chapter de handen vrij houdt om deze houding (‘No Surrender tering’) voort te zetten.
69. Uit de feiten en omstandigheden die met betrekking tot het voorgenomen gesprek op 17 december 2015 zijn vermeld, kan, zo meen ik met de steller van het middel, niet worden afgeleid dat de verdachte aan dat gesprek heeft deelgenomen. Wel volgt daaruit dat medeverdachte [betrokkene 1] de verdachte (al dan niet nadien) zal informeren zodat medeverdachte [medeverdachte 1] ‘het’ daarna wel van de verdachte hoort. Ook uit deze vaststelling kan volgen dat de verdachte, waar het de gevolgen van ‘onze houding’ voor de relaties met de landelijke organisatie van de Hells Angels betreft, in het interne overleg participeert. Ook dat heeft het hof – aanvullend – ten grondslag kunnen leggen aan het oordeel dat de verdachte een aandeel heeft gehad in de vijandigheid en de gewelddadigheid van de Hells Angels Haarlem richting andere motorclubs dan wel deze heeft ondersteund.
70. De tweede en derde deelklacht falen.
71. De vierde deelklacht betreft het door de verdachte deelnemen aan een vergadering over de koers en toekomst van de organisatie zelf en ‘verhullen en afdekken’. Uit de bewijsvoering zou niet blijken dat tijdens die vergadering de vijandige houding van de Hells Angels Haarlem richting andere motorclubs, de koers en toekomst van de organisatie en het ‘verhullen en afdekken’ aan de orde zijn gekomen dan wel dat daarover is gesproken. Ook zou het hof niet hebben vastgesteld dat over deze onderwerpen is besloten. Dat zou ten aanzien van de bewezenverklaring van ‘deelneming’ in de zin van art. 140 Sr Pro temeer klemmen omdat blijkens de vaststellingen van het hof in die vergaderingen over het ‘beleid’ is gezegd dat dit ‘te donker’ is. En dat met betrekking tot een vechtpartij tussen de Hells Angels en Mongols is gezegd dat ‘we sowieso niet meer op deze manier moeten handelen’. Ook zou uit ’s hofs vaststelling dat [betrokkene 1] tijdens een vergadering over de vechtpartij tussen de Hells Angels en de Mongols in het Van der Valk hotel te Rotterdam op 7 april 2016 heeft gezegd dat ‘we dan allemaal een probleem hadden gehad’, terwijl de medeverdachte [medeverdachte 3] daarop heeft gezegd ‘mother fucking probleem gehad ja’, niet kunnen volgen dat ‘allemaal’ slaat op het gehele chapter Haarlem.
72. In de vijfde deelklacht voert de steller van het middel aan dat niet begrijpelijk is waarom het voornemen tot ‘sweepen’ van het clubhuis als een aan de verwezenlijking van het oogmerk in de zin van art. 140 Sr Pro bijdragende of ondersteunende handeling is aangemerkt. Zonder nadere motivering zou niet begrijpelijk zijn waarom het enkele (voornemen tot) ‘sweepen’ als een dergelijke handeling is te kwalificeren. Daarbij zou van belang zijn dat het hof zijn vaststellingen daarover heeft gebaseerd op één gesprek, waaraan uitsluitend [betrokkene 2] en [betrokkene 1] deelnamen, zodat ‘s hofs vaststelling dat ook de verdachte heeft deelgenomen aan gesprekken (meervoud) over dit ‘sweepen’ onbegrijpelijk is.
73. Ook deze deelklachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.
74. De onderwerpen die op de vergadering van 16 september 2016 aan de orde kwamen, hadden een ander karakter dan de besluitvorming over de motor van [getuige 3] en de boete voor [getuige 5] . Het ging blijkens de bewijsvoering van het hof over de relatie met andere motorclubs, de koers/toekomst van de organisatie zelf (in verband met het werven van nieuwe leden) en het verhullen en afdekken van gedragingen die met de verwezenlijking van het criminele oogmerk verband houden. Deze onderwerpen staan alle drie in verband met de koers van de organisatie. Het bepalen van de koers kan gezien worden als een gedraging die rechtstreeks verband houdt met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Ik neem daarbij in aanmerking dat art. 140, vierde lid, Sr bepaalt dat de gevangenisstraffen ten aanzien van de leiders met een derde kunnen worden verhoogd. Deze formulering maakt duidelijk dat ook de leider wordt gezien als iemand die aan de organisatie deelneemt. Uit de parlementaire behandeling van de wijziging van art. 140 Sr Pro waardoor dit begrip in de strafverzwaringsgrond werd ingevoegd, kan worden afgeleid dat voor het zijn van ‘leider’ doorslaggevend is het hebben van een bepaalde macht dan wel gezag, en dat in dat verband van belang is of de betrokkene dwingende aanwijzingen kan geven. [107] Die macht en dat gezag en de bevoegdheid om dwingende aanwijzingen te geven, lagen bij de Hells Angels Haarlem in belangrijke mate bij de vergadering waar alle leden aan deelnamen. Mede tegen die achtergrond heeft het hof het deelnemen aan een vergadering waar de koers van het chapter aan de orde was kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
75. Daaraan doet niet af dat tijdens die vergadering door medeverdachte [betrokkene 2] is gezegd dat het beleid ‘gewoon te donker’ is. En dat medeverdachte [betrokkene 1] tijdens diezelfde vergadering naar aanleiding van een eerder treffen tussen de Hells Angels en de Mongols in het Van der Valk hotel te Rotterdam, met het oog op het risico van het vast komen te zitten van leden, heeft gezegd dat ‘we sowieso niet meer op deze manier moeten handelen’. Uit de weergave van het tijdens de vergadering besprokene in de bewijsmiddelen blijkt niet dat de koers wezenlijk zou zijn bijgesteld.
76. Naar aanleiding van de stelling dat [betrokkene 1] , toen hij naar aanleiding van de vechtpartij tussen de Hells Angels en de Mongols sprak over het ‘allemaal’ een probleem hebben, kan hebben gedoeld op alleen de nieuwe garde, merk ik op dat medeverdachte [medeverdachte 3] daarop opmerkte: ‘mother fucking probleem gehad ja’. Ook hij voelde zich kennelijk aangesproken. Daarbij heeft [betrokkene 1] daaraan voorafgaand vier personen, waaronder zichzelf, aangewezen als personen die vast hadden gezeten als er betere camera’s waren geweest. De nieuwe garde bestaat uit drie man ( [betrokkene 1] , [betrokkene 3] en [betrokkene 2] ). Mede in dat licht heeft het hof kunnen aannemen dat het probleem waar [betrokkene 1] over sprak, een probleem betrof van alle leden die op de vergadering aanwezig waren.
77. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan ‘gesprekken over verhulling en afdekking verband houdende met het criminele oogmerk van de organisatie’. Uit ’s hofs vaststellingen volgt dat het ‘sweepen’ van het clubhuis werd besproken op de vergadering van 16 september 2016, dat deze handeling zag op het verhullen en afdekken en dat de verdachte bij deze vergadering aanwezig was. Het hof heeft uit het gesprek kunnen afleiden dat de deelnemers aan dat gesprek het voorstel tot het sweepen van het clubhuis hebben bedoeld respectievelijk opgevat als een voorstel om het clubhuis uit te kammen op afluisterapparatuur. Dat is een gedraging die het hof met verhullen en afdekken in verband heeft kunnen brengen. Voor zover het middel erover klaagt dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte heeft deelgenomen aan gesprekken over ‘sweepen’ berust de klacht op een verkeerde lezing van het arrest. Voor zover het middel erover bedoelt te klagen dat de vaststellingen van het hof over het deelnemen door de verdachte aan gesprekken over verhullen en afdekken zijn gebaseerd op een gesprek waaraan uitsluitend [betrokkene 2] en [betrokkene 1] deelnamen, berust het eveneens op een verkeerde lezing van het arrest.
78. Kern van het standpunt van medeverdachte [betrokkene 1] inzake het verhullen en afdekken was dat ‘we allemaal weten’ dat ‘als er echt wat te bespreken valt’ dat niet op het clubhuis moet gebeuren. Dan gaan ‘we ergens anders heen simpel zat’. Uit die bewoordingen heeft het hof kennelijk afgeleid en kunnen afleiden dat [betrokkene 1] een algemeen gedeeld standpunt weergaf. Uit de bewijsvoering blijkt niet dat [betrokkene 1] wordt weersproken; dat wordt in cassatie ook niet aangevoerd. Ook in zoverre bevestigt de vergadering, waar de verdachte aan deelnam, de koers van de organisatie.
79. Tegen de achtergrond van hetgeen ik hiervoor heb opgemerkt over de parlementaire behandeling bij een wijziging van art. 140 Sr Pro, meen ik dat ook het deelnemen aan de vergadering van 16 september 2016 voor zover daarin de koers/toekomst van de organisatie zelf en het verhullen/afdekken aan de orde is geweest kan worden aangemerkt als het ondersteunen van dan wel hebben van een aandeel in gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.
80. De vierde en vijfde deelklacht falen.
81. De steller van het middel klaagt vervolgens dat het hof in verband met het wachtlopen bij het clubhuis niet meer heeft vastgesteld dan dat het doel daarvan was het beveiligen van het clubhuis. ’s Hofs overweging in verband hiermee dat ‘op enig moment’ een vuurwapen in het clubhuis aanwezig is, zou onbegrijpelijk zijn, althans ontoereikend gemotiveerd, nu het hof daarover slechts heeft vastgesteld dat dit ‘kennelijk’ het geval was en niet dat de verdachte heeft wachtgelopen tijdens die kennelijke aanwezigheid. Daarbij zou het hof hebben vastgesteld dat volgens de verdachte het wachtlopen plaatsvond omdat een buitenlands member (onverwacht) langs kon komen en opgevangen diende te worden. Voor zover het hof met betrekking tot het wachtlopen een ander doel heeft aangenomen zou het arrest in het licht van die vaststelling innerlijk tegenstrijdig en aldus onbegrijpelijk zijn.
82. Het hof overweegt dat de verdachte heeft verklaard dat er ‘wacht’ was omdat een buitenlands member (onverwacht) langs kon komen en opgevangen diende te worden. Dat het hof deze verklaring van de verdachte weergeeft, betekent niet dat het hof zou hebben vastgesteld dat het wachtlopen voor de verdachte daadwerkelijk dat doel had. Voor zover het middel ervan uitgaat dat het hof zou hebben vastgesteld dat het wachtlopen verband hield met de mogelijke komst van een gast uit het buitenland, ontbeert het aldus feitelijke grondslag.
83. Het hof citeert in de bewijsoverweging die het aan het doel van het wachtlopen heeft gewijd vervolgens eerst een passage uit een gesprek tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 2] van 4 januari 2016. Daarin wordt in relatie tot de club gesproken over een vuurwapen. Het hof citeert voorts een passage uit een gesprek dat later die dag tussen de medeverdachten [betrokkene 1] en [betrokkene 4] is gevoerd. Daarin wordt gesproken over het gebruiken van ‘dat ding’ als iemand voor de deur staat. Vervolgens citeert het hof een passage uit een gesprek tussen de medeverdachten [betrokkene 2] , [betrokkene 3] en [betrokkene 1] van 30 november 2015 waarin [betrokkene 2] aangeeft dat met de Kerst en Oud en Nieuw wachtgelopen zal moeten worden, en een passage uit een gesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] van 18 december 2015, de dag na de mishandeling van No Surrenderlid [getuige 2] , waarin [betrokkene 1] aangeeft dat het ‘ons’ goed leek om die avond ‘bemand’ te zijn ‘hier’.
84. Het hof heeft uit deze gesprekken in combinatie met het criminele oogmerk van de organisatie afgeleid dat het doel van het wachtlopen de beveiliging van het clubhuis is. Het hof heeft daarbij in de eerste plaats gewezen op de aanwezigheid ‘op enig moment’ van een vuurwapen in het clubhuis, dat gebruikt kan worden in geval van eventuele indringers, in de tweede plaats op het wachtlopen met Kerst en Oud en Nieuw, ‘dagen waarop het onwaarschijnlijk is dat een buitenlands member spontaan zou langskomen’ en in de derde plaats op de ‘extra’ beveiliging na de mishandeling van een lid van No Surrender. Dat het hof uit deze aanwijzingen heeft afgeleid dat het doel van het wachtlopen de beveiliging van het clubhuis was, is niet onbegrijpelijk en dit oordeel is toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat uit ’s hofs vaststellingen niet volgt dat het wapen aanwezig was toen de verdachte wacht liep. Het wachtlopen was niet gekoppeld aan de aanwezigheid van het wapen, maar aan de beveiliging van het clubhuis.
85. In het licht van de vastgestelde doelstelling van het wachtlopen heeft het hof het wachtlopen door de verdachte voorts kunnen aanmerken als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met het verwezenlijken van het criminele oogmerk van de organisatie.
86. Ook de zesde deelklacht faalt.
87. De steller van het middel voert voorts aan dat het onbegrijpelijk is dat het ‘betalen voor een gedetineerd lid’ door de verdachte is aangemerkt als een aan de verwezenlijking van het oogmerk in de zin van art. 140 Sr Pro bijdragende of ondersteunende handeling. Op de eerste plaats zou uit de bewijsvoering niet af te leiden zijn dat de verdachte een dergelijke betaling heeft verricht. Op de tweede plaats zou uit het verlenen van financiële steun ter voorkoming van verlies van de woning niet een aan de verwezenlijking van het oogmerk in de zin van art. 140 Sr Pro bijdragende of ondersteunende handeling kunnen worden afgeleid. Dat zou temeer klemmen omdat uit de bewijsvoering niet zou volgen dat [betrokkene 1] , met wiens detentie de inzameling verband hield, gevangen zat wegens een feit dat uit naam van de Hells Angels Haarlem is begaan. Voor zover het hof zou hebben bedoeld dat die betalingen tot doel hadden om [betrokkene 1] , die gedetineerd zat, zijn stemrecht te kunnen laten uitoefenen, zou dat onbegrijpelijk zijn, omdat zonder nadere motivering niet zou zijn in te zien dat een betaling daartoe functioneel is.
88. Het hof heeft in verband met het ‘betalen voor een gedetineerd lid’ gewezen op de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 3] ter terechtzitting in hoger beroep als getuige over de ‘BHC-potten’ heeft afgelegd: ‘
dit is een pot met geld voor jongens die vastzitten’. Het hof vermeldt daarbij dat op één van de potten de naam ‘[betrokkene 1]’ staat. Het hof heeft daarna gewezen op hetgeen tijdens de vergadering van 16 september 2016 is gezegd door [betrokkene 1] , die op dat moment met verlof uit detentie was:
‘Kijk wij hebben een huurhuis ja? En wij redden het financieel wel (..) Maar ik weet ook, ik zie hier ook mensen die een fucking baan hebben met een contract, fucking hypotheken hebben, die echt fucking gezeik krijgen wanneer ze een tijdje weggaan en weet je wat het allerergste dan is dan moet het niet zo zijn dat nu moeten jullie voor mij betalen (…)’. Het hof heeft uit ‘het voorgaande, in onderlinge samenhang’ afgeleid dat de verdachte voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens zijn detentie. Het hof stelt voorts vast dat [betrokkene 1] was gedetineerd in verband met een veroordeling voor bezit van diverse zware wapens. Het hof overweegt vervolgens dat [betrokkene 1] vanuit detentie, via [betrokkene 4] en [betrokkene 3] , zijn invloed en stemrecht uitoefende bij de Hells Angels Haarlem. Naar ’s hofs oordeel is de betaling door de verdachte voor [betrokkene 1] ‘aan te merken als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie’.
89. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de leden van de club in zijn algemeenheid met een financiële bijdrage zorgden voor leden wanneer deze gedetineerd raakten. Ik wijs in dat verband op ‘s hofs overwegingen onder het kopje ‘Belonen en aanmoedigen van strafbare gedragingen’. Het hof heeft naar het mij voorkomt ook uit de bewijsvoering kunnen afleiden dat de verdachte voor [betrokkene 1] heeft betaald tijdens diens detentie. Dat volgt niet alleen uit diens uitlatingen; uit de bewijsmiddelen, in hun geheel beschouwd, volgt ook dat van het sociale verband van de Hells Angels Haarlem een betrekkelijk grote druk op de leden uitging. Ik neem voorts in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de Stichting Hells Angels in 2015 in totaal € 1.200 overmaakte aan de medeverdachte [betrokkene 1] (bewijsmiddel 3). En dat uit de bewijsoverwegingen volgt dat op 23 juli 2016 een inzameling voor medeverdachte [betrokkene 1] plaatsvond en dat bij de doorzoeking van het clubhuis op 26 januari 2017 een BHC-pot is aangetroffen met daarop de naam ‘[betrokkene 1]’.
90. Het hof heeft het betalen voor een gedetineerd lid voorts als het hebben van een aandeel in (dan wel ondersteunen van) gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr Pro omschreven oogmerk kunnen aanmerken. Die betalingen maakten duidelijk dat de mogelijke financiële gevolgen van detentie niet of in mindere mate een reden behoefden te zijn om van het plegen van misdrijven die met het charter verband hielden af te zien. Door voor een gedetineerd lid te betalen, bevorderde de verdachte aldus het plegen van misdrijven als door de organisatie beoogd; het gevaar van verwezenlijking van die misdrijven werd vergroot. Dat brengt mee dat het niet relevant is of [betrokkene 1] op dat moment gedetineerd zat voor een strafbaar feit dat gerelateerd kan worden aan de Hells Angels Haarlem.
91. Uit ’s hofs overwegingen kan, meen ik, niet worden afgeleid dat het door de verdachte tijdens diens detentie betalen voor [betrokkene 1] als een ‘deelneming’ opleverende gedraging is aangemerkt in verband met het tijdens detentie uitoefenen van invloed dan wel stemrecht door [betrokkene 1] . Tegen die achtergrond ga ik voorbij aan het bezwaar dat geformuleerd is voor het geval wel van die lezing zou moeten worden uitgegaan.
92. De zevende deelklacht faalt.
93. De steller van het middel voert verder aan dat ‘s hofs oordeel dat het betalen van contributie ‘deelneming’ in de zin van art. 140 Sr Pro oplevert niet toereikend zou zijn gemotiveerd, omdat uit ‘s hofs bewijsvoering niet zou kunnen worden afgeleid dat het betalen van contributie geschiedde om gesprekken over criminele activiteiten te faciliteren, terwijl evenmin uit die bewijsvoering zou zijn af te leiden dat de verdachte van een dergelijk doel van het betalen van contributie wetenschap droeg. Dit zou temeer klemmen omdat de raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte lid was van de Hells Angels vanuit intenties die niet te maken hebben met het door het hof bewezenverklaarde oogmerk, terwijl het hof deze intenties van verzoeker ten onrechte onbesproken heeft gelaten.
94. Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte contributie heeft betaald voor het lidmaatschap van de Hells Angels Haarlem. Het hof heeft daarbij gewezen op de verklaring die medeverdachte [medeverdachte 3] in hoger beroep als getuige heeft afgelegd, inhoudend dat hiermee de vaste lasten voor het clubhuis werden betaald; gas, water, licht, internet en de gemeentelijke belastingen. Het hof heeft vervolgens overwogen dat het clubhuis het hart vormde van de Hells Angels Haarlem. De leden kwamen daar samen, er werden besluiten genomen en allerlei andere gesprekken gevoerd in verband met het criminele oogmerk van de organisatie. Het clubhuis moest worden ‘gesweept’ en bewaakt en er werd geld ingezameld voor gedetineerde leden. Het hof concludeert dat het betalen van de vaste lasten voor dit clubhuis dan ook kan worden beschouwd als ondersteunend/bijdragend aan het criminele oogmerk van de organisatie.
95. Uit de bewijsvoering van het hof volgt dat de leden samenkwamen in het clubhuis, dat daar onder meer werd vergaderd en gestemd, en dat daar gesprekken werden gevoerd die verband hielden met het criminele oogmerk van de organisatie. Als de leden geen contributie hadden betaald waaruit de vaste lasten voldaan konden worden, zou de Stichting Hells Angels Haarlem het clubhuis niet beschikbaar hebben kunnen houden voor de leden. Dat brengt mee dat het hof het betalen van de contributie heeft kunnen aanmerken als (het hebben van een aandeel in dan wel) ondersteunen van gedragingen die (strekken tot of) rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in art. 140 Sr Pro bedoelde oogmerk. Door het betalen van de contributie is het gevaar van verwezenlijking van het criminele oogmerk vergroot.
96. Aan een en ander doet niet af hetgeen namens de verdachte is aangevoerd over de intenties van waaruit hij lid was geworden van de Hells Angels. En daaraan doet evenmin af dat uit de bewijsvoering niet zou volgen dat het betalen van contributie als (naaste) doel het financieren van gesprekken over criminele activiteiten had.
97. Ik wijs er in dit verband ook op dat in art. 140 Sr Pro expliciet is bepaald: ‘Onder deelneming als omschreven in het eerste lid wordt mede begrepen het verlenen van geldelijke of andere stoffelijke steun aan alsmede het werven van gelden of personen ten behoeve van de daar omschreven organisatie’. [108] Uit rechtspraak van Uw Raad volgt dat deze omschrijving niet afdoet aan de eis dat de betrokkene dient te behoren tot het samenwerkingsverband. De verduidelijking heeft volgens Uw Raad betrekking op het vereiste van een aandeel in of ondersteunen van bepaalde gedragingen. [109] Zij kan naar het mij voorkomt aldus worden begrepen dat – volgens de wetgever – aan die eis voldaan is indien van één van de in dit lid genoemde handelingen sprake is, zonder dat nadere vaststellingen vereist zijn over een specifiek doel waarvoor de geldelijke of andere steun is aangewend dan wel de gelden of personen zijn geworven.
98. De achtste deelklacht faalt.
99. De steller van het middel voert in de volgende deelklacht aan dat uit ’s hofs vaststellingen over het deelnemen aan vergaderingen, het ‘sweepen’, het wachtlopen, het ‘betalen voor een gedetineerd lid’ en het betalen van contributie niet kan worden afgeleid dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de Hells Angels, charter Haarlem tot oogmerk had het plegen van misdrijven. Ook daarom zou het arrest niet toereikend met redenen zijn omkleed.
100. Om een persoon als deelnemer aan de organisatie te kunnen aanmerken, is voldoende dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. [110] Niet vereist is dat de verdachte enige vorm van opzet op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven heeft gehad. Vereist lijkt mij evenmin dat (het hof expliciet vaststelt dat) de verdachte wetenschap had van alle kenmerken van de organisatie waar het hof de vaststelling van het criminele oogmerk op heeft gebaseerd. Voldoende is dat de feiten en omstandigheden waar de verdachte van wist het oordeel kunnen dragen dat hij in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had.
101. Het hof heeft geoordeeld dat in het verrichten van ‘al de hiervoor genoemde gedragingen’, waarmee de verdachte ‘aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende en ondersteunende handelingen heeft verricht’, de wetenschap van de verdachte van dit oogmerk besloten ligt. Het hof heeft in de eerste plaats het deelnemen aan vergaderingen over en het stemmen over het door [getuige 3] achter moeten laten van zijn motor en het opleggen van een boete aan [getuige 5] in aanmerking genomen. Het hof heeft voorts (onder meer) het deelnemen aan een vergadering van 26 mei 2016, waar de relatie met andere motorclubs aan de orde was, en het deelnemen aan de vergadering van 16 september 2016, waar (tevens) de koers/toekomst van de organisatie en verhullen/afdekken besproken werden in aanmerking genomen. Naar het mij voorkomt heeft het hof in het bijzonder uit deze gedragingen de wetenschap van de verdachte van het criminele oogmerk van de organisatie kunnen afleiden. Mede in dit licht heeft het hof kunnen aannemen dat ook het wachtlopen, het betalen voor een gedetineerd lid en het betalen van de contributie plaatsvond terwijl de verdachte (in zijn algemeenheid) wist van het criminele oogmerk van de organisatie.
102. De negende deelklacht faalt.
103. Als laatste deelklacht voert de steller van het middel ten slotte aan dat het hof bij de in aanmerking genomen gedragingen ten onrechte niet zou hebben gereageerd op het namens de verdachte ingenomen standpunt dat de ‘jonge garde’ los van de ‘oude garde’ samen met elkaar optrok en intensief overlegde onder meer tot het plegen van geweldsmisdrijven, dat de door de ‘jonge garde’ gepleegde geweldsincidenten niets met de club te maken hadden, dat [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] volgens [betrokkene 3] met ‘de rest’ nauwelijks contact hadden over ‘bepaalde dingen’, dat geweld door individuele leden van de Hells Angels op het clubhuis niet werd besproken, dat de ‘jonge garde’ in het geniep strafbare feiten pleegde uit naam van het charter, dat de ‘jonge garde’ de buitenwereld liet denken dat zij handelde uit naam van het charter terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was, dat de ‘oude garde’ de ‘jonge garde’ aansprak op negatief gedrag en dat de ‘oude garde’ – waaronder dus de verdachte – als maatregel naar aanleiding van het gedrag van de ‘jonge garde’, deze ‘jonge garde’ in ‘bad standing’ uit de club heeft gezet toen men erachter kwam wat zij had gedaan. Ook daarom zou het arrest niet toereikend zijn gemotiveerd.
104. De steller van het middel heeft ook bij andere deelklachten de aandacht gevestigd op deze onderdelen van het in hoger beroep gevoerde pleidooi. Ik heb bij de bespreking van die deelklachten aangegeven waarom het hof niet afzonderlijk op diverse van deze onderdelen uit het pleidooi behoefde in te gaan. Ook aan de toereikendheid van de bewijsvoering inzake de wetenschap van het criminele oogmerk bij de verdachte doen zij niet af. Dat geldt ook voor de stelling dat de ‘jonge garde’ in bad standing uit de Hells Angels Haarlem zou zijn gezet in het licht van het gebeurde. Die beslissing doet niet af aan vaststellingen inzake wat de verdachte tijdens de bewezenverklaarde periode wist.
105. De tiende deelklacht faalt. Dat brengt mee dat het tweede middel faalt.
106. Ik merk nog op dat het hof van een aantal gedragingen van de verdachte separaat heeft vastgesteld dat deze deelneming door de verdachte aan een criminele organisatie opleveren. Uw Raad heeft eerder ook wel beoordeeld of een samenstel van door het hof vastgestelde gedragingen als deelneming kan worden aangemerkt. [111] Beide benaderingen zijn mijns inziens verenigbaar met de interpretatie die Uw Raad aan het begrip ‘deelneming’ heeft gegeven. Anders dan bij medeplegen behoeft niet een bijdrage van ‘voldoende gewicht’ te worden vastgesteld. [112] Het optellen van verschillende gedragingen teneinde aan dit gewicht te komen is zo bezien niet noodzakelijk. In beide benaderingen geldt mede in dat licht naar het mij voorkomt dat in het geval Uw Raad van oordeel zou zijn dat één van de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden niet zelfstandig als ‘deelneming’ kan worden aangemerkt, dit nog niet behoeft mee te brengen dat voldoende belang bij cassatie bestaat.
Het derde middel
107. Het derde middel houdt in dat het hof het verweer dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft verworpen en/of op onjuiste en/of onbegrijpelijke gronden, althans ontoereikend gemotiveerd, heeft bewezenverklaard dat de verdachte vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad.
108. Ten laste van de verdachte is onder 2 bewezenverklaard dat:
‘hij op 26 januari 2017 te [plaats] (in een woning aan de [d-straat 1]) twee vuurwapens van categorie III (te weten merk Pietro Beretta, semi automatisch pistool en/of merk Nagant, revolver) en 18 (kogel)patronen (15 stuks van het merk CBC, kaliber 7,75 x 17 (.32 auto) en/of 3 stuks .32 wadcutter), zijnde munitie van categorie III, voorhanden heeft gehad.’
109. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen (met weglating van verwijzingen):
‘Een proces-verbaal van aantreffen vuurwapens en munitie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 12 juli 2017 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Onder leiding van de rechter-commissaris (...) werd op (...) 26 januari 2017 door mij voor een doorzoeking ter inbeslagneming, binnengetreden in de woning perceel [d-straat 1] te [plaats]. In de woonkamer van deze woning werd door mij een wandmeubel doorzocht. In het wandmeubel werden twee vuurwapens en munitie aangetroffen.
Een pistool, Pietro Beretta werd aangetroffen in een koffer. IBN code: Oude45.01.01.006
Een revolver Nagant werd aangetroffen in een zwarte hoes. IBN code: Oude45.01.01.007 (...)
De vuurwapens en de daarbij behorende munitie werden in beslag genomen.
Een proces-verbaal onderzoek wapen/munitie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 30 januari 2017 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Op vrijdag 27 januari 2017 te 00:37 uur zijn op het adres [d-straat 1] te [plaats] goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:
Wapenomschrijving:
Goednummer PL1100-2017017985-712223
Categorie omschrijving Wapens/munitie/springstof Object Vuurwapen (Pistool)
Merk/type Pietro Beretta Mod.70
Kleur Zwart
Land Nederland
Spoor identificatienr. AAHI5807NL Wapennummer VERWIJDERD
Kaliber 7.65 mm x 17 (.32 auto)
Inhoud Pistool Beretta; [d-straat 1] te haarlem in de woonkamer, op 26-01-20 om 00:37 uur
Bijzonderheden Ibn code: oude45.01.01.007 incl. patronen [...]
Onderzoek
Bij nader visueel onderzoek bleek mij dat dit voorwerp een pistool betreft van het Italiaanse merk Pietro Beretta, model rood. 70, bestemd en geschikt voor het verschieten van scherpe kogelpatronen in het kaliber 7,65 x 17 (.32 auto). Het wapennummer was weggeslepen.
Dit betreft een semi-automatisch pistool waarvan de werking berust op massa-vergrendeling. Het pistool is voorzien van een getrokken loop met een diameter van 9.06 millimeter.
Het vuurwapen is in goede staat van onderhoud, heeft een slagpin punt van voldoende lengte en is gebruik gereed. Op het wapen zijn Italiaanse proefbanktekens aanwezig. [...]
Half geladen
Ten tijde van het aantreffen voor inbeslagname, werd door mij vastgesteld dat in dit pistool een vol
patroonmagazijn aanwezig was, met daarin 8 scherpe kogelpatronen. Deze waren allen van het Braziliaanse munitiemerk CBG, in kaliber 7,75 x 17 (.32 auto). Tevens werden in het wapenkist een zestal losse patronen aangetroffen. Als bodemstempel was alle patronen aangebracht ‘c-b-c .32 auto’.
[...]
juridische kwalificatie
Gezien het vorenstaande is dit pistool een vuurwapen, in de zin van artikel 1 onder Pro 3, gelet op artikel 2 lid Pro 1, categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie.
Een aanvullend proces-verbaal van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 31 januari 2017 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
(…)
Op (...) 27 januari 2017 werd door mij (...) een onderzoek ingesteld, in/aan een zwart koffertje met als inhoud een pistool, een patroonhouder met daarin acht patronen en zeven losse patronen. Het koffertje met inhoud was na de inbeslagname (...) gewaarmerkt met de IBN-code/ voorwerpnummer oude45.01.01.006 (...).
In het eerder door mij (...) opgemaakte "proces-verbaal onderzoek wapen", de dato 30 januari 2017 staat abusievelijk vermeld, dat het koffertje gewaarmerkt met de IBN-code/voorwerpnummer oude45.01.01.006 / NHRAA15001 370195 zes losse patronen bevatte, in plaats van zeven. Bij het door mij opgemaakte proces-verbaal zit een door mij kort na de inbeslagneming gemaakte foto, waarop zichtbaar is, dat in het koffertje geen zes, maar zeven losse patronen zaten. (...)
Een proces-verbaal onderzoek wapen van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 31 januari 2017 (…)
Dit proces-verbaal houdt onder meer het volgende in:
Op vrijdag 27 januari 2017 te 00:37 uur zijn op het adres [d-straat 1] goederen inbeslaggenomen. Na onderzoek van deze goederen is het volgende naar voren gekomen:
Wapenomschrijving:
Goednummer PL 1100-2017017985-712221
Categorie omschrijving Wapens/munitie/springstof
Object Vuurwapen (Revolver)
Merk/type Nagant 1941
Kleur Zwart
Land Nederland
Spoor identificatienr. AAHI5806NL
Bouwjaar 1941
Kaliber 7,62 x 38R
Inhoud Revolver; [d-straat 1] te [plaats], in woonkamer, op 27-01-2017, om 00:35 uur
Bijzonderheden Ibn code; oude45.01.01.007
Onderzoek
Het inbeslaggenomen voorwerp is een revolver van het oorspronkelijk Russische model Nagant M1895 en is geschikt om projectielen door een loop af te schieten. Het betreft een double/single-action revolver, zijlader, voorzien van een getrokken loop en een gasafdicht systeem. De cilinder biedt ruimte voor zeven (7) patronen.
Het wapen is voorzien van diverse russische proefbanktekens.
Het wapen verkeerd in goede staat en is gebruikgereed.
De werking van het voorwerp berust op het teweegbrengen van een scheikundige ontploffing of een andere scheikundige reactie.
Juridische kwalificatie
Derhalve is deze revolver een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1
categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie. [...]
Passende munitie
Tevens was in de cilinder munitie aangetroffen en in beslag genomen, voorzien van SIN AAGC4404NL.
Dit betroffen 3 kogelpatronen, centraalvuur, wadcutter (projectiel met vlak front), in het kaliber .32 s&w long.
Ambtshalve is mij bekend dat patronen van dit kaliber niet van origine bestemd, maar wel geschikt zijn, om te worden verschoten met voornoemde Nagant revolver. De maat van de patronen wijkt in lengte af (korter) van het 7,62 x 38R Nagant kaliber. Deze munitie verkeert in goede staat en is gebruik gereed.
[…]
Juridische kwalificatie
Derhalve is dit munitie in de zin van artikel 1 onder Pro 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie Pro III van de WWM.’
110. Blijkens het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep hebben de raadsman van de verdachte en de raadslieden van de medeverdachten [medeverdachte 4] en Stichting Hells Angels Haarlem op 26 januari 2021 gezamenlijk het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig pleitnotities die aan het hof zijn overgelegd. Deze pleitnotities houden onder meer het volgende in (met weglating van voetnoten):
‘Voorhanden hebben vuurwapen (…)
Inleiding
17. Client ontkent iedere betrokkenheid bij het voorhanden hebben van de twee wapens en de munitie die op 26 februari 2017 in zijn woning werden aangetroffen.
18. Onverlet de verklaring van cliënt - als verdachte en nota bene ook als getuige - dat hij niet wist dat de wapens in de woning lagen, oordeelde de rechtbank dat cliënt “zich in meer of mindere mate bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de wapens en de munitie” en achtte bewezen dat cliënt deze voorhanden heeft gehad. Ik meen dat deze veroordeling geen stand kan houden en cliënt hiervan door uw hof dient te worden vrijgesproken.
19. Geen van die goederen lag direct in het zicht en cliënt heeft reeds in een vroeg stadium verklaard dat de goederen niet van hem zijn. Uit het dossier blijkt niet van (voldoende) wettig en overtuigend bewijs dat cliënt de ten laste gelegde wapens en munitie, aanwezig dan wel voorhanden heeft gehad, nu niet kan worden vastgesteld dat cliënt de voor het opzet noodzakelijke wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de ten laste gelegde goederen. In het navolgende zal ik dit nader toelichten.
Doorzoeking ter inbeslagname 26 februari 2017
20. In de woning van cliënt zijn twee vuurwapens en munitie aangetroffen in een kast in de woonkamer. Client, zijn echtgenote alsmede hun twee op dat moment nog thuiswonende meerderjarige zonen zijn als verdachten aangemerkt ter zake het voorhanden hebben van die wapens en munitie. Allen zijn zij gehoord en bevraagd over hun wetenschap en/of betrokkenheid bij de aangetroffen vuurwapens en munitie. Ieder van hen verklaarde niet te hebben geweten dat de wapens en munitie in de woning lagen, laat staan deze daar zelf te hebben neergelegd, dan wel opzet te hebben gehad op het medeplegen daarvan.
21. Op 3 november 2020 zijn [betrokkene 17], [betrokkene 18] en [betrokkene 19] ter terechtzitting in hoger beroep als getuigen gehoord. De belangrijkste onderdelen uit de verklaringen van de getuigen treft u hieronder aan.
22. [betrokkene 17] verklaarde:
‘Het wapen is gevonden in mijn kast bij de inval. (...) De politie zocht in de kast en toen kwamen de wapens tevoorschijn. Het was de eerste keer dat ik de wapen en munitie zag. De kast was normaal gesproken dicht. Ik weet niets af van twee vuurwapens en munitie.”
23. En:
“Ik weet niet hoe het daar is gekomen. (...) Ik vermoed dat het wapen in de rechterkant van het wandmeubel heeft gezeten. We maakten wel eens gebruik van de printer. De kast was een opslagplaats. Bovenin lagen papieren. Ik stopte daar alles in. Het was een soort archiefkast. Voor zover ik weet kwamen andere gezinsleden niet in die kast. (...) We hebben onderling besproken hoe de wapens daar zijn gekomen, maar niemand wist het. Ik heb mijn partner nooit met vuurwapens of munitie gezien of erover horen praten.”
24. [betrokkene 18] verklaarde desgevraagd:
“Ze hebben alles uit de kast gehaald en de wapens gevonden. Ik wist daar niets van. Ik kwam nooit in die kast. Ik kwam alleen in het bovenste gedeelte in verband met de administratie. (...) Ik heb met mijn moeder, vader, en broer gesproken over hoe die wapens daar in de kast waren gekomen. We hebben elkaar gevraagd of iemand wist van wie het was en niemand wist het. Ik heb mijn vader nooit met vuurwapens of munitie gezien of daarover horen spreken.”
25. En de andere zoon van cliënt [betrokkene 19] verklaarde:
“Ik woonde destijds in de woning. Ik kwam niet in de wandkast waar de wapens zijn aangetroffen. Ik was thuis toen de wapens werden aangetroffen. Ik herinner me dat de wapens in koffers uit de kast kwamen. (...) Ik had de koffers niet eerder gezien. Je kon aan de buitenkant niet zien wat er in de koffers zat. (...) [verdachte] is mijn vader. Ik heb nooit met hem gesproken over wapens of munitie. Ik heb hem ook nooit met derden over wapens of munitie horen spreken.”
26. Resumerend. Evenals cliënt hadden zijn echtgenote en beide zonen zelfstandig en vrijelijk toegang tot de woning en de wandkast waarin de goederen zijn aangetroffen. Desondanks verklaarden alle drie de getuigen niets te hebben geweten van de aanwezigheid van de vuurwapens en de munitie in het wandmeubel. Daarnaast verklaarden zij allen cliënt nooit met een wapen te hebben gezien, dan wel hem hierover te hebben horen spreken.
27. Terecht zijn de strafzaken tegen de drie medeverdachten inmiddels onherroepelijk beëindigd, nadat de rechtbank Haarlem op 29 april 2019 een beschikking wees ten aanzien van de beëindiging van de vervolging.
28. Het zaaksdossier C-30 Hoek omvat niet alleen verklaringen van de gezinsleden van cliënt. Uit de bewijsmiddelen volgt ook dat uitvoerig forensisch onderzoek is verricht naar de aangetroffen wapens en munitie. Er is geen DNA-materiaal en/of zijn dactyloscopische sporen van cliënt en/of zijn familieleden aangetroffen op de wapens en de koffer/tas. Dit lijkt de verklaringen van cliënt en de overige gezinsleden, namelijk dat zij de goederen daar niet hebben neergelegd, te ondersteunen. Maar van wie zijn die wapens dan
welen hoe zijn ze daar - al dan niet zonder medeweten van de familie [...] - terecht gekomen?
29. Dat is een terechte en begrijpelijke vraag. Maar als cliënt die vraag niet kan beantwoorden omdat hij dat simpel gezegd niet weet, kan hij daar dan wel strafrechtelijk verantwoordelijk voor worden gehouden? En kan dat ook terwijl dezelfde rechtbank die hem hiervoor heeft veroordeeld, tevens bepaalde dat zijn echtgenote en twee zoons
nietstrafrechtelijk worden vervolgd hiervoor, mede vanwege het gebrek aan enig aanknopingspunt dat zij er iets mee te maken hebben?! (…).
30. Het moge duidelijk zijn dat de verdediging zich op het standpunt stelt dat cliënt hoe dan ook dient te worden vrijgesproken van dit feit, nu niet kan worden vastgesteld dat cliënt de voor het opzet noodzakelijke wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de ten laste gelegde goederen.
31. Zoals reeds benoemd betwist cliënt enige vorm van wetenschap te hebben gehad van het voorhanden hebben van voornoemde wapens en munitie. Tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg heeft cliënt hierover desgevraagd verklaard:
“Ik heb nooit geweten dat er een wapen in mijn woning lag”en over de plaats waar de wapens zijn aangetroffen verklaarde cliënt:
“Het was geen makkelijk toegankelijke plek.”Ter terechtzitting in hoger beroep verklaarde cliënt nogmaals dat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de wapens en de munitie in de woning op 26 januari 2017.
32. Uit de bewijsmiddelen in het zaaksdossier volgt verder ook niet dat cliënt zich in meer of mindere mate bewust is geweest, dan wel had moeten zijn van de aanwezigheid van en beschikkingsmacht had over de wapens en munitie in zijn woning. Deze conclusie volgt onder meer uit het forensisch onderzoek, de vindplaats van de wapens en munitie, alsmede de wijze waarop deze waren verpakt.
Forensisch onderzoek
33. Aan beide wapens, de munitie, alsmede de koffer en de tas is forensisch onderzoek verricht door het NFI. Hierop is
geen enkelspoor aangetroffen waaruit blijkt van directe en/of indirecte betrokkenheid van cliënt bij de aangetroffen wapens, munitie, koffer en hoes. Ook zijn hierop geen (biologische) sporen aangetroffen van de overige gezinsleden en/of sporen van members van de
Hells AngelsHaarlem. Gelet op deze resultaten van het forensisch onderzoek, vindt de stelling van het openbaar ministerie dat cliënt wetenschap van de aanwezigheid van die wapens in de woning
moet hebbengehad, dan ook geen enkele objectieve ondersteuning.
Vindplaats vuurwapens
34. De vraag welke zich vervolgens aandient is of cliënt, nu niet blijkt van enig
objectiefwetenschappelijk bewijs voor de stelling dat hij de wapens
zelfin de kast heeft opgeborgen, desalniettemin wetenschap kon of zelfs moest hebben van de aanwezigheid van die wapens in de kast. De verdediging stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is.
35. De zwarte koffer en tas zijn aangetroffen in een kast in de woonkamer, in het onderste gedeelte, achter twee kleine deuren. Uit de afbeeldingen van deze koffer en tas en de deuren van de kast blijkt dat deze niet doorzichtig waren. Op geen enkele manier konden aanwezigen in de woonkamer derhalve zien dat in de kast a) überhaupt die koffer en tas aanwezig waren en b) wanneer die kast werd geopend,
indie koffer en tas vuurwapens en munitie zaten. Ten tijde van de doorzoeking waren de kastdeuren van dit meubel bovendien ook afgesloten. De wapens en munitie waren ten tijde van de doorzoeking dus voor eenieder onttrokken aan het zicht. In dat verband verwijs ik u nogmaals op de verklaringen van de overige gezinsleden van cliënt, die het voorgaande als getuige allen hebben bevestigd.
36. In eerste aanleg stelde het openbaar ministerie dat in het geval de kastdeuren opengaan, de
kofferen
tasmet daarin de wapens en munitie voor eenieder zichtbaar en toegankelijk waren. Gelet hierop, zo was de redenering van het openbaar ministerie, moet cliënt op de hoogte zijn geweest van de aanwezigheid van beide wapens en heeft hij deze aldus voorhanden gehad.
37. Noch daargelaten de vraag met welke frequentie alsmede door welke gezinsleden deze deurtjes mogelijk zijn geopend, vindt deze redenering gelet op het voorgaande geen enkele ondersteuning in enig bewijsmiddel in het dossier. De koffer en tas waren namelijk niet doorzichtig dus ook in de situatie dat cliënt de kastdeuren zou hebben geopend op het moment dat de koffer en tas daar lagen (wat ook niet kan worden vastgesteld), dan is er geen evidente wetenschap van de
inhoudvan die koffer en tas.
38. Daarbij komt dat afbeeldingen van het geopende kastje, nog voordat de koffer en tas door het onderzoeksteam eruit werd gehaald, ontbreken in het dossier. Ook heeft de verdediging geen proces-verbaal van bevindingen van één of meer verbalisanten aanwezig bij de doorzoeking in het dossier aangetroffen, waarin staat geverbaliseerd dat de koffer en tas, na opening van de kastdeurtjes, voor eenieder zichtbaar waren, laat staan dat de inhoud van die koffer en tas zichtbaar was. Ik verzoek uw hof dan ook het ervoor te houden dat zulks niet kan worden vastgesteld.
39. Kort en goed, de stelling dat de koffer en het tasje na opening van de kastdeurtjes voor cliënt zichtbaar waren en hij om die reden dus op de hoogte moet zijn geweest van de aanwezigheid van de inhoud van die koffer en tas, de wapens en munitie, betreft slechts een hypothese zonder deugdelijke onderbouwing in enig concreet (objectief) bewijsmiddel.
40. Zelfs indien cliënt de koffer en/of het tasje op enig moment had zien liggen in het wandmeubel, hetgeen expliciet niet aan de orde is, kan niet worden bewezen dat cliënt de inhoud daarvan voorhanden heeft gehad. Aan de buitenzijde van de koffer en tas bevonden zich geen afbeeldingen van vuurwapens, de verpakkingen waren niet in de vorm van een vuurwapen, noch stond er een merknaam of logo van vuurwapens of munitie op de buitenzijde, op grond waarvan het voor cliënt duidelijk moet zijn wat zich in die koffer en tas bevond. In de koffer hadden voor hetzelfde geld de cartridges voor de printer kunnen zitten.
41. Kortom, uit geen enkel bewijsmiddel volgt ondersteuning voor de redenering dat cliënt zich bewust moet zijn geweest van de aanwezigheid van de
wapensen munitie in de kast in de woonkamer.
42. Het enkele gegeven dat de wapens zijn aangetroffen in een compartiment van de kast waar tevens een - in werking zijnde - printer stond, doet aan al het voorgaande niets af. Ook het gegeven dat zich in de archiefkast een map bevond met administratie van de Harleydag, maak dit niet anders. Integendeel. Gelet op het feit dat de laatste Harleyday in 2013 heeft plaatsgevonden en die map in 2017 in de archiefkast werd aangetroffen, kan ook dit gegeven niet bijdragen aan de bewezenverklaring. Bovendien heeft ook voor de overige gezinsleden van cliënt te gelden dat zich in de archiefkast administratie van hen bevond. Het was dus uitdrukkelijk niet zo dat zich in de kast enkel administratie van cliënt en/of administratie betrekking hebbende op de Hells Angels bevond.
(…)
Conclusie
48. Kortom, uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat cliënt zich op enig moment bewust is geweest, dan wel hij zich bewust had moeten zijn van de aanwezigheid van de wapens en de munitie in de woning. Nu iedere wetenschap bij cliënt ontbrak, kan hem dan ook niet worden verweten bewust een risico te hebben aanvaard dat er verboden goederen in de woning aanwezig waren.
49. Cliënt ontkent zich op enig moment bewust te zijn geweest van de aanwezigheid van de wapens en munitie. Deze verklaring is op geen enkele manier ter zijde te schuiven als ongeloofwaardig wegens gebrek aan enig bewijs voor het tegenovergestelde. Ook mag hem niet worden verweten zijn ontkenning niet meer handen en voeten te kunnen geven dan hij thans heeft gedaan.
50. Ik verzoek uw hof dan ook deze overweging te vernietigen en cliënt vrij te spreken wegens gebrek aan enig ondersteunend bewijs voor de voor het opzet noodzakelijke wetenschap van de aanwezigheid van de ten laste gelegde goederen.’
111. Het hof heeft het door de raadsman gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:
‘Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het aan hem onder 2 tenlastegelegde feit bepleit. Hij heeft daartoe primair - kort samengevat - aangevoerd dat het dossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat dat de verdachte de wapens en munitie aanwezig dan wel voorhanden heeft gehad, nu niet kan worden vastgesteld dat de verdachte de voor het opzet noodzakelijke wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de wapens en de munitie en daar aldus over heeft beschikt.
Beoordeling door het hof
Beoordelingskader
Voor een veroordeling van het - als pleger - voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992). Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken.
Het hof overweegt als volgt.
Tijdens de doorzoeking op 26 januari 2017 zijn in een wandmeubel in de woonkamer van de verdachte aan de [d-straat 1] te [plaats] twee vuurwapens, een pistool en een revolver, met bijbehorende munitie aangetroffen. De vuurwapens en munitie, die zich bevonden in een koffertje (pistool) en een hoes (revolver), lagen in het onderste gedeelte van het wandmeubel achter twee gesloten deuren. Na het openen van de deuren bleek dat het koffertje en de zwarte hoes in het zicht lagen en voor een ieder toegankelijk waren. De vuurwapens lagen in de nabijheid van de ook in dit deel van de kast geplaatste printer. De printer stond aan. In het wandmeubel werd tevens administratie aangetroffen met betrekking tot de Hells Angels.
De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, nadrukkelijk door het hof daarop bevraagd, geen nadere verklaring gegeven over de aangetroffen vuurwapens en munitie. Hoewel de vaststaande onderzoeksbevindingen van het aantreffen van de revolver en het pistool schreeuwen om een uitleg, heeft de verdachte niet meer verklaard dan dat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de vuurwapens en munitie.
Het hof acht het, gezien de plaats van het aantreffen van de vuurwapens en munitie en het gegeven dat deze in het zicht nabij een werkende printer en administratie van de Hells Angels lagen, niet aannemelijk dat de verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van de vuurwapens en munitie in zijn woning en daarover niet heeft kunnen beschikken.
Het ontbreken van forensische sporen die in de richting van de verdachte wijzen, evenals de omstandigheid dat de echtgenote en kinderen van de verdachte hebben verklaard de verdachte nooit met een vuurwapen te hebben gezien of daarover hebben horen praten, maakt dit niet anders.
Het hof komt tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn woning en daarover heeft kunnen beschikken. De verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van twee vuurwapens met bijbehorende munitie.’
112. In de toelichting op het middel zijn drie deelklachten geformuleerd. De eerste deelklacht houdt in dat het hof niet uit de gebruikte bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte de vuurwapens en munitie voorhanden heeft gehad, nu daaruit niet blijkt van een verband tussen de verdachte en het bewezenverklaarde feit. De tweede deelklacht betreft het oordeel van het hof dat de vaststaande onderzoeksbevindingen van het aantreffen van de revolver en het pistool schreeuwen om een uitleg van verdachte. Dit oordeel zou mede in het licht van hetgeen door de raadsman is aangevoerd over het aantal (meerderjarige) bewoners van de woning en het aantreffen van de wapens en munitie in een wandmeubel onbegrijpelijk zijn. De derde deelklacht betreft ’s hofs oordeel dat de wapens en munitie in het zicht lagen. Ook dit oordeel zou onbegrijpelijk zijn, nu door de raadsman is aangevoerd dat de wapens en munitie zijn aangetroffen in een koffer en een tasje, van welke aan de buitenkant niet zichtbaar was wat zich daarin bevond, achter afgesloten niet-transparante kastdeuren, en het hof daarop niet zou zijn ingegaan. Een op de bewoner van een woning waarin zich ook andere personen bevinden rustende onderzoeksplicht ten aanzien van hetgeen zich in tassen en koffers bevindt zou in het algemeen niet kunnen worden aanvaard. En ’s hofs oordeel dat betekenis toekomt aan de nabijheid van een werkende printer en administratie bij de vindplaats van de wapens en munitie zou eveneens onbegrijpelijk zijn. De deelklachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
113. Uw Raad heeft in HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504,
NJ2020/251 m.nt. Sackers het volgende overwogen: [113]
‘2.3 Op grond van art. 26, eerste lid, Wet wapens en munitie (hierna: WWM) is het verboden een wapen of munitie van de categorieën II en III voorhanden te hebben. Het handelen in strijd met dit verbod is als misdrijf strafbaar op grond van art. 55 en Pro 56 WWM.
2.4
Voor een veroordeling van het – als pleger – voorhanden hebben van een wapen of munitie is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad (vgl. HR 20 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP5992).
Voorts vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van art. 26, eerste lid, WWM. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.’
114. Uit rechtspraak van Uw Raad kan worden afgeleid dat, bij een ontkennende verdachte, twee factoren met name van belang zijn bij de beoordeling van de toereikendheid van de bewijsconstructie inzake het voorhanden hebben van een wapen of munitie. [114] Dat is in de eerste plaats de vindplaats van het wapen (en/of munitie) en in de tweede plaats de mate waarin een ‘alternatieve bezitter’ van het wapen in beeld is.
115. In HR 26 januari 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1169,
NJ1999/537 m.nt. Schalken, waarop de steller van het middel in de toelichting wijst, waren er sterke aanwijzingen in de richting van een alternatieve bezitter. Het hof had in die zaak vastgesteld dat tijdens een huiszoeking in de woning van de verdachte in een kledingkast in de slaapkamer van de verdachte een gasalarmrevolver met zes patronen in een blauw colbert was aangetroffen. De verdachte had op de terechtzitting in hoger beroep onder meer verklaard dat hij wist dat er wapens in zijn huis waren aangetroffen, onder andere in de woonkamer, in zijn slaapkamer en in de slaapkamer van zijn zoon, dat hij niet wist dat deze wapens in zijn huis lagen en dat het blauwe colbertjasje, waarin ook een wapen was aangetroffen, niet van hem was. Hij had voorts verklaard dat hij ook niet wist dat zijn zoon zich met wapens bezighield. En dat zijn zoon een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd had gekregen. Uw Raad overwoog dat uitgaande van ’s hofs vaststellingen en in aanmerking genomen hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep was aangevoerd, het kennelijk oordeel van het hof dat sprake was geweest van een meer of mindere mate van bewustheid bij de verdachte omtrent de aanwezigheid van het gasrevolver en munitie niet zonder meer begrijpelijk was, zodat de bewezenverklaring in zoverre niet naar de eis der wet met redenen was omkleed. [115]
116. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:679, waarop in de toelichting eveneens wordt gewezen, was in de ouderslaapkamer in de woning van de verdachte een rode tas met opdruk Dirk van den Broek aangetroffen met daarin honderd patronen. De verdachte had verklaard dat dit de slaapkamer van hem en zijn vriendin betrof. Namens de verdachte was ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat naast de verdachte en zijn vrouw ook een volwassen zoon in de woning aanwezig was. Het zou ‘een rotzooitje’ bij hem thuis zijn en er zouden vrij veel mensen over de vloer komen. De een zou wat verkopen en de ander zou ‘met wat rommeltjes’ komen aanzetten. De verdachte zou niets van de patronen hebben afgeweten. Het hof verwierp dit verweer en overwoog daarbij onder meer dat ‘de bewoner in beginsel verantwoordelijk (kan) worden gehouden voor de goederen die zich in zijn woning bevinden. (…) In geval de rode tas de verdachte onbekend was voorgekomen had het op zijn weg gelegen om de tas en de inhoud daarvan te onderzoeken. In geval de tas hem wel bekend was voorgekomen, houdt het hof het er voor dat hij ook bekend was met de inhoud daarvan’. Uw Raad overwoog dat de enkele omstandigheid dat de verdachte zo een onderzoek achterwege had gelaten, niet met zich bracht dat de verdachte zich ook in meerdere of mindere mate bewust was geweest van de aanwezigheid van (zich in die tas bevindende) munitie en daarmee die munitie voorhanden had gehad. De bewezenverklaring was derhalve ontoereikend gemotiveerd.
117. De steller van het middel leidt uit laatstgenoemd arrest af, zo begrijp ik, dat niet in het algemeen kan worden aanvaard dat op de bewoner van een woning, waarin ook andere personen wonen, een onderzoeksplicht rust ten aanzien van hetgeen zich in tassen en koffers bevindt. Dat maak ik uit dit arrest niet op. Het gaat er naar ik meen om dat de omstandigheid dat de verdachte wellicht in een onderzoeksplicht is tekortgeschoten, nog niet maakt dat hij zich bewust is geweest van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van (zich in die tas bevindende) munitie. [116]
118. Een arrest waarin de ‘alternatieve bezitter’ minder nadrukkelijk in beeld was, betreft HR 10 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1737. De bewijsmiddelen in die zaak hielden in dat het vuurwapen en de munitie waren aangetroffen in de kledingkast in de slaapkamer van de verdachte, achter en onder mannenkleding en bij een paspoort van de verdachte. Het hof had vastgesteld dat uitsluitend de verdachte en zijn vrouw ‘zelfstandig en vrijelijk toegang tot de woning en de ruimten waarin de goederen zijn aangetroffen’ hadden en dat zij ook gebruik hadden gemaakt van de betreffende kledingkast. Er waren voorts geen contra-indicaties dat iemand anders het vuurwapen en de munitie aldaar voorhanden had. De broer van de verdachte had weliswaar verklaard dat hij het vuurwapen (buiten medeweten van de verdachte) had neergelegd in zijn woning, maar het hof schoof die verklaring als onbetrouwbaar terzijde. De broer had volgens het hof ‘wisselend en onnauwkeurig’ verklaard en had, ‘ter terechtzitting in eerste aanleg geconfronteerd met het gebrek aan eenduidigheid of gevraagd naar details, verder geen antwoord of uitleg (…) willen geven’. Uw Raad deed de zaak af met de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering.
119. Ik wijs voorts op HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:262. Uit de bewijsvoering volgde dat in verband met een aangetroffen hennepkwekerij een onderzoek was verricht in een loods, waar op dat moment drie personen aanwezig waren: de verdachte en zijn ouders. De verdachte was samen met zijn broer eigenaar van de loods. Aan de achterzijde op de bovenverdieping was een ruimte aangetroffen met daarin meerdere bedden en een aantal kasten met kleding. Eén bed was beslapen. Naast dit bed was een tasje met daarin een geladen vuurwapen aangetroffen. Naar het oordeel van het hof lag het tasje ‘binnen armlengte van een persoon als die in het bed ligt’ en derhalve voor direct gebruik gereed. Het hof stelde nog vast dat zich op het tasje geen stoflaag bevond en concludeerde dat het niet anders kon dan dat degene die in het bed had geslapen wetenschap had gehad van de aanwezigheid van het tasje. De verdachte had verklaard dat hij in dit bed sliep wanneer hij niet met zijn kermisattractie op locatie stond. Het hof ging er derhalve van uit dat verdachte degene was geweest die in het bed had geslapen en het tasje met daarin het wapen en de patronen voorhanden had gehad. De verklaring van de broer van de verdachte dat het wapen al zo’n tien tot twaalf jaar op de bovenverdieping zou hebben gelegen en in de vergetelheid zou zijn geraakt, werd als ongeloofwaardig terzijde geschoven. Uw Raad deed de zaak wederom af met de aan art. 81 RO Pro ontleende formulering. [117]
120. In de besproken zaken was telkens een alternatief scenario opgeworpen. Er zijn ook arresten waarin de verdachte had besloten te zwijgen. In HR 14 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1194,
NJ2016/286 volgde uit de bewijsvoering dat bij een doorzoeking in de woning van de verdachte en de medeverdachte in een kluis in een slaapkamer een nepvuurwapen was aangetroffen, in de lade van de keukentafel een “pepperspray”-wapen en op een zolder van de garage 100 stuks munitie in een doosje. Volgens het hof waren dat plaatsen ‘die typisch behoren tot het privédomein van de bewoner’. Het hof wees erop dat de verdachte zich steevast op zijn zwijgrecht had beroepen en overwoog dat een eventueel alternatief scenario waarin zonder wetenschap van de verdachte een ander de wapens en munitie in de door hem bewoonde woning had geplaatst, als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kon worden geschoven. De verdachte werd veroordeeld wegens het voorhanden hebben van de wapens en munitie. A-G Spronken concludeerde tot vernietiging. Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen kon volgens haar niet worden uitgesloten dat bijvoorbeeld de medeverdachte de wapens en munitie zonder medeweten van de verdachte in de woning had verborgen, terwijl het hof evenmin zou hebben gemotiveerd waarom het die mogelijkheid kennelijk niet aannemelijk had geacht. Het enkele feit dat de verdachte zich steeds heeft beroepen op zijn zwijgrecht, was daartoe volgens haar niet voldoende. Uw Raad oordeelde evenwel dat gelet op de vaststellingen van het hof en zijn oordeel dat onder deze omstandigheden van de verdachte een redelijke verklaring mocht worden gevergd voor het aantreffen van de wapens en munitie in zijn woning en dat de verdachte geen verklaring had gegeven, het oordeel van het hof dat de verdachte voornoemde wapens en munitie voorhanden had gehad en zich derhalve in meerdere of mindere mate bewust was geweest van de aanwezigheid van die wapens en munitie in de woning, niet onbegrijpelijk was. [118]
121. In de onderhavige zaak volgt uit de bewijsvoering dat tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte in een wandmeubel in de woonkamer twee vuurwapens met bijbehorende munitie zijn aangetroffen. De vuurwapens en munitie bevonden zich in een koffertje, respectievelijk een hoes in het onderste gedeelte van het wandmeubel achter twee gesloten deuren. Na het openen van de deuren bleek dat het koffertje en de hoes in het zicht lagen en voor een ieder toegankelijk waren. De vuurwapens lagen in de nabijheid van de ook in dit deel van de kast geplaatste printer, die aan stond. In het wandmeubel werd tevens administratie aangetroffen met betrekking tot de Hells Angels. Het hof overweegt vervolgens dat hoewel deze onderzoeksbevindingen schreeuwen om een uitleg, de verdachte niet meer heeft verklaard dan dat hij geen wetenschap heeft gehad van de aanwezigheid van de vuurwapens en munitie. Gezien de plaats van het aantreffen van de vuurwapens en munitie en het gegeven dat deze in het zicht nabij een werkende printer en administratie van de Hells Angels lagen, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk dat de verdachte zich niet bewust was van de aanwezigheid van de vuurwapens en munitie in zijn woning en daarover niet heeft kunnen beschikken. Het hof komt aldus tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van de wapens en munitie in zijn woning en daarover heeft kunnen beschikken.
122. Anders dan de steller van het middel meen ik dat hof uit de bewijsmiddelen een verband tussen de verdachte en het voorhanden hebben van de vuurwapens en munitie heeft kunnen afleiden. Ik wijs er in de eerste plaats op dat de vuurwapens en de munitie tijdens een doorzoeking in de woning van de verdachte in een wandmeubel in de woonkamer zijn aangetroffen. Ik neem voorts in aanmerking dat het hof onder 1 bewezen heeft verklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een organisatie die (onder meer) bestond uit Hells Angels, charter Haarlem, waartoe de verdachte behoorde, die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder overtreding van de Wet wapens en munitie, en dat de wapens en munitie in de kast zijn aangetroffen in het zicht nabij administratie van de Hells Angels.
123. Het oordeel van het hof dat de onderzoeksbevindingen schreeuwen om een uitleg van verdachte is mede in dit licht niet onbegrijpelijk. De vastgestelde feiten en omstandigheden zijn niet even incriminerend voor de verdachte als voor de andere (meerderjarige) bewoners van de woning. Ik attendeer er voorts op dat voor een bewezenverklaring van het voorhanden hebben van de vuurwapens en de munitie door de verdachte niet vereist is dat vaststaat dat de andere (meerderjarige) bewoners van de woning niet van het wapen hebben afgeweten. Waar het om gaat, is of het hof uit de bewijsmiddelen heeft kunnen afleiden dat de verdachte de vuurwapens en de munitie voorhanden heeft gehad.
124. Het hof heeft voorts in aanmerking kunnen nemen dat een verklaring van de verdachte is uitgebleven. In dat uitblijven van een verklaring verschilt het onderhavige geval van de zaak die in het arrest van 26 januari 1999 ter discussie stond. Daar bestond, in het bijzonder door de verklaring van de verdachte dat het betreffende colbert van zijn zoon was, en dat deze een gevangenisstraf van acht jaar opgelegd had gekregen, een reële mogelijkheid dat de verdachte het gasalarmrevolver met zes patronen niet voorhanden had gehad.
125. Voor zover wordt geklaagd over ’s hofs oordeel dat de wapens en munitie ‘in het zicht’ lagen, merk ik op dat de steller van het middel uitgaat van een onjuiste lezing van deze overweging van het hof. Het hof heeft vastgesteld dat de vuurwapens en munitie zich in een koffertje respectievelijk een hoes bevonden, in het onderste gedeelte van het wandmeubel achter twee gesloten deuren. En dat na het openen van de deuren het koffertje en de hoes in het zicht lagen. De daarop volgende overweging van het hof over ‘de plaats van het aantreffen van de vuurwapens en munitie en het gegeven dat deze in het zicht nabij een werkende printer en administratie van de Hells Angels lagen’, moet in dat licht aldus worden begrepen dat het koffertje en de hoes met daarin de vuurwapens en munitie na het openen van de deuren in het zicht lagen.
126. Het hof is voorts niet uitgegaan van een op de verdachte rustende onderzoeksplicht naar wat zich in deze koffer en hoes bevond, maar heeft, gelet op de plaats van het aantreffen en het uitblijven van een plausibele verklaring van de verdachte, ‘bewustheid’ van de aanwezigheid van de wapens en munitie bij de verdachte aangenomen. Dat het hof daarbij betekenis heeft toegekend aan de omstandigheid dat de wapens en munitie zijn aangetroffen in de nabijheid van een werkende printer en administratie van de Hells Angels komt mij niet onbegrijpelijk voor. De administratie wijst erop dat dit gedeelte van de kast bij de verdachte in gebruik was. Dat de printer werkte wijst erop dat dit deel van de kast daadwerkelijk gebruikt werd. Dat het hof niet (expliciet) heeft vastgesteld of en zo ja wanneer de verdachte de printer en administratie gebruikte, en dat is aangevoerd dat de administratie dateerde van vier jaar voor het aantreffen van de wapens en munitie doet er niet aan af dat het hof aan beide vaststellingen (deze) betekenis heeft kunnen hechten. Aan dit oordeel doet evenmin af dat is aangevoerd dat de echtgenote van de verdachte de printer (ook) gebruikte en dat de echtgenote en zoon van de verdachte de kast ook gebruikten voor de administratie.
127. Naar het mij voorkomt heeft het hof uit de vastgestelde feiten en omstandigheden kunnen afleiden dat de verdachte zich in meerdere of mindere mate bewust is geweest van de aanwezigheid van de vuurwapens en munitie en deze voorhanden heeft gehad. Dat oordeel is voorts toereikend gemotiveerd.
128. Het derde middel faalt.
Het vierde middel
129. Het vierde middel bevat de klacht dat het hof de strafoplegging onbegrijpelijk en/of ontoereikend heeft gemotiveerd door deze mede te baseren op de overweging dat alle ‘full colour members’ van de Hells Angels Haarlem ervan op de hoogte zijn geweest dat door enkele leden van het charter
,tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd.
130. Het hof heeft in het kader van de strafmotivering onder meer het volgende overwogen:
‘In het onderzoek Toren stond de afdeling Haarlem van de ‘outlaw motorcycle gang’ Hells Angels centraal. Deze afdeling, ook wel charter genoemd, van de Hells Angels is opgericht in 1980. Het charter Haarlem bestond ten tijde van de bewezenverklaarde periode - uiteindelijk - uit negen zogenaamde ‘full colour members’, dit zijn leden die volledig lid zijn van de Hells Angels. De verdachte [verdachte] was één van hen. De verdachte maakt sinds 13 november 2003 als ‘full colour member’ deel uit van het charter Haarlem en is ook enige tijd president van het charter geweest. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep aangegeven nog steeds ‘member’ te zijn van de Hells Angels Haarlem. Het hof acht bewezen dat de negen ‘full colour members’ samen met de Stichting Hells Angels Haarlem en medeverdachte [betrokkene 4] in de periode van mei 2014 tot en met januari 2017 een criminele organisatie hebben gevormd en dat de verdachte daaraan heeft deelgenomen.
Het hof heeft daarbij vastgesteld, dat in de bewezenverklaarde periode meerdere ernstige geweldsincidenten waaronder afpersingen, mishandelingen en brandstichtingen hebben plaatsgevonden die direct gerelateerd kunnen worden aan de club Hells Angels charter Haarlem. Op meerdere momenten zijn de geweldsacties besproken binnen het charter. Alle ‘full colour members’ zijn ervan op de hoogte geweest dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd. De ‘full colour members’ hebben op meerdere momenten deelgenomen aan de besluitvorming die plaatsvond in het kader van bijvoorbeeld afpersingen.
Het charter beschikte over een clubhuis in Haarlem. In dit clubhuis vonden niet alleen vergaderingen en feesten - onder andere ter geldinzameling voor gedetineerde leden - plaats, maar werd ook in woord en geschrift uiting gegeven aan het zich buiten de wet willen plaatsen. Zo stond de tekst ‘dequiallo’, hetgeen betekent dat men zich verzet heeft tegen een overheidsdienaar, op een van de wanden in het clubhuis geschreven en hing er een geschrift aan de muur waarop stond ‘Deathhead Purple Heart’ met daaronder in het Engels onder meer de tekst dat een ieder die de ‘Purple Heart’ heeft verdiend zijn bloed heeft gegeven ter verdediging en eer van de Hells Angels. Op een muur in het clubhuis stond ook groot geschreven het woord ‘omerta’ dat, zoals algemeen bekend is, verwijst naar een zwijgcultuur in een criminele omgeving.
Het laatste komt ook tot uitdrukking in de op 16 september 2016 gehouden vergadering van de ‘full colour members’, als daar wordt gesproken over weer eens ‘sweepen’ van het clubhuis. De president - [betrokkene 1] - van het charter zegt daarop dat als er echt iets te bespreken is ze dat wel buiten het clubhuis doen. Ook de opmerking van de verdachte [verdachte] ‘zwijgen met alles’ in de arrestantenbus net na de aanhouding past in de cultuur van ‘omerta’.
De omstandigheid dat de verdachte en zijn medeverdachten zich bij de berechting in hoger beroep niet op hun zwijgrecht dan wel verschoningsrecht hebben beroepen, doet aan bovenstaande niet af.
Het hof heeft zich niet aan de indruk kunnen onttrekken dat verklaringen van de verdachten onderling waren afgestemd. De eensgezinde uitleg ter zitting in hoger beroep van ‘dequiallo’, die volstrekt in tegenspraak was met de uitleg die ‘full colour member’ [betrokkene 2] als getuige op de zitting had gegeven (verzet bij arrestatie, hetgeen past bij de algemeen internationaal bekende betekenis), was bijvoorbeeld opmerkelijk. Te meer nu de gegeven uitleg niet eerder door één van de verdachten naar voren was gebracht terwijl zij daar wel naar gevraagd waren. De ogenschijnlijke afstemming van verklaringen en het feit dat zowel de verdachte als zijn medeverdachten desgevraagd bevestigden dat zij nog steeds lid zijn van de Hells Angels charter Haarlem, zijn illustratief voor de vergaande verbondenheid die de verdachten - die elkaar ‘brothers’ noemen - naar elkaar ervaren en dat het charter nog steeds actief is.
Het gegeven dat de verdachte en zijn in hoger beroep terechtstaande medeverdachten niet zelf actief hebben deelgenomen aan de gewelddadigheden zoals die door drie andere leden zijn gepleegd, doet aan de strafwaardigheid van de deelname aan een criminele organisatie niet af.
Deelnemen aan een criminele organisatie is als zelfstandig delict strafbaar gesteld omdat van dergelijke samenwerkingsverbanden een bijzondere dreiging richting de maatschappij uitgaat. Het is een misdrijf tegen de openbare orde. Deze strafzaak illustreert dit ook; meerdere ter terechtzitting in hoger beroep gehoorde getuigen gaven aan geen specifieke vrees te hebben voor de individuele verdachten die terecht stonden in hoger beroep, maar gaven wel aan vrees te hebben voor de Hells Angels als club.
De verdachte is lid geweest van het charter Haarlem, heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie waartoe dit - in de woorden van [betrokkene 2] als kei- en keihard bekend staande - charter behoorde en was er ook overigens van op de hoogte dat er strafbare feiten uit naam van de Hells Angels werden gepleegd. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan deelneming aan een criminele organisatie. Daarnaast heeft de verdachte twee vuurwapens met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het hof acht ook dit een ernstig feit.’
131. De steller van het middel voert aan dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte ‘aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende en ondersteunende handelingen heeft verricht’. In aanmerking genomen dat voor het bewijs van deelneming aan een criminele organisatie niet is vereist dat misdrijven of strafbare pogingen daartoe zijn begaan of zelfs maar voorbereidingen zijn getroffen, zou het hof de aan de verdachte ‘toegeschreven wetenschap over strafbare feiten (…) door enkele leden van het charter (
) kennelijk als strafverzwarende omstandigheid (hebben) aangemerkt’. Uit de bewijsvoering zou echter niet kunnen worden afgeleid dat de verdachte ‘als ‘full colour member’ ervan op de hoogte is geweest dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd’. In het bijzonder zou het hof blijkens de bewijsvoering niet hebben vastgesteld dat de verdachte ‘op de hoogte was van het (vervolgens) door anderen daadwerkelijk afpersen van [getuige 3] en [getuige 5] ’.
132. Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 1 mei 2014 tot en met 26 januari 2017 heeft deelgenomen aan een organisatie die tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (kort samengevat) openlijke geweldpleging, brandstichting, dwang, bedreiging, (zware) mishandeling (met voorbedachte raad en van ambtenaren), afpersing en het voorhanden hebben van (een) wapen(s) en munitie. Deze organisatie bestond uit de full members van het charter Hells Angels Haarlem, waaronder de verdachte, alsmede [betrokkene 4] en de Stichting Hells Angels Haarlem. Het hof heeft onder het kopje ‘1. Deelnemen aan vergaderingen: besluitvorming/koersbepaling’ onder het subkopje ‘Aan de verwezenlijking van het criminele oogmerk van de organisatie bijdragende of ondersteunende handelingen’ onder meer vastgesteld dat de verdachte ‘met de andere leden van de Hells Angels Haarlem (heeft) vergaderd en gestemd over concrete, door de organisatie te plegen strafbare feiten en heeft vergaderd over gepleegde strafbare feiten’. Daarin ligt, zo stelt het hof onder het kopje ‘Conclusie met betrekking tot wetenschap’ vast, wetenschap van de verdachte van het criminele oogmerk van de organisatie besloten.
133. Daarmee vindt de door het hof in aanmerking genomen omstandigheid dat de verdachte ervan op de hoogte is geweest ‘dat door enkele leden van het charter, tegen de achtergrond van hun lidmaatschap van de Hells Angels, strafbare feiten werden gepleegd’ een toereikende basis in de feiten die het hof in de bewijsmotivering heeft vastgesteld. Dat geldt in het bijzonder (ook) voor de afpersing van [getuige 3] en [getuige 5] . Ik neem daarbij in aanmerking dat door de ledenvergadering genomen beslissingen de leden in sterke mate bonden, zoals blijkt uit de eerder geciteerde uitlatingen van [betrokkene 1] inzake de ‘boete’ die aan [getuige 5] was opgelegd. Ik wijs er voorts op dat voorbereiding van en poging tot afpersing strafbaar is. Wat de gepleegde strafbare feiten betreft wijs ik voorts op de vergadering van 16 september 2016, waar ‘onze eigen houding’ jegens andere motorclubs, het beleid dat ‘te donker’ is, het vast kunnen komen te zitten naar aanleiding van de vechtpartij met de Mongols in het Van der Valk hotel in Rotterdam en het verhullen/afdekken voorbij kwamen. Tegen die achtergrond meen ik dat de klacht, die ik aldus begrijp dat deze door het hof in aanmerking genomen omstandigheid geen toereikende basis zou hebben in de door het hof vastgestelde feiten, faalt. [119]
134. Het vierde middel faalt.
Afronding
135. Alle middelen falen en kunnen in beginsel worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende formulering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
136. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 11 mei 2017, p. H199.
2.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 9] d.d. 9 juli 2014, p. F0429.
3.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 10] en [verbalisant 11] d.d. 9 september 2014, p. F0592-0593 en proces-verbaal gesprek [getuige 7] van verbalisanten [verbalisant 7] en [verbalisant 8] d.d. 22 mei 2017, p. H213-214.
4.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 12] d.d. 22 augustus 2015, p. F1162-1163.
5.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 13] d.d. 5 januari 2016, p. F1199-1200.
6.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 14] d.d. 7 juni 2017, p. F2429.
7.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 15] en [verbalisant 9] d.d. 16 februari 2017, p. H175-178.
8.De verklaring van getuige [getuige 6] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020, p. 65-66.
9.De verklaring van getuige [getuige 9] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 12 november 2020, p. 61-65.
10.De verklaring van getuige [getuige 5] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 111.
11.De verklaring van getuige [getuige 10] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 10 november 2020, p. 55-56.
12.Proces-verbaal terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2020, p. 19.
13.De verklaring van getuige [getuige 3] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 17 november 2020, p. 92.
14.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 4] d.d. 7 maart 2017, p. H186.
15.De verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p 45-46.
16.Proces-verbaal bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/197.
17.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Brandaris van verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 6], p. K2.7/105, 106 en 111.
18.Proces-verbaal van bevindingen spoedtaps n.a.v. krantenbericht van verbalisant [verbalisant 16] d.d. 13 mei 2015, p F0006.
19.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 7 juni 2017, F2414-2415.
20.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 18] d.d. 22 mei 2017, p. F2356.
21.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 18] d.d. 22 mei 2017, p. F2363.
22.Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p C-27/66.
23.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] d.d. 22 april 2016, p. L1.2/771-772.
24.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Arrestantenbus van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 19] d.d. 20 februari 2018, p. K2.10/004.
25.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 20] d.d. 10 november 2015, p. K2.3/0038.
26.De verklaring van getuige [betrokkene 2] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 2 november 2020, p. 12.
27.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/176.
28.Proces-verbaal van bevindingen bolhamers van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 28 maart 2017, p. F1976 en 1981.
29.Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 22 maart 2017, p. P/A en proces-verbaal van bevindingen bolhamers van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 28 maart 2017, p. F1978-1980.
30.Proces-verbaal van bevindingen toezicht [a-straat] Haarlem van verbalisant [verbalisant 21] d.d. 2 augustus 2016, p. F0207.
31.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.
32.Proces-verbaal van bevindingen uitsluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/199.
33.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 13] d.d. 3 april 2017, p. F1950.
34.Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/66.
35.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Arrestantenbus van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 19] d.d. 20 februari 2017, p. K2.10/012.
36.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/201-202.
37.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/082 en proces-verbaal van bevindingen aanvulling OVC Clubhuis van verbalisant R. Raspoort d.d. 1 mei 2017, p. K2.6/230-231.
38.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [medeverdachte 5] en [betrokkene 20] d.d. 14 januari 2017, p. L1.2/699-700 en proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 17] d.d. 28 februari 2017, p. F1854-1855.
39.Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/5 en 6.
40.De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 en 21 januari 2021, p, 55.
41.De verklaring van getuige [medeverdachte 5] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 40.
42.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC VW Golf van verbalisant [verbalisant 20] d.d. 12 juni 2016, p. K2.3/1323.
43.De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 en 21 januari 2021, p. 55.
44.De verklaring van getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2021, p. 24.
45.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 22] d.d. 22 november 2016, p. F0331 en de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p. 43, 46 en 47.
46.Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/10.
47.De verklaring van getuige [getuige 4] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 104.
48.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 9 augustus 2015, p. L1.2/653-654.
49.Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C14 Uitkijk.
50.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 4] d.d. 30 juni 2015, p. L1.1/027-028.
51.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren PI Zwaag van verbalisanten [verbalisant 16] en [verbalisant 23] d.d. 24 juli 2015, p. K2.1/041-042.
52.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 3] d.d. 13 augustus 2015, p. I.1.2/455.
53.Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C17 Millennium.
54.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Seat van verbalisant [verbalisant 24] d.d. 17 juli 2017, p. K 2.4/608-609.
55.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 6] en [verbalisant 8] d.d. 2 december 2016, p. K2.6/006, 008 en 009.
56.Zie de uitwerking van de bewijsmiddelen in de bewijsmiddelenbijlage onder zaaksdossier C15 Martini.
57.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 1] en [betrokkene 21] d.d. 17 december 2015 p. L1.2/764.
58.De verklaring van getuige [medeverdachte 1] ter terechtzitting in hoger beroep van 18 januari 2021, p. 29.
59.Uitluisteren OVC door KEN03436 d.d. 2 januari 2017, p. L 1.2/502.
60.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/170-204.
61.Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/180.
62.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 4] d.d. 13 december 2016, p. F0253-0261.
63.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/171.
64.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K.2.6/186.
65.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/196.
66.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/197.
67.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/198.
68.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/199.
69.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/201-202.
70.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016, p. K2.6/183 en 185.
71.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 18] d.d. 22 mei 2017, p. F2352.
72.De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 en januari 2021, p. 56.
73.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en [betrokkene 2] d.d. 26 december 2015, p. L.1.2/593.
74.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Mercedes van verbalisanten [verbalisant 26] en [verbalisant 27] d.d. 14 oktober 2016, p. K2.2/506-507.
75.Proces-verbaal van bevindingen uitluisteren OVC Mercedes van verbalisanten .[verbalisant 26] en [verbalisant 27] d.d. 14 oktober 2016, p. K2.2/509.
76.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 2] d.d. 30 november 2015, p. L1.2/583.
77.Een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 1] d.d. 18 december 2015, p. L1.2/545.
78.De verklaring van getuige [medeverdachte 3] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 52.
79.Proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 18] d.d. 22 mei 2017, p. F2358.
80.Proces-verbaal bevindingen uitluisteren Clubhuis van verbalisanten [verbalisant 5] en [verbalisant 8] d.d. 6 december 2016. p. K2.6/196.
81.Zaaksrelaas C-27 Criminele Organisatie van Politie Eenheid Noord-Holland d.d. 1 augustus 2017, p. C-27/94.
82.De verklaring van verdachte [verdachte] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 en 21 januari 2021, p. 54.
83.De verklaring van getuige [medeverdachte 3] ter terechtzitting in hoger beroep van 19 januari 2021, p. 45.
84.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2020, ECLI:NL:GHARL:2020:10406. Zie de conclusie van A-G Assink van 25 maart 2022, ECLI:NL:PHR:2022:296.
85.Zie Gerechtshof Amsterdam 10 maart 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:636, 637, 639, 644, 645, 646 en Rechtbank Noord-Holland 18 juli 2018, ECLI:NL:RBNHO:2018:6115, 6181, 6188, 6251, 6252, 6260, 6266, 6268, 6273, 6277, 6280.
86.Rechtbank Limburg 9 juli 2021, ECLI:NL:RBLIM:2021:5442, 5443, 5458, 5465, 5484, 5488, 5489, 5490, 5491, 5492, 5505, 5512, 5524, 5525, 5533, 5544, 5546, 5570, 5571, 5572 (Bandidos); Rechtbank Noord Nederland 13 november 2020, ECLI:RBNNE:2020:3888, 3889, 3892, 3893 (No Surrender); Rechtbank Limburg 22 februari 2019, ECLI:RBLIM:2019:1676 (Satudarah).
87.HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134,
88.HR 26 februari 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC8741,
89.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
90.De bewezenverklaring spreekt van het charter Haarlem; het hof en de stellers van de middelen gebruiken ook de term chapter. Ik zal in deze conclusie ook beide termen gebruiken.
91.HR 22 januari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BB7134,
92.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
93.Vgl. in dat verband Gerechtshof Amsterdam 15 juni 2007, ECLI:NL:GHAMS:2007:BA7689,
95.Vgl. onder meer HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858,
96.Vgl. HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264. Het hof leidde het vereiste opzet af uit het bewust een bedrijfscultuur laten ontstaan en voortbestaan waarin de regels omtrent het melden van ongebruikelijke transacties structureel niet werden nageleefd.
97.Vgl. HR 16 oktober 1990, NJB 1990, nr. 154. Zie daarover nader M.J.H.J. de Vries-Leemans,
98.Conclusie voor HR 24 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:448, randnummer 86. Zie in verband met de reikwijdte van het begrip deelneming ook zijn conclusie voor HR 5 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:835, randnummer 12. Vgl. voor een weergave van opvattingen over de betekenis van het bestanddeel ‘deelneming’ in de literatuur A.N. Kesteloo,
99.Het hof verwijst naar het proces-verbaal van bevindingen van verbalisant [verbalisant 22] d.d. 22 november 2016, p. F0331 en de verklaring van getuige [getuige 1] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2020, p. 43, 46 en 47; de verklaring van getuige [getuige 4] , afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep van 19 november 2020, p. 104 en een schriftelijk bescheid, zijnde een tapgesprek tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 1] d.d. 9 augustus 2015, p. L1.2/653-654.
100.Ik attendeer in dit verband ook nog op drie in de aanvulling opgenomen bewijsmiddelen. In een tapgesprek met NNvrouw 6927 zegt [getuige 3] dat [verdachte] en [medeverdachte 2] er ‘een stokkie voor hadden kunnen steken’ maar dat niet hebben gedaan (bewijsmiddel 14). In een ander tapgesprek zegt [getuige 3] dat ‘die ouderen allemaal (…) hadden moeten ingrijpen’ (bewijsmiddel 15). Kennelijk gaat ook [getuige 3] ervanuit dat andere leden dan [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [betrokkene 3] het moeten afstaan van zijn motor hadden kunnen tegenhouden. [getuige 1] heeft op 4 oktober 2016 verklaard dat hij medio september 2014 uit de club is gegooid en dat hij zijn motor moest inleveren (bewijsmiddel 5). De behandeling die [getuige 3] ten deel viel stond kennelijk niet op zichzelf.
101.HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733,
102.J. de Hullu,
103.HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5178,
104.Vgl. in die zin ook A-G Bleichrodt in de conclusie voor HR 12 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1741, randnummer 16. Zie ook De Hullu, a.w., p. 426.
105.Vgl. De Vries-Leemans,
106.Pleitnota randnummers 104 en 136. Zie voorts de verklaring die de verdachte op 19 januari 2021 tijdens het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep als getuige heeft afgelegd. Daarin verklaart hij ten aanzien van het inleveren van de motor door [getuige 3] dat hij daar niet mee bekend is en daarnaast betwist hij dat [getuige 3] zijn motor moest inleveren. Hij verklaart verder dat de naam [getuige 5] hem niets zegt (p. 60). Op de zitting van 21 januari 2021 heeft de verdachte verklaard dat deze verklaring ook geldt als verklaring in zijn eigen strafzaak (p. 89).
108.Deze begripsbepaling is als vierde lid aan art. 140 Sr Pro toegevoegd door de Wet terroristische misdrijven,
109.Zie HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:416,
110.Vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858,
111.Vgl. HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW5136, BW5161, BW5178,
112.Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
113.Zie ook HR 3 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1727,
114.Zie onder meer de conclusie voorafgaand aan HR 23 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:262 (art. 81 RO Pro), onder 12-16 en de aldaar genoemde (deels ook in het navolgende besproken) jurisprudentie.
115.Vgl. ook HR 5 februari 1980, ECLI:NL:HR:1980:AB742,
116.Zie in dit verband ook T.M. de Groot en W. Albers,
117.Zie voorts HR 17 november 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1403,
118.Zie voor een voorbeeld waarin er geen alternatieve bezitter in beeld was en de verdachte zich op zijn zwijgrecht beriep HR 12 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8481 (art. 81 RO Pro).
119.Ten overvloede merk ik nog op dat, meer in het algemeen, niet vereist is dat feiten en omstandigheden die in de strafmotivering in aanmerking worden genomen, uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Zie Borgers en Kooijmans,