Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
Het juridisch kader
Buisman had de activiteiten van PBS Food met ingang van april 2013 moeten uitoefenen
3.Bespreking van het cassatiemiddel
NJ 1983/597), terwijl K. ten tijde van de gestelde benadeling enig bestuurder was van Beheer, de moedermaatschappij die enig bestuurder was van Bouwbedrijf. K. bepaalde het beleid van Bouwbedrijf.
NJ 2006/659. Het gaat erom of de aansprakelijk gestelde bestuurder wist of redelijkerwijs had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Dit betekent dat, anders dan de onderdelen betogen, voor een ernstig verwijt als in voormeld arrest van de Hoge Raad bedoeld, voldoende is dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid dat ondanks de gestelde tegenvordering een vordering op de vennootschap zou resteren.”
klachten 1a-1iveronderstellen dat rov. 4.12 vaststellingen en oordelen van het hof bevat. Zoals hiervoor bleek, is dat niet juist. Zoals het hof duidelijk tot uitdrukking brengt in de tweede en derde volzin van rov. 4.12, gaat het om stellingen van PBS c.s. Dat die stellingen deels onjuist zijn gebleken in de procedure over de huur die is geëindigd met het vonnis van de kantonrechter van 13 oktober 2015, hetgeen volgens meerdere klachten door het hof zou zijn miskend, is het hof noch PBS c.s. ontgaan. Het hof stelt immers aan het slot van rov. 4.5 uitdrukkelijk vast dat dit vonnis wat betreft de verschuldigdheid van de huur uitgangspunt is. Tevens stelt het hof daar terecht vast dat partijen – dus ook PBS c.s. – het daarover eens zijn. Het hof is slechts in die stellingen meegegaan in de hiervoor in 3.15-3.19 besproken zin, overeenkomstig het standpunt van PBS c.s.
Klacht 4houdt in dat het hof verzuimd heeft te toetsen aan de maatstaf uit Ontvanger/ […] , althans zijn oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd
Klacht 8wijst erop dat PBS c.s. in feitelijke instanties hebben gewezen op een in het gehuurde achtergelaten tweede loopband ter waarde van € 35.000,-, die wel aan Buisman toebehoorde en mogelijk deel uitmaakte van de post materiële activa op de balans. De klacht voert aan dat uitgaande van die eigen stelling van PBS c.s. Buisman wel degelijk activa niet heeft aangewend om haar schulden te voldoen.
onttrokken(in plaats van dat daarvan de schulden zijn betaald). Dat een loopband is achtergelaten in het gehuurde is dus niet relevant.
Klacht 12voert aan dat als het hof een beslissend verschil ziet tussen Buisman en PBS Feed omdat laatstgenoemde geen bedrijfspand heeft en van opslag geen sprake is, dit oordeel onbegrijpelijk is, nu ook Buisman geen bedrijfspand had maar dit van [eiser] huurde en PBS Feed zich nog steeds met opslag bezighoudt zoals het hof zelf ook overweegt. In de klacht wordt vervolgens geklaagd (onder 4.37) dat het oordeel van het hof gelet op een groot aantal omstandigheden onbegrijpelijk is.