ECLI:NL:PHR:2022:629

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 juni 2022
Publicatiedatum
24 juni 2022
Zaaknummer
20/04316
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 225 SrArt. 418 lid 2 SvArt. 434 SvArt. 51 SrArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en deelneming aan criminele organisatie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 10 december 2020, dat het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 mei 2013 bevestigde. De verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van valsheid in geschrift en deelneming aan een criminele organisatie, met een geldboete van € 13.500,-.

De verdediging verzocht om het horen van belastende getuigen, wat door het hof werd afgewezen op grond van het noodzakelijkheidscriterium. De Hoge Raad oordeelde dat het hof dit terecht deed, omdat de getuigen al eerder waren gehoord en geen nieuwe feiten of omstandigheden waren aangevoerd. Daarnaast werd de klacht over het ontbreken van een conclusiewisseling verworpen.

Het hof baseerde de bewezenverklaring op uitgebreid bewijs, waaronder verklaringen van getuigen, documenten, en onderzoek naar de betrokkenheid van verschillende rechtspersonen en natuurlijke personen bij het gebruik van valse invoices en het niet melden van vuurwerktransporten. De Hoge Raad vond de motivering van het hof voldoende en begrijpelijk, en verwierp de overige middelen van cassatie.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling voor medeplegen valsheid in geschrift en deelneming aan criminele organisatie bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer20/04316

Zitting28 juni 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
gevestigd te [plaats] ,
hierna: de verdachte.

Inleiding

Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 10 december 2020 het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 31 mei 2013 bevestigd, met uitzondering van de motivering van de bewezenverklaring en met een aanvullende overweging bij de strafoplegging. Bij dit vonnis is de verdachte wegens 1. “medeplegen van opzettelijk gebruik maken van een vals geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst, begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd”, 2. “valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon” en 3 “deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven, begaan door een rechtspersoon” veroordeeld tot een geldboete van € 13.500,-.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/04319, 20/04318, 20/04320, 20/04317, 20/04321 en 20/04090. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft zeven middelen van cassatie voorgesteld.
Voordat ik aan de bespreking van de middelen toekom, is het volgende van belang. In het eerste middel heeft de steller aangevoerd dat uit de processtukken blijkt dat de verdediging zich bij het verzoek tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] heeft beroepen op een bijzondere omstandigheid. Deze getuigen zijn weliswaar reeds eerder bij de rechter-commissaris en in het bijzijn van de verdediging gehoord, maar gelet op deze bijzondere omstandigheid die tijdens deze verhoren niet aan de orde is kunnen komen terwijl de verdediging de getuigen daarover wilde ondervragen, kon de oproeping van deze getuigen niet worden geweigerd, aldus de steller van het middel. De processtukken waarnaar de steller van het middel verwijst betreft een conclusiewisseling tussen de raadsman van de verdachte en de advocaat-generaal naar aanleiding van de in de appelschriftuur vermelde getuigenverzoeken van de verdediging. De steller van het middel heeft in een aanvullende schriftuur een zevende middel voorgesteld, bevattende de klacht dat deze conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, terwijl deze conclusiewisseling van belang is voor de toelichting dan wel onderbouwing van de in het eerste middel aangevoerde klacht. Vanwege deze processuele kwestie kom ik eerst toe aan een bespreking van dit zevende middel, alvorens de klachten in de overige middelen te bespreken.

Het zevende middel

5. Het
zevende middelbehelst aldus de klacht dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt, waardoor de Hoge Raad niet kan nagaan welke argumenten ter nadere onderbouwing van de getuigenverzoeken zijn gebruikt. Het niet beschikbaar zijn van deze conclusiewisseling strijdt daardoor zozeer met een behoorlijke procesorde dat dit, nu het verzuim onherstelbaar is, nietigheid van de beslissing van het hof tot afwijzing van de verzoeken en/of het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak meebrengt, aldus de steller van het middel.
5.1.
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 april 2016 heeft de voorzitter medegedeeld dat het hof in het procesdossier heeft aangetroffen de schriftelijke verzoeken van de raadsman en de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 15 februari 2016, de reactie van de raadsman daarop, en de laatste reactie van het openbaar ministerie van 1 april 2016 en de schriftelijke reactie daarop van de raadsman van 18 april 2016.
5.2.
De steller van het middel heeft bij de rolraadsheer tijdig verzocht om deze conclusiewisseling. Uit de in het digitaal portaal geplaatste berichten van de strafgriffie van de Hoge Raad van 29 april 2021 en 1 december 2021 volgt dat deze door de verdediging opgevraagde stukken niet zijn aangetroffen in het op de voet van art. 434 Sv Pro aan de Hoge Raad toegestuurde dossier. Op 23 november 2021 is namens de strafgriffie van de Hoge Raad aan het gerechtshof ’s-Hertogenbosch om deze stukken verzocht. De griffier van het hof heeft in antwoord op dit verzoek medegedeeld dat deze stukken zich niet in het digitale dossier van het hof bevinden en dat alle papieren stukken waarover het hof beschikte ten behoeve van de cassatieprocedure reeds aan de Hoge Raad zijn verzonden. Dit brengt mee, zoals terecht door de steller van het middel wordt aangevoerd, dat moet worden aangenomen dat de conclusiewisseling in het ongerede is geraakt.
5.3.
De vraag is of dit tot cassatie zou moeten leiden. Ik meen op grond van het volgende dat dat niet het geval is. Blijkens de appelschriftuur heeft de verdediging aangevoerd dat zij de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] wenst te horen, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Vervolgens heeft de raadsman van de verdachte tijdens de behandeling ter terechtzitting d.d. 22 april 2016 aangevoerd dat de strekking van het verzoek duidelijk is, maar dat hij wel een korte toelichting op het verzoek wil geven en iets wil zeggen over het noodzaakscriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang. Door de verdediging is dus tijdens de terechtzitting niet gewezen op de conclusiewisseling.
5.4.
De verdediging heeft tijdens de terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 voorts aangegeven dat het hof het zal “moeten doen met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd” omtrent het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] . Hiermee doelt de verdediging kennelijk op de in de appelschriftuur aangegeven redenen voor de wens deze getuigen te horen. De verdediging heeft verder niet nader geconcretiseerd waarom deze getuigen moeten worden gehoord, noch heeft zij verwezen naar de conclusiewisseling. Dat deze nadere concretisering, zoals de steller van het middel in cassatie aangevoerd, zou blijken uit de conclusiewisseling doet hier mijns inziens niet aan af. Het had in mijn ogen op de weg van de verdediging gelegen om ter terechtzitting nader te motiveren waarom er nieuwe feiten of omstandigheden bestonden die het horen van deze getuigen noodzakelijk doet zijn in plaats van enkel te verwijzen naar “hetgeen de verdediging heeft aangevoerd”. Bovendien heeft de verdediging zelf expliciet aangevoerd dat de strekking van het verzoek duidelijk is. Deze strekking is, zo blijkt uit de appelschriftuur, het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] alsmede het daarin verwerken van de boekhouding.
5.5.
Dit brengt mee dat het middel niet tot cassatie kan leiden.

Het eerste middel

6. Dan kom ik nu toe aan de bespreking van het
eerste middeldat de klacht behelst dat het hof ten onrechte het verzoek van de verdediging tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] heeft afgewezen.
6.1.
Bij appelschriftuur heeft de verdediging het verzoek gedaan tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] . De namens de verdachte op 26 juni 2013 ingediende appelschriftuur houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“11. [getuige 4] , geboren op [geboortedatum] 1969, wonende aan de [d-straat 1] , [plaats] , België. De rechtbank heeft in het vonnis, pagina 32 noot 93, de verklaring van [getuige 4] afgelegd als getuige bij de politie, voor het bewijs gebruikt.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 4] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord.
Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen.
12. [getuige 5] , geboren op [geboortedatum] 1952, wonende op het adres [e-straat 1] te [plaats] (België).
De rechtbank heeft de verklaring van [getuige 5] , afgelegd bij de politie, gebruikt voor het bewijs, zie pagina 33 noot 94 vonnis.
In het kader van het onderzoek door de rechter-commissaris in eerste aanleg, is [getuige 5] op 29 juni 2011 bij de rechter-commissaris gehoord. Nu de rechtbank uitgebreid gebruik maakt van de eerder genoemde verklaring, acht de verdediging het noodzakelijk dat deze getuige in de appelprocedure nogmaals wordt gehoord, in het bijzonder omtrent het opmaken van de boekhouding van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen.
“11.
Op pagina 34 van het vonnis overweegt de rechtbank dat de verklaring van [medeverdachte 2] , afgelegd op de zitting van 26 oktober 2012 – kort samengevat – inhoudende dat hij al het op de facturen genoemde vuurwerk heeft verkocht aan ene ‘ [betrokkene 5] ’ onaannemelijk en ongeloofwaardig acht. Voorts stelt de rechtbank dat de verdediging geen getuigen naar voren heeft gebracht die de verklaring van [medeverdachte 2] geheel of gedeeltelijk zouden kunnen bevestigen.
(…)”
6.2.
Het proces-verbaal van de als regiezitting aangemerkte terechtzitting in hoger beroep van 22 april 2016 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De voorzitter deelt mede dat het hof in het procesdossier heeft aangetroffen de schriftelijke verzoeken van de raadsman en de schriftelijke reactie daarop van het openbaar ministerie van 15 februari 2016, de reactie van de raadsman daarop, en de laatste reactie van het openbaar ministerie van 1 april 2016 en de schriftelijke reactie daarop van de raadsman van d.d. 18 april 2016.
De strekking van ons verzoek is duidelijk. Ik wil wel een korte toelichting daarop geven en iets zeggen over het noodzaakscriterium dan wel het criterium van het verdedigingsbelang, omdat ik dat niet heb vermeld in mijn brieven. Dat is van belang omdat uw hof langs die criteria zult beoordelen of er wel of niet bepaalde getuigen moeten worden gehoord.
Daarnaast zal ik in zijn algemeenheid iets zeggen over wat de verdediging in het hoger beroep wil, zonder aan te geven welke getuige bij welk door de verdediging te voeren verweer zou kunnen passen, om uw hof daarin enig inzicht te geven.
(…)
De verdediging ligt in hoger beroep eigenlijk voor drie belangrijke ankers.
(…)
Het tweede belangrijke onderdeel waaronder veel getuigen gevangen zitten is de meldingsplicht. Het gaat erom dat als je met een vrachtwagen met daarop een container met vuurwerk Nederland binnenrijdt, je dat moet melden. Mijn cliënt aan mijn linkerzijde (het hof begrijpt medeverdachte [medeverdachte 1] ) heeft dat vaak gedaan. Op zichzelf genomen wordt dat niet betwist, maar wat moet je doen als een vervoerder niet de weg neemt waarvan jij denkt dat hij die zou nemen? Dat is in deze zaak meermalen gebeurd. Er moesten bijvoorbeeld containers worden verplaatst van Antwerpen naar een opslagplaats in Duitsland, maar men neemt een andere weg dan dat op enig moment mijn cliënten denken dat ze nemen. De rechtbank heeft daarover gezegd dat dat een soort risico-aansprakelijkheid is die je hebt, althans zo lees ik dat, en het openbaar ministerie zegt: dan moet je maar wat weten wat de kortste weg is. Ik wil een aantal mensen horen die specifiek te maken hebben gehad met dat transport en met die meldingen, bijvoorbeeld [betrokkene 6] . Waarom is deze weg nou gekozen en wisten mijn cliënten dat die weg was gekozen? Ik denk dat dat wel degelijk van belang is en zou kunnen zijn voor een eventuele beantwoording van de vragen van de rechtbank dan wel voor een eventueel op te leggen straf.
(…)
Ten aanzien van de getuigen [getuige 5] en [getuige 4] merk ik het volgende op.
Uw hof moet niet denken dat ik hiervoor betoogd heb dat de verzoeken betreffende deze getuigen ook dienen te worden beoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang. Zij zijn gehoord door de rechter-commissaris in eerste aanleg, dus het noodzaakscriterium is van toepassing.
De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat hij in het onderzoeksdossier op zoek is gegaan naar hetgeen de verdediging heeft betoogd ten aanzien van beide getuigen, omdat dat een novum is waarmee de getuigen nog niet zijn geconfronteerd. Dat kan nu juist een reden voor het hof zijn om deze getuigen wel toe te wijzen, maar zolang die doos van de advocaat-generaal geen deel uitmaakt van het procesdossier kunt u daar geen oordeel over geven. U zult het moeten doen met hetgeen de verdediging heeft aangevoerd. Wij vinden het van belang de getuigen daarmee te confronteren.
In zijn algemeenheid proef ik bij deze advocaat-generaal, zijnde ook de officier van justitie in eerste aanleg, - en daar heb ik wel begrip voor omdat de persoon hetzelfde is en het standpunt niet is veranderd - dat er wel erg gekeken wordt met de bril van de opsporing van eerste aanleg. Hij heeft een beetje de houding van: ‘we hebben het zo geconstateerd en het is niet anders en wat willen we nu eigenlijk in hoger beroep?’ Dat is niet helemaal de bedoeling van het hoger beroep.
Ik hoor de advocaat-generaal ook zeggen dat hij in de administratie van de bedrijven ook inkoopfacturen heeft aangetroffen. Die zijn van groot belang om eens te kijken wat er nu allemaal ingekocht en verkocht is. Hoe is dat verantwoord? Welke kosten werden in de ondernemingen nog meer gemaakt? Dat zijn allemaal relevante omstandigheden waarmee de getuigen nogmaals kunnen worden geconfronteerd.
(…)
Het hof overweegt als volgt.
Wat betreft de beoordeling van verzoeken van de verdediging tot het oproepen van getuigen maakt de wet een strikt onderscheid naar gelang het verzoek wel of niet bij appelschriftuur is gedaan en is het noodzakelijkheidscriterium toepasselijk indien het verzoek niet bij appelschriftuur is gegaan.
In beginsel dienen de verzoeken van de raadsman om het horen getuigen, voor zover tijdig bij appelschriftuur gedaan, derhalve worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de overige verzoeken aan de hand van het noodzaakcriterium.
Zulks zou uitzondering kunnen lijden indien er sprake is van een geval waarin de verdediging niet tijdig kon beschikken over de voor het opstellen van de appelschriftuur relevante processtukken, zoals de aanvulling op het verkorte vonnis, zodat de eis van een eerlijke procesvoering – tegen de achtergrond van hetgeen met het oog op een behoorlijk verdediging is vereist – zou meebrengen dat het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter die omstandigheid in hun afweging dienen te betrekken bij gebruikmaking van de wettelijk voorgeschreven toepassing van het noodzakelijkheidscriterium (zie Hoge Raad d.d. 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496).
In dat kader is van belang de omstandigheid dat de raadsman de verdachte reeds vanaf 2011 bijstaat en er voor hem geen enkel beletsel is geweest om tijdig meerdere getuigen op te geven bij appelschriftuur en die verzoeken ook te onderbouwen. Aldus kan niet worden gezegd dat sprake van een uitzonderingsgeval zoals hiervoor omschreven.
De verzoeken van de raadsman om het horen getuigen, voor zover tijdig bij appelschriftuur gedaan, zullen derhalve worden beoordeeld aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang en de overige verzoeken aan de hand van het noodzaakcriterium.
De verdediging heeft verzocht om het horen van de volgende personen als getuige en/of deskundige:
(…)
11. [getuige 4]
12. [getuige 5]
(…)
(ad. 11, 12 en 13:)
De getuigen zijn reeds door de verdediging bij de rechter-commissaris in eerste aanleg bevraagd, zodat het noodzaakcriterium op de verzoeken van toepassing is. Er is niet gebleken dat sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden waarover de getuigen moeten worden bevraagd en van de noodzaak om een nadere verklaring af te leggen. Door de raadsman zijn geen vragen naar voren gebracht die hij bij het eerdere verhoor niet heeft kunnen stellen. Het hof acht zich op basis van de inhoud van het procesdossier voldoende ingelicht over de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Het verzoek wordt daarom afgewezen, zijnde de noodzaak tot inwilliging daarvan niet gebleken.”
6.3.
De steller van het middel klaagt – onder verwijzing naar de (post-)Keskin-jurisprudentie – dat het hof de beslissing tot afwijzing van de oproeping van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] onbegrijpelijk is, nu van de verdachte niet mag worden verlangd dat hij het belang van een belastende getuige aangeeft, terwijl het hof dit klaarblijkelijk wel heeft verlangd.
6.4.
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De Hoge Raad is in zijn arrest van HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576,
NJ2021/173, m.nt. Reijntjes – waar door de steller van het middel naar wordt verwezen – nader ingegaan op de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigen door de feitenrechter in de situatie dat een dergelijk verzoek betrekking heeft op een getuige ten aanzien van wie de verdediging het ondervragingsrecht nog niet heeft kunnen uitoefenen, terwijl deze getuige al – in het vooronderzoek of anderszins – een verklaring heeft afgelegd met een belastende strekking. Het gaat dan om een verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of reeds is gebruikt.
6.5.
In de onderhavige zaak doet zich echter een dergelijk geval niet voor. De getuigen [getuige 4] en [getuige 5] hebben weliswaar verklaringen afgelegd met een belastende strekking, maar ook heeft de verdediging reeds het ondervragingsrecht kunnen uitoefenen ten aanzien van deze getuigen toen zij zijn gehoord door de rechter-commissaris. Dit brengt mee dat het belang tot het horen van deze getuigen niet behoeft te worden verondersteld en de getuigenverzoeken op grond van art. 418 lid 2 Sv Pro moeten worden getoetst aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium.
6.6.
De toepassing van dit criterium brengt mee dat bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang is of de rechter het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. [1]
6.7.
De verdediging heeft verzocht de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] opnieuw te horen om hen in het bijzonder vragen te stellen omtrent het opmaken van de boekhouding ten behoeve van [medeverdachte 4] , alsmede het daarin verwerken van contante betalingen. Zij waren aldus reeds bij de politie en de rechter-commissaris gehoord. De verklaringen van [getuige 4] , afgelegd bij zowel de politie als de rechter-commissaris zijn door het hof voor het bewijs gebezigd, alsmede de verklaring van [getuige 5] afgelegd bij de politie. Een blik achter de ‘papieren muur’ maakt duidelijk dat zowel de getuige [getuige 4] als de getuige [getuige 5] bij de rechter-commissaris en de politie zijn gehoord over de boekhouding van [medeverdachte 4] en het verwerken van contante betalingen.
6.8.
Het hof heeft in de onderhavige zaak met toepassing van het noodzakelijkheidscriterium – over de toepassing hiervan wordt in cassatie niet geklaagd – geoordeeld dat niet is gebleken svan nieuwe feiten of omstandigheden waarover de getuigen moeten worden bevraagd en niet is gebleken van de noodzaak om een nadere verklaring af te leggen. Het hof overweegt voorts dat de raadsman van de verdachte geen vragen naar voren heeft gebracht die hij bij het eerdere verhoor niet heeft kunnen stellen en dat het hof zich op basis van de inhoud van het procesdossier voldoende ingelicht acht over de onderwerpen waarover de getuigen zouden moeten worden gehoord. Gelet hierop wijst het hof het verzoek tot het horen van getuigen [getuige 4] en [getuige 5] af, nu de noodzaak tot inwilliging van het verzoek niet is gebleken.
6.9.
Het hof heeft het verzoek tot het horen van deze getuigen aldus afgewezen omdat de noodzakelijkheid van een dergelijk verhoor niet is gebleken, hetgeen mijns inziens gelet op de daaraan te stellen eisen ontoereikend noch onbegrijpelijk is gemotiveerd.
6.10.
In het verlengde hiervan faalt ook de klacht van de steller van het middel dat de bewijsvoering onvoldoende met redenen is omkleed, doordat de verklaringen van deze getuigen – terwijl de verdediging niet in de gelegenheid zou zijn gesteld hen te horen – beslissend zouden zijn voor de bewezenverklaring en/of een significant gewicht hebben in de bewijsvoering van de feiten waarop die verklaring betrekking hebben.
6.11.
Dit brengt mee dat ’s hofs afwijzing tot het horen van de belastende getuigen [getuige 4] en [getuige 5] niet ontoereikend en evenmin onbegrijpelijk is gemotiveerd.
6.12.
Het eerste middel faalt.

Het tweede middel

7. Het
tweede middelbehelst de klacht dat van ’s hofs bewijsvoering ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde ook overwegingen deel uitmaken ter zake van feiten die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd noch bewezen zijn verklaard. Uit de weergave van die feiten en omstandigheden zou volgen dat het hof ten bezware van de verdachte kennelijk acht heeft geslagen op wat in een andere strafzaak dan die van de verdachte is voorgevallen en hetgeen in die zaak of zaken door het hof is vastgesteld en als redengevend bewijs is gebezigd. Dit zou meebrengen dat het hof niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en/of dat is gehandeld in strijd met de eisen van een eerlijk proces en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
7.1.
De steller van het middel klaagt, zo ik het middel begrijp, in het bijzonder dat van de bewijsvoering ten aanzien van feit 1 ook overwegingen deel uitmaken (in het bijzonder pagina 17 tot en met pagina 24 van het arrest) ter zake van feiten die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd noch bewezen zijn verklaard, maar zien op de medeverdachte [medeverdachte 4] .
7.2.
Ik zie niet in waarom - en dat wordt door de steller van het middel ook niet nader uiteengezet - het hof geen overwegingen had mogen wijden aan de gedragingen van de medeverdachte(n). Zij maken immers gezamenlijk deel uit van een criminele organisatie en ten aanzien van het onder feit 1 bewezenverklaarde heeft het hof overwogen dat de verdachte het feit tezamen en in vereniging met haar medeverdachte(n) heeft gepleegd. Dat het hof dan overwegingen wijdt aan de gedragingen van deze medeverdachte(n) acht ik derhalve geenszins onbegrijpelijk. Ook overigens heeft de verdediging niet nader geconcretiseerd waarom zou blijken dat het hof ten bezware van de verdachte acht heeft geslagen op wat in een andere strafzaak dan die van de verdachte is voorgevallen.
7.3.
Ten overvloede merk ik op dat de bewezenverklaring ten aanzien van feit 1 zonder meer uit de op de verdachte van toepassing zijnde overwegingen van het hof kan blijken.
7.4.
Het middel faalt.

Het derde middel

8. Het
derde middelbehelst de klacht dat de bewijsvoering niet redengevend is voor het onder 1 bewezenverklaarde, doordat op basis van die bewijsvoering toerekening aan de verdachte van de gedragingen van in het bijzonder [medeverdachte 2] , bestuurder van de verdachte, onbegrijpelijk is en/of met onvoldoende redenen is omkleed en/of uit die bewijsvoering niet kan blijken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten met betrekking tot het gebruik maken van valse invoices als in feit 1 bedoeld.
8.1.
Ten laste van de verdachte is onder feit 1 bewezenverklaard dat zij:
“in de maanden mei en juni 2008 in Antwerpen (België) en in de Bondsrepubliek Duitsland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van valse invoices - elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware die geschriften echt en onvervalst, bestaande die valsheid hierin dat
- de invoice van de containers CCLU6596060, CCLU6350380 was gericht aan [E] Ltd. en
- de invoice van de containers CCLU7523772, CCLU6168924 en CCLU7001063 was gericht aan [E] Ltd.,
zulks terwijl [E] Ltd. telkens in het geheel niets te maken had met de bestelling en importen transport van het zich in de containers bevindende vuurwerk en dat de valse vermelding van [E] Ltd. op de invoices is geschied om de ware kopers en importeurs en afnemers van het zich in de containers bevindende vuurwerk te verhullen en bestaande dat gebruikmaken in het afgeven van de invoices aan de firma [G] te Antwerpen voor het inklaren van de containers”
8.2.
Deze bewezenverklaring heeft het hof doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd):

Algemeen
Op 17 april 1984 is [medeverdachte 6] opgericht. [medeverdachte 6] importeert vuurwerk uit China en daarnaast neemt [medeverdachte 6] in Nederland vuurwerk af. Dit vuurwerk wordt verkocht aan winkeliers, c.q. detailhandelaars. Volgens uittreksels van de Kamer van Koophandel van 17 december 2008 [2] en 10 september 2009 [3] is [medeverdachte 6] gevestigd op het adres [a-straat 1] te [plaats] . Sinds 12 januari 1998 is [medeverdachte 1] enig aandeelhouder en [medeverdachte 3] bestuurder en directeur van [medeverdachte 6] Als bedrijfsomschrijving is vermeld: groothandel in vuurwerk en aanverwante artikelen.
Op 18 maart 2004 is conform Luxemburgs recht de rechtspersoon [medeverdachte 4] opgericht door twee rechtspersonen, te weten [A] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 1] en [B] Inc., vertegenwoordigd door [medeverdachte 3] . Als activiteiten van [medeverdachte 4] worden onder andere genoemd: groothandel, detailhandel, import, export, handel in vuurwerkartikelen en handel in containers. De bestuurders van [medeverdachte 4] waren bij de oprichting: de rechtspersoon [A] Inc., [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . [medeverdachte 1] is tevens directeur van [medeverdachte 4] . Op 26 oktober 2006 werd een uittreksel geplaatst van een buitengewone aandeelhoudersvergadering van [medeverdachte 4] , gehouden op 1 juli 2006. Hierbij werd unaniem besloten dat [medeverdachte 3] zich terugtrok als bestuurder en dat [medeverdachte 2] als haar vervanger werd benoemd. Op 4 augustus 2008 waren de bestuurders van [medeverdachte 4] : de rechtspersoon [A] Inc., [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [4] In de periode van 2006 t/m 2008 worden door [medeverdachte 4] 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. Het vuurwerk werd opgeslagen in [plaats] en [plaats] in Duitsland. [5]
Door [medeverdachte 2] werd op 27 maart 2006 melding gedaan bij het Duitse handelsregister dat hij per 1 maart 2006 was gestart met een onderneming genaamd [verdachte] , zijnde een rechtspersoon naar Duits recht, een onderneming die hij had overgenomen. Na de overname werd de doelstelling gewijzigd in: de handel in vuurwerkartikelen en soortgelijke materialen evenals het afsteken van vuurwerk. Thans is de naam [verdachte] gewijzigd in [verdachte] [
opmerking griffiers: daar waar het hof [verdachte] noemt, dient steeds te worden gelezen [verdachte] thans [verdachte]].
Ook gaf [medeverdachte 2] aan directeur van deze onderneming te zijn en alleen bevoegd te zijn. Het adres van [verdachte] , te weten [b-straat 1] , [plaats] , was volgens onderzoek van Interpol slechts een postadres en er werd geen pyrotechnisch materiaal opgeslagen in het pand waar [verdachte] was gevestigd. Door [medeverdachte 2] werd bij het handelsregister een jaarrekening 2006, gedateerd 15 februari 2008, aangeleverd betreffende [verdachte] waarbij het adres [f-straat 1] , [plaats] , Nederland, werd opgegeven. [6] Uit het pand op het adres [b-straat 1] te [plaats] kon niet worden opgemaakt dat [verdachte] daar was gevestigd. Getuige [getuige 1] verklaarde onder andere dat hij met zijn verzekeringsmaatschappij de ruimten van het pand [b-straat 1] in gebruik heeft en voor [medeverdachte 2] heeft bemiddeld in de koop van een lege GmbH en dat zijn dochteronderneming genaamd [getuige 1] de belangen voor [verdachte] behartigt. [medeverdachte 2] bezoekt het bureau vaak wekelijks en in aanwezigheid van zijn vader of moeder. De post wordt dan aan hem ter beschikking gesteld. [7]
[medeverdachte 3] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat zij onder meer samen met haar man [medeverdachte 1] belangen heeft in [medeverdachte 6] en dat zij de administratie van die B.V. doet. Zij is verantwoordelijk voor de hele administratie. Er is geen sprake van interne functiescheiding en interne controle. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn verantwoordelijk voor de inkoop van het vuurwerk van [medeverdachte 6] Zij is medeverantwoordelijk voor de verkoop. De verkoop gebeurt door [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] . Volgens haar verkoopt [medeverdachte 6] ook vuurwerk aan [verdachte] . [8]
[medeverdachte 7] heeft ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat hij [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kent en dat hij als zzp-er werkzaamheden verricht voor [medeverdachte 6] [9] [medeverdachte 3] bevestigt in haar verklaring dat [medeverdachte 7] door [medeverdachte 6] aan het einde van het jaar als zelfstandige wordt ingehuurd voor het verrichten van diverse werkzaamheden, zoals containers lossen, magazijnwerk en iets afleveren bij een klant. [10]
[betrokkene 1] is expediteur bevrachter en samen met [betrokkene 2] aandeelhouder en bestuurder van [C] B.V. Hij heeft bij de politie verklaard dat [medeverdachte 6] (door hem [medeverdachte 6] genoemd [11] ) en [medeverdachte 4] klanten van hem zijn sinds 2006. Zijn contactpersoon bij [medeverdachte 6] was [medeverdachte 1] en bij [medeverdachte 4] was dat [medeverdachte 2] . [betrokkene 1] heeft contact met [medeverdachte 3] voor [medeverdachte 6] als het gaat om financiële zaken, zoals facturen. Hij noemt [medeverdachte 1] de baas van [medeverdachte 6] [medeverdachte 1] is volgens hem geen papierman. Als het op papier aan komt geeft [medeverdachte 1] meestal [medeverdachte 3] aan de telefoon. Zij regelt ook verder het financiële werk, zoals facturen. Als er een vracht in de haven is binnengekomen, belt hij altijd met [medeverdachte 1] en vraagt hem wanneer hij die vracht binnen wil hebben. In april 2008 heeft zijn B.V. nog één container voor dit bedrijf gedaan. De B.V. van [betrokkene 1] factureert aan [medeverdachte 4] en hij stuurt de facturen gewoon naar het kantoor van [medeverdachte 6] in [plaats] . De betalingen van [medeverdachte 4] werden deels contant en deels via de Luxemburgse rekening van [medeverdachte 4] gedaan. Toen [medeverdachte 2] de contactpersoon werd, dit is in 2006 geweest, deed hij de contante betalingen. [medeverdachte 2] heeft tegen [betrokkene 1] gezegd dat hij, [medeverdachte 2] , verantwoordelijk was voor [medeverdachte 4] . [12]
Ter zake feit 1 (zaak 3):
Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Omstreeks 9 juni 2008 zijn drie containers met vuurwerk via de haven van Antwerpen Europa binnengekomen en vervolgens omstreeks 12 juni 2008 over de weg vervoerd naar een opslaglocatie te [plaats] (Duitsland). Dit betroffen de containers CCLU7523772, CCLU6168924 en CCLU7001063. Op de packinglists en vrachtbrieven stond als afzender [T] Ltd. te Hong Kong en als ontvanger [E] Ltd. te Engeland. [13] Op 18 juni 2008 zijn in Antwerpen twee containers met nummers CCLU6596060 en CCLU6350380 met in totaal 46 ton aan vuurwerk in beslag genomen door de Belgische autoriteiten, omdat op de containers en dozen de classificatie 1.4G was vermeld, terwijl uit controle bleek dat het vuurwerk geclassificeerd diende te worden als 1.1G. De eindbestemming van die containers was [plaats] in Duitsland. [14] Op de invoice (invoicenummer 8050324) van de containers met nummer CCLU6596060 en CCLU6350380 en de invoice (invoicenummer 80501007) van de containers met nummer CCLU7523772, CCLU6168924 en CCLU7001063 was als geadresseerde steeds vermeld [E] Ltd., [g-straat 1] , [plaats] . [15]
De firma [E] Ltd. heeft twee directieleden te weten [getuige 6] en [getuige 7] . Deze getuigen hebben verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van [E] Ltd. waren het importeren en exporteren van banktechniek. Zij hebben nooit in vuurwerk gehandeld. [16]
Getuige [getuige 8] , bediende-expediteur van de firma [G] te [plaats] , heeft op 15 juli 2008 en 9 december 2008 bij de Belgische politie verklaard dat hij ergens in de loop van de maand mei bezoek kreeg van ene [betrokkene 3] die de firma [E] Ltd. vertegenwoordigde. [betrokkene 3] informeerde naar de kostprijs voor het inklaren van vijf containers die hij vanuit China verscheepte naar Antwerpen. Het zou gaan om een partij van respectievelijk drie en twee containers. [betrokkene 3] is in totaal drie keer op het bureau geweest en heeft afzonderlijk documenten aangereikt voor het transport van de eerste drie containers en vervolgens voor de laatste twee containers. De behandelingskosten voor de eerste partij en het voorschot voor de tweede partij heeft [betrokkene 3] cash betaald toen hij de laatste en derde keer langskwam. Dit was een bedrag van € 6.000,00. [G] verkreeg de documenten met het oog op de inklaring van de goederen, waaronder de invoice (1 per partij, invoicenrs. 80501007 en 80503024). De getuige omschreef [betrokkene 3] als volgt: circa 1.80 à 1.82 cm groot, lang haar, blond/ros haar naar achter met een paardenstaart, casual gekleed en met Hollands accent. [17]
[getuige 6] en [getuige 7] , directieleden van de firma [E] Ltd., hebben verklaard dat zij nooit hebben gehoord van [betrokkene 3] en nooit zaken met hem hebben gedaan. [18]
Op 13 augustus 2008 werd op de kaai in Antwerpen een persoon waargenomen die voldeed aan het door eerder genoemde getuige [getuige 8] opgegeven signalement van de persoon die zich [betrokkene 3] had genoemd. Deze persoon bleek te zijn genaamd: [medeverdachte 7] en was daar in een personenauto merk Volkswagen Caddy met kenteken [kenteken 1] , op naam gesteld van [naam 2] . [medeverdachte 7] verklaarde dat hij de naam [betrokkene 3] heeft gebruikt om het transport en lossing te regelen van twee containers met vuurwerk en dat hij de naam [betrokkene 3] heeft gebruikt in alle correspondentie met de verschepers, inklaringsdiensten en in telefonisch contact met de Belgische politie. [19]
Nadat aan eerder genoemde getuige [getuige 8] een foto werd getoond van [medeverdachte 7] verklaarde hij dat dit de persoon was die in mei in totaal drie keer bij [G] aan het bureau was geweest en zich voorstelde als [betrokkene 3] . [20]
Volgens de CMR’s met nummers 571568, 571569, 571570, 571571 en 571572 treedt de Nederlandse onderneming [C] B.V., gevestigd te [plaats] , op als agent van de afzender. [21] Getuige [betrokkene 1] , werkzaam voor [C] B.V., heeft op 17 juli 2008 ten overstaan van politieambtenaren verklaard (en op 11 juni 2009 in grote lijnen tegenover de rechter-commissaris bevestigd) dat [medeverdachte 1] enkele dagen voor 11 juni 2008 naar hem toe was gekomen met een onbekende man. [medeverdachte 1] stelde de man voor als een collega, genaamd [betrokkene 3] en vroeg aan getuige [betrokkene 1] of deze wilde bemiddelen voor [betrokkene 3] . [betrokkene 1] kreeg van [betrokkene 3] onder andere het e-mailadres [e-mail 1] . [betrokkene 3] vertelde hem dat hij namens [E] Ltd. binnen enkele dagen drie containers met vuurwerk verwachtte. In totaal verwachtte hij vijf containers met vuurwerk uit China per schip in de haven van Antwerpen. Op 12 juni 2008 zouden de eerste drie containers aankomen in de haven van Antwerpen en een week later de twee volgende containers. Deze moesten alle vijf naar bunkers in het Duitse [plaats] worden gebracht om daar te lossen. Hij kreeg van [betrokkene 3] een voorschot van € 5.000,00 contant. [22]
[medeverdachte 1] heeft op 24 juli 2008 ten overstaan van politieambtenaren verklaard dat [betrokkene 3] niet de echte naam van de man is, maar dat hij in werkelijkheid [medeverdachte 7] heet en dat hij met [medeverdachte 7] naar [betrokkene 1] is gegaan en [medeverdachte 7] bij [betrokkene 1] heeft geïntroduceerd. Hij heeft gehoord dat [medeverdachte 7] tegenover [betrokkene 1] de voornaam [naam 3] gebruikte. Hij kent [medeverdachte 7] al een aantal jaren. [medeverdachte 7] verricht tijdens het vuurwerkseizoen werkzaamheden bij [medeverdachte 6] Vuurwerk. [23]
Het e-mailadres [e-mail 1] is op 23 mei 2008 aangemaakt door [betrokkene 15] met een niet bestaande postcode [...] , vanaf het IP-adres [0001] , zijnde het woonadres van [betrokkene 7] . Destijds was [betrokkene 7] de levenspartner van [medeverdachte 2] . [24]
Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij de naam [betrokkene 15] wel eens gebruikte en dat hij eens in Duitsland een mobiele telefoon heeft gekocht en daarbij de naam [betrokkene 3] heeft opgegeven. [25]
Op 2 juli 2008 en 18 juli 2008 ontving het Parket van de Procureur des Konings te Dendermonde een fax van advocaat Jan Debaene namens [E] Ltd. De advocaat verzocht het beslag op te heffen omdat de verzender of de transporteur, [J] , abusievelijk verkeerde etikettering had aangebracht op de dozen. Hij heeft daarbij een fax gevoegd met [J] info waarin is vermeld dat er een fout is gemaakt bij de productie van artikelen 6003, 4005 en 480 en dat de technisch specialist meer poeder in de artikelen heeft gedaan dan volgens zijn opdracht nodig was. [26] Deze brief is vertaald door het Tolk- en Vertaal Centrum Nederland. Er is voor deze vertaling van het Engels in het Nederlands opdracht gegeven via het e-mailadres [e-mail 1] . De ondertekende opdracht is per fax verzonden vanaf de buren van de onderneming [medeverdachte 6] , te weten [N] B.V., op het adres [a-straat 2] te [plaats] . [27] Ter terechtzitting heeft [medeverdachte 2] verklaard dat hij wel eens gebruik heeft gemaakt van de fax van het bedrijf [N] en dat als iemand iets heeft gefaxt bij [N] , dat hij het dan is geweest. [28]
De drie containers die omstreeks 9 juni 2008 in de haven van Antwerpen binnenkwamen (met nummers CCLU7523772, CCLU6168924 en CCLU7001063) zijn per vrachtwagen over de weg in België en Duitsland vervoerd en op 13 juni 2008 op een bunkercomplex in het Duitse [plaats] gelost. De chauffeurs van de drie vrachtwagencombinaties hebben verklaard dat de containers werden gelost in twee bunkers, gelegen in het midden van een rij van meerdere bunkers. [29] Elk van de drie chauffeurs heeft aan de hand van die luchtfoto een of meerdere bunkers aangewezen als de bunkers waarin de containers vermoedelijk zijn gelost. De door hen aangewezen bunkers zijn de bunkers die als 4e, 5e, 6e of 7e in de rij zijn gelegen. De drie chauffeurs verklaren allen dat bij het lossen een Nederlands sprekende man met een paardenstaart aanwezig was. Aan twee van de chauffeurs wordt door verbalisanten een foto van [medeverdachte 7] voorgelegd, waarop de beide chauffeurs verklaren dat dit de door hen beschreven man betrof. [30] [31] [32]
Alle negen bunkers in [plaats] zijn op 9 juli 2008 door de Duitse autoriteiten doorzocht. Enkel in bunker 4 en bunker 6 werden vuurwerkartikelen aangetroffen die afkomstig kunnen zijn van de eerder genoemde drie containers. In bunker 4 werden 2410 dozen met Celebration Crackers 100.000 shot, artikelnummer T809 aangetroffen en in bunker 6 van datzelfde vuurwerkartikel 520 dozen, alle met gevarenetiket 1.4G. [33] Volgens de packinglists van de naar [plaats] vervoerde drie containers zaten in die drie containers in totaal 2795 dozen van dit artikel. De verpakkingen van de in bunker 4 en 6 in [plaats] aangetroffen vuurwerkartikelen T809 vertonen voorts specifieke overeenkomsten met de verpakkingen van de vuurwerkartikelen uit de twee containers die op 18 juni 2008 in België in beslag zijn genomen. De fabriekscode, de ordernummers en de zogenoemde UN-nummers waren identiek. [34] Op grond van deze overeenkomsten concludeert het hof, met de rechtbank, dat het in bunker 4 en 6 aangetroffen vuurwerk afkomstig is uit de drie containers die omstreeks 13 juni 2008 vanuit Antwerpen naar [plaats] zijn vervoerd.
Bunker 4 werd gehuurd door het bedrijf [S] SARL. [35] Volgens de Duitse politie bestaan tussen het bedrijf [S] SARL, en [verdachte] nauwe zakelijke betrekkingen, in die zin dat [medeverdachte 2] als importeur voor [S] SARL heeft opgetreden. [36] Voorts heeft [betrokkene 1] verklaard dat [medeverdachte 4] , met instemming van [medeverdachte 1] , ook voor het bedrijf [S] importeerde. [37]
Bunker 6 werd door [verdachte] gehuurd van [K] van [betrokkene 4] . [38] De huur werd door de onderneming van [betrokkene 4] gefactureerd aan [medeverdachte 4] . [39] [medeverdachte 2] heeft op 15 juli 2008 gebeld met [betrokkene 4] , de verhuurder van de opslagbunkers. In het gesprek deelt [medeverdachte 2] mee dat hij bij zijn loods in [plaats] is geweest en dat hij heeft gezien dat de deuren zijn verzegeld. [40] Daarna heeft [medeverdachte 2] diverse keren telefonisch contact met [verbalisant 1] , politiecommissaris, Polizeiinspektion Emsland/Grafschaft Bentheim. In die gesprekken deelt hij mede dat bunker 6 en het vuurwerk 809 en 35 dat in die bunker ligt van hem is. Hij zegt dat het vuurwerk niet bestemd is voor de Nederlandse markt en dat hij eerst de ‘waar’ koopt in China en dan klanten zoekt. Op 17 juli 2008 vraagt [verbalisant 1] in een telefoongesprek met [medeverdachte 2] om officiële papieren waaruit blijkt dat alles volgens de regels is geïmporteerd. [medeverdachte 2] zegt in dat gesprek dat niet [verdachte] maar [medeverdachte 4] het vuurwerk heeft geïmporteerd. Als [verbalisant 1] hem vraagt of [medeverdachte 4] ook een bedrijf van [medeverdachte 2] is, ontkent deze dat. Ook tijdens een later op die dag gevoerd telefoongesprek met [verbalisant 1] , spreekt [medeverdachte 2] over [medeverdachte 4] alsof hij [medeverdachte 4] slechts als verkoper van de partij vuurwerk kent en op geen enkele andere wijze bij [medeverdachte 4] betrokken is. [41] Zulks terwijl [medeverdachte 2] sinds 1 juli 2006 bestuurder van [medeverdachte 4] was. Door [medeverdachte 2] wordt later een fax gestuurd aan [verbalisant 1] met een factuur d.d. 5 juli 2008 van de verkoop van het vuurwerk door [medeverdachte 4] aan [verdachte] . [42] De importdocumenten van het vuurwerk dat zich in bunker 6 bevond, zijn echter nooit aan de Duitse politie overhandigd, ondanks toezegging door [medeverdachte 2] . [43]
Conclusie feit 1
Het hof is van oordeel dat uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat [medeverdachte 7] de invoices die bij de vijf containers horen, al dan niet samen met ander(en) heeft bezorgd aan de firma [G] te Antwerpen met het oog op het inklaren van het vuurwerk dat in die containers zat. Op die invoices stond als geadresseerde vermeld [E] Ltd. Deze firma heeft het betreffende vuurwerk echter niet besteld of gekocht en heeft ook anderszins niets met het vuurwerk te maken zodat de vermelding van [E] Ltd. op de invoices vals is. Aldus heeft [medeverdachte 7] bij het inklaren van de containers gebruik gemaakt van valse invoices.
Hij heeft daarbij niet alleen gehandeld, maar heeft dit gedaan in nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 7] maakte in zijn contacten met de expediteur [G] gebruik van de valse naam [betrokkene 3] . [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 7] als [betrokkene 3] geïntroduceerd bij [C] B.V. met het oog op het vervoer naar Duitsland. [medeverdachte 2] heeft het e-mailadres [e-mail 1] aangemaakt en heeft met de Duitse politie gebeld om het beslag op de goederen ongedaan te maken. De omstandigheid dat [medeverdachte 2] in die gesprekken een mistgordijn optrok rondom de importeur van het vuurwerk en daarbij ontkende dat [medeverdachte 4] een bedrijf van hem is, acht het hof exemplarisch voor het verhullen van het verband tussen het in [plaats] aangetroffen vuurwerk en de in de haven van Antwerpen aangekomen containers met als geadresseerde [E] Ltd. Aldus concludeert het hof dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de werkelijk belanghebbenden bij het vuurwerk in de vijf containers waren en dat zij, door [medeverdachte 7] bij de afhandeling van het transport naar voren te schuiven en hem hierbij gebruik te laten maken van een valse naam, opzet hebben gehad dat het vuurwerk met gebruik van valse invoices zou worden ingeklaard. Aan het einde van het vervoerstraject werd door [medeverdachte 2] gebruik gemaakt van de rechtspersonen [medeverdachte 4] en [verdachte] , waarvan hij bestuurder was. [medeverdachte 4] werd gebruikt om een andere herkomst van (een deel van) het vuurwerk voor te wenden. [verdachte] stelde haar bunker ter beschikking voor de opslag.
Daderschap van de rechtspersoon:
Juridisch kader
Een rechtspersoon kan volgens bestendige jurisprudentie als dader van een strafbaar feit worden aangemerkt indien de gedraging in redelijkheid aan de rechtspersoon kan worden toegerekend.
Een belangrijk oriëntatiepunt daarbij is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon zal sprake kunnen zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
- het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon;
- de gedraging past in de normale bedrijfsvoering van de rechtspersoon;
- de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf;
- de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard.
Onder bedoeld aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de gedraging.
De gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en is verricht door [medeverdachte 2] zijnde een bestuurder van de onderneming. Deze gedragingen kunnen dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend. [verdachte] stelde haar bunker ter beschikking voor de opslag. Ook deze gedraging heeft plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en is verricht door [medeverdachte 2] zijnde een bestuurder van de onderneming. De gedraging kan dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend.
Medeplegen
Juridisch kader
Het hof stelt als toetsingskader het volgende voorop. Op grond van bestendige jurisprudentie voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking met een ander of anderen, waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Het accent ligt daarbij op de samenwerking en minder op de vraag wie welke feitelijke handelingen heeft verricht. Een belangrijke vraag is wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. Die vraag laat zich niet in algemene zin beantwoorden, maar vergt een beoordeling van de concrete omstandigheden van het geval.
Indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht en derhalve eerder zien op het bevorderen en/of vergemakkelijken van een door een ander begaan misdrijf, rust op de rechter de taak om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering - dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging - dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Voor de vraag of sprake is van de vereiste nauwe en bewuste samenwerking kan in dat geval onder meer rekening worden gehouden met de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. Daarbij verdient opmerking dat aan het zich niet distantiëren op zichzelf geen grote betekenis toekomt, nu het erom gaat dat de verdachte een wezenlijke bijdrage moet hebben geleverd aan het delict.
Indien de verdachte hoofdzakelijk gedragingen na de uitvoering van het strafbare feit heeft verricht, is in uitzonderlijke gevallen medeplegen denkbaar. Maar een geringe rol of het ontbreken van enige rol in de uitvoering van het delict zal dan wel moeten worden gecompenseerd, bijvoorbeeld door een grote(re) rol in de voorbereiding, terwijl in de bewijsvoering in zulke uitzonderlijke gevallen ook bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de vraag of wel zo bewust en nauw is samengewerkt bij het strafbare feit dat van medeplegen kan worden gesproken, in hét bijzonder dat en waarom de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Het beslissingskader zoals dat in het hier voorgaande is weergegeven kan, met begrippen die niet steeds precies van elkaar afte grenzen zijn, niet anders dan globaal zijn. Dat hangt enerzijds samen met de variëteit van concrete omstandigheden in afzonderlijke gevallen, waarbij ook de aard van het delict een rol kan spelen. Anderzijds is van belang de variëteit in de mate waarin die concrete omstandigheden kunnen worden vastgesteld, in welk verband de procesopstelling van de verdachte een rol kan spelen (vgl. in dezen: HR 02 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:716 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316, NJ 2016/411).
Uitgaande van bovenstaand toetsingskader en gelet op het bovenstaande komt het hof tot het oordeel dat er sprake is geweest van medeplegen van [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] het gebruik maken van de valse invoices medegepleegd.
Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij alle deelnemers een voldoende materiële bijdrage van voldoende gewicht aan het delict hebben bijgedragen. Voor wat betreft het verweer dat [medeverdachte 1] niet als medepleger zou kunnen worden beschouwd, verwijst het hof naar de bovenstaande bewijsmiddelen. Daarbij wordt door het hof in bijzonder gewezen op het feit dat [medeverdachte 1] de medeverdachte [medeverdachte 7] heeft geïntroduceerd bij [C] B.V. met het oog op het vervoer naar Duitsland. [medeverdachte 7] hanteerde daarbij de naam ‘ [betrokkene 3] ’. Hieruit komt naar voren dat [medeverdachte 1] op de hoogte was van het onder valse naam (en dus valse invoices) importeren van het vuurwerk en het naar Duitsland te vervoeren. Door zo te handelen heeft [medeverdachte 1] met een materiële bijdrage van voldoende gewicht bijgedragen aan het delict.
Het feit dat een deel van de handelingen die deel uitmaken van het medeplegen, handelingen van [medeverdachte 1] , maar ook van [medeverdachte 7] en [medeverdachte 2] , heeft plaatsgevonden na het moment waarop de invoices zijn afgegeven maakt dit niet anders.
Uit het samenstel van alle handelingen, ook die na het afgeven, is immers af te leiden dat sprake was van een vooropgezet plan van de betrokken medeplegers, waar het gebruik maken door afgifte aan [G] deel van uitmaakte waarna de goederen konden worden ingevoerd, vervoerd en opgeslagen in Duitsland, waarna zij ter beschikking kwamen van verdachte en zijn mededaders.
Gelet op het voorgaande hebben [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en [verdachte] het gebruik maken van de valse invoices medegepleegd. Het hof zal partieel vrijspreken van het gebruik maken van valse CMR’s. Weliswaar was op die CMR’s eveneens als geadresseerde vermeld [E] Ltd.., echter uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat voornoemde verdachten betrokken zijn geweest bij het opmaken van de CMR’s of bij het afgeven van de CMR’s aan de transporteur.
Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] het gebruik maken van de valse invoices hebben medegepleegd. Weliswaar spreekt [medeverdachte 2] op 17 juli 2008 tijdens een telefoongesprek met [medeverdachte 3] over een factuur die hij nodig heeft om aan de Duitse politie te laten zien, maar uit de reactie van [medeverdachte 3] kan niet worden afgeleid dat zij weet dat het gaat over deze transporten die met valse invoices hebben plaatsgevonden.
VerweerDoor de raadsman is - kort weergegeven - betoogd dat [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en de bedrijven [verdachte] en [medeverdachte 4] niets met deze transporten en dus ook niet met de valse invoices van doen hebben gehad. [medeverdachte 7] is benaderd door een persoon die zich [betrokkene 3] noemde om containers in te klaren. Het hof verwijst voor de inhoud van het verweer naar de uitvoerige uiteenzetting op de pagina’s 23 tot en met 29 van de pleitnotitie.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
[medeverdachte 7] heeft aangevoerd dat hij in mei of juni 2008 bij de bunkers in [plaats] aan het werk was en dat hij daar een persoon ontmoette die zich [betrokkene 3] noemde en die hem vroeg om het transport en het lossen van vijf containers te regelen. [medeverdachte 7] heeft verklaard het regelen van het transport en het lossen op zich te hebben genomen en daarbij op advies van die persoon diens naam [betrokkene 3] te hebben gebruikt. Om het transport te kunnen regelen had hij van die persoon de benodigde gegevens en € 18.000,00 tot € 20.000,00 gekregen. Hij vertrouwde deze persoon en had op dat moment geen reden tot argwaan.
Het hof gaat aan deze verklaring als ongeloofwaardig voorbij en overweegt hiertoe het volgende.
Zoals hierboven overwogen is de naam [betrokkene 3] een van de namen die [medeverdachte 2] gebruikt in het kader van zijn handel via [medeverdachte 4] [medeverdachte 2] heeft onder andere in Duitsland een telefoon besteld op de naam [betrokkene 3] . Daarbij komt dat het e-mailadres [e-mail 1] een e-mailadres is dat is aangemaakt op het IP-adres [0001] , zijnde het woonadres van [betrokkene 7] , de toenmalige levenspartner van [medeverdachte 2] . Wanneer [medeverdachte 7] in de haven van Antwerpen wordt aangehouden in verband met deze zaak, rijdt hij in een auto van de familie [medeverdachten] . [44] [medeverdachte 1] introduceert [medeverdachte 7] bij [betrokkene 1] van het bedrijf [C] B.V. Wanneer de containers worden vervoerd naar Duitsland gaan deze naar bunkers die door [verdachte] en [S] SARL worden gehuurd. [verdachte] en [S] SARL hebben nauwe zakelijke betrekkingen, in die zin dat [medeverdachte 2] als importeur voor [S] SARL heeft opgetreden. Bij problemen omtrent de containers wordt een fax verzonden vanaf het adres van de buren van [medeverdachte 2] . Het is [medeverdachte 2] die opbelt naar de beslagleggende Duitse instanties wanneer een van de bunkers in [plaats] wordt verzegeld. In de invoices wordt de naam [E] Ltd. valselijk gebruikt. [E] Ltd. was een van de twee bedrijven was die [medeverdachte 2] valselijk als factuuradres hanteerde in het kader van het bedrijf [medeverdachte 4] .
De persoon die zich volgens [medeverdachte 7] [betrokkene 3] noemde zou achteraf [betrokkene 5] moeten zijn, die een ‘gebrekkige’ arm heeft en hij zou ook als [betrokkene 5] later door [medeverdachte 7] zijn herkend.
De als getuige gehoorde [betrokkene 5] heeft ontkend zich ooit [betrokkene 3] te hebben genoemd en heeft verklaard dat de namen [medeverdachte 7] en [E] Ltd. hem niets zeggen. [45] Het hof constateert dat nergens uit blijkt dat [betrokkene 5] bemoeienis heeft gehad met de bunkers in [plaats] , het e-mailadres [e-mail 1] of de fax van de buren van de firma [medeverdachte 6] . Tevens constateert het hof dat [betrokkene 5] zich nooit heeft gemeld in het kader van de verzegeling van de bunkers in [plaats] . Ook is niet uit het dossier naar voren gekomen dat [betrokkene 5] zich ooit als [betrokkene 3] heeft uitgegeven. Tenslotte komt uit het procesdossier niet naar voren dat [betrokkene 5] bemoeienis heeft gehad met het bedrijf [E] Ltd. Deze omstandigheden ondersteunen de geloofwaardigheid van de getuigenverklaring van [betrokkene 5] .
Daar komt bij dat [medeverdachte 7] bij zijn handelingen gebruik maakt van de naam [betrokkene 3] , en niet van zijn eigen naam. Wanneer [medeverdachte 7] daadwerkelijk alleen maar op verzoek van een voor hem onbekende persoon handelde zou het voor de hand hebben gelegen zich als vertegenwoordiger van die persoon op te stellen. Dat die persoon gevraagd zou hebben zich onder zijn naam - [betrokkene 3] - voor te doen is daarvoor geen aannemelijke verklaring. Immers, wanneer het verhaal juist zou zijn en [medeverdachte 7] alleen maar moest optreden omdat zijn opdrachtgever in het buitenland was, zouden toch de personen met wie [medeverdachte 7] zaken moest gaan doen, hem onmiddellijk als niet zijnde [betrokkene 3] herkennen. Ook dit aspect maakt de verklaring van [medeverdachte 7] naar het oordeel van het hof ongeloofwaardig.
[medeverdachte 7] maakt in het kader van deze opdracht gebruik van drie prepaid telefoons waarvan er één in een gierput zouden zijn gevallen. [46] Wanneer [medeverdachte 7] gewoon handelde op basis van een verzoek van een derde, zou er niets aan in de weg hebben gestaan om van zijn eigen telefoon gebruik te maken.
Van het door [medeverdachte 7] ter identificatie opgegeven telefoonnummer van [betrokkene 3] verklaart hij zelf al aan de Belgische opsporingsinstantie dat dit niet werkte. [47] Ook in verband met deze aspecten acht het hof de verklaring van [medeverdachte 7] ongeloofwaardig.
Verder acht het hof ongeloofwaardig dat deze persoon, voor wie [medeverdachte 7] een volstrekt onbekende was, aan hem, [medeverdachte 7] , de beschikking gaf over vijf containers waarvan de inhoud een zeer grote waarde vertegenwoordigde. Ook de op geen enkele wijze verifieerbare omstandigheid dat deze persoon aan hem, [medeverdachte 7] , bij een volgende ontmoeting die twee weken later plaatsvond € 18.000,00 tot € 20.000,00 in contanten gaf, acht het hof ongeloofwaardig.
Gezien ook de inhoud van de bewijsmiddelen die hierboven zijn weergegeven, gaat het hof aan dit verweer voorbij.
VerweerDe verdediging stelt zich op het standpunt dat [medeverdachte 1] niet als medepleger van feitelijk leidinggeven aan de gedragingen van [medeverdachte 4] kan worden aangemerkt. Voorts stelt de verdediging zich op het standpunt dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] niet wisten en niet konden hebben geweten dat het vervoer van de genoemde containers door Nederland zou gaan. [medeverdachte 2] was namens [medeverdachte 4] de opdrachtgever voor de genoemde transporten en het was hem niet bekend dat het vervoer door Nederland zou plaatsvinden. Daarmee kan opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, niet worden aangenomen waardoor - naar het hof begrijpt - de opzetvariant niet kan worden bewezen.
Verder stelt de verdediging zich op het standpunt dat de verplichting om de melding ex artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit te doen rust op de vervoerder. Verdachten waren niet de vervoerder. Voor het niet melden zijn verdachten daarom niet strafbaar en dient ontslag van alle rechtsvervolging te volgen.
Het hof verwerpt de verweren van de raadsman op grond van het volgende. Daarbij wordt eerst ingegaan op de vraag ter zake van de normadressaat en vervolgens op de aansprakelijkheden voor de schending van de meldplicht.
Voor wat betreft het verweer ter zake van de tenlastegelegde meldplicht, overweegt het hof als volgt.
Het hof begrijpt dit verweer als ontkenning van het zijn van normadressaat van [medeverdachte 4] van het tenlastegelegde “
degene die ... binnen het grondgebied van Nederland bracht", welke bewoordingen zijn ontleend aan het Vuurwerkbesluit.
Het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Stb. 2002, 33, inwtr. 1 maart 2002), artikel 1.3.2 hield, voor zover voor de beoordeling van belang, tussen 22 september 2006 en 4 juli 2010 het volgende in:
1. Degene die vuurwerk of pyrotechnische artikelen voor theatergebruik binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt, meldt voorafgaand elektronisch het voornemen hiertoe bij Onze Minister. De melding wordt ten minste drie werkdagen voorafgaand aan het binnen of buiten Nederland brengen van het vuurwerk gedaan.(...)(...)4. Bij de melding worden in ieder geval de volgende gegevens verstrekt:a. de naam en het adres van degene die het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt;b. de voorziene plaats waar, de datum en het verwachte tijdstip, waarop het vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland wordt gebracht;c. of het consumenten- of professioneel vuurwerk betreft, het door de fabrikant bij de vervaardiging toegekende artikelnummer dat dient ter identificatie van het vuurwerk, het productiejaar, het type vuurwerk, de netto explosieve massa, per artikelnummer de hoeveelheid verpakt vuurwerk in kilogrammen of het gewicht per verpakkingseenheid in kilogrammen en indien van toepassing het containernummer waarin het vuurwerk zich bevindt;d. de voorziene datum waarop en de plaats waar het vuurwerk wordt gelost of overgeladen en, indien het vuurwerk aansluitend aan het binnen het grondgebied van Nederland brengen tot ontbranding wordt gebracht, de plaats van die ontbranding;e. bij binnen het grondgebied van Nederland brengen het land van productie, de naam van de onderneming die het vuurwerk geproduceerd heeft, de naam en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt opgeslagen, en de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd;f. bij buiten het grondgebied van Nederland brengen de naam en het adres van degene voor wie het vuurwerk is bestemd, en het adres van degene bij wie het vuurwerk wordt afgeleverd in het buitenland.
In dit artikel en in de Nota van Toelichting bij het artikel ontbreekt een eenduidige aanwijzing van degene die moet melden. Wel bevat de NvT de volgende volzin:
Om het toezicht te vergemakkelijken, is bepaald dat deimporteurvan vuurwerk - ongeacht de vraag of dat vuurwerk bestemd is voor de Nederlandse of voor de buitenlandse markt - de invoer van tevoren meldt bij de Minister van VROM. (...)3 [48]
Voor het oordeel dat met ‘de importeur’ niet (louter) de vervoerder is bedoeld vindt het hof bovendien steun in het volgende.
Het voorgaande Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen (Besluit van 4 februari 1993, Stb. 1993, 215) hield in artikel 6 een Pro vrijwel gelijke meldingsplicht in bij
invoer en uitvoer.
Voor de definitie van dat begrip is in de Nota van Toelichting opgenomen: [49] Onder in- en uitvoeren wordt in dit besluit verstaan het binnen respectievelijk buiten Nederlands grondgebied brengen, overeenkomstig het gedefinieerde in de Wet milieugevaarlijke stoffen.
Art. 24 van Pro die wet, waarop de betreffende bepaling van het Vuurwerkbesluit en van het Vuurwerkbesluit Wet milieugevaarlijke stoffen is gebaseerd, hield tot 30 mei 2008 het volgende in:
1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederlandinvoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen,vervoeren,uitvoerenen zich ontdoen van deze stoffen of preparaten.2. Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende:i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens;
terwijl het overeenkomende artikel 9.2.2.1 van de Wet Milieubeheer inhoudt:
1 Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen ongewenste effecten voor de gezondheid van de mens of voor het milieu zullen ontstaan, regels worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederlandinvoeren, toepassen, bewerken, verwerken, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen,vervoeren,uitvoerenen zich ontdoen van deze stoffen, preparaten of organismen.
2 Hiertoe kunnen behoren regels, inhoudende (...)i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen, preparaten of genetisch gemodificeerde organismen of daarbij aangewezen categorieën van producten waarin die stoffen, preparaten of organismen voorkomen, of een voornemen tot het verrichten van die handelingen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens;
De betreffende artikelen noemen dus ‘vervoeren’ naast ‘invoeren’ en ‘uitvoeren’.
Tenslotte is van belang dat de in artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit genoemde gegevens die gemeld moeten worden, bij uitstek gegevens zijn waarvan de importeur van het vuurwerk op de hoogte is.
Het hof beschouwt op grond van het voorgaande de importeur, zijnde [medeverdachte 4] , als normadressaat van de in artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit opgenomen meldingsplicht en dus als ‘degene die vuurwerk binnen het grondgebied van Nederland brengt’. Dat deze anderen kan inschakelen voor uitvoeringshandelingen of naar de voorziene plaats en tijdstippen bij de vervoerder moet informeren doet daar niet aan af.
De importeur, in casu [medeverdachte 4] , is primair verantwoordelijk voor het melden van de transporten, zoals hiervoor is overwogen (al kan deze de melding door een ander doen uitvoeren). Het hof acht op grond van het voorgaande bewezen dat [medeverdachte 4] de meldingen niet tijdig en correct heeft gedaan. Deze gedraging hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en kunnen dan ook aan de rechtspersoon worden toegerekend.
Ter zake van de andere verweren die zie op het ontbreken van opzet bij zowel de rechtspersoon als de feitelijk leidinggevers, stelt het hof het volgende.
Indien een rechtspersoon (in de zin van art. 51 Sr Pro) - in casu [medeverdachte 4] - kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit omdat de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan hem kan worden toegerekend, volgt, indien tenlastegelegd, de zelfstandige beoordeling van de aanwezigheid van bestanddelen als opzet of schuld indien het een misdrijf betreft. Het opzet van de rechtspersoon kan daarbij op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijk persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend (vgl. HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938, rov. 3.3-3.5 en HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, rov. 3.4.1-3.4.2). Het hof acht dat in het geval van [medeverdachte 4] het geval.
[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] hebben samen opdracht dan wel feitelijk leiding gegeven aan de door [medeverdachte 4] verrichte verboden gedraging, zijnde het niet melden van het binnen en buiten het grondgebied van Nederland brengen van de container(s) met vuurwerk. [medeverdachte 2] heeft zoals eerder reeds aangegeven onder meer verklaard dat [medeverdachte 4] de eigenaar was van de containers en dat hij nooit melding heeft gedaan van het binnen Nederland brengen van vuurwerk. Over de rol van [medeverdachte 1] merkt het hof nog op dat hij met het oog op de transporten de firma [H] International heeft bezocht en dat hij als directeur bij [medeverdachte 4] mede verantwoordelijk is voor het niet melden van de transporten. [medeverdachte 1] heeft een zodanig initiatief genomen, dat hij wordt geacht leiding te hebben gegeven aan de verboden gedragingen van de onderneming waarvan hij bestuurder is. Het hof acht ter zake van de verboden gedraging, zijnde een nalaten, dat beiden ook bevoegd en redelijkerwijs gehouden waren maatregelen te treffen ter voorkoming of beëindiging van verboden gedragingen en zulke maatregelen achterwege hebben gelaten waardoor het niet melden is bevorderd. Dat beiden daarbij wetenschap hadden van het niet melden volgt zowel uit de reeds aangehaalde verklaringen van [medeverdachte 2] , als de omstandigheid dat het hof van een ervaren vuurwerkhandelaar als [medeverdachte 1] verondersteld dat hij ten tijde van zijn handelen ter zake van het tenlastegelegde zich terdege bewust is geweest van de vigerende regelgeving en derhalve moet hebben geweten dat hij [medeverdachte 4] meldingsplichtig was.
Het hof komt tot het oordeel dat er sprake is van het medeplegen van het feitelijk leiding geven van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] . Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen beiden als direct betrokkenen bij de rechtspersoon, waarbij beiden als feitelijke leidinggever een voldoende materiële bijdrage aan het delict hebben geleverd.
Het hof verwerpt dus het verweer van de verdediging.
Met betrekking tot de andere verweren die zijn gevoerd door de verdediging, overweegt het hof het volgende. [medeverdachte 2] heeft erkend dat hij namens [medeverdachte 4] opdracht heeft gegeven tot de tenlastegelegde transporten. Met betrekking tot het feit dat [medeverdachte 2] niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over het grondgebied van Nederland zouden rijden merkt het hof het volgende op.
Ten eerste merkt het hof op dat geconstateerd is dat alle drie de transporten waar het om gaat, via het grondgebied van Nederland zijn gegaan en het land zijn binnengekomen via de grensovergang Meer/Hazeldonk. Met betrekking tot de te volgen route over het grondgebied van België staat in het proces-verbaal het volgende vermeld:
Aan het lossen van een container met vuurwerk in de havens van Zeebrugge of Antwerpen is de verplichting verbonden om voor het transport tussen de terminal in de haven en het transporteren over Belgisch grondgebied, dit vuurwerk onder begeleiding van erkende (beëdigde) begeleiders dient te geschieden. De kosten daarvoor zijn voor de eigenaar/ontvanger van de goederen. [50]
Met betrekking tot het toepasselijke Belgische recht houdt het dossier het volgende in:
In de brief van het Parket van Dendermonde waarin gevraagd wordt aan de Nederlandse autoriteiten om de strafvervolging over te nemen ter zake in Antwerpen aangekomen containers staat het volgende vermeld:
“Heb ik de eer U bij onderhavig geschrift voormelde feiten te denonceren, feiten door het Belgisch Strafrecht strafbaar gesteld door artikel 66 van Pro het Strafwetboek en de wetgeving betreffende springstoffen zijnde de Wet van 28 mei 1956 (Belgisch Staatsblad 9 juni 1956).” (die wordt bijgevoegd) [51]
In art. 1. van deze wet is het volgende opgenomen:
De Koning regelt in het belang van de openbare veiligheid en kan aan vergunning onderwerpen het fabriceren, opslaan, te koop aanbieden, verkopen, afstaan, vervoeren, gebruiken onder zich hebben, en dragen van ontplofbare of voor deflagratie vatbare stoffen en mengsels en van daarmede geladen tuigen. De overheid die bevoegd is tot het afgeven van de vergunning kan ze te allen tijde intrekken. [52]
In het Koninklijk besluit houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen van 23 september 1958 zijn nadere regels opgenomen. [53] In verband met artikel 73 van Pro dit besluit dient in de vergunningsaanvraag de te volgen weg te worden vermeld. [54] In de artikelen 84 e.v. jo. 107 is de begeleiding door een transportbegeleider van de dienst springstoffen in het geval van spektakelvuurwerk geregeld.
Op 12 december 2008 doet [betrokkene 8] van [H] per mail een verzoek aan [betrokkene 6] om het vervoer in te plannen en een voorlopige aanmelding aan [I] voor het transport van Spektakelvuurwerk, waarbij wordt gevraagd begeleiding conform voorschriften van de Dienst der Springstoffen te voorzien. Dit betreft container 687075 op 15 december 2008 en 681314 op 21 december 2008. [55] Voorts is er een mail d.d. 16 december 2008 van [H] aan [betrokkene 6] betreffende container 6670758 met als beschrijving: spectakelvuurwerk. [56]
In december 2008 werden door [medeverdachte 4] vijf containers vervoerd naar dezelfde opslagplaats. De andere transporten vinden plaats op 19 december 2008 en 23 december 2008.Dat de containers CCLU7201781 en CCLU6051619 ook daadwerkelijk begeleiding hebben gehad blijkt uit een mail van [betrokkene 9] van [J] met het mailadres [e-mail 2] waarin onder andere het volgende is opgenomen.
09/12/2008 13:28
ALLE CTRS HEBBEN VERLENGD VERTOEF BEHALVE:
CCLU7201781 – ONTVANGER: [C] - met begeleiding - zonder verlengd vertoef
CCLU6051619 - ONTVANGER: [C] - met begeleiding - zonder verlengd vertoef [57]
Dat ook de container met het nummer 667075-8 met begeleiding uit de haven van Antwerpen is vervoerd blijkt uit een mail van [betrokkene 8] van het bedrijf [H] waarin hij naar [betrokkene 10] , werkzaam bij de Belgische inspectie mailt op 12/12/2008 te 15:46 uur:
Beste [betrokkene 10] ,Ref tel. onderhoud van zoeven - hebben [betrokkene 11] [medeverdachte 4] toch zoeven aan de telefoon gehad.Brengen maandag ochtend de papieren voor de ctr cclu 667075-8.Wij hebben vervoer en begeleiding reeds telefonisch besteld.Mvg [betrokkene 8] [58]
Dat het vuurwerk dat door [medeverdachte 4] vergunningplichtig spektakelvuurwerk betreft komt naar voren uit de zich in het dossier bevindende stukken. Het hof wijst hierbij bijvoorbeeld naar de mail van [betrokkene 8] naar [betrokkene 12] van 12 december 2008 waarin het volgende is opgenomen:
bijlage de dokumenten te vinden voor 2 nieuwe ctrsspektakelvuurwerkvoor [medeverdachte 4]
1) [L] ETA 15.12.08 20.00 UUR
CCLU 687075-8 1.3.G/UN 0335
653 ctns 16.524 kgs brutto
2) [M] ETA 21.123.08 TE BEVESTIGEN
CCLU 681314-4 1.3.G/UN UN 0335
630 CTNS 17.300 KGS brutto
BEIDE EINDBESTEMMING WISSEN/ALLER [59]
Het hof merkt op dat niet van alle dossiers alle documenten in het dossier zijn opgenomen. Voor het vervoer van een container van [medeverdachte 4] op 2 december 2008 derhalve kort voor de transporten die in dit tenlastegelegde feit aan de orde zijn is een vervoersvergunning in de stukken opgenomen. [60] Daarin staat onder andere het volgende vermeld:
CONTAINER 1 X40 1-IC CCLU 6005330 MET VOLGENDE PARTIJ:
932 CTFIREWORKS 19526 KGS 1.3 G UN 0335 NEQ 963,30 KGS
TREKKER KENTEKEN [kenteken 2]
CHAUFFEUR [betrokkene 13]
NA VRIJMAKING DOUANEVERTOLLINO METBEGELEIDING SEMS SECURITY
ROND 09.00 UUR
REIS WEG 1742-TEMSE-ANTWERPEN-HOOGSTRATEN-NAAR GRENSPOST MEER.
AANKOMST TE MEER 10.30 UUR.
MET BELEEFDE GROETEN.
[betrokkene 14]
REP.08003035
Naast deze drie transporten vinden er nog twee transporten plaats voor [medeverdachte 4] van de haven van Antwerpen naar [plaats] en wel op 19 en 23 december 2008. Met betrekking tot het transport van 23 december wordt in het dossier het volgende opgemerkt.
Saillant detail is dat kort voor het transport van de vijfde container [betrokkene 10] van de Federale Overheidsdienst, afd. kwaliteit en veiligheid te Antwerpen was gebeld door [H] . De "opdrachtgever" had verzocht om een andere route te mogen rijden namelijk via Eynatten (Aken) want dat zou de kortste route zijn! Door [betrokkene 10] werd hen meteen gezegd dat ze volgens de vergunning de kortste route moesten nemen en dat was via de grensovergang Meer/Hazeldonk en verder via Nederland. Uit onderzoek is gebleken dat [medeverdachte 4] S.a. de "opdrachtgever" was van dit transport. [61]
De documenten die het transport van 23 december 2008 vergezelden werden door de Nederlandse politie in beslag genomen. Het gaat om de volgende documenten. [62]
1. De CMR (vrachtbrief met als expediteur vermeld " [medeverdachte 4] S.A."
2. De Bill of Lading met als vermelding van notify party " [C] "
3. Een vervoersvergunning springstoffen voor België
4. Een formulier "Dangerous Goods Declaration"
5. Een packinglist van container CCLU6813144
6. Een viertal veiligheidsbladen in Franse, Duitse, Engelse en Nederlandse taal
7. Een formulier "Container traktie baan - lossen" van firma [H] uit België
8. Twee pagina's mailwisseling tussen transportbedrijf [betrokkene 6] BV en voornoemd bedrijf [H]
9. Het meldingsformulier Import-Export.
Uit de bovenstaande regelgeving en bewijsmiddelen leidt het hof af, dat er een vergunning en begeleiding met betrekking tot het vervoer over Belgisch grondgebied aanwezig was voor deze transporten, inhoudende dat de kortste route over Belgisch grondgebied zou moeten worden gevolgd naar de grensovergang Meer/Hazeldonk. Gezien deze vergunning was het voor de chauffeur niet toegelaten een andere route te kiezen door België. Bovendien was er begeleiding voorzien voor de aangegeven route.
Het hof verwerpt het verweer dat [medeverdachte 2] niet op de hoogte was van het feit dat de transporten over Nederland zouden gaan en dat ook niet behoefde te weten.
Ten eerste merkt het hof dat [medeverdachte 2] als bestuurder en gezien het voorgaande als feitelijk leidinggever van [medeverdachte 4] verantwoordelijk is om aan de wettelijke verplichtingen die samenhangen met de invoer van het vuurwerk te voldoen: Immers, een ieder wordt geacht de wet te kennen maar zeker van een professionele marktdeelnemer mag worden verwacht dat deze zich ten minste terdege laat informéren over de beperkingen waaraan zijn handelingen zijn onderworpen. [63] Bij hem ligt er dan ook een taak om zich te vergewissen van de route en de daaraan verbonden verplichtingen te vervullen.
Het hof merkt tevens op dat de betreffende drie transporten over Nederland zijn gereisd zonder dat deze bij de Nederlandse autoriteiten zijn gemeld, dat voor het transport op 19 december te laat een melding is gedaan en voor het transport bij de Nederlandse autoriteiten en op 23 december tijdig een melding is gedaan.
Ten slotte merkt het hof op dat voor het transport van 2 december 2008 - kort voor deze transporten - bevindt zich bij de stukken een Belgische vervoersvergunning inhoudende dat naar Meer/Hazeldonk moest worden gereisd. Uit het dossier is procesdossier is niet naar voren gekomen dat in december via een andere route is gereisd. Dat het gebruikelijk was anders te rijden vindt dan ook geen steun in het procesdossier.
Het hof acht de verklaring van [medeverdachte 2] , dat hij niet wist dat de transporten over Nederlands grondgebied zouden reizen onder die omstandigheden dan ook zeer onaannemelijk en gaat hier aan voorbij. Daarbij wijst het hof nog op het feit dat ten aanzien van één van de ritten een afwijking wordt gevraagd namens de opdrachtgever, zijnde [medeverdachte 4] bij de Belgische autoriteiten. Een dergelijk verzoek kan slechts worden gedaan wanneer de betrokkene van de eigenlijke route op de hoogte is.
De voor het overige aangevoerde verweren worden verworpen op de gronden zoals hierboven overwogen.”
8.3.
De steller van het middel klaagt allereerst dat de handelingen van de medeverdachten [medeverdachte 7] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] niet aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Allereerst zou uit de bewijsvoering niet naar voren komen dat zij of één van hen heeft of hebben gehandeld in het kader van de bedrijfsvoering van de verdachte en/of voor de verdachte als feitelijk leidinggever dan wel opdrachtgever of vertegenwoordiger is/zijn opgetreden. Evenmin zou uit ’s hofs bewijsvoering blijken dat de handelingen van hen – en in het bijzonder van [medeverdachte 2] – ‘in de sfeer van’ de verdachte hebben plaatsgevonden.
8.4.
Voor de beoordeling van deze klacht is het volgende van belang. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 2016 op hoofdlijnen een verduidelijking gegeven van het beslissingskader uit zijn arrest van 2003 [64] met betrekking tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het feitelijk leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging. De voor deze zaak relevant zijnde overwegingen van de Hoge Raad houden het volgende in (met weglating van voetnoten):
“3.3 Bij de beantwoording van de vraag of een verdachte strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld ter zake van het feitelijke leidinggeven aan een door een rechtspersoon verrichte verboden gedraging, dient eerst te worden vastgesteld of die rechtspersoon een strafbaar feit heeft begaan (dat wil zeggen: een strafbaar feit heeft gepleegd of daaraan heeft deelgenomen). Ingeval die vraag bevestigend wordt beantwoordt, komt de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat de verdachte aan die gedraging feitelijke leiding heeft gegeven.
3.4.1. In zijn arrest van 21 oktober 2003 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan zijn sprake zijn indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen:
a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon,
b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon,
c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening,
d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging.
3.4.2. Ingeval de delictsomschrijving van het strafbare feit waarvan de rechtspersoon wordt verdacht, opzet vereist, kan dat opzet op verschillende manieren worden vastgesteld. Onder omstandigheden kan het opzet van een natuurlijke persoon aan een rechtspersoon worden toegerekend. Maar voor opzet van een rechtspersoon is niet vereist dat komt vast te staan dat de namens of ten behoeve van die rechtspersoon optredende natuurlijke personen met dat opzet hebben gehandeld. Het opzet van een rechtspersoon kan onder omstandigheden bijvoorbeeld ook worden afgeleid uit het beleid van de rechtspersoon of de feitelijke gang van zaken binnen de rechtspersoon.” [65]
8.5.
Het hof heeft ten aanzien van het daderschap van de verdachte rechtspersoon onder meer het volgende vastgesteld. Vanuit de haven in Antwerpen zijn drie containers met door middel van valse invoices ingevoerd vuurwerk – de containers CCLU7523772, CCLU6168924 en CCLU7001063 – vervoerd naar een opslaglocatie in [plaats] (Duitsland). Dit vuurwerk is volgens de chauffeurs van de drie vrachtwagencombinaties gelost in twee bunkers, gelegen in het midden van een rij met meerdere bunkers. In bunker 4 en bunker 6 werden vuurwerkartikelen aangetroffen, waarvan het hof heeft vastgesteld dat het in deze bunkers aangetroffen vuurwerk afkomstig is uit de drie containers die vanuit Antwerpen naar [plaats] zijn vervoerd. Bunker 6 werd gehuurd door de verdachte, maar de rekeningen werden betaald door [medeverdachte 4] . [medeverdachte 4] was tevens de importeur van het vuurwerk. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren de werkelijke belanghebbenden bij het vuurwerk in de vijf containers en zij hebben, zo stelt het hof vast, door [medeverdachte 7] – die bij het inklaren van de containers gebruik heeft gemaakt van valse invoices – bij de afhandeling van het transport naar voren te schuiven en hem hierbij gebruik te laten maken van een valse naam, opzet gehad op het met het gebruik van valse invoices inklaren van het vuurwerk.
8.6.
Het hof komt tot het oordeel dat de gedragingen van [medeverdachte 2] aan de verdachte kunnen worden toegerekend, nu deze gedragingen hebben plaatsgevonden in de sfeer van de rechtspersoon en door [medeverdachte 2] , bestuurder van de verdachte, zijn verricht. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en evenmin ontoereikend gemotiveerd.
8.7.
Voorts klaagt de steller van het middel dat uit de bewijsvoering van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en haar medeverdachten met betrekking tot het gebruik maken van valse invoices niet kan blijken, nu uit de bewijsvoering niet volgt dat de verdachte van valse invoices gebruik heeft gemaakt.
8.8.
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. De kwalificatie medeplegen is slechts dan gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële bijdrage – aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht is. Een en ander brengt mee dat indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan, helpen bij de vlucht), op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Bij de vorming van zijn oordeel dat sprake is van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking, kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. De bijdrage van de medepleger zal in de regel worden geleverd tijdens het begaan van het strafbare feit in de vorm van een gezamenlijke uitvoering van het feit, maar de bijdrage kan ook zijn geleverd in de vorm van verscheidene gedragingen voor en/of tijdens en/of na het strafbare feit. [66]
8.9.
Ik meen dat ook deze klacht op grond van het volgende niet kan slagen. De rol van de verdachte blijkt uit de vaststelling van het hof dat [medeverdachte 2] aan het einde van het vervoerstraject gebruik maakte van de verdachte om een andere herkomst van (een deel van) het vuurwerk voor te wenden. Dit bij de verdachte aangetroffen vuurwerk is door middel van valse invoices ingevoerd. De rol van de verdachte was het ter beschikking stellen van haar bunker voor de opslag van dit vuurwerk. ’s Hofs oordeel dat de verdachte aldus als medepleger, samen met haar medeverdachte(n), gebruik heeft gemaakt van deze valse invoices, acht ik niet onbegrijpelijk, zodat ook deze klacht faalt.
8.10.
Het derde middel faalt.

Het vierde middel

9. Het
vierde middelbehelst de klacht dat de bewijsvoering ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde voor het overgrote deel geen betrekking heeft op de verdachte en/of het bewezenverklaarde daaruit niet kan volgen, nu niet kan blijken dat en waarom het hof de handelingen en/of het opzet van de directeur van de verdachte, [medeverdachte 2] , aan de verdachte heeft toegerekend.
9.1.
Ten laste van de verdachte is onder feit 2 bewezenverklaarde dat zij:
“in de periode van 4 december 2007 tot en met 14 januari 2009 in de gemeente [plaats] , een deel van haar bedrijfsadministratie, - zijnde die bedrijfsadministratie voornoemd een samenstel van geschriften dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, hebbende zij, verdachte, toen aldaar opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid - zakelijk weergegeven - in die bedrijfsadministratie voornoemd opgenomen - 4 facturen, volgens factuuropdruk telkens afkomstig van [verdachte] gericht aan [E] Ltd., (telkens) terzake van verkoop en levering van goederen tegen een op die facturen vermelde prijs zulks terwijl verkoop en levering van die goederen zoals op die facturen vermeld aan [E] Ltd. in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken”
9.2.
Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd):

Ter zake feit 2 (zaak 7):Het hof baseert zijn oordeel op de volgende bewijsmiddelen.
Op 14 januari 2009 werden door de rechter-commissaris doorzoekingen ter inbeslagneming verricht in de woning en bedrijfspanden van de familie [medeverdachte 6] . Ook werden die dag doorzoekingen uitgevoerd bij de buitenlandse rechtspersonen [medeverdachte 4] te Luxemburg en [verdachte] te Duitsland. Er werden onder meer een aantal (boekhoudkundige) bescheiden in beslag genomen.
Op het adres van [medeverdachte 4] , [h-straat 1] te [plaats] , is bedrijf ‘ [O] Sa’ gevestigd. Dit is een zo genaamd trustkantoor. In het kantoorpand van ‘ [O] Sa’ werd een summiere administratie van [medeverdachte 4] aangetroffen. De administratie van [medeverdachte 4] bevond zich in België, op het privéadres van de boekhouder van [medeverdachte 4] , te weten [getuige 5] , wonende te [plaats] in België.
Op het adres [b-straat 1] te [plaats] (D) is de Duitse onderneming ‘ [P] GmbH’ gevestigd. In dit pand is een kleine bureauruimte voor gemeenschappelijk gebruik, waarbij in één dossierkast enkele ordners van [verdachte] werden aangetroffen. In deze bureauruimte werden twee ordners en geen pc’s aangetroffen.
Tijdens de doorzoeking werd in het bedrijfspand van [medeverdachte 6] aan de [a-straat 1] te [plaats] , de administratie van [verdachte] aangetroffen. [67] De boekhouding van [medeverdachte 4] had betrekking op de jaren 2004 tot en met 2008.
Volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] had deze onderneming enkel twee debiteuren inzake de verkoop van vuurwerk. Dit betroffen [Q] Ltd. en [E] Ltd. [68] Ook in de boekhouding van [verdachte] van 2007 werden facturen aangetroffen die betrekking hadden op verkoop van vuurwerk aan [E] Ltd. [69]
De firma [E] Ltd. heeft twee directieleden te weten [getuige 6] en [getuige 7] . Deze getuigen hebben verklaard dat de bedrijfsactiviteiten van [E] Ltd. waren het importeren en exporteren van banktechniek. Zij hebben nooit in vuurwerk gehandeld en hebben nooit gehoord van [medeverdachte 4] , [verdachte] , [C] B.V., [betrokkene 2] , [betrokkene 3] of iemand van de familie [medeverdachten] en hebben nooit zaken met hen gedaan. [70]
[Q] Ltd. is een bedrijf dat blanco kaarten en gerelateerde materialen verkoopt. [betrokkene 16] , de directeur van [Q] Ltd., heeft op 19 mei 2009 bij de Britse politie verklaard dat [Q] Ltd. nooit heeft gehandeld in vuurwerk of nooit vuurwerk heeft geïmporteerd. Zij had nooit van de bedrijven [medeverdachte 4] , [verdachte] en [medeverdachte 6] en de personen [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [betrokkene 3] en [medeverdachte 7] gehoord en nooit zaken met hen gedaan. [71]
Volgens de boekhouding (verkoopfacturen en verkoopboekingen) van [medeverdachte 4] werden de partijen vuurwerk uitsluitend verkocht en geleverd aan:
Jaar afnemer verkoopprijs
2006: [Q] Ltd. te [plaats] (GB) [72] € 374.375,00
[E] Ltd. te [plaats] (GB) [73] € 84.000,00
2007: [Q] Ltd. te [plaats] (GB) [74] € 405.494,00
2008: [Q] Ltd. te [plaats] (GB) [75] € 116.770,00
totaal: € 980.639,00
Deze facturen werden verwerkt in de grootboekrekening ‘Debiteuren [medeverdachte 4] ’. [76]
In de boekhouding van [verdachte] zijn de volgende facturen aan [E] Ltd. aangetroffen: [77]
2007
4-12-2007 € 24.300,00
26-12-2007 € 6.220,00
31-12-2007 € 69.220,00
31-12-2007
€ 20.000,00 +
Totaal € 119.740,00
Door de getuige [getuige 4] [78] werd onder meer verklaard dat zij van mei 2004 tot eind november 2008 in loondienst was bij [R] SA en dat door [R] SA onder meer Luxemburgse ondernemingen werden opgericht. [R] SA voerde de boekhoudingen voor die ondernemingen. [getuige 5] is de feitelijk leidinggevende binnen [R] SA. [O] SA is een met een accountant vergelijkbare figuur. [R] SA betreft een onderaanneming van [O] SA. De getuige [getuige 4] verwerkte de boekhoudkundige stukken, waaronder verkoopfacturen, in de boekhoudsystemen voor de ondernemingen waarvoor [R] SA de boekhouding voert.
Voorts verklaart de getuige het volgende. [medeverdachte 4] is een klant van [R] SA. [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] zijn de natuurlijke personen achter [medeverdachte 4] en hun zoon [medeverdachte 2] ook, als bestuurder. Zij heeft [medeverdachte 2] éénmaal gezien tussen 2004 en 2006. De zendnota’s kwamen toe te Luxemburg, de cashnota’s werden door de [medeverdachte 6] ’s gewoon binnen gebracht. De administratie werd aangeleverd vanuit Nederland. Deze stukken werden aangereikt door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] . Zowel de aankopen als de verkopen werden cash betaald. Er werd in aanvang geen enkele banktransactie doorgevoerd. Bij tekortkomingen deelde men (voornamelijk [medeverdachte 3] ) haar mede dat er cash betaling was doorgevoerd welke zij, getuige, dan ook zo inboekte. Door de getuige werd een kasboek bijgehouden op basis van de facturen die [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] haar aanleverden.
Bij onduidelijkheden inzake het boeken kon zij contact opnemen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Zij moest dan zeggen: ‘kan u mij eens opbellen’ of iets in die zin. [medeverdachte 3] belde dan met een ‘beveiligde telefoonlijn’ terug. Eén keer moest zij bij het faxen van de balans van [medeverdachte 4] deze balans naar een buurbedrijf van de [medeverdachte 6] ’s versturen.
De reden van deze telefoonwerkwijze en het toesturen van de balans aan het buurbedrijf was, dat de vuurwerkhandel streng gecontroleerd werd en correspondentie onderschept kon worden en telefoon afgeluisterd.
De getuige herkende de haar getoonde verkoopfacturen van [medeverdachte 4] aan [E] Ltd. d.d. 18 december 2006. Deze facturen waren aangereikt door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 3] [medeverdachte 6] . De vermelding op de factuur ‘door klant voldaan’ betekende voor haar dat de factuur reeds cash was betaald. Deze betaling werd door haar dan ook in het kasboek verwerkt.
Als reden voor de vele contante betalingen had [medeverdachte 3] [medeverdachte 6] verteld, dat bij levering van het vuurwerk, ook meteen de factuur werd afgeleverd en de betaling onmiddellijk diende te gebeuren. Immers, wanneer het vuurwerk is geleverd en de klant dit had afgestoken, dan zou de betaling niet meer geschieden. Op een bepaald moment was er veel cash geld voorhanden. Er werd besloten om via een Luxemburgse bankrekening te werken. Hierop werden dan de voorhanden cash-gelden gedeponeerd. [medeverdachte 1] reed hiertoe naar Luxemburg teneinde de stortingen door te voeren. Op vraag van de bank, teneinde de afkomst van het geld te vast te stellen, werden dan facturen overgemaakt, ter bevestiging. [medeverdachte 1] Contacteerde de getuige dan met de vraag de facturen door te faxen naar de bank, alwaar hij zich op dat moment bevond.
Door de verdachte Beysen [79] werd onder meer verklaard dat hij [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kende. Hij verkoopt met zijn Luxemburgse bedrijf [R] SA, Luxemburgse rechtspersonen en Delaware (USA) bedrijven en werkt samen met [O] .
Hij leerde de familie [medeverdachte 6] circa twee maanden voor de oprichting van [medeverdachte 4] kennen. De fysieke (boekhoudkundige) stukken, zoals in- en verkoopfacturen werden door [medeverdachte 2] dan wel [medeverdachte 1] aangeleverd. In de jaren 2004 t/m 2008 zijn vader en moeder [medeverdachte 6] (met wie de getuige kennelijk [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] bedoelt) een keer of 8 bij hem geweest om de stukken aan te leveren. Hiervan was een keer of vier ook [medeverdachte 2] aanwezig. Feitelijk deed hij dan zaken met [medeverdachte 2] . Naar zijn idee was [medeverdachte 2] de feitelijk leidinggevende bij [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers. [medeverdachte 2] was meer zakelijk bezig dus met betrekking tot de in- en verkoop, dus voor de commerciële uitvoering. De boekhouding werd in België gevoerd. De boekingen werden in zijn, getuiges, opdracht verricht door [getuige 4] , medewerkster van [R] SA. Het kasboek werd onder andere gevoerd op basis van aantekeningen op de verkoopfacturen.
[medeverdachte 2] heeft ter terechtzitting in eerste aanleg als getuige verklaard dat hij de zich in het dossier bevindende facturen van [medeverdachte 4] en [verdachte] heeft opgemaakt. [80]
De getuige [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij de bedrijven [E] Ltd. en [Q] Ltd. niet kent. [81]
Het oordeel van het hof over de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] :
Wie heeft de facturen feitelijk opgemaakt en ter opname in de bedrijfsadministratie aangeboden?
Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen stelt het hof vast dat [medeverdachte 2] de in de tenlastelegging genoemde facturen van [medeverdachte 4] feitelijk heeft opgemaakt. Vervolgens werden de facturen door [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] naar de boekhouder in België gebracht en aldaar door getuige [getuige 4] in de administratie van [medeverdachte 4] verwerkt. Tijdens de bezoeken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] aan de boekhouder was ook [medeverdachte 2] soms aanwezig.
Zijn de facturen en de bedrijfsadministratie valselijk opgemaakt en zo ja, wie hadden daarbij strafbare betrokkenheid?
Het hof stelt het volgende voorop.
De term ‘geschrift’ in art. 225 Sr Pro dient ruim te worden opgevat en dient bestemd te zijn om tot bewijs van enig feit te dienen (vgl. Kamerstukken II 2002/2003, 29 025, nr. 3, p. 3 en onder meer HR 20 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9379). Een bedrijfsadministratie kan worden aangemerkt als een samenstel van geschriften, bestemd om tot bewijs van enig feit te dienen. Daartoe is niet vereist dat elk geschrift in die administratie afzonderlijk beschouwd die eigenschap heeft, noch hoeft de tenlastelegging zulke geschriften speciaal uit te zonderen (vgl. HR 29 mei 1984, ECLI:NL:PHR: 1984:AC8436 en HR 2 november 1993, ECLI:NL:PHR:1993:AB8155, rov. 5.2.2). Aldus kan het opnemen van valse facturen in een administratie worden getypeerd als het vals opmaken van die administratie.
Blijkens de verklaringen van de directeuren van [E] Ltd. en [Q] Ltd. hebben deze bedrijven nooit in vuurwerk gehandeld en dus ook geen vuurwerk afgenomen van [medeverdachte 4] . Hiermee staat vast dat de in de administratie van [medeverdachte 4] opgenomen verkoopfacturen ten name van deze bedrijven onjuist zijn.
Ten overvloede overweegt het hof nog het volgende. Ter zitting in hoger beroep heeft de raadsman gesuggereerd dat uit overeenkomsten in het handschrift geproduceerd bij gelegenheid van het verhoor door de raadsheer-commissaris gehoorde getuige [getuige 6] en een notitie met telefoonnummers, aangetroffen in het politiedossier (polpol031) kan worden afgeleid dat [getuige 6] wel op enigerlei wijze betrokken was bij de vuurwerkleveranties. De advocaat-generaal heeft echter ter terechtzitting een e-mail overgelegd met de strekking dat deze notitie afkomstig is van de Engelse politie naar aanleiding van een rechtshulpverzoek ter zake, en dat dit dus een notitie is waarmee [getuige 6]
in het kader van dit onderzoekmeldt hoe zij bereikbaar is. Daarvan gaat ook het hof uit.
VerweerDe verdediging heeft aangevoerd dat [medeverdachte 2] geen opzet had op het valselijk opmaken van de verkoopfacturen. Hij ging er namelijk te goeder trouw vanuit dat hij, via zijn bedrijf [medeverdachte 4] , zaken deed met een vertegenwoordiger van [E] Ltd. respectievelijk [Q] Ltd. [medeverdachte 2] heeft zowel ter terechtzitting in eerste aanleg, als ter terechtzitting in hoger beroep, verklaard dat hij al het op de facturen genoemde vuurwerk heeft verkocht aan [betrokkene 5] die zich uitgaf als vertegenwoordiger/tussenpersoon van deze bedrijven. De factuur werd steeds ter plekke opgemaakt met behulp van een laptop en een printer en direct contant door [betrokkene 5] voldaan. Dat [betrokkene 5] in werkelijkheid bovengenoemde bedrijven niet vertegenwoordigde wist [medeverdachte 2] niet en hoefde hij ook niet te vermoeden, aldus de verdediging.
Voorts is door de raadsman aangevoerd dat de verklaring van de getuige [betrokkene 5] inhoudende dat hij geen bemoeienis heeft gehad met vuurwerkhandel door of namens [Q] of [E] Ltd., niet betrouwbaar is.
Daarbij wordt verwezen naar verklaring van [getuige 9] , [betrokkene 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 7] bij de raadsheer-commissaris.
Het hof overweegt hieromtrent als volgt.
De handel in vuurwerk van [medeverdachte 4] beslaat diverse jaren. In het kader daarvan zijn grote hoeveelheden vuurwerk uit China is ingevoerd en verhandeld. Hoewel het gaat om facturen ten bedrage van in totaal bijna 1 miljoen euro, zijn gedurende het hele onderzoek enkel de facturen zelf aangetroffen. Andere bescheiden die betrekking hebben op de gestelde transacties, zoals afleverbonnen, transportdocumenten of (kopieën van) kwitanties werden niet gevonden en zijn ook niet door de verdediging in het geding gebracht. In het omvangrijke papieren procesdossier is geen spoor te vinden van handelingen van [betrokkene 5] . Er zijn geen bestellijsten, faxen of e-mails van [betrokkene 5] . Zijn naam komt niet voor op documenten, facturen of welk papieren spoor dan ook. Als de opsporingsdiensten hierin nalatig zouden zijn geweest, had het op de weg van de verdediging gelegen ter zake gegevens aan te leveren.
Daarnaast zijn er ook geen telefoontaps met [betrokkene 5] en bevinden zich in de computer van [medeverdachte 2] geen e-mails of andere documenten waarin de naam van [betrokkene 5] voorkomt. Tevens is niet gebleken dat [medeverdachte 2] beschikte over het e-mailadres of over het telefoonnummer van [betrokkene 5] . Het enige spoor in de computer van [medeverdachte 2] is het feit dat de naam ‘ [betrokkene 5] ’ door [medeverdachte 2] is gegoogeld.
De getuige [betrokkene 5] is meermalen gehoord en het hof is met de verdediging eens dat deze niet in elk opzicht betrouwbaar is, niet wat betreft de feiten waarover hij verklaart en niet wat betreft het door hem opgevoerde ‘geheugenverlies’.
De door de verdediging gestelde betrokkenheid van [betrokkene 5] bij deze feiten wordt echter, zoals weergegeven, niet met enig ‘hard’ gegeven uit de periode van de feiten zelf ondersteund. De betekenis daarvan waardeert het hof hoger dan die van verklaringen achteraf van bij de [medeverdachte 6] ’s betrokken getuigen.
Daarom acht het hof [betrokkene 5] verklaring dat hij [E] Ltd. en [Q] Ltd. niet kent wel betrouwbaar.
In dit kader wijst het hof nog op hetgeen het heeft vastgesteld bij de bespreking van het onder 4 tenlastegelegde feit over de betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij een zogenaamd namens [E] Ltd. verzonden faxbericht naar aanleiding van de inbeslagname van twee containers met vuurwerk in de haven van Antwerpen. Ook deze vaststellingen doen in ernstige mate afbreuk aan de geloofwaardigheid van de verklaring van [medeverdachte 2] .
Datzelfde doet de verklaring van [getuige 4] over de opgegeven reden voor communicatie via een beveiligde telefoon en naar een fax van de buren.
Het hof verwerpt het verweer en acht de verklaring over betrokkenheid van [betrokkene 5] onaannemelijk en ongeloofwaardig.
Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat [medeverdachte 2] bij het opmaken van de facturen wist dat deze onjuist waren. Hij heeft de facturen derhalve valselijk opgemaakt. [medeverdachte 2] wist dat deze facturen in de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] zouden worden opgenomen en is ook enkele keren aanwezig geweest bij het afleveren van stukken, waaronder facturen, door zijn ouders aan de boekhouder. Hiermee staat strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 2] bij dit feit vast.
Ook met betrekking tot [medeverdachte 1] en verdachte heeft de verdediging betoogd dat geen sprake is van opzet. Voor zover dit verweer ziet op het te goeder trouw handelen van [medeverdachte 2] verwijst het hof naar het hiervoor overwogene, onder het kopje ‘Verweer’. Opzet bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] ontbreekt volgens de verdediging ook omdat zij niet betrokken waren bij [medeverdachte 4] . Zij brachten enkel incidenteel wat stukken naar de boekhouder in België, daar maakten zij dan een ‘dagje uit’ van.
Het hof overweegt als volgt.
[medeverdachte 1] was gedurende de gehele tenlastegelegde periode directeur van [medeverdachte 4] en had formeel grote zeggenschap binnen de vennootschap. [medeverdachte 3] heeft sinds medio 2006 formeel geen positie meer binnen [medeverdachte 4] , maar feitelijk kwam de winst van [medeverdachte 4] nog steeds mede aan haar ten goede, dit gezien de betrokkenheid van haar echtgenoot bij deze vennootschap. Uit de verklaringen van [getuige 4] en Beysen blijkt dat zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 3] facturen hebben afgeleverd ter opneming in de administratie van [medeverdachte 4] . [medeverdachte 3] was goed op de hoogte van de cijfers aldus Beysen en volgens [getuige 4] kon zij als er vragen waren bij het boeken terecht bij [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Blijkens de verklaring van [getuige 4] heeft [medeverdachte 1] de facturen onder andere gebruikt om bij het storten van grote hoeveelheden contant geld op een Luxemburgse bankrekening de herkomst hiervan tegenover de bank te verantwoorden. Uit de verklaring van [getuige 4] blijkt verder dat [medeverdachte 3] gebruik maakte van een ‘beveiligde telefoonlijn’ als het [medeverdachte 4] aangelegenheden betrof. Het totaalbedrag van alle facturen beloopt bijna 1 miljoen euro. De enige twee in de administratie opgenomen debiteuren ter zake verkoop van vuurwerk door [medeverdachte 4] zijn [E] Ltd. en [Q] Ltd.
In het licht van het vorenstaande is de verklaring van verdachte en [medeverdachte 1] , die erop neerkomt dat ze misschien wel eens een keer wat papieren bij Beysen hebben gebracht maar dat ze verder geen enkele betrokkenheid hebben gehad bij [medeverdachte 4] , onaannemelijk en ongeloofwaardig.
Gezien bovenstaande feiten en omstandigheden moeten [medeverdachte 1] en verdachte hebben geweten dat de facturen die zij aan Beysen aanboden valselijk waren opgemaakt. Door deze facturen vervolgens ter opneming in de bedrijfsadministratie aan de boekhouder aan te bieden, zijn ook zij in strafrechtelijke zin betrokken bij het ten laste gelegde feit.
Welke strafbare betrokkenheid hebben de verschillende verdachten?Het hof is van oordeel dat [medeverdachte 4] kan worden beschouwd als pleger van het feit. Het opmaken van de bedrijfsadministratie betreft immers een gedraging die binnen de sfeer van de vennootschap is verricht. Hierbij rekent het hof de gedragingen van haar bestuurders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] toe aan de vennootschap. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] kunnen gelet op hun formele positie binnen de vennootschap en de door hen verrichte feitelijke gedragingen zonder meer worden aangemerkt als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever van het door [medeverdachte 4] gepleegde strafbare feit. Verdachte had gedurende de tenlastegelegde periode geen formele positie meer binnen de vennootschap. Zij was echter in zulke mate feitelijk betrokken bij het strafbare handelen van de vennootschap en stond hierbij in zodanig nauw contact met de bestuurders dat het hof ook haar aanmerkt als opdrachtgever dan wel feitelijk leidinggever.
Het hof is van oordeel dat er sprake is van medeplegen van het delict door de feitelijk leidinggevers, [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] . Voor medeplegen moet daarbij sprake zijn van een nauwe en bewuste samenwerking waarbij de intellectuele en/of materiële bijdrage aan het delict van de verdachte van voldoende gewicht dient te zijn. Daarbij is een belangrijke vraag wanneer de samenwerking zo nauw en bewust is geweest dat van medeplegen mag worden gesproken. In casu is er sprake van een dergelijke nauwe en bewuste samenwerking waarbij door de drie betrokkenen een voldoende materiële bijdrage wordt geleverd. [medeverdachte 2] is degene die gezien wordt als degene die het binnen [medeverdachte 4] “voor het zeggen heeft”, en is in zoverre verantwoordelijk voor de administratie. Zijn vader [medeverdachte 1] is medebestuurder en brengt de boekhouding naar België. [medeverdachte 3] zorgt voor de administratie en brengt mede de boekhouding naar België. Ook is zij daarvoor aanspreekpunt.
Het oordeel van het hof over de bedrijfsadministratie van [verdachte] :[medeverdachte 2] heeft de in de tenlastelegging opgenomen facturen opgemaakt en de bedrijfsadministratie van [verdachte] met hierin deze facturen is aangetroffen in het bedrijfspand van [medeverdachte 6] te [plaats] . Met betrekking tot de vraag of de facturen door [medeverdachte 2] valselijk zijn opgemaakt en de verwerping van het in dit kader door de verdediging gevoerde verweer verwijst het hof naar hetgeen hierboven over de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] is overwogen. [verdachte] kan worden aangemerkt als pleger van het strafbare feit, waartoe/waaraan door haar bestuurder [medeverdachte 2] opdracht dan wel feitelijk leiding is gegeven. Van strafbare betrokkenheid van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] is niet gebleken, zodat het medeplegen met hen niet bewezen is.”
9.3.
De steller van het middel klaagt dat van ’s hofs bewijsvoering ook overwegingen deel uitmaken ter zake van een feit/feiten die niet aan de verdachte ten laste is/zijn gelegd noch bewezen is/zijn verklaard. Uit de weergave van die feiten en omstandigheid zou volgen dat het hof ten bezware van de verdachte kennelijk acht heeft geslagen op wat in een andere strafzaak dan die van de verdachte is voorgevallen en hetgeen in die zaak of zaken door het hof is vastgesteld en als redengevend bewijs is gebezigd. Dit zou meebrengen dat het hof niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en/of dat is gehandeld in strijd met de eisen van een eerlijk proces en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
9.4.
Het hof heeft in de onderhavige zaak ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat zij zich schuldig heeft gemaakt aan valsheid in geschrift (feit 2). Dit feit is ook bewezenverklaard in de zaken van (een aantal van) de medeverdachten. [82] Gelet op de grote omvang van deze zaak, bevreemdt het mij niet dat het hof heeft gekozen om de bewijsoverwegingen ten aanzien van tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten die op meerdere verdachten van toepassing zijn integraal over te nemen. Bovendien is de gang van zaken bij zowel de verdachte als de medeverdachte [medeverdachte 4] vergelijkbaar en verwijst het hof met betrekking tot de vraag of de facturen valselijk zijn opgemaakt door [medeverdachte 2] en de verwerping van het in dit kader door de verdediging gevoerd verweer naar hetgeen in de bewijsoverweging over de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] is overwogen. Dit brengt mee dat deze klacht faalt. [83]
9.5.
Voorts klaagt de steller van het middel dat door het hof niet nader wordt gemotiveerd waarom de verdachte, een rechtspersoon, strafbaar is voor het door [medeverdachte 2] opzettelijk valselijk en in strijd met de waarheid opmaken van (een) vals(e) geschrift(en).
9.6.
Uit ’s hofs bewijsvoering blijkt dat in het bedrijfspand van [medeverdachte 6] in [plaats] de bedrijfsadministratie van de verdachte is aangetroffen, met hierin de in de tenlastelegging opgenomen door [medeverdachte 2] opgemaakte facturen. [medeverdachte 2] was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten directeur van de verdachte en alleen bevoegd. Voorts blijkt uit ’s hofs bewijsoverwegingen dat [medeverdachte 2] bij het opmaken van de facturen wist dat deze onjuist waren en dat ze in de bedrijfsadministratie van de verdachte zouden worden opgenomen. Het opmaken van de bedrijfsadministratie betreft een gedraging die binnen de sfeer van de verdachte vennootschap is verricht en die aan de verdachte als rechtspersoon wordt toegerekend. Het hof merkt de verdachte dan ook aan als pleger van het feit, waartoe/waaraan door haar bestuurder [medeverdachte 2] opdracht dan wel feitelijk leiding is gegeven. Dat oordeel acht ik niet ontoereikend gemotiveerd.
9.7.
De klacht dat het hof heeft verwezen “naar hetgeen hierboven over de bedrijfsadministratie van [medeverdachte 4] is overwogen” en daarmee volgens de steller van het middel van de bewijsvoering een zelf te leggen puzzel heeft gemaakt, slaagt evenmin.
9.8.
Het vierde middel slaagt niet.

Het vijfde middel

10. Het
vijfde middelricht zich met een tweetal deelklachten op ’s hofs oordeel dat de verdachte heeft deelgenomen aan een duurzaam samenwerkingsverband tussen de verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en [medeverdachte 4] .
10.1.
Ten laste van de verdachte is onder feit 3 bewezenverklaard dat zij:
“in de periode van 1 december 2007 tot en met de maand januari 2009 in Nederland en in Luxemburg en in de Bondsrepubliek Duitsland en in België heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een duurzaam samenwerkingsverband tussen hem, verdachte en [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] en de rechtspersoon [medeverdachte 4] , welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, waaronder artikel 225 Wetboek Pro van Strafrecht en artikel 420bis Wetboek van Strafrecht”
10.2.
Het hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende (PROMIS)-bewijsvoering (de voetnoten zijn doorgenummerd):

Ter zake feit 3 (zaak 7):Juridisch kaderHet hof stelt het volgende voorop.
In de eerste plaats moet kunnen worden vastgesteld dat sprake is van een organisatie. Onder een organisatie moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één ander persoon. Dit samenwerkingsverband kan daarbij bijvoorbeeld ook bestaan uit een natuurlijk persoon en een rechtspersoon (vgl. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378). Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren (vgl. HR 26 juni 1984, NJ 1985, 92 en HR 26 november 1985, NJ 1986, 389). Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon en minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben (vgl. HR 16 oktober 1990, NJ 1991, 442 en HR 10 juli 2001, NJ 2001, 687). Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft, wel dient er sprake te zijn van een vaste kern (vgl. HR 29 januari 1991, NJB 1991, 50). Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere deelnemers aan de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie (vgl. HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 22 januari 2008, NJ 2008, 72). Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel 'organisatie' en niet op 'deelneming', zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
Om tot een bewezenverklaring te kunnen komen is voorts vereist dat de organisatie het oogmerk heeft van het plegen van een bepaald misdrijf of misdrijven. Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten, maar een pluraliteit daarvan is noodzakelijk. Het oogmerk impliceert dat de betreffende misdrijven (of pogingen of voorbereidingen daartoe) nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden (vgl. HR 13 oktober 1987, NJ 1988, 425). Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht.
Tot slot moet worden vastgesteld of het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie (vgl. HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413). Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend.
Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en dus niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (medeplegen van de misdrijven, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast deze objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie als oogmerk heeft het plegen van een of meer misdrijven. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende (vgl. HR 18 november 1997, LJN:ZD0858/NJ 1998, 225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651/NJ 2003, 64 en HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:B09814). Niet is vereist derhalve dat de verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op een door de organisatie beoogd concreet misdrijf.
Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen die in het voorgaande ten aanzien van de afzonderlijke delicten zijn genoemd en de hierna te noemen bewijsmiddelen, bewezen dat er sprake is van een criminele organisatie die zich bezighield met omvangrijke valsheid in geschrift en witwaspraktijken met als achtergrond de handel in illegaal vuurwerk.
Immers uit de bewijsmiddelen volgt dat de Luxemburgse rechtspersoon [medeverdachte 4] een volledig valse debiteurenadministratie voerde. Volgens die administratie werden in de jaren 2006 tot en met 2008 de partijen vuurwerk immers uitsluitend verkocht en geleverd aan [Q] Ltd. en [E] Ltd., rechtspersonen die in werkelijkheid in het geheel geen vuurwerk hebben gekocht of ontvangen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waren de feitelijk leidinggevende personen achter [medeverdachte 4] . Zij gebruikten [medeverdachte 4] als dekmantel voor het inklaren en transporteren van vuurwerk waarmee zij niet persoonlijk geassocieerd wilden worden. Dat zij persoonlijk buiten beeld wilden blijven, blijkt bijvoorbeeld uit het gebruik van de valse naam [betrokkene 11] door [medeverdachte 2] in contacten met expediteur [H] International en het gebruikmaken van het faxapparaat van een ander bedrijf. Ook gebruikten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] de naam [betrokkene 3] . Soms werd bij het ontvangen en transporteren van het vuurwerk niet [medeverdachte 4] als dekmantel gebruikt maar [E] Ltd. en werd (ook) daarbij de naam [betrokkene 3] valselijk gebruikt. Door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] werd bovendien [medeverdachte 7] ingeschakeld, zodat zij zelf buiten schot bleven.
De criminele organisatie heeft zeer succesvol geopereerd. In de periode van 2006 tot en met 2008 worden door [medeverdachte 4] , 78 containers met vuurwerk van China naar Hamburg en Antwerpen geïmporteerd. De opslagen vonden plaats in [plaats] en [plaats] in Duitsland en "Luxemburg". [84] Behoudens de kilo’s vuurwerk die in beslag zijn genomen is het niet duidelijk geworden waar dit vuurwerk uiteindelijk is afgezet. Deze hoeveelheid geïmporteerd vuurwerk vertegenwoordigt een verkoopwaarde die ver lijkt uit te stijgen boven de bedragen die uiteindelijk op de rekeningen van [medeverdachte 4] zijn gestort. Daarbij merkt het hof op dat in totaal van de inkopen in China volgens de boekhouding van [medeverdachte 4] € 594.415,36 bedroeg, terwijl op basis van de facturen van de Chinese bedrijven voor een bedrag € 1.447.217,00 werd ingekocht. [85] Dat de valsheid in geschriften en het witwassen werden begaan tegen de achtergrond van handel in vuurwerk waarbij de voorschriften zoals neergelegd in de vuurwerkwetgeving niet werden nageleefd blijkt uit het feit dat bij diverse transporten vuurwerk werd aangetroffen waarbij - deels zware - overtredingen werden geconstateerd met betrekking tot de vuurwerkwetgeving.
[medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] lieten vijf containers in de haven van Antwerpen aankomen op naam van [E] Ltd. Twee van die containers werden in beslag genomen en bleken deels categorie 1.1 G-vuurwerk te bevatten en deels vuurwerk (Chinese rollen) waarvan de explosieve lading zodanig was dat het niet classificeerbaar was volgens de Defaultlijst. [86] Dit terwijl op de dozen en op de CMR’s stond vermeld dat het 1.4.Gvuurwerk betrof, vuurwerk dat een veel minder explosieve kracht heeft. Van de lading van de overige drie containers werd een deel aangetroffen in bunkers in [plaats] (Duitsland). Het ging daarbij om Chinese rollen met de naam ‘Celebration Cracker T 809’ die ook volgens de Duitse wetgeving niet verhandelbaar waren. [87] De container die op 16 december 2008 in Nederland vlak bij de grensovergang Hazeldonk werd gecontroleerd en waarvan [medeverdachte 4] de afzender was, bevatte vuurwerk dat niet voldeed aan de RNEV2004. [88] [medeverdachte 3] was betrokken bij de interne boekhouding van [medeverdachte 4] en bij het witwassen en heeft daarmee een aandeel gehad in het verhullen en veilig stellen van de opbrengsten van de criminele organisatie. Een belangrijke taak, die veronderstelt dat de andere leden van de organisatie een groot vertrouwen in haar stelden.
[medeverdachte 7] had tot taak om de expediteurs te bezoeken voor het afgeven van documenten en het doen van contante betalingen. Hij was betrokken bij het inklaren en transporteren van vijf containers met vuurwerk in mei en juni 2008 (zaak 3). Daartoe bezocht hij drie keer de expediteur [G] en was hij aanwezig bij het lossen van de eerste drie containers in [plaats] . Daarbij heeft hij meerdere malen gebruik gemaakt van valse invoices en een valse naam. Daarmee wist [medeverdachte 7] dat de familie [medeverdachte 6] zich bezighield met het door middel van valse invoices importeren van vuurwerk waarbij de regels omtrent de vuurwerkwetgeving niet werd nageleefd. Wanneer het immers om legale handel ging, was er geen enkele aanleiding geweest om [medeverdachte 7] onder een valse naam ‘er tussen te schuiven’ en niet zelf de handelingen te verrichten. Later, in december 2008, was hij betrokken bij het inklaren en transporteren van drie containers (zaak 4), waarvan de invoer in Nederland niet werd gemeld. De bijdrage van [medeverdachte 7] was weliswaar van een kortere duur dan de bijdrage van de andere leden van de criminele organisatie, maar zijn bijdrage was van dusdanig gewicht, dat hij naar het oordeel van het hof heeft deelgenomen aan de criminele organisatie.
Het hof gaat er van uit dat [verdachte] is opgericht voor legale doeleinden, namelijk de handel in professioneel vuurwerk. [verdachte] is echter tevens ingezet voor de criminele organisatie. In haar boekhouding van 2007 worden facturen aan [E] Ltd. aangetroffen (zaak 7) en het vuurwerk uit de containers die in juni 2008 in de haven van Antwerpen aankwamen duikt op in de door [verdachte] gehuurde bunker in [plaats] (zaak 3). Deze betrokkenheid is derhalve meer dan incidenteel, hetgeen haar tot deelnemer aan de criminele organisatie maakt.
Gelet op deze beschrijving van betrokkenheid, werkwijze en rolverdeling bij de verschillende strafbare feiten is er sprake van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband met een bepaalde organisatiegraad tussen [medeverdachte 2] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 4] en [verdachte] . Er waren gemeenschappelijke doelstellingen en er was een zekere gelaagdheid in de rolverdeling. Dat enkele leden van de organisatie familie van elkaar waren, doet aan het vorenstaande niet af, nu duidelijk is dat die familiebanden juist werden benut voor het verwezenlijken van het misdadige doel van de organisatie.
Het hof, met de rechtbank en de verdediging, acht niet bewezen dat [medeverdachte 6] aan de criminele organisatie heeft deelgenomen. De overtredingen van het Vuurwerkbesluit, waaraan [medeverdachte 6] zich heeft schuldig gemaakt lijken op zichzelf staande incidenten te zijn geweest. Het hof gaat er van uit dat [medeverdachte 6] gericht was op de legale handel in vuurwerk. De aanwezigheid van 70 dozen illegaal vuurwerk in één containertransport en enkele stuks illegaal vuurwerk in het bedrijfspand van [medeverdachte 6] , leiden niet tot een ander oordeel.
Afsluitende bewijsoverwegingDoor en namens de vertegenwoordiger van de verdachte is betoogd dat de invoer die heeft plaatsgevonden door [medeverdachte 4] niet bedoeld was voor de Nederlandse markt. Verdachte heeft betoogd dat ten onrechte de suggestie wordt gewekt dat het ingevoerde vuurwerk onder tafel in Nederland zal zijn verkocht aan consumenten. Verdachte heeft betoogd dat , deze aparte stroom vuurwerk bestemd was voor de buitenlandse markt en voor professionele vuurwerkshows.
Het hof merkt hierover het volgende op.
De tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten zijn allen gepleegd of medegepleegd in Nederland. Voor zover deze feiten in het buitenland zijn begaan heeft Nederland rechtsmacht nu verdachte de Nederlandse nationaliteit heeft en de betreffende feiten (witwassen, valsheid in geschrift, criminele organisatie) in België, Luxemburg en Duitsland eveneens misdrijven zijn. Voor zover het strafbare feiten betreft begaan door [medeverdachte 4] heeft Nederland de rechtsmacht tot bestraffing van de feiten overgenomen.
Met betrekking tot de criminele organisatie merkt het hof op dat deze organisatie (voornamelijk) opereert vanuit Nederland.
Daarnaast merkt het hof op dat [medeverdachte 2] stelt dat het vuurwerk niet bestemd was voor de Nederlandse markt en/of professioneel gebruik, maar dat op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt. Het was [medeverdachte 2] die met het bedrijf [medeverdachte 4] het vuurwerk heeft geïmporteerd. Het was [medeverdachte 2] die het vuurwerk heeft doorverkocht. Het had dan ook op de weg van [medeverdachte 2] gelegen om concreet en onderbouwd mee te delen waar het vuurwerk naartoe is vervoerd vanaf de opslagplaatsen in [plaats] en [plaats] om zijn verweer nader te onderbouwen. Hij heeft dit nagelaten. Dit terwijl er wel aanwijzingen zijn dat het opgeslagen vuurwerk in Nederland terecht is gekomen. [89] Uit het procesdossier (zaak 2) komt naar voren dat er vuurwerk vanuit de opslagplaats in Duitsland terecht is gekomen in het bedrijf in Nederland. Op het bedrijf in Nederland is vuurwerk aangetroffen waarvoor geen vergunning was verleend. Het feit dat in de bunker in [plaats] verwijderde etiketten met kenmerken van vuurwerk zijn aangetroffen duidt eveneens op doorverkoop waarbij de voorwaarden van de vuurwerkwetgeving niet worden nageleefd. Bij inbeslagnames in Nederland wordt frequent vuurwerk aangetroffen waarbij de kenmerken zijn verwijderd. [90]
Concluderend overweegt het hof dat het antwoord op de vraag of het betreffende vuurwerk terecht gekomen is op de Nederlandse markt aan de hand van het procesdossier niet kan worden beantwoord, maar dit aan de strafbaarheid van de feiten zoals bewezenverklaard niet af doet.” [91]
10.3.
Allereerst klaagt de steller van het middel dat uit de bewijsvoering bezwaarlijk iets anders kan volgen dan dat de verdachte rechtspersoon geen andere eigenaar, bestuurder, directeur of werknemer had dan [medeverdachte 2] , hetgeen betekent dat de verdachte klaarblijkelijk met [medeverdachte 2] moet worden vereenzelvigd. Gelet hierop zou het niet vallen in te zien dat de verdachte deel uitmaakte van een samenwerkingsverband van haar als rechtspersoon met [medeverdachte 2] als natuurlijke persoon. In cassatie wordt dus door de steller van het middel niet geklaagd dat ’s hofs oordeel dat sprake is van een criminele organisatie op zichzelf onbegrijpelijk is.
10.4.
Voor de bewezenverklaring van 'een organisatie' als bedoeld in art. 140 Sr Pro is vereist dat sprake is van een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en tenminste één andere persoon. Niet is vereist dat daarbij komt vast te staan dat een persoon om als deelnemer aan die organisatie te kunnen worden aangemerkt moet hebben samengewerkt met, althans bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie of dat de samenstelling van het samenwerkingsverband steeds dezelfde is. [92]
10.5.
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte heeft deelgenomen aan een samenwerkingsverband, bestaande uit [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 4] en de verdachte. De rol van de verdachte aan de organisatie ziet niet, zoals de steller van het middel tegenwerpt, op de omstandigheid dat [medeverdachte 2] enig eigenaar en bestuurder is van de verdachte, maar blijkt uit de volgende vastgestelde feiten en omstandigheden. [medeverdachte 2] was samen met [medeverdachte 1] de feitelijk leidinggevende persoon achter [medeverdachte 4] , een rechtspersoon die gebruikt werd als dekmantel voor het inklaren en transporteren van vuurwerk waarmee zij niet persoonlijk geassocieerd wilden worden. Zij hebben hierbij onder meer gebruik gemaakt van valse namen en een faxapparaat van een ander bedrijf. Ook de verdachte is deelnemer geweest aan de organisatie, omdat de rechtspersoon volgens het hof weliswaar is opgericht voor legale doeleinden, maar tevens is ingezet voor de criminele organisatie, zo blijkt uit de boekhouding van 2007 waar facturen aan [E] Ltd. zijn aangetroffen en het vuurwerk uit de in juni 2008 in de haven van Antwerpen aangekomen containers die in de door de verdachte gehuurde bunker in [plaats] zijn aangetroffen.
10.6.
Dat de verdachte heeft deelgenomen aan de organisatie blijkt aldus (onder meer) uit de omstandigheid dat de verdachte rechtspersoon is ingezet voor de criminele organisatie, zodat het middel in zoverre faalt.
10.7.
Voorts klaagt de steller van het middel dat het hof ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en/of gehandeld heeft in strijd met de eisen van een eerlijk proces en/of de beginselen van een behoorlijke procesorde.
10.8.
Ook deze klacht kan, gelet op hetgeen ik reeds hierboven in het tweede middel en onder 9.4 heb overwogen, niet slagen.
10.9.
Het vijfde middel faalt.

Het zesde middel

11. Het
zesde middelricht zich tegen het oordeel van het hof dat de overschrijding van de redelijke termijn is beperkt tot een termijn van achttien maanden en behelst de klacht dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
11.1.
Het hof heeft ten aanzien van de redelijke termijn het volgende overwogen:
“Het hof houdt er bij de strafoplegging rekening mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Verdachte heeft redelijkerwijs met vervolging rekening moeten houden vanaf 14 januari 2009, de dag waarop de doorzoekingen hebben plaatsgevonden. De zaak is bij de rechtbank niet binnen twee jaar nadien afgerond nu pas op 3 1 mei 2013, derhalve na 4 jaar en 4 maanden, eindvonnis is gewezen. De rechtbank heeft overwogen dat er geen omstandigheden zijn die een langere termijn van berechting rechtvaardigen en constateert een termijnoverschrijding van 2 jaar en 4 maanden. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat, nu dit een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen bevraagd zijn bij de rechter-commissaris, de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg beperkt is tot een termijn van 18 maanden.
Zoals gezegd is door de rechtbank vonnis gewezen op 31 mei 2013. De strafzaak heeft in hoger beroep op 18 januari 2016 voor het eerst op zitting gestaan. De eerste regiezittingen hebben plaatsgevonden op 23 april en 10 mei 2016. Dat is drie jaar na het wijzen van het eindvonnis. Bij de regiezittingen en de aanvullende regiezittingen heeft de verdediging een groot aantal onderzoekswensen neergelegd. Ook wenste de verdediging het onderzoeksdossier in te zien. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een reeks van getuigen die deels in het buitenland verbleven gehoord zouden moeten worden. In januari 2020 is er nog een getuige in Groot-Brittannië bevraagd, omdat verhoor via een videoconference niet mogelijk bleek. Bij het plannen van deze verhoren en bij het plannen van de terechtzittingen stuitten het kabinet raadsheer-commissaris en het hof op de omstandigheid dat de raadsman een zeer drukke agenda heeft en gedurende maanden verhinderd was om een zitting of een verhoor bij te wonen. De aard en de omvang van de zaak droegen ertoe bij dat de raadsman ook niet vervangen kon worden door een collega ter gelegenheid van deze regiezittingen en verhoren. Het hof overweegt dat een ieder gebruik mag maken van alle rechten die het strafproces biedt. Daar hoort ook bij het verzoek tot het horen van een getuige in Groot-Brittannië en twee getuigen in Tsjechië die in 2009 reeds door de politie zijn bevraagd en te kennen hebben gegeven niets met vuurwerk van doen te hebben gehad. Getuigen waarvan de verdediging ook wist, gezien het voorliggende procesdossier, dat deze in het geheel niets met vuurwerk te maken hadden en waarvan de namen van de bedrijven valselijk door de verdachte op de facturen waren aangebracht. Zoals gezegd mag een ieder ten volle gebruik maken van alle straf processuele rechten, echter het hof is van oordeel dat de termijn die hiermee verstreken is grotendeels voor het conto van de verdachte dient te komen. Het hof beperkt de overschrijding van de redelijke termijn in verband hiermee voor de periode van het hoger beroep tot een periode van twee jaar.
Tussenarrest
Op 19 oktober 2020 heeft het hof een tussenarrest gewezen in de samenstelling Smit, Hartmann, Nederlof. In dit tussenarrest, dat niet is gewezen door de rechters die de zaak inhoudelijk hadden behandeld, is geen inhoudelijk oordeel over de zaak gegeven. Het hof was namelijk in raadkamer tot de conclusie gekomen dat van een van de zittingsrechters, mr. Grapperhaus, die sinds 15 oktober 2020 werkzaam was bij de rechtbank Midden-Nederland, de bevoegdheid niet meer vaststond. In verband daarmee is de zaak heropend en aangehouden voor onbepaalde tijd. Mr. Grapperhaus is bij (herstel) Koninklijk Besluit benoemd tot raadsheer-plaatsvervanger ingaande per 15 oktober 2020 bij het hof ‘s-Hertogenbosch en derhalve staat thans vast dat zij bevoegd is om arrest te wijzen. Op 10 december 2020 is de zaak wederom aangebracht, gesloten en is arrest gewezen. De inhoud van het arrest is vastgesteld door de leden van het hof die de zaak inhoudelijk hebben behandeld en die het arrest hebben gewezen. Het hof betreurt de gang van zaken en het onverwachte oponthoud dat hierdoor is opgetreden. Het hof realiseert zich dat het voor de verdachte een diepe ontgoocheling moet zijn geweest dat op de geplande uitspraakdatum een tussenarrest werd gewezen. Het oponthoud van bijna twee maanden dat daardoor is ontstaan wordt door het hof meegenomen bij de overschrijding van de redelijke termijn.
De totale overschrijding van de redelijke termijn bedraagt hiermee drie jaren en acht maanden.
Het hof is van oordeel dat, indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, een geldboete ten bedrage van € 15.000,00 op zijn plaats zou zijn. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn van berechting, zal het hof een geldboete ten bedrage van € 13.500,00 opleggen.”
11.2.
De steller van het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de redelijke termijn in eerste aanleg – anders dan de rechtbank heeft geoordeeld – niet met twee jaren en vier maanden is overschreden en dat er geen redenen zijn die deze overschrijding rechtvaardigen, maar ‘slechts’ met een periode van achttien maanden nu de termijn zou zijn overschreden ten gevolge van de verdediging. Dit oordeel zou in het licht van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg, hetgeen de rechtbank in het vonnis heeft vastgesteld, de omstandigheid dat het Openbaar Ministerie in hoger beroep geen grieven heeft aangevoerd tegen de vaststelling van de rechtbank en hetgeen de verdediging in hoger beroep heeft aangevoerd, onbegrijpelijk zijn.
11.3.
Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn, omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. Ook het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst. Bij zijn toetsing van het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kent de Hoge Raad gewicht toe aan onder meer de redelijkheid van de duur van een zaak. Dit is afhankelijk van onder meer de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
11.4.
Bij de beoordeling van het rechtsgevolg van de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep moet in het oog worden gehouden dat het tijdsverloop tussen de behandeling in eerste aanleg en de behandeling in hoger beroep afzonderlijk dienen te worden beoordeeld. Als uitgangspunt geldt dat de behandeling van de zaak door de feitenrechter dien te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaren nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere duur van de behandeling rechtvaardigen. De redelijkheid van de duur van een zaak is afhankelijk van verschillende omstandigheden, waaronder de invloed van de verdediging, zoals het doen van verzoeken door de verdediging die leiden tot vertraging in de afdoening van de zaak of de ingewikkeldheid van de zaak. [93]
11.5.
In de onderhavige zaak heeft het hof vastgesteld dat sinds 14 januari 2009 – het aanvangspunt van de redelijke termijn – ongeveer 11 jaar en 11 maanden zijn verstreken tot de dag dat het hof uitspraak heeft gedaan op 10 december 2020. Ten aanzien van de overschrijding van de redelijk termijn heeft het hof, anders dan de rechtbank die overwoog dat er geen omstandigheden waren die een langere termijn van berechting rechtvaardigden, overwogen dat deze overschrijding in eerste aanleg achttien maanden bedraagt, nu het een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen bevraagd zijn bij de rechter-commissaris.
11.6.
De steller van het middel klaagt dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vertraging van de berechting te wijten is aan het te laat indien van stukken door het Openbaar Ministerie. De vertragende omstandigheden kunnen in ieder geval niet op het conto van de verdachte worden geschreven, zodat de verwerping van het verweer en de strafoplegging onvoldoende met redenen zou zijn omkleed.
11.7.
Blijkens het proces-verbaal van de regiezitting in eerste aanleg op 21 maart 2011 en een brief van de raadsman van de verdachte blijkt dat hij heeft verzocht een omvangrijk aantal getuigen te horen. De rechtbank heeft de verzoeken tot het horen van tien getuigen toegewezen en de overige verzoeken afgewezen. [94]
11.8.
Het hof heeft geoordeeld dat de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg achttien maanden bedraagt. Dit is tien maanden korter dan de door de rechtbank vastgestelde schending en is er volgens het hof in gelegen dat het een omvangrijke strafzaak betreft waarbij op verzoek van de verdediging diverse getuigen zijn bevraagd bij de rechter-commissaris. Op verzoek van de raadsman van de verdachte zijn immers tien getuigen gehoord bij de rechter-commissaris. Dat het hof heeft geoordeeld dat dit meebrengt dat de schending van de redelijke termijn korter is dan door de rechtbank is vastgesteld, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. De opvatting van de steller van het middel inhoudende dat uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat de vertraging van de berechting te wijten zou zijn aan het te laat indien van stukken door het openbaar ministerie doet aan dit oordeel niet af. Het is immers niet zo, zo lijkt de steller van het middel te miskennen, dat de vertraging in de strafzaak door het hof uitsluitend op het conto van de verdachte wordt geschreven.
11.9.
Dit brengt mee dat het hof mijns inziens niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat de schending van de redelijke termijn in eerste aanleg achttien maanden bedraagt. Bovendien verzet geen rechtsregel ertegen dat het hof tot een andere vaststelling van de overschrijding van de redelijke termijn komt dan de rechtbank, zodat ook in zoverre de klacht dat de strafoplegging onbegrijpelijk is gemotiveerd faalt.
11.10.
Het zesde middel faalt.

Conclusie

12. Alle middelen falen en kunnen met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering worden afgedaan.
13. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
2.Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 17-12-2008, persoonsdossier p. 1059.
3.Uittreksel Kamer van Koophandel d.d. 10-09-2012, persoonsdossier, p. 2069.
4.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek [medeverdachte 4] , persoonsdossier p. 1003A t/m 1006 en documenten 40, 41 en 42, algemeen proces-verbaal, p. A 47 t/m A 52.
5.Algemeen proces-verbaal, p. A 32.
6.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot onderzoek [verdachte] , persoonsdossier p. 3004 t/m 3006.
7.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot rechtshulpverzoek Duitsland t.a.v. [verdachte] te [plaats] , persoonsdossier, p. 3014 t/m 3016.
8.Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , algemeen 2e verhoor, persoonsdossier p. 2008 t/m 2010.
9.Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 7] , algemeen 1 en 2, persoonsdossier, p. 5015 en p. 5021-522.
10.Proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte 3] , algemeen 2e verhoor, persoonsdossier, p. 2013.
11.Proces-verbaal ter terechtzitting betreffende [medeverdachte 3] van 26 en 31 oktober 2012, p. 6 en p. 9 in samenhang met het proces-verbaal ter terechtzitting betreffende verdachte van 26 en 31 oktober 2012, p. 16, verhoor [medeverdachte 3] als getuige.
12.Proces-verbaal verhoor verdachte [betrokkene 1] , algemeen 2, persoonsdossier, p. 6015 en p. 6018 t/m 6020.
13.Proces-verbaal [verbalisant 2] , algemeen opsporingsambtenaar, p. 3232 t/m 3237 i.h.b. p. 3234.
14.Rechtshulpverzoek van het parket van de procureur des konings te Dendermonde d.d. 23 juni 2008 met bijlagen, zaaksdossier 3, p. 3059 t/m 3107. in het bijzonder het proces-verbaal van de scheepvaartpolitie Antwerpen, p. 3066 en 3067.
15.Bijlage 2 aan proces-verbaal 102279/08. Federale Scheepvaartpolitie Antwerpen, zaaksdossier 3, p. 3121 en p. 3128.
16.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek JOB in Engeland, zaaksdossier 3. p. 3615 t/m 3619: proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 6] . zaaksdossier 3. p. 3627 t/m 3633; proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [getuige 6] d.d. 13 juni 2019: proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 7] . zaaksdossier 3. p. 3638 t/m 3643 en de processen-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [getuige 7] d.d. 29 oktober 2019 en [getuige 6] d.d. 13 juni 2019.
17.Bijlage 2 aan proces-verbaalnr. 101304/08 d.d. 12 juli 2008 uitgaande van de Federale Politie - Scheepvaartpolitie Antwerpen. Proces-verbaal van verhoor [getuige 8] , zaaksdossier 3. p. 3112 en 3 120.
18.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek JOB in Engeland, zaaksdossier 3. p. 3615 t/m 3619: proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 6] . zaaksdossier 3 p. 3627 t/m 3633: proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [getuige 6] d.d. 13 juni 2019; proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 7] . zaaksdossier 3 p. 3638 t/m 3644 en proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [getuige 7] d.d. 29 oktober 2019.
19.Proces-verbaal DAC-SPN-BDE Antwerpen-4925. Federale Politie Scheepvaartpolitie. Antwerpen. Post Tolhuis , d.d. 28 augustus 2008. zaaksdossier 3. p. 3108-3109. Proces-verbaal DAC-SPN-BDE Antwerpen-4925. Federale Politie Scheepvaartpolitie, Antwerpen. Post Tolhuis . Proces-verbaal verhoor [medeverdachte 7] . zaaksdossier 3. p. 3110-3111. Proces-verbaal verhoor zaak 3. verdachte [medeverdachte 7] . persoonsdossier, p. 5036 t/m 5039.
20.Proces-verbaal DAC-SPN-BDE Antwerpen-4925, Federale Politie Scheepvaartpolitie. Antwerpen. Post Tolhuis , proces-verbaal verhoor [betrokkene 18] , zaaksdossier 3. p. 3120.
21.Proces-verbaal DAC-SPN-BDE Antwerpen-4925. Federale Politie Scheepvaartpolitie. Antwerpen. Post Tolhuis , d.d, 28 augustus 2008. zaaksdossier 3, p. 3695. 3697. 3699. 3103.
22.Proces-verbaal ter zake: Gesprek met [betrokkene 1] zaaksdossier 3, p. 3689-3694 Proces-verbaal verhoor zaak 3. verhoor 1 verdachte [betrokkene 1] . persoonsdossier p. 6049 t/m 6052.
23.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot bezoek en gesprek met [medeverdachte 1] . zaaksdossier 3. p. 3306 t/m 3308.
24.Zaaksproces-verbaal zaak 3. zaaksdossier 3, p. 3011.
25.Proces-verbaal van terechtzitting van 26 en 31 oktober 2012. p. 6 en p. 9.
26.Fax/brief van Jan Debaene. advocaat, zaaksdossier 3. p. 3134 t/m 3136 en p. 3161.
27.Proces-verbaal onderzoek aan inbeslaggenomen goed in het kader van onderzoek BRZ71. zaaksdossier 3 p 3375. 3380. Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot bescheiden ontvangen van getuige [getuige 12] . zaaksdossier 3. p. 3379.
28.Proces-verbaal van terechtzitting van 26 oktober 2012, p. 7 en 9.
29.Zaaksdossier 3. p. 3753.
30.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 10] . zaaksdossier 3. p. 3737 t/m 3744.
31.proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 2] . zaaksdossier 3, p. 3747 t/m 3753.
32.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 11] . zaaksdsossier 3. p. 3759 t/m 3766.
33.Proces-verbaal vandoorzoeking, zaaksdossier 3. p. 3536-3539 (vertaling van p. 3441-3444).
34.Proces-verbaal VROM, zaaksdossier 3. p. 3558 t/m 3569, in het bijzonder p. 3562.en 3564.
35.Eindbericht politie-inspectie Emsland/graafschap Bentheim, zaaksdossier 3. p. 3549.
36.Eindbericht Politieinspectie Emsland/graafschap Bentheim, zaaksdossier 3. p. 3550.
37.Proces-verbaal verhoor [betrokkene 1] . persoonsdossier, p. 6060.
38.Depotovereenkomst voor het opslaan van pyrotechnische artikelen cat. 1.4-1.3. zaaksdossier 3. p. 3541 t/m 3543 (vertaling van p. 3507-3508).
39.Factuur, zaaksdossier 3, p. 3595.
40.Zaaksdossier 3. p. 3659.
41.Eindbericht politie-inspectie Emsland/graafschap Bentheim, zaaksdossier 3. p. 3551 in verband met p. 3662- 3664. 3675-3676 en 3685.
42.Factuur, zaaksdossier 3. p. 3681-3682. 3685
43.Eindbericht Politieinspectie Emsland/graafschap Bentheim, zaaksdossier 3. p. 3552.
44.Proces-verbaal Belgische politie, zaaksdossier 3. p. 3008.
45.Verhoor [betrokkene 5] RC 30 september 2011.
46.Zaaksdossier 3, relaasproces-verbaal, p. 3113 en 3114: verklaring [betrokkene 3] Nederlandse politie, p. 5038.
47.Zaaksdossier 3. p. 3111.
48.Stb. 2002, 33, p. 65.
49.Stb. 1993, 215, p. 15.
50.Algemeen dossier, p. A 34.
51.Geschrift, zijnde een Brief van de procureurs des Konings in Dendermonde. Zaaksdossier 3. p. 3060-3061.
52.Bijlage bij Geschrift, zijnde een Brief van de procureurs des Konings i Dendermonde. Zaaksdossier 3. p. 3062.
53.AEH: Voetnoot hof met verwijzing naar een website is onleesbaar. Het betrokken Koninklijk besluit is te vinden op https://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=1958092301&table_name=wet.
54.Het gaat bij deze invoer van vuurwerk om spektakelvuurwerk (vgl. professioneel vuurwerk in Nederland), en niet om feestvuurwerk (vgl. consumentenvuurwerk in Nederland).
55.Zaaksdossier 6, p. 6120.
56.Zaaksdossier 6, p. 6121.
57.Map rechtshulp Algemeen Haver, p. 177.
58.Map rechtshulp Algemeen Haver, p. 196.
59.Map rechtshulp Algemeen Haver, p. 201.
60.Map rechtshulp Algemeen Haver, p. 147 en 148.
61.Algemeen dossier, p. A 33.
62.Beslagdossier, p. B 1091 en B 1092.
63.Vgl. HR 31 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7954, rov. 3.5. Dit standpunt wordt ook door het EHRM ingenomen ter invulling van het bepaaldheidsgebod: EHRM 17 september 2009. 10249/03.
64.HR 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938,
65.HR 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733,
66.Zie o.a. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474,
67.Zaaksproces-verbaal 7. zaaksdossier 7. p. 7008-7009.
68.Proces-verbaal verdenking witwassen en valsheid in geschrift door [medeverdachte 4] . [betrokkene 19] en de verdachten [medeverdachte 6] . zaaksdossier 7. p. 7045 t/m 7049.
69.Proces-verbaal van bevindingen verdenking witwassen en valsheid in geschrift door [verdachte] . zaaksdossier 7. p. 7041.
70.Proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot het onderzoek JOB in Engeland, zaaksdossier 3. p. 3615 t/m 3619: proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 6] . zaaksdossier 3 p. 3627 t/m 3633: proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris , [getuige 6] d.d. 13 juni 2019: proces-verbaal van getuigenverhoor [getuige 7] . zaaksdossier 3 p. 3638 t/m 3644 en proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [getuige 7] d.d. 29 oktober 2019.
71.Getuigenverklaring [betrokkene 16] . zaaksdossier 7. p. 7285. bevestigd in proces-verbaal van getuigenverhoor bij de raadsheer-commissaris [betrokkene 16] . d.d. 11 februari 2020.
72.Facturen 2006, zaaksdossier 7, p. 7106 t/m 7125.
73.Facturen 2006, zaaksdossier 7, p. 7102 t/m 7104.
74.Facturen 2006, zaaksdossier 7, p. 7132 t/m 7151.
75.Facturen 2006, zaaksdossier 7, p. 7158 t/m 7162.
76.Procesverbaal van bevindingen, zaaksdossier 7, p. 7044-7050, in het bijzonder p. 7048-7049.
77.Procesverbaal van bevindingen, zaaksdossier 7. p. 7040-7043. in het bijzonder p. 7041 en Facturen 2007. zaaksdossier 7. p. 7166 t/m 7169.
78.Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 4] , zaaksdossier 7, p. 7270 t/m 7275.
79.Proces-verbaal verhoor verdachte [getuige 5] , zaaksdossier 7, p. 7025 t/m 7035.
80.Verklaring [medeverdachte 2] ter terechtzitting van 26 oktober 2012.
81.Proces-verbaal verhoor getuige [betrokkene 5] door de raadsheer-commissaris d.d. 10 september 2019, p. 3.
82.Met uitzondering van de medeverdachten [medeverdachte 7] en [medeverdachte 6]
83.Zie in vergelijkbare zin hetgeen ik reeds hierboven onder 7.2 heb overwogen.
84.Proces-verbaal, algemeen dossier, p. A 32.
85.Dossierpagina 7011.
86.Deskundigenrapport NFI d.d. 18 augustus 2008. zaakdossier 3, p. 3427-3440.
87.Eindbericht politie-inspectie Emsland/graafschap Bentheim, zaaksdossier 3. p. 3547 e.v.. in het bijzonder p. 3550.
88.Zaaksdossier 4. p. 4005 in onderlinge samenhang met p. 4137-4139.
89.Proces-verbaal van bevindingen. Algemeen dossier, p. A 40.
90.Proces-verbaal. Zaaksdossier zaak 2. p. 2155 t/m 2166. in het bijzonder p. 2165-2166.
91.In dit citaat is niet opgenomen hetgeen het hof heeft overwogen onder het kopje “Bewijsmiddelen bij feit 3, de criminele organisatie”, nu dit feitencomplexen bevat die niet aan de verdachte ten laste zijn gelegd.
92.Zie HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378,
93.Zie HR 3 oktober 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7309,
94.Overigens heeft de raadsman van de verdachte tijdens de regiezitting van 23 oktober 2012 verzocht om nog eens acht getuigen te horen. Het hof heeft een aantal van deze getuigen toegewezen, maar geoordeeld dat het horen van deze getuigen zal plaatsvinden ter terechtzitting en niet bij de rechter-commissaris.