Conclusie
Inleiding
Bewezenverklaring, bewijsvoering en de verwerping van een gevoerd verweer
Ik ben op 9 februari 2018 bij Playa Grandi (Piskadó) mishandeld door de chef kok van [A]. Hij kwam met zijn hond op mij af. Hij had mij met kracht met zijn tot vuist gebalde linker- en rechterhand aan het bovengedeelte van mijn lichaam geslagen. Ik werd met kracht aan de linkerzijde van mijn gezicht geslagen.
Bij de polikliniek werd geconstateerd dat ik gebroken ribben opliep van de gepleegde mishandeling, samen met een opgezwollen gezicht. Mijn huisdokter had na controle aan mij verklaard dat ik voor ongeveer negen weken geen zware werkzaamheden kan verrichten. Mijn onderkaak rechts was nog steeds opgezwollen. Ik heb een verwijsbrief gekregen voor verdere behandeling bij een kaakchirurg."
Conclusie:
Diagnose: Gunstige mandibulaire fractuur, niet verplaatst"
Ik was destijds chefkok bij [A]. Het klopt dat ik [slachtoffer] heb geslagen op het strand. Mijn hand was daarna gebroken."”
Het verweer van de verdediging en de verklaring van de verdachte
1.Ogenblikkelijke aanranding
3.Conclusie
Het eerste middel en de bespreking daarvan
Juridisch kader
NJ2016/316, m.nt. Rozemond tot uitgangspunt te worden genomen: [1]
NJ2018/200. Het hof was uitgegaan van de feitelijke toedracht zoals die door de verdachte in hoger beroep aan het beroep op noodweer ten grondslag was gelegd. Deze toedracht hield in dat de verdachte tweemaal was geslagen door V., de verdachte was weggelopen en een mes uit zijn jaszak had gehaald voor ‘als het helemaal verkeerd zou gaan’, hij bang was en dacht dat het helemaal mis zou gaan en hij vervolgens naar de hal van een café was gevlucht. In de kleine hal van het café draaide de verdachte zich om en vond toen V., die een zeer grote en brede man was, vlak voor hem. Op dat moment toonde de verdachte, die niet wist hoe de deur naar het café openging, het mes aan V. en zei tegen hem dat hij moest opzouten. Vervolgens stompte V. de verdachte en stak de verdachte, die zich klemgezet voelde, V. meermalen met het mes om V. te doen stoppen. In het licht van deze door het hof aannemelijk geachte feitelijke toedracht, vond de Hoge Raad het niet zonder meer begrijpelijk dat het hof had geoordeeld dat het beroep op noodweer faalde omdat de verdachte, toen hij in het halletje van het café stond, de mogelijkheid onbenut had gelaten om het café in te gaan en op die manier op afstand van V. te blijven, dat hij derhalve zich aan de aanval van V. had kunnen en moeten onttrekken en dat – nu hij dat niet had gedaan – zijn intentie op dat moment gericht was op een confrontatie en niet op het ontlopen van een confrontatie.
NJ2019/218 kwam de Hoge Raad eveneens tot vernietiging van het oordeel van het hof dat het beroep op noodweer faalde. Het hof had vastgesteld dat niet alleen vanuit de Opel Signum, waarin de verdachte en de medeverdachte zich bevonden, op de Fiat 500 met inzittenden was geschoten, maar dat eveneens op de Opel Signum was geschoten, terwijl niet was komen vast te staan dat de verdachte en/of de medeverdachte als eerste had/hadden geschoten. Daarom achtte de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk het mogelijke oordeel van het hof dat de gedragingen van de verdachte niet als verdedigend, maar in de kern als aanvallend moesten worden gezien en dat het beroep op noodweer daarop afstuitte (rov. 2.4.2). Ook het mogelijke oordeel van het hof dat sprake was geweest van ‘culpa in causa’, oordeelde de Hoge Raad niet zonder meer begrijpelijk, aangezien uit de motivering van het hof niet naar voren kwam dat voorafgaand aan het vuurwapengeweld tussen de inzittenden van de Opel Signum en de Fiat 500 de verdachte en de medeverdachte zich zodanig hadden gedragen, dat sprake was van bijzondere omstandigheden die aan het slagen van het beroep op noodweer in de weg stonden (rov. 2.4.3). De Hoge Raad overwoog voorts (rov. 2.4.4) dat de omstandigheid dat de verdachte had ontkend te hebben geschoten of het schieten te hebben willen medeplegen, de verwerping van het verweer niet (zelfstandig) kon dragen, omdat zo een omstandigheid op zichzelf het slagen van een beroep op noodweer niet uitsluit. Wel kan, aldus de Hoge Raad, de omstandigheid dat de verdachte ontkent van belang zijn voor het door rechter te verrichten onderzoek of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van een beroep op noodweer(exces) is voldaan, aangezien in dat verband immers betekenis kan toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten.
NJ2021/226, m.nt. Jörg had het hof aan de verwerping van het beroep op noodweer ten grondslag gelegd dat de gedragingen van de verdachte een aanvallend karakter hadden. Zijn oordeel dat het door de verdachte tegen twee anderen (ik noem ze hier A en B) uitgeoefend geweld aanvallend was zodat dit aan de aanvaarding van een beroep op noodweer in de weg stond, was volgens de Hoge Raad echter niet zonder meer begrijpelijk. Daarbij werd door de Hoge Raad in aanmerking genomen dat het hof had vastgesteld dat de verdachte voordat hij achter A aanrende, zelf was gestoken door een persoon uit het groepje waartoe A en B behoorden, dat op het moment dat de verdachte achter A aanrende sprake was van een aanval van A op de medeverdachte, en dat daarna B op de verdachte en de medeverdachte was komen afrennen. Aangezien het hof ook geen nauwkeurige vaststellingen had gedaan over bijvoorbeeld het tijdsverloop tussen de vastgestelde incidenten of het moment waarop, en de context waarin, de verdachte het geweld jegens A en B had uitgeoefend, was ontoereikend gemotiveerd de verwerping van het beroep op noodweer vanwege het aanvallende karakter van het gedrag van de verdachte.
NJ2022/20, m.nt. Machielse. De Hoge Raad oordeelde hier niet zonder meer begrijpelijk het oordeel van het hof dat sprake was van een geval waarin de verdachte vanwege zijn aanvallend handelen geen aanvaardbaar beroep op noodweer(exces) toekwam. Daarbij wees de Hoge Raad erop dat het hof geen aandacht had besteed aan wat door de verdediging in hoger beroep naar voren was gebracht en hierop neerkwam dat geen sprake was van een (tegen)aanval van de verdachte omdat het bewezenverklaarde handelen van de verdachte was voortgekomen uit het direct daaraan voorafgegane door twee anderen tegen hem uitgeoefende geweld en dat de opmerking dat hij “verhaal wilde halen” uit haar verband was gerukt.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
NJ2020/200, m.nt. Wolswijk, eveneens geldt voor art. 1:200 van Pro het SrC. Dit overzichtsarrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
Slotsom