Conclusie
Nummer20/04316
Inleiding
Het zevende middel
zevende middelbehelst aldus de klacht dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, waardoor de Hoge Raad niet kan nagaan welke argumenten ter nadere onderbouwing van de getuigenverzoeken zijn gebruikt. Het niet beschikbaar zijn van deze conclusiewisseling strijdt daardoor zozeer met een behoorlijke procesorde dat dit, nu het verzuim onherstelbaar is, nietigheid van de beslissing van het hof tot afwijzing van de verzoeken en/of het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt, aldus de steller van het middel.
Het eerste middel
eerste middeldat de klacht behelst dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] heeft afgewezen.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 4] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord.
De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 5] , afgelegd bij de politie, gebruikt voor het bewijs, zie pagina 33 noot 94 vonnis.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 5] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen.
Op pagina 34 van het vonnis overweegt de rechtbank dat de verklaring van [medeverdachte 2] , afgelegd op de zitting van 26 oktober 2012 – kort samengevat – inhoudende dat hij al het op de facturen genoemde vuurwerk heeft verkocht aan ene ‘ [betrokkene 5] ’ onaannemelijk en ongeloofwaardig acht. Voorts stelt de rechtbank dat de verdediging geen getuigen naar voren heeft gebracht die de verklaring van [medeverdachte 2] geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bevestigen.
Daarnaast zal ik in zijn algemeenheid iets zeggen over wat de verdediging in het hoger beroep wil, zonder aan te geven welke getuige bij welk door de verdediging te voeren verweer zou kunnen passen, om uw hof daarin enig inzicht te geven.
De verdediging ligt in hoger beroep eigenlijk voor drie belangrijke ankers.
(…)
(…)
Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] merk ik het volgende op.
(…)
Het hof overweegt als volgt.
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes – waar door de steller van het middel naar wordt verwezen – nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt.
Het tweede middel
tweede middelbehelst de klacht dat van ’s hofs bewijsvoering ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde ook overwegingen deel uitmaken ter zake van feiten die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd noch bewezen zijn verklaard. Uit de weergave van die feiten en omstandigheden zou volgen dat het hof ten bezware van de verdachte kennelijk acht heeft geslagen op wat in een andere strafzaak dan die van de verdachte is voorgevallen en hetgeen in die zaak of zaken door het hof is vastgesteld en als redengevend bewijs is gebezigd. Dit zou meebrengen dat het hof niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en/of dat is gehandeld in strijd met de eisen van een eerlijk proces en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
Het derde middel
derde middelbehelst de klacht dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het onder 1 bewezenverklaarde, doordat op basis van die bewijsvoering toerekening aan de verdachte van de gedragingen van in het bijzonder [medeverdachte 2] , bestuurder van de verdachte, onbegrijpelijk is en/of met onvoldoende redenen is omkleed en/of uit die bewijsvoering niet kan blijken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten met betrekking tot het gebruik maken van valse invoices als in feit 1 bedoeld.
Algemeen
opmerking griffiers: daar waar het hof [verdachte] noemt, dient steeds te worden gelezen [verdachte] thans [verdachte]].
Ook gaf [medeverdachte 2] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [verdachte] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [verdachte] was gevestigd. Door [medeverdachte 2] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [verdachte] waarbij het adres [f-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven. [6] Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [verdachte] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [medeverdachte 2] heeft bemiddeld in de koop van een lege GmbH en dat zijn dochteronderneming genaamd [getuige 1] de belangen voor [verdachte] behartigt. [medeverdachte 2] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [7]
Hij heeft daarbij niet alleen gehandeld, maar heeft dit gedaan in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 7] maakte in zijn contacten met de expediteur [G] gebruik van de valse naam [betrokkene 3] . [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 7] als [betrokkene 3] geïntroduceerd bij [C] B.V. met het oog op het vervoer naar Duitsland. [medeverdachte 2] heeft het e-mailadres [e-mail 1] aangemaakt en heeft met de Duitse politie gebeld om het beslag op de goederen ongedaan te maken. De omstandigheid dat [medeverdachte 2] in die gesprekken een mistgordijn optrok rondom de importeur van het vuurwerk en daarbij ontkende dat [medeverdachte 4] een bedrijf van hem is, acht het hof exemplarisch voor het verhullen van het verband tussen het in [plaats] aangetroffen vuurwerk en de in de haven van Antwerpen aangekomen containers met als geadresseerde [E] Ltd. Aldus concludeert het hof dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de werkelijk belanghebbenden bij het vuurwerk in de vijf containers waren en dat zij, door [medeverdachte 7] bij de afhandeling van het transport naar voren te schuiven en hem hierbij gebruik te laten maken van een valse naam, opzet hebben gehad dat het vuurwerk met gebruik van valse invoices zou worden ingeklaard. Aan het einde van het vervoerstraject werd door [medeverdachte 2] gebruik gemaakt van de rechtspersonen [medeverdachte 4] en [verdachte] , waarvan hij bestuurder was. [medeverdachte 4] werd gebruikt om een andere herkomst van (een deel van) het vuurwerk voor te wenden. [verdachte] stelde haar bunker ter beschikking voor de opslag.
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.
Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in hét bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar afte grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).
Uit het samenstel van alle handelingen, ook die na het afgeven, is immers af te leiden dat sprake was van een vooropgezet plan van de betrokken medeplegers, waar het gebruik maken door afgifte aan [G] deel van uitmaakte waarna de goederen konden worden ingevoerd, vervoerd en opgeslagen in Duitsland, waarna zij ter beschikking kwamen van verdachte en zijn mededaders.
De persoon die zich volgens [medeverdachte 7] [betrokkene 3] noemde zou achteraf [betrokkene 5] moeten zijn, die een ‘gebrekkige’ arm heeft en hij zou ook als [betrokkene 5] later door [medeverdachte 7] zijn herkend.
De als getuige gehoorde [betrokkene 5] heeft ontkend zich ooit [betrokkene 3] te hebben genoemd en heeft verklaard dat de namen [medeverdachte 7] en [E] Ltd. hem niets zeggen. [45] Het hof constateert dat nergens uit blijkt dat [betrokkene 5] bemoeienis heeft gehad met de bunkers in [plaats] , het e-mailadres [e-mail 1] of de fax van de buren van de firma [medeverdachte 6] . Tevens constateert het hof dat [betrokkene 5] zich nooit heeft gemeld in het kader van de verzegeling van de bunkers in [plaats] . Ook is niet uit het dossier naar voren gekomen dat [betrokkene 5] zich ooit als [betrokkene 3] heeft uitgegeven. Tenslotte komt uit het procesdossier niet naar voren dat [betrokkene 5] bemoeienis heeft gehad met het bedrijf [E] Ltd. Deze omstandigheden ondersteunen de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [betrokkene 5] .
Voor wat betreft het verweer ter zake van de tenlastegelegde meldplicht, overweegt het hof als volgt.
degene die ... binnen het grondgebied van Nederland bracht", welke bewoordingen zijn ontleend aan het Vuurwerkbesluit.
1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van het vuurwerk gedaan.(...)(...)4. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt;b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte tijdstip, waarop het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht;c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk, het productiejaar, het type vuurwerk, de netto explosieve massa, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk in kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk zich bevindt;d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk wordt gelost of overgeladen en, indien het vuurwerk aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding wordt gebracht, de plaats van die ontbranding;e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk geproduceerd heeft, de naam en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd;f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd, en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt afgeleverd in het buitenland.
Om het toezicht te vergemakkelijken, is bepaald dat deimporteurvan vuurwerk - ongeacht de vraag of dat vuurwerk bestemd is voor de Nederlandse of voor de buitenlandse markt - de invoer van tevoren meldt bij de Minister van VROM. (...)3 [48]
invoer en uitvoer.
Voor de definitie van dat begrip is in de Nota van Toelichting opgenomen: [49] Onder in- en uitvoeren wordt in dit besluit verstaan het binnen respectievelijk buiten Nederlands grondgebied brengen, overeenkomstig het gedefinieerde in de Wet milieugevaarlijke stoffen.
De importeur, in casu [medeverdachte 4] , is primair verantwoordelijk voor het melden van de transporten, zoals hiervoor is overwogen (al kan deze de melding door een ander doen uitvoeren). Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat [medeverdachte 4] de meldingen niet tijdig en correct heeft gedaan. Deze gedraging hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend.
De Koning regelt in het belang van de openbare veiligheid en kan aan vergunning onderwerpen het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken onder zich hebben, en dragen van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen. De overheid die bevoegd is tot het afgeven van de vergunning kan ze te allen tijde intrekken. [52]
NA VRIJMAKING DOUANEVERTOLLINO METBEGELEIDING SEMS SECURITY
Het hof verwerpt het verweer dat [medeverdachte 2] niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over Nederland zouden gaan en dat ook niet behoefde te weten.
Het hof merkt tevens op dat de betreffende drie transporten over Nederland zijn gereisd zonder dat deze bij de Nederlandse autoriteiten zijn gemeld, dat voor het transport op 19 december te laat een melding is gedaan en voor het transport bij de Nederlandse autoriteiten en op 23 december tijdig een melding is gedaan.
Ten slotte merkt het hof op dat voor het transport van 2 december 2008 - kort voor deze transporten - bevindt zich bij de stukken een Belgische vervoersvergunning inhoudende dat naar Meer/Hazeldonk moest worden gereisd. Uit het dossier is procesdossier is niet naar voren gekomen dat in december via een andere route is gereisd. Dat het gebruikelijk was anders te rijden vindt dan ook geen steun in het procesdossier.
De voor het overige aangevoerde verweren worden verworpen op de gronden zoals hierboven overwogen.”
Het vierde middel
vierde middelbehelst de klacht dat de bewijsvoering ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde voor het overgrote deel geen betrekking heeft op de verdachte en/of het bewezenverklaarde daaruit niet kan volgen, nu niet kan blijken dat en waarom het hof de handelingen en/of het opzet van de directeur van de verdachte, [medeverdachte 2] , aan de verdachte heeft toegerekend.
Ter zake feit 2 (zaak 7):Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Tijdens de doorzoeking werd in het bedrijfspand van [medeverdachte 6] aan de [a-straat 1] te [plaats] , de administratie van [verdachte] aangetroffen. [67] De boekhouding van [medeverdachte 4] had betrekking op de jaren 2004 tot en met 2008.
Volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] had deze onderneming enkel twee debiteuren inzake de verkoop van vuurwerk. Dit betroffen [Q] Ltd. en [E] Ltd. [68] Ook in de boekhouding van [verdachte] van 2007 werden facturen aangetroffen die betrekking hadden op verkoop van vuurwerk aan [E] Ltd. [69]
Jaar afnemer verkoopprijs
€ 20.000,00 +
Voorts verklaart de getuige het volgende. [medeverdachte 4] is een klant van [R] SA. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn de natuurlijke personen achter [medeverdachte 4] en hun zoon [medeverdachte 2] ook, als bestuurder. Zij heeft [medeverdachte 2] éénmaal gezien tussen 2004 en 2006. De zendnota’s kwamen toe te Luxemburg, de cashnota’s werden door de [medeverdachte 6] ’s gewoon binnen gebracht. De administratie werd aangeleverd vanuit Nederland. Deze stukken werden aangereikt door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Zowel de aankopen als de verkopen werden cash betaald. Er werd in aanvang geen enkele banktransactie doorgevoerd. Bij tekortkomingen deelde men (voornamelijk [medeverdachte 3] ) haar mede dat er cash betaling was doorgevoerd welke zij, getuige, dan ook zo inboekte. Door de getuige werd een kasboek bijgehouden op basis van de facturen die [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] haar aanleverden.
Bij onduidelijkheden inzake het boeken kon zij contact opnemen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Zij moest dan zeggen: ‘kan u mij eens opbellen’ of iets in die zin. [medeverdachte 3] belde dan met een ‘beveiligde telefoonlijn’ terug. Eén keer moest zij bij het faxen van de balans van [medeverdachte 4] deze balans naar een buurbedrijf van de [medeverdachte 6] ’s versturen.
De reden van deze telefoonwerkwijze en het toesturen van de balans aan het buurbedrijf was, dat de vuurwerkhandel streng gecontroleerd werd en correspondentie onderschept kon worden en telefoon afgeluisterd.
De getuige herkende de haar getoonde verkoopfacturen van [medeverdachte 4] aan [E] Ltd. d.d. 18 december 2006. Deze facturen waren aangereikt door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] [medeverdachte 6] . De vermelding op de factuur ‘door klant voldaan’ betekende voor haar dat de factuur reeds cash was betaald. Deze betaling werd door haar dan ook in het kasboek verwerkt.
Als reden voor de vele contante betalingen had [medeverdachte 3] [medeverdachte 6] verteld, dat bij levering van het vuurwerk, ook meteen de factuur werd afgeleverd en de betaling onmiddellijk diende te gebeuren. Immers, wanneer het vuurwerk is geleverd en de klant dit had afgestoken, dan zou de betaling niet meer geschieden. Op een bepaald moment was er veel cash geld voorhanden. Er werd besloten om via een Luxemburgse bankrekening te werken. Hierop werden dan de voorhanden cash-gelden gedeponeerd. [medeverdachte 1] reed hiertoe naar Luxemburg teneinde de stortingen door te voeren. Op vraag van de bank, teneinde de afkomst van het geld te vast te stellen, werden dan facturen overgemaakt, ter bevestiging. [medeverdachte 1] Contacteerde de getuige dan met de vraag de facturen door te faxen naar de bank, alwaar hij zich op dat moment bevond.
Hij leerde de familie [medeverdachte 6] circa twee maanden voor de oprichting van [medeverdachte 4] kennen. De fysieke (boekhoudkundige) stukken, zoals in- en verkoopfacturen werden door [medeverdachte 2] dan wel [medeverdachte 1] aangeleverd. In de jaren 2004 t/m 2008 zijn vader en moeder [medeverdachte 6] (met wie de getuige kennelijk [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bedoelt) een keer of 8 bij hem geweest om de stukken aan te leveren. Hiervan was een keer of vier ook [medeverdachte 2] aanwezig. Feitelijk deed hij dan zaken met [medeverdachte 2] . Naar zijn idee was [medeverdachte 2] de feitelijk leidinggevende bij [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers. [medeverdachte 2] was meer zakelijk bezig dus met betrekking tot de in- en verkoop, dus voor de commerciële uitvoering. De boekhouding werd in België gevoerd. De boekingen werden in zijn, getuiges, opdracht verricht door [getuige 4] , medewerkster van [R] SA. Het kasboek werd onder andere gevoerd op basis van aantekeningen op de verkoopfacturen.
in het kader van dit onderzoekmeldt hoe zij bereikbaar is. Daarvan gaat ook het hof uit.
Voorts is door de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de getuige [betrokkene 5] inhoudende dat hij geen bemoeienis heeft gehad met vuurwerkhandel door of namens [Q] of [E] Ltd., niet betrouwbaar is.
Daarbij wordt verwezen naar verklaring van [getuige 9] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] bij de raadsheer-commissaris.
Daarnaast zijn er ook geen telefoontaps met [betrokkene 5] en bevinden zich in de computer van [medeverdachte 2] geen e-mails of andere documenten waarin de naam van [betrokkene 5] voorkomt. Tevens is niet gebleken dat [medeverdachte 2] beschikte over het e-mailadres of over het telefoonnummer van [betrokkene 5] . Het enige spoor in de computer van [medeverdachte 2] is het feit dat de naam ‘ [betrokkene 5] ’ door [medeverdachte 2] is gegoogeld.
De door de verdediging gestelde betrokkenheid van [betrokkene 5] bij deze feiten wordt echter, zoals weergegeven, niet met enig ‘hard’ gegeven uit de periode van de feiten zelf ondersteund. De betekenis daarvan waardeert het hof hoger dan die van verklaringen achteraf van bij de [medeverdachte 6] ’s betrokken getuigen.
Daarom acht het hof [betrokkene 5] verklaring dat hij [E] Ltd. en [Q] Ltd. niet kent wel betrouwbaar.
In dit kader wijst het hof nog op hetgeen het heeft vastgesteld bij de bespreking van het onder 4 tenlastegelegde feit over de betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij een zogenaamd namens [E] Ltd. verzonden faxbericht naar aanleiding van de inbeslagname van twee containers met vuurwerk in de haven van Antwerpen. Ook deze vaststellingen doen in ernstige mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [medeverdachte 2] .
Datzelfde doet de verklaring van [getuige 4] over de opgegeven reden voor communicatie via een beveiligde telefoon en naar een fax van de buren.
Ook met betrekking tot [medeverdachte 1] en verdachte heeft de verdediging betoogd dat geen sprake is van opzet. Voor zover dit verweer ziet op het te goeder trouw handelen van [medeverdachte 2] verwijst het hof naar het hiervoor overwogene, onder het kopje ‘Verweer’. Opzet bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ontbreekt volgens de verdediging ook omdat zij niet betrokken waren bij [medeverdachte 4] . Zij brachten enkel incidenteel wat stukken naar de boekhouder in België, daar maakten zij dan een ‘dagje uit’ van.
Het vijfde middel
vijfde middelricht zich met een tweetal deelklachten op ’s hofs oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] .
Ter zake feit 3 (zaak 7):Juridisch kaderHet hof stelt het volgende voorop.
In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon en minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (medeplegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lieten vijf containers in de haven van Antwerpen aankomen op naam van [E] Ltd. Twee van die containers werden in beslag genomen en bleken deels categorie 1.1 G-vuurwerk te bevatten en deels vuurwerk (Chinese rollen) waarvan de explosieve lading zodanig was dat het niet classificeerbaar was volgens de Defaultlijst. [86] Dit terwijl op de dozen en op de CMR’s stond vermeld dat het 1.4.Gvuurwerk betrof, vuurwerk dat een veel minder explosieve kracht heeft. Van de lading van de overige drie containers werd een deel aangetroffen in bunkers in [plaats] (Duitsland). Het ging daarbij om Chinese rollen met de naam ‘Celebration Cracker T 809’ die ook volgens de Duitse wetgeving niet verhandelbaar waren. [87] De container die op 16 december 2008 in Nederland vlak bij de grensovergang Hazeldonk werd gecontroleerd en waarvan [medeverdachte 4] de afzender was, bevatte vuurwerk dat niet voldeed aan de RNEV2004. [88] [medeverdachte 3] was betrokken bij de interne boekhouding van [medeverdachte 4] en bij het witwassen en heeft daarmee een aandeel gehad in het verhullen en veilig stellen van de opbrengsten van de criminele organisatie. Een belangrijke taak, die veronderstelt dat de andere leden van de organisatie een groot vertrouwen in haar stelden.
[medeverdachte 7] had tot taak om de expediteurs te bezoeken voor het afgeven van documenten en het doen van contante betalingen. Hij was betrokken bij het inklaren en transporteren van vijf containers met vuurwerk in mei en juni 2008 (zaak 3). Daartoe bezocht hij drie keer de expediteur [G] en was hij aanwezig bij het lossen van de eerste drie containers in [plaats] . Daarbij heeft hij meerdere malen gebruik gemaakt van valse invoices en een valse naam. Daarmee wist [medeverdachte 7] dat de familie [medeverdachte 6] zich bezighield met het door middel van valse invoices importeren van vuurwerk waarbij de regels omtrent de vuurwerkwetgeving niet werd nageleefd. Wanneer het immers om legale handel ging, was er geen enkele aanleiding geweest om [medeverdachte 7] onder een valse naam ‘er tussen te schuiven’ en niet zelf de handelingen te verrichten. Later, in december 2008, was hij betrokken bij het inklaren en transporteren van drie containers (zaak 4), waarvan de invoer in Nederland niet werd gemeld. De bijdrage van [medeverdachte 7] was weliswaar van een kortere duur dan de bijdrage van de andere leden van de criminele organisatie, maar zijn bijdrage was van dusdanig gewicht, dat hij naar het oordeel van het hof heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
Het hof gaat er van uit dat [verdachte] is opgericht voor legale doeleinden, namelijk de handel in professioneel vuurwerk. [verdachte] is echter tevens ingezet voor de criminele organisatie. In haar boekhouding van 2007 worden facturen aan [E] Ltd. aangetroffen (zaak 7) en het vuurwerk uit de containers die in juni 2008 in de haven van Antwerpen aankwamen duikt op in de door [verdachte] gehuurde bunker in [plaats] (zaak 3). Deze betrokkenheid is derhalve meer dan incidenteel, hetgeen haar tot deelnemer aan de criminele organisatie maakt.
De tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten zijn allen gepleegd of medegepleegd in Nederland. Voor zover deze feiten in het buitenland zijn begaan heeft Nederland rechtsmacht nu verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft en de betreffende feiten (witwassen, valsheid in geschrift, criminele organisatie) in België, Luxemburg en Duitsland eveneens misdrijven zijn. Voor zover het strafbare feiten betreft begaan door [medeverdachte 4] heeft Nederland de rechtsmacht tot bestraffing van de feiten overgenomen.
Het zesde middel
zesde middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn is beperkt tot een termijn van achttien maanden en behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.