Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
3.Bespreking van het cassatiemiddel in het principaal beroep
onderdeel Irichten zich tegen rechtsoverwegingen 2.19 en 2.20 van het eindvonnis van 2 juni 2021. Die overwegingen luiden:
subonderdeel Iastelt de Eigenaar zich op het standpunt dat de bestemming Natuur volgens het op de peildatum vigerende bestemmingsplan dient te worden geëlimineerd. Het oordeel van de rechtbank is volgens het subonderdeel onjuist en/of onvoldoende begrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd.
Krachtens het vervolgens vastgestelde, ter plaatse van het onteigende vigerende bestemmingsplan EHS en recreatieterrein zuidoostzijde Paterswoldsemeer, vastgesteld op 31 oktober 2016 hebben de gronden van gedaagde in de ecologische verbindingszone de enkelbestemming “Natuur” en hebben de gronden van derden ten westen daarvan deels de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie uit te werken” (…) en deels de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie” en “Wonen”. De uit te werken bestemming betrof de mogelijkheid om 18 recreatiewoningen te ontwikkelen.
Op 24 september 2018 heeft de gemeenteraad een Voorbereidingsbesluit genomen voor de gronden met de bestemming “Recreatie – Verblijfsrecreatie uit te werken”, omdat de gemeente het onwenselijk vond om dit terrein verder te ontwikkelen.
Reden hiervoor is dat de gemeente aanvankelijk voor de financiering van het zgn. project ‘Meerweg ontwikkelt Meer’, vier locaties wilde ontwikkelen om het financiële tekort op het project te dragen. De inkomsten uit drie locaties waren voldoende om dat tekort te dekken. Verder waren er ruimtelijke overwegingen (toename parkeerdruk en verkeersintensiteit nabij ecologische verbindingszone), bezwaren van omwonenden en versterking van de ecologische verbindingszone als onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland, redenen waarom de gemeente besloot het vierde project niet meer te ontwikkelen en de plannen zodanig te wijzigen dat de gronden zouden worden toegevoegd aan het Natuurnetwerk Nederland en daarvoor worden herbestemd. Om te voorkomen dat er een uitwerkingsplan zou moeten worden vastgesteld heeft de gemeente het hiervoor genoemde voorbereidingsbesluit genomen. Inmiddels is de planologische bescherming overgenomen in het ontwerpbestemmingsplan “Veegplan” 2019 van de gemeente Groningen dat met ingang van 13 februari 2020 zes weken ter inzage heeft gelegen.
De percelen [1] en [2] liggen deels binnen en deels ten oosten van de ecologische verbindingszone. Deze gronden hadden derhalve ten tijde van de verkoop en levering daarvan een agrarische bestemming. Relevant feit is dat er in aanloop van de vaststelling van het bestemmingsplan in 2016 bij de aankoop van de percelen [1] en [2] een grotere recreatiedruk op het gebied lag dan op de peildatum van deze onteigening. Waar in 2015 ten westen van de ecologische verbindingszone bij uitwerking van de betreffende bestemming de bouw van maximaal 18 recreatiewoningen mogelijk was, is deze mogelijkheid in 2018, d.w.z. voorafgaande aan de peildatum, vervallen doordat het hiervoor behandelde voorbereidingsbesluit was genomen.
Bij ligging van percelen als hier aan de orde is niet ongewoon en is commercieel ook alleszins begrijpelijk dat aan gronden die een agrarische bestemming hebben een niet-agrarische meerwaarde wordt toegekend. De hoogte van de niet-agrarische meerwaarde is afhankelijk van de beoogde waarde-verhogende bestemming en de mate van concreetheid. In 2015/2016 was in het gebied sprake van de planning van intensieve recreatieve ontwikkelingen, die na september 2018 niet meer aan de orde zijn.
In de beleidsvisie van het Meerschap Paterswolde uit 2012 is de oostzijde van het Paterswoldsemeer aangemerkt om de al aanwezige natuurlijke en landschappelijke waarden van de oever te behouden en bij voorkeur te versterken. Daarin paste de realisatie van een ecologische [verbindingszone] en was geen ruimte voor nieuwe ontwikkelingen in open gebied. Het planologisch beleid is er, kortom op gericht het onteigende open en groen te houden.
10. Op grond van deze feiten en omstandigheden blijven deskundigen bij het advies dat aan het onteigende een beperkte verwachtingswaarde toekomt boven op agrarische waarde daarvan. In de markt is in een dergelijk geval bij verkoop van veel gebruikte aanpak uit te gaan van een basisgrondprijs (de agrarische waarde) met een waardeclausule behelzende afspraak tot de betaling van een meerwaarde boven de bedongen agrarische waarde, te betalen op het moment dat de in aanmerking genomen planologische ontwikkeling definitief geworden is. In het kader van de onteigeningsprocedure is een dergelijke in de markt gebruikelijke aanpak niet mogelijk omdat de schadeloosstelling in eenmaal moet worden vastgesteld. Evenmin kan een andere in de markt veel gebruikte methode worden gehanteerd. Die bestaat daaruit (…) dat de koper het recht heeft de overeenkomst waarin een prijs boven de agrarische waarde bedongen is kan ontbinden op het moment dat blijkt dat de in aanmerking genomen bestemmingswijziging niet tot stand zal komen.
Een redelijk handelend koper en een redelijk handelend verkoper zullen naar het oordeel van deskundigen bij afrekening in eenmaal, zoals hier vereist, komen tot een beperkte opslag op de agrarische waarde, waarbij zij bij taxatie van de opslag rekening houden met de criteria voor verwachtingswaarde en het hiervoor genoemde over ligging en planologie. Zo’n benadering is niet ongewoon bij (ver)koop van percelen waarbij wel sprake is van enige verwachting, maar waarbij invulling en doorlooptijd nog onzeker zijn. Het is geen prijs die tot stand komt na een uitvoerende berekening, maar nadrukkelijk een
verwachtingswaarde.
Deskundigen benadrukken dat een dergelijke taxatie neerkomt op een inschatting van de markt. Voor verwachtingswaarde geldt: hoe concreter de ontwikkeling, hoe hoger de (extra) waarde boven de landbouwkundige. Ter illustratie wordt verwezen naar het vonnis d.d. 28 januari 2015 van de Rechtbank Zeeland – West-Brabant inzake Provincie Zeeland (ECLI:NL:RBZWB:2015:444 Waterduinen), met een verwachtingswaarde van krap twee keer de agrarische waarde; zie overwegingen 2.18 en 2.21. De Hoge Raad kwam aan klachten omtrent de beslissing van de rechtbank m.b.t. de verwachtingswaarde niet toe in zijn arrest van 8 juli 2016 (ECLI:NL:HR:2016:1506). De wnd. A.G. bespreekt verwachtingswaarde in het algemeen in paragraaf 3.16 van zijn conclusie voor dit arrest. Geen verwachtingswaarde voor de agrarische percelen in de Hedwigepolder wegens ontbreken van concrete en reële verwachtingen voor uitbreiding van de haven van Antwerpen tot in de Hedwigepolder (rov. 2.37 in ECLI:NL:RBZWB:2020:1885). Deskundigen wijzen voorts op de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam d.d. 11 november 2020 – (ECLI:NL:RBROT:2020:10266). In overweging 2.9.3 wordt eerst de maatstaf voor het toekennen van verwachtingswaarde behandeld. Vervolgens wordt deze voor de betreffende onteigening omdat de toekomstige plannen onvoldoende concreet zijn vastgesteld op 50% boven de agrarische waarde.
Deskundigen zien in al het vorenstaande aanleiding te blijven bij hun advies dat het onteigende een meerwaarde heeft van EUR 1,--/m2 zijnde ruim 25% boven de agrarische waarde. Concreet te verwachten rendabele ontwikkelingen zijn immers niet aan te wijzen. Ten tijde van de transacties [1] en [2] waren de verwachtingen in de omgeving concreter dan thans voor het onteigende het geval is en werd een hogere opslag van EUR 2,--/m2 gerealiseerd, reden waarom in deze onteigening een opslag ter grootte van EUR 1,--/m2 wordt geadviseerd. Dit alles neemt niet weg dat het gaat om een inschatting. Indien de rechtbank, anders dan deskundigen, de vooruitzichten rooskleuriger zou achten dan kan een opslag tot 1,5 keer de agrarische waarde in beeld komen.’
subonderdeel Icheeft de rechtbank niet duidelijk gemaakt welke relevante ontwikkelingen zich sinds 2015/2016 hebben voorgedaan, anders dan het vervallen van de mogelijkheid tot het bouwen van maximaal 18 recreatiewoningen ten westen van de ecologische verbindingszone. De klacht mist evident feitelijke grondslag. Rechtsoverweging 2.20 van het eindvonnis benoemt, naast het bedoelde vervallen van de mogelijkheid dat recreatiewoningen zullen kunnen worden gebouwd, immers met zoveel woorden het Voorbereidingsbesluit van 24 september 2018 en het daaropvolgende ontwerpbestemmingsplan ‘Veegplan 2019’, alsook daaruit blijkend gewijzigd planologisch beleid.
ook al luidt het huidige planologisch beleid nu nog anders.Hieruit blijkt duidelijk dat de rechtbank van de juiste maatstaf is uitgegaan, niettegenstaande de minder gelukkige formulering van de bedoelde zinsnede.
4.Bespreking van het cassatiemiddel in het incidenteel beroep
als tijdelijke papieren werkelijkheid. Daarmee zou de onteigende echter tekort worden gedaan in zijn aanspraak op vergoeding van de werkelijke waarde van het onteigende. [10]