Conclusie
[eiseres 1](in vrouwelijk enkelvoud) respectievelijk de
Gemeente.
1.Inleiding
De rechtbank heeft in een tussenvonnis geoordeeld dat [eiseres 1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens de Gemeente met betrekking tot het project en dat [eiseres 1] verplicht is de schade die de Gemeente daardoor heeft geleden te vergoeden. Volgens de rechtbank is het verzuim van [eiseres 1] zonder ingebrekestelling ingetreden, omdat de Gemeente uit de hiervoor bedoelde mededelingen van [eiseres 1] kon en mocht afleiden dat [eiseres 1] in de nakoming van haar verbintenissen zou tekortschieten. Tegen dit tussenvonnis is hoger beroep opengesteld. Het hof oordeelt in een tussenarrest anders. Naar het oordeel van het hof kon en mocht de Gemeente uit de desbetreffende mededelingen van [eiseres 1] niet afleiden dat [eiseres 1] het project in onvoltooide staat heeft beëindigd en dat [eiseres 1] in de nakoming van haar verbintenissen zou tekortschieten. De Gemeente had [eiseres 1] , voor zover zij meende dat het opgedragen werk niet was afgerond, schriftelijk in gebreke moeten stellen en de Gemeente had moeten concretiseren waaruit een tekortkoming van [eiseres 1] had bestaan, hetgeen zij heeft nagelaten. [eiseres 1] is hierdoor niet in de gelegenheid gesteld mogelijke gebreken te herstellen en, voor zover dat niet zou zijn gebeurd, werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” uit te voeren. Tegen dit tussenarrest is cassatieberoep opengesteld. Het tussentijdse cassatieberoep van de Gemeente treft m.i. geen doel.
2.Feiten
hof) [1] en hier met dezelfde nummering overgenomen.
Project). De aanneemsom bedroeg € 41.250.000,-- (exclusief btw), met een maximum aan meerwerk van € 1.750.000,-- (exclusief btw). In de overeenkomst is onder meer de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor de uitvoering van werken 1989 (hierna: de
UAV 1989) van toepassing verklaard, voor zover daarvan in de overeenkomst en het bestek niet is afgeweken.
RVW) gesloten waarin deze afspraken zijn bevestigd en de omvang van het werk (de “scope”) nader is bepaald in een bijlage met een lijst van MMC’s en ABC’s. Na de ondertekening van de RVW zijn opnieuw vertragingen ontstaan, mede als gevolg van door de Gemeente verlangd meerwerk.
Addendum 1 RVW. Hierin is overeengekomen dat het werk in twee delen zal worden opgeleverd: op 1 mei 2014 de “scope gebruiksmelding” en op een later te bepalen tijdstip de “scope einde werk”. In art. 5 van Pro de overeenkomst staat dat de Gemeente aan [eiseres 1] een bedrag betaalt van € 3.280.000,-- (exclusief btw) ter vergoeding van de indirecte kosten aan [eiseres 1] in verband met de gewijzigde planning en fasering tot en met 4 mei 2014. De overeenkomst bevat een bijlage met MMC’s en ABC’s en een bijlage met het onder 2.6 hiervoor aangehaalde gespreksverslag van 21 januari 2014.
Addendum II RVW) gesloten. In art. 2 Addendum Pro II RVW staat onder meer dat de “scope einde werk” is gedefinieerd in bijlage 1 met daarin een lijst van ongeveer 200 MMC’s en ABC’s. Als opleverdatum is 31 maart 2015 overeengekomen. Voorts staat in art. 2 dat Pro de Gemeente niet het initiatief neemt tot nieuwe MMC’s en dat [eiseres 1] vragen met betrekking tot nieuwe MMC’s niet in behandeling neemt, tenzij de projectmanager van de Gemeente en de projectdirecteur van [eiseres 1] anders overeenkomen en dat schriftelijk aan de betrokken medewerkers van de Gemeente hebben medegedeeld. In art. 6 Addendum Pro II RVW (“Indirecte kosten”) staat dat de Gemeente een bedrag van € 5.644.004,-- aan [eiseres 1] betaalt ter vergoeding van de indirecte kosten tot aan de oplevering. In een bijlage is een betalingsschema opgenomen met betrekking tot deze kosten. Voor februari 2015 staat hierin een bedrag van € 364.940,-- opgenomen, te betalen op 1 maart 2015.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie van partijen gelast. Van de comparitie, die heeft plaatsgevonden op 7 maart 2018, is proces-verbaal opgemaakt. Door beide partijen zijn bij te onderscheiden brieven van 10 april 2018 opmerkingen over het proces-verbaal gemaakt.
tussenvonnis) [5] heeft de rechtbank het geschil in conventie en reconventie gelijktijdig beoordeeld en daarbij de vraag gesteld welk karakter moet worden toegekend aan de feitelijke beëindiging van de werkzaamheden van [eiseres 1] in maart 2015 en welke gevolgen daaraan dienen te worden verbonden. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat [eiseres 1] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen door het werk feitelijk in onvoltooide staat te beëindigen. Een ingebrekestelling was volgens de rechtbank niet nodig, omdat de Gemeente uit mededelingen van [eiseres 1] kon en mocht afleiden dat [eiseres 1] in de nakoming van haar verbintenissen zou tekortschieten. Volgens de rechtbank is de opvatting van [eiseres 1] dat de Gemeente de overeenkomst heeft opgezegd onjuist en is [eiseres 1] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen en is zij verplicht de schade die de Gemeente daardoor heeft geleden te vergoeden. Vervolgens is de rechtbank in rov. 4.13-4.25 van dit tussenvonnis ingegaan op afzonderlijke posten van de schade die de Gemeente heeft geleden. Omdat een nadere instructie is vereist om tot een eindbeslissing te kunnen komen, heeft de rechtbank de zaak verwezen naar de rol voor uitlating partijen en iedere verdere beslissing aangehouden.
Oudste raadsheer: Kunt u toelichten hoe u aankijkt tegen de gedachte dat de combi [ [eiseres 1] , A-G] een ingebrekestelling had moeten sturen als de combi op enig moment meende dat de overeenkomst om welke reden dan ook niet verder kon worden uitgevoerd?Mr. Van der Zijpp [advocaat van [eiseres 1] , A-G]: Er is geageerd tegen het verrekenen van het voorschot, dat is afgewezen. Wij hebben ons werk afgemaakt. De inhoud van bijlage 1 Addendum 2 RVW, bepaalt de omvang van wat de combi moest doen. Dat hebben wij gedaan.
Oudste raadsheer: een brief aan de gemeente had kunnen inhouden: wij zijn een overeenkomst aan het uitwerken maar uw werkproces is te langzaam en uw voorschot schiet te kort en wij staken het werk.Mr. Van der Zijpp: Wij zijn geen nadere overeenkomst aangegaan, wij hebben afgemaakt, voor zover dat kon, wat in bijlage 1 Addendum 2 stond.
Mr. Le Haen-de Croon [advocaat van de Gemeente, A-G]: Bijlage 1 Addendum 2 ziet op verplichtingen die rusten op [eiseres 1] . Oplevering houdt niet in dat je klaar bent voor zo ver je kunt, nee dat betekent dat je al je verplichtingen hebt uitgevoerd. Om een einde te maken aan de verplichtingen uit de overeenkomst, had de combi een brief moeten sturen met schuldeisersverzuim, dat de gemeente zich niet aan de vermeende afspraken hield. [eiseres 1] neemt het standpunt in dat ze aan al hun verplichtingen hebben voldaan, maar daar was duidelijk geen sprake van.
Oudste raadsheer: Wat is volgens u de scope van de overeenkomst?Mr. Van der Zijpp: Partijen hebben de Regeling oud zeer en Addendum 2 gesloten, daarbuiten zijn geen overeenkomsten meer gesloten.
Mr. Le Haen-de Croon: De buitenste grens van de verplichtingen met betrekking tot de werkzaamheden die de combi moet verrichten wordt gevormd door Addendum 2 bijlage 1. Het is gebundeld tot één werk en de combi heeft zich tot de uitvoering daarvan verplicht. De combi heeft bepaalde werken niet afgemaakt die wel verplicht waren.
Oudste raadsheer: Als je dat als uitgangspunt neemt, zijn er dan werkzaamheden die op de lijst staan en die niet zijn afgemaakt?Mr. Van der Zijpp: Nee, we hebben alles afgemaakt behalve werkzaamheden die we niet hebben kunnen uitvoeren, omdat die raakvlakken vertoonden met een MMC die ons niet was opgedragen. Wij hebben niet de stekker ergens uitgetrokken. Wat we hebben opgedragen gekregen, hebben we afgemaakt. In het licht van 23 maart 2015 heb ik moeite met de gedachte dat de combi de gemeente in gebreke zou moeten stellen. Het is precies omgekeerd. In elk geval is er maar één partij die een ingebrekestelling moet sturen en dat is toch echt de gemeente.”
[cursivering in origineel, A-G]
Aan deze beslissing ligt, samengevat, de volgende beoordeling ten grondslag:
- Het oorspronkelijk bestek van de Gemeente was onvoldragen. In de loop der tijd werd het werk uitgebreid met nieuwe voorzieningen en daarnaast waren wijzigingen doorgevoerd. Het Project werd nader bepaald aan de hand van een procedure met MMC’s en ABC’s.
scope einde werk” zoals gedefinieerd in bijlage 1 van Addendum II RVW bestond uitsluitend uit meerwerk. In paragraaf 36 lid 3 UAV 1989, wordt aan de aannemer de verplichting opgelegd om binnen bepaalde procentuele grenzen in afwijking van de aanneemsom, gevolg te geven aan bestekwijzigingen. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de grens van afwijking van de aanneemsom ruimschoots was overschreden.
package deal” over (nog over een te komen) MMC’s en de gevolgen van nieuwe wijzigingen. In dat verband wijst het hof op de hierboven onder 1[3], 1[5] en 1[6] weergegeven e-mails tussen partijen waarin naar voren komt dat bepaalde MMC’s en AB[C]’s nog niet vast staan en dat bepaalde MMC’s geen deel uitmaken van een “
package deal”. Het hof leidt uit die e-mails af, dat ook is gesproken over meerwerkopdrachten die geen deel uitmaakten van de lijst in bijlage 1 van Addendum II RVW (MMC 10.141.2 en MMC 10.236). Uit het Exceloverzicht bij de e-mail van 9 maart 2015 (hierboven onder 1[5]) komt voorts naar voren in welke fase de MMC’s en de ABC’s zich volgens [eiseres 1] bevonden. Een en ander zou worden besproken tijdens het contractoverleg op 20 maart 2015. Van een concrete bespreking is het echter niet gekomen omdat [eiseres 1] besloot haar werkzaamheden af te ronden en haar organisatie af te bouwen.
scope einde werk”, nu de werkzaamheden die vielen onder de “
scope gebruiksmelding” per 1 mei 2014 zijn opgeleverd. Zoals ook ter terechtzitting naar voren is gebracht, gaan beide partijen er van uit dat bijlage 1 van Addendum II RVW bepalend is voor de “
scope einde werk”. In deze bijlage staat een lijst met MMC’s en ABC’s (overgelegd bij productie 22 dagvaarding en tevens gehecht aan de pleitnotitie van [eiseres 1] ). Die lijst bevat de totale omvang van het in opdracht gegeven werk. Over nieuwe meerwerkopdrachten (onderdeel van een mogelijke “
package deal”) hebben zij geen overeenstemming bereikt. Die maken derhalve geen onderdeel uit van de “
scope einde werk”.
3.9 Naar het oordeel van het hof heeft [eiseres 1] in het contractoverleg en in de brief van 23 maart 2015 (hierboven onder 19) aan de Gemeente duidelijk het volgende kenbaar gemaakt:
- [eiseres 1] zal met het oog op een oplevering op 31 maart 2015 alle werkzaamheden als opgesomd in bijlage 1 bij Addendum II (de “
- [eiseres 1] trekt een offerte voor meerwerk na 31 maart 2015 in en neemt geen nieuwe wijzigingen (meerwerkopdrachten) meer in behandeling.
- Vervolgens heeft [eiseres 1] de in haar ogen resterende werkzaamheden waartoe zij zich verplicht achtte verricht en heeft zij bij brief van 31 maart 2015 het werk gereed gemeld aan de hand van een lijst van MMC’s en ABC’s, met het verzoek om een schriftelijke reactie (zie hierboven onder 21). Zij heeft zich in dat verband op het standpunt gesteld dat zij opgedragen werk heeft afgemaakt (met in acht neming van een aantal uitzonderingen en dat op dat moment niet opgedragen werk niet tot de
scope einde werk” tot een goed einde te brengen.
arrest). [eiseres 1] heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, met veroordeling van de Gemeente in de kosten van het geding in cassatie, te vermeerderen met wettelijke rente. Zowel de Gemeente als [eiseres 1] heeft een schriftelijke toelichting gegeven, waarna de Gemeente heeft gerepliceerd en [eiseres 1] heeft gedupliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Vooraf
scope einde werk” tot een goed einde te brengen. (rov. 3.10 van het arrest)
Fraanje/Alukon-arrest uit 2019 blijkt dat de Hoge Raad pragmatisch omgaat met het wettelijke stelsel van verzuim en ingebrekestelling. Ik citeer enkele rechtsoverwegingen uit dit arrest: [10]
3.4.4 […] Omdat art. 6:83 BW Pro geen limitatieve opsomming behelst van de gevallen waarin verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, maar ook de redelijkheid en billijkheid hierbij een rol kunnen spelen, kunnen de omstandigheden van het geval met zich brengen dat het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. Wat in dat verband een redelijke termijn voor de uitlating van de schuldenaar is, hangt af van de omstandigheden. Daarbij kan mede een rol spelen of de gestelde termijn gebruikelijk is in de branche waarin partijen actief zijn. […]
[…]
3.5.2 Zoals hiervoor in 3.4.4 is overwogen, kunnen de omstandigheden van het geval met zich brengen dat het verzuim van de schuldenaar ook intreedt indien de schuldenaar niet of niet toereikend reageert op een verzoek van de schuldeiser om binnen een redelijke termijn toe te zeggen dat hij binnen een gestelde, eveneens redelijke, termijn zal nakomen, of om zich binnen een redelijke termijn uit te laten over de wijze waarop en de termijn waarbinnen hij door de schuldeiser omschreven gebreken in de uitvoering van de overeenkomst zal herstellen. De eisen die aan de reactie van de schuldenaar mogen worden gesteld, zijn afhankelijk van de omstandigheden. Daarbij is onder meer van belang hoe concreet de schuldeiser de te herstellen gebreken heeft aangeduid en hoe specifiek hij heeft aangedrongen op een mededeling van de schuldenaar. Bij de beoordeling of de schuldeiser uit de reactie van de schuldenaar, of uit het uitblijven daarvan, heeft mogen afleiden dat de schuldenaar niet tijdig of niet behoorlijk zou nakomen, kunnen ook latere feiten en omstandigheden van belang zijn. [15] […]”
[voetnoten (noten 1-5 aldaar) overgenomen uit origineel, A-G]
Fraanje/Alukon-arrest, met een beroep op de parlementaire geschiedenis, dat het bij de toepassing van art. 6:82 BW Pro en art. 6:83 BW Pro niet zozeer gaat om strakke regels, maar veeleer om het bieden van de mogelijkheid aan de rechter om tot een redelijke oplossing te komen naar gelang van wat in de gegeven omstandigheden van partijen mocht worden verwacht. Dat kan dus, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, betekenen dat soms niet verwacht mag worden dat een schuldenaar in gebreke wordt gesteld, maar soms, gelet op de relevante omstandigheden van het geval, ook juist wél. Het
Fraanje/Alukon-arrest kent dus groot gewicht toe aan de (relevante) omstandigheden van het geval. [16] Ik lees rov. 3.2.2 van dit arrest van de Hoge Raad als een expliciete verwijzing naar de toepassing van “de leer van de redelijke uitkomst”. [17] Een belangrijk kritiekpunt op deze leer is dat die niet bijdraagt aan de rechtszekerheid. [18] Dat is ook precies hetgeen in de literatuur wordt ingebracht tegen de benadering van de Hoge Raad in zijn
Fraanje/Alukon-arrest. Illustratief hiervoor is de volgende opmerking van Katan in haar annotatie onder dit arrest: [19]
achterafvoorop lijkt te staan, zou ik het belang van de voorspelbaarheid van toepassing van afd. 6.1.9 BW in het algemeen
voorafwillen benadrukken.”
[cursivering in origineel, zonder voetnoot uit origineel, A-G]
Fraanje/Alukon-arrest is geformuleerd: “om de schuldenaar nog een laatste termijn voor nakoming te geven en aldus te bepalen tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake.”
Schelhaas concludeert voorts uit de parlementaire geschiedenis: [24]
Fraanje/Alukon-arrest als een stap terug in de jurisprudentiële ontwikkeling. [26] Dat is m.i. niet het geval. Welbeschouwd wordt het in dat standaardarrest uiteengezette kader in de onderhavige zaak immers niet bestreden, maar gaat het om de vraag wat in dit concrete geval van partijen mocht worden verwacht en meer specifiek wat de Gemeente uit de mededelingen van [eiseres 1] in met name het contractoverleg op 20 maart 2015 en de daaropvolgende brief van [eiseres 1] aan de Gemeente van 23 maart 2015 (zie onder 2.18-2.19 hiervoor) kon en mocht afleiden (zie ook onder 4.1 hiervoor). Wat het hof daarover in rov. 3.9 e.v. van het arrest oordeelt, kan niet los worden gezien van de daaraan voorafgaande rov. 3.5-3.8 van het arrest, welke laatste overwegingen in cassatie niet worden bestreden. Voordat ik toekom aan de bespreking van de cassatieklachten, ga ik daarom eerst nader in op hetgeen het hof in deze rechtsoverwegingen heeft geoordeeld (zie ook onder 3.10 hiervoor).
Het hof neemt in rov. 3.5 van het arrest tot uitgangspunt, kort gezegd, dat het oorspronkelijke bestek van de Gemeente onvoldragen was, dat het vervolgens aan de hand van een procedure van MMC’s en ABC’s steeds verder werd uitgebreid (waarbij de oorspronkelijk overeengekomen aanneemsom aanzienlijk is overschreden en de oplevertermijn een aantal malen is uitgesteld) en dat de “scope einde werk” zoals gedefinieerd in bijlage 1 van Addendum II RVW uitsluitend uit meerwerk bestond. Dit strookt met de door het hof vastgestelde feiten (zie onder 2.1 e.v. hiervoor). Het hof constateert voorts in die rechtsoverweging dat de UAV 1989 steeds van toepassing is gebleven op de contractuele verhouding tussen de Gemeente en [eiseres 1] en het verwijst vervolgens in het bijzonder naar par. 36 lid 3 UAV 1989, waarin is bepaald dat de aannemer verplicht is binnen bepaalde procentuele grenzen in afwijking van de aanneemsom gevolg te geven aan bestekwijzigingen. Het hof stelt in verband met deze bepaling uit de UAV 1989 vast, dat tussen partijen niet ter discussie staat dat die procentuele grens ruimschoots was overschreden (wat dus impliceert dat [eiseres 1] niet langer verplicht is gevolg te geven aan door de Gemeente verlangde bestekwijzigingen waarover partijen nog geen overeenstemming hebben bereikt). [27] In de bouwrechtelijke literatuur lees ik over grootschalige en technisch gecompliceerde werken (zoals hier aan de orde), waarvan de uitvoering aanzienlijke tijd vergt en waarvan de kosten vooraf niet nauwkeurig zijn in te schatten, onder meer het volgende: [28]
gewenstetoevoegingen of veranderingen in het overeengekomen werk” [cursivering toegevoegd, A-G]. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de invoering van art. 7:755 BW Pro heeft de toenmalige minister van Justitie Hirsch Ballin hierover het volgende opgemerkt: [30]
In rov. 3.7 van het arrest gaat het hof in op het geschil dat tussen partijen is gerezen over de vraag of de Gemeente bevoegd was om door de Gemeente voorgeschoten bedragen met facturen voor indirecte kosten te verrekenen. Deze vraag is volgens het hof in zoverre relevant dat het de aanleiding is geweest voor het onderhavige geschil. Het hof stelt vast dat uit verschillende brieven en e-mails die het hof onder de vaststaande feiten heeft opgenomen, blijkt dat de Gemeente zich op het standpunt stelde bevoegd te zijn tot verrekening en dat [eiseres 1] daartegen, en tegen het stopzetten van de voorschotfinanciering, meerdere keren nadrukkelijk bezwaar heeft gemaakt. Het hof wijst er verder op dat na het uitblijven van een positieve reactie van de Gemeente op deze bezwaren, [eiseres 1] heeft besloten haar werkzaamheden af te ronden en haar organisatie af te bouwen. Ik merk op dat dit besluit van [eiseres 1] dus niet uit de lucht kwam vallen.
Het hof betrekt hierbij in rov. 3.7 van het arrest voorts dat partijen in onderhandeling waren over de afwikkeling van MMC’s en ABC’s en dat het de bedoeling was te komen tot een zogenoemde “package deal” over (nog overeen te komen) MMC’s en de gevolgen van nieuwe wijzigingen. Uit de correspondentie tussen partijen die het hof onder de vaststaande feiten heeft genoemd, blijkt volgens het hof voorts dat bepaalde MMC’s en ABC’s nog niet vaststaan en dat bepaalde MMC’s geen deel uitmaken van een “package deal”. Het hof wijst er voorts op dat uit die correspondentie blijkt dat is gesproken over bepaalde meerwerkopdrachten die geen deel uitmaakten van bijlage 1 van Addendum II RVW, waaronder MMC 10.236. Uit het Exceloverzicht bij de e-mail van 9 maart 2015 (zie onder 2.15 hiervoor) [32] blijkt volgens het hof in welke fase de MMC’s en ABC’s zich volgens [eiseres 1] bevonden. Daarover zou worden gesproken tijdens het contractsoverleg op 20 maart 2015, maar tot een concrete bespreking is het niet meer gekomen omdat [eiseres 1] besloot haar werkzaamheden af te ronden en haar organisatie af te bouwen.
In rov. 3.8 van het arrest gaat het hof vervolgens in op de vraag wat de inhoud en omvang is van de door de Gemeente aan [eiseres 1] opgedragen werkzaamheden. Het hof stelt vast dat het uitsluitend gaat om de vraag wat moet worden verstaan onder de “scope einde werk”. Aan de “scope einde werk” ging vooraf de “scope gebruiksmelding”. Het hof stelt vast dat de werkzaamheden die behoorden tot de “scope gebruiksmelding” per 1 mei 2014 zijn opgeleverd (zie ook onder 2.9 hiervoor). Deze werkzaamheden doen dus niet meer ter zake. Het constateert ook (in lijn met rov. 3.7 van het arrest) dat over nieuwe meerwerkopdrachten (onderdeel van een mogelijke “package deal”) geen overeenstemming is bereikt en het concludeert dat die nieuwe meerwerkopdrachten dus geen deel uitmaken van de “scope einde werk”. Voor de vraag wat moet worden verstaan onder de werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” verwijst het hof naar de zitting in hoger beroep (zie ook onder 3.9 hiervoor). Ik citeer enkele relevante passages uit het proces-verbaal: [33]
[projectmanager 2] [projectmanager bij de Gemeente, A-G]: We hadden een oude metro en we kwamen gaandeweg dingen tegen die moesten worden aangepast. Het is niet ongebruikelijk dat een aannemer alvast aan de slag gaat. Het was technisch niet steeds duidelijk wat een MMC was. Er volgde dan een onderhandelingsproces. Ja het klopt wel dat er werd gewerkt terwijl de ABC nog niet vaststond. In Addendum 2 is een lijst vastgesteld die nog uitgewerkt moest worden. Er was continu overleg om tot overeenstemming van de prijs te komen. We bespraken elke keer wat er af was gehaald of bij was gekomen. Dat kost veel tijd om te controleren. […].
Voorzitter: in de bijlage bij Addendum 2 staan MMC’s opgesomd. Wat is de status van die MMC’s Wat betekent in de kolommen de aanduiding “ja” en “nee”?Mr. Le Haen-de Croon [advocaat van de Gemeente, A-G]: Per MMC is het verschillend waarom er “ja” of “nee” staat. “Nee” betekent dat er op het moment van ondertekening van Addendum 2 nog discussie was over de inhoud.
[projectmanager 2] [voornoemd, A-G]: Op onderdelen bestond er onduidelijkheid. […]
Oudste raadsheer: Kon het in de gevallen waarbij “nee” in de MMC kolom staat, ook gaan om de vraag of dit viel onder het afgesproken werk?
[projectmanager 2] [voornoemd, A-G]: Ik was er niet bij de onderhandelingen van de MMC. We waren het vaak niet eens. Je gaat dan onderhandelen en bij overeenstemming komt dat te staan bij de ABC. Wij hadden best vaak discussie over een MMC en of die al [dan] niet viel onder de scope. Wij hebben met elkaar dat Addendum 2 getekend en we wisten dat er nog werk afgerekend moest worden en dat we nog prijsovereenstemming moesten hebben. En dat heeft in maart 2015 geleid tot een uitspraak van de combinatie [ [eiseres 1] , A-G] dat ze er klaar mee waren. We waren er toen juist mee bezig om datgene waarover we over eens waren, van een prijs te voorzien.
Mr. Van der Zijpp [advocaat van [eiseres 1] , A-G]: Als er “ja” in de kolom staat, dan was er overeenstemming over de technische scope van het werk. “Ja” bij een MMC betekent dat we aan het werk gingen. En als er bij een ABC “nee” staat waren we ook aan het werk. Het had wel onze voorkeur dat daar ook “ja” stond. “Nee” in de kolom ABC was geen belemmering om aan het werk te gaan, maar dan wilden we wel een voorschot.
Oudste raadsheer: Hoe zit het met het tijdverloop? Is op enig moment een “nee” een “ja” geworden en ging u dan aan het werk, of is er tijdens “nee” al gewerkt?[projectmanager 1] [voornoemd, A-G]: Het was life-engineering, dat veranderde continu. Het kan zijn dat we aan de slag gingen met een MMC die op “nee” stond.
Mr. Le Haen-de Croon [voornoemd, A-G]: zie productie 4 bij mvg waarin een reeks van MMC’s staat waarover overeenstemming bestond, behalve over de prijs. Die “nee” stond aan de duidelijkheid niet in de weg.
[voornoemd, A-G]: het werk dat is uitgevoerd, haal je niet uit de MMC, maar uit de ABC. In de ABC stonden de details. Als het technisch helemaal klaar was, dan zag je dat pas in de ABC. Wij werkten zonder dat we een ontwerp hadden.”
[cursivering in origineel, A-G]
Dat het hof in rov. 3.8 van het arrest de precieze omvang van de werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” niet vaststelt, blijkt ook uit rov. 3.9 van het arrest, waarin het hof de uiteenlopende visies van [eiseres 1] en de Gemeente hieromtrent weergeeft. Uit het contractsoverleg van 20 maart 2015 en de brief van [eiseres 1] aan de Gemeente van 23 maart 2015 (zie ook onder 2.18-2.19 hiervoor) leidt het hof af dat [eiseres 1] “met het oog op een oplevering op 31 maart 2015 alle werkzaamheden als opgesomd in bijlage 1 bij Addendum II (de “scope einde werk”) [zal] afronden, met uitzondering van die wijzingen die (i) te onbepaald van inhoud waren om te kunnen uitvoeren en (ii) pas konden worden uitgevoerd nadat de Gemeente definitief een beslissing had genomen over andere wijzigingen”, dat [eiseres 1] “werkzaamheden die – volgens haar – niet zijn opgedragen niet [zal] gaan uitvoeren” en dat [eiseres 1] “een offerte voor meerwerk na 31 maart 2015 in[trekt] en geen nieuwe wijzigingen (meerwerkopdrachten) meer in behandeling [neemt]”. [eiseres 1] heeft zich kort gezegd “op het standpunt gesteld dat zij opgedragen werk heeft afgemaakt (met in acht neming van een aantal uitzonderingen en dat op dat moment niet opgedragen werk niet tot de scope einde werk behoorde).”
Het hof constateert vervolgens dat “[n]iet duidelijk is geworden wat op 31 maart 2015 het standpunt van de Gemeente was met betrekking tot de door [eiseres 1] verrichte werkzaamheden (of en in hoeverre er aan de scope einde werk was voldaan, welk overeengekomen meerwerk in de visie van de gemeente nog hadden moet worden verricht, welke gebreken er hersteld hadden moeten worden, enz).” Het hof stelt vast dat door geen ingebrekestelling te sturen “ [eiseres 1] niet in de gelegenheid [is] gesteld om mogelijke gebreken te herstellen en, voor zo ver dat niet zou zijn gebeurd, werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” uit te voeren.” Het hof laat hier dus in het midden in hoeverre de visie van de Gemeente dat [eiseres 1] niet alle werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” heeft uitgevoerd, juist was. Waar het volgens het hof om gaat, is dat de Gemeente de functie van de ingebrekestelling heeft miskend (zie ook onder 4.2-4.3 hiervoor). Door niet adequaat te communiceren met [eiseres 1] na haar gereedmelding van de “scope einde werk” is [eiseres 1] niet een laatste termijn voor nakoming gegeven en is niet bepaald tot welk tijdstip nakoming nog mogelijk is zonder dat van een tekortkoming sprake is. De Gemeente heeft niet nog de mogelijkheid aan [eiseres 1] geboden om binnen een redelijke termijn na 31 maart 2015 na te komen (voor zover volgens de Gemeente nog niet alle verplichte werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” zouden zijn uitgevoerd). [35] Integendeel, de Gemeente heeft [eiseres 1] per 30 april 2015 de toegang tot het werk ontzegd en werkzaamheden in opdracht aan derden gegeven, zoals het hof aan het slot van rov. 3.9 constateert.
Rov. 3.5-3.8 van het arrest worden in cassatie niet bestreden (zie ook onder 4.4 hiervoor). Het subonderdeel leidt uit rov. 3.8 van het arrest af dat [eiseres 1] voor een oplevering in voltooide staat van het Project verplicht was alle werkzaamheden die staan opgesomd in bijlage 1 van Addendum II RVW uit te voeren. Dat berust op een verkeerde lezing van rov. 3.8 van het arrest. Ik citeer nog eens wat het hof aldaar overweegt (zie ook onder 3.10 hiervoor):
bepalendis voor de “
scope einde werk”. In deze bijlage staat een lijst met MMC’s en ABC’s (overgelegd bij productie 22 dagvaarding en tevens gehecht aan de pleitnotitie van [eiseres 1] ). Die lijst
bevatde totale omvang van het in opdracht gegeven werk.”
[cursivering in origineel, onderstreping toegevoegd, A-G]
Het hof verwijst in rov. 3.8 van het arrest naar hetgeen ter zitting naar voren is gebracht. Ik heb de in dit verband relevante passage uit het proces-verbaal van de zitting aangehaald onder 4.4 hiervoor. Daaruit blijkt dat in Addendum II RVW overeenstemming is bereikt over de MMC’s die behoorden tot de “scope einde werk”. Daarmee stond echter nog niet voor alle MMC’s op bijlage 1 bij Addendum II RVW vast wat de (technische) “scope” van de desbetreffende MMC was, wat in het bijzonder gold voor MMC’s en/of bijbehorende ABC’s die nog op “nee” stonden in bijlage 1 bij Addendum II RVW. Van de zijde van de Gemeente (door [projectmanager 2] ) is bijvoorbeeld ter zitting toegelicht dat “[i]n Addendum 2 een lijst [is] vastgesteld die nog uitgewerkt moest worden” en door de advocaat van de Gemeente dat ““Nee” betekent dat er op het moment van ondertekening van Addendum 2 nog discussie was over de inhoud.” Dat strookt ook met hetgeen van de zijde van [eiseres 1] (door [projectmanager 1] ) is toegelicht: het ging om “life-engineering” waarbij “zonder ontwerp” werd gewerkt en de details pas uit de ABC bleken (“Als het technisch helemaal klaar was, dan zag je dat pas in de ABC”). Er was dus in Addendum II RVW en de daarbij behorende bijlage overeenstemming bereikt over de MMC’s die [eiseres 1] zou uitvoeren, maar de omvang van de werkzaamheden die behoorden tot iedere MMC stond daarmee nog niet vast.
Uit de mededelingen van [eiseres 1] op 20 en 23 maart 2015 kon en mocht de Gemeente tegen deze achtergrond niet afleiden dat [eiseres 1] niet aan al haar verplichtingen van de “scope einde werk” zou voldoen. Dat [eiseres 1] haar organisatie zou afbouwen had in zoverre een definitief karakter, dat zij geen nieuwe meerwerkopdrachten (buiten de “scope einde werk”) meer zou aanvaarden; niet dat zij zou tekortschieten met betrekking tot de verplichtingen die behoorden tot de “scope einde werk”. Het stond [eiseres 1] , mede gelet op art. 36 lid 3 UAV Pro 1989, vrij om geen nieuwe meerwerkopdrachten meer te accepteren (zie ook onder 4.4 hiervoor). Daarmee stond vast dat het Project hoe dan ook nog niet gereed zou zijn na afronding van de “scope einde werk” (zie ook onder 4.4 hiervoor). De Gemeente wenste nog meer wijzigingen, zoals MMC 10.236, waarover geen overeenstemming is bereikt tussen de Gemeente en [eiseres 1] en die dus niet als meerwerk aan [eiseres 1] zijn opgedragen.
Hierdoor ontstond de, (ook) voor de Gemeente kenbare, situatie dat [eiseres 1] de werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” uitsluitend kon afronden voor zover die niet te onbepaald van inhoud waren om in uitvoering te kunnen nemen en/of zich pas voor uitvoering leenden nadat de Gemeente definitieve beslissingen had genomen over andere wijzigingen.
Ik citeer nog enkele passages uit de memorie van grieven van [eiseres 1] waaruit blijkt dat [eiseres 1] niet, ook niet “op de keper beschouwd”, [39] hetzelfde heeft gesteld als de Gemeente, maar waaruit juist blijkt dat het oordeel van het hof volledig in lijn ligt met de stellingen van [eiseres 1] : [40]
Dat [eiseres 1] in deze procedure […] dit standpunt niet ten volle zou hebben gehandhaafd is onjuist. Integendeel: mw. mr. Laan heeft tijdens de comparitie als volgt verklaard:
Mw. mr. Laan heeft namens [eiseres 1] alle relevante besprekingen – waaronder de contractoverleggen – bijgewoond en is uit dien hoofde als geen ander op de hoogte van wat zich – onder meer – in de eerste maanden van 2015 tussen partijen heeft afgespeeld.”
[…]
16. [eiseres 1] heeft erin bewilligd om ook boven de in par. 36 lid 3 UAV 1989 getrokken grenzen opdrachten te aanvaarden voor wijzigingen, de laatste keer in de vorm van een Addendum 2 bij de Regeling Voltooiing Werk.
De gemeente wenste ook nog een MMC op te dragen, die geen onderdeel uitmaakte van Addendum 2: MMC 10.236.
[eiseres 1] had nu juist in haar brief van 23 maart 2015 aangekondigd dat zij het restant van de aan haar opgedragen werkzaamheden zou afronden.
Indien de gemeente van mening was dat er bij [eiseres 1] verkeerde opvattingen leefden over – kort samengevat – de reikwijdte van het door de gemeente aan [eiseres 1] opgedragen werk, dan had het eens te meer op haar weg gelegen om [eiseres 1] daarop te wijzen door verzending van een – ingevolge par. 46 lid 1 UAV 1989 toch al vereiste – ingebrekestelling, waarmee zij [eiseres 1] had kunnen sommeren tot nakoming van haar resterende verplichtingen.
Daarvan heeft de gemeente echter afgezien.
18. […]
Van [eiseres 1] kan onmogelijk worden verlangd dat zij – zonder consent van de gemeente – uitvoert wat haar nuttig voorkomt.
[…]
19. […]
Na het sluiten van het 2e Addendum hebben partijen geen overeenstemming bereikt over nieuwe meerwerkopdrachten.
Addendum 2 RVW was er expliciet op gericht om een punt te zetten achter de stroom aan wijzigingen. Zie o.a. art. 2 lid Pro 3: “Dienst Metro [de Gemeente, A-G] neemt niet het initiatief tot nieuwe MMC’s en [eiseres 1] neemt vragen van Dienst Metro met betrekking tot nieuwe MMC’s niet in behandeling, tenzij de projectmanager van Dienst Metro ( [projectmanager 2] ) en de projectdirecteur van [eiseres 1] ( [projectdirecteur] ) anders overeenkomen en dat schriftelijk aan de medewerkers van Dienst Metro en [eiseres 1] hebben medegedeeld”.
[…]
26. […]
Naar het oordeel van [eiseres 1] heeft zij niet meer gedaan dan het nakomen van de afspraken die partijen in – onder meer – het Addendum 2 RVW hebben gemaakt.
Het hof heeft evenmin te hoge of onjuiste eisen gesteld als bedoeld door het subonderdeel. Op grond van art. 6:83, aanhef en onder c, BW treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in wanneer de schuldeiser uit een mededeling van de schuldenaar moet afleiden dat deze in de nakoming van de verbintenis zal tekortschieten. Deze bepaling is in de parlementaire geschiedenis onder meer als volgt toegelicht: [41]
c(oorspronkelijk onder
b) en 5 lid 1 onder
b.”
[cursivering in origineel, A-G]
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het subonderdeel wijst op de volgende omstandigheden: [42]
Een deel van de door het subonderdeel genoemde omstandigheden mist feitelijke grondslag. Zo staat niet vast dat partijen bij en na ondertekening van Addendum II RVW ervan uitgingen dat een oplevering op 31 maart 2015 niet zou en kon worden gehaald. Zo schrijft [eiseres 1] , in lijn met haar standpunt in eerste aanleg, [43] in haar pleitnotities in hoger beroep: [44]
Hierop strandt het subonderdeel.
Vanuit de lezing van het hof van de mededelingen van [eiseres 1] van 20 en 23 maart 2015, die m.i. standhoudt in cassatie (zie ook onder 4.8 en 4.10 hiervoor), is het niet onjuist of onbegrijpelijk dat het hof tot het oordeel is gekomen dat de Gemeente (en niet [eiseres 1] ) een ingebrekestelling had moeten sturen. Ik merk op dat de vraag of de Gemeente of [eiseres 1] een ingebrekestelling had moeten sturen ook uitgebreid aan de orde is geweest tijdens de zitting in hoger beroep (zie de passage aangehaald onder 3.9 hiervoor). [48] Dat draagt ook bij aan de begrijpelijkheid van het oordeel van het hof op dit punt.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Volgens het subonderdeel blijkt uit de mededelingen van 20, 23 en 25 maart 2015 dat de Gemeente ervan uit mocht gaan dat een aanmaning “nutteloos” zou zijn, hetgeen volgens het subonderdeel nog eens wordt bevestigd door de brief van 7 april 2015. [49] Volgens het subonderdeel is een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldenaar voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld vervat in de brieven van de Gemeente van 2, 13 en 21 april 2015. Het subonderdeel stelt dat de Gemeente zich op voormelde brieven van [eiseres 1] en de Gemeente heeft beroepen en dat zij heeft aangevoerd dat zij de mededelingen van [eiseres 1] opvatte als een beëindiging in onvoltooide staat en geen ingebrekestelling nodig was omdat dit nutteloos zou zijn geweest. [50] Volgens het subonderdeel diende het hof daarom de rechtsgronden bij de vorderingen en verweren van de Gemeente op grond van art. 25 Rv Pro aan te vullen.
Volgens het subonderdeel had het hof, zo nodig door de rechtsgronden aan te vullen op grond van art. 25 Rv Pro, de vorderingen en verweren van de Gemeente ook in de sleutel van art. 6:82 lid 2 BW Pro moeten beoordelen. Op grond van art. 6:82 lid 2 BW Pro kan, indien uit de houding van de schuldenaar blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn, de ingebrekestelling plaatsvinden door een schriftelijke mededeling waaruit blijkt dat de schuldenaar voor het uitblijven van de nakoming aansprakelijk wordt gesteld. Het mag zo zijn dat de Gemeente in eerste aanleg [51] heeft gesteld dat een aanmaning nutteloos zou zijn. Ik wijs ter illustratie naar het proces-verbaal van de comparitie in eerste aanleg: [52]
(…)
2.20 Tot slot een enkel woord over de ingebrekestelling. Dit was volgens de Gemeente niet aan de orde. Een aanmaning was op dat moment, tegen de achtergrond van de stellingen die [eiseres 1] op dat moment betrok, zinloos.”
mededelingvan de schuldenaar moet afleiden dat deze zal tekortschieten (art. 6:83 aanhef Pro en onder c BW) en het geval dat uit de
houdingvan de schuldenaar blijkt dat aanmaning nutteloos zou zijn (art. 6:82 lid 2 BW Pro). In het eerste geval treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in; in het tweede geval is volgens de wet wél een ingebrekestelling nodig, zij het dat kan worden volstaan met een aansprakelijkstelling (dus zonder dat voor correcte nakoming nog een termijn wordt gegeven). Terecht is dit onderscheid door uw Raad krachteloos gemaakt. Als bepalend is wat redelijkerwijs van partijen en in het bijzonder van de schuldeiser mag worden verwacht, zijn daarvoor immers álle omstandigheden van het geval van belang. Of de schuldenaar meer of minder duidelijk heeft laten merken niet te zullen nakomen, is slechts een relevant gezichtspunt en niet op voorhand doorslaggevend. Bovendien is het maar de vraag of in dat verband het onderscheid tussen een mededeling en de houding van de schuldenaar enigszins werkbaar is. Mijns inziens is het dat niet, reeds omdat mededelingen ook stilzwijgend kunnen worden gedaan (art. 3:37 lid 1 BW Pro). Het enige wat aan art. 6:82 lid 2 BW Pro thans eventueel nog kan worden ontleend, is dat van een schuldeiser soms weliswaar niet zal kunnen worden verwacht dat hij aan de schuldenaar nog een termijn voor nakoming gunt, maar wel dat hij de schuldenaar aansprakelijk stelt, namelijk in het geval dat de schuldenaar zonder zodanige mededeling op die aansprakelijkheid niet of niet in volle omvang bedacht behoeft te zijn.”
[cursivering in origineel, zonder voetnoten uit origineel, A-G]
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het hof overweegt in rov. 3.9 van het arrest onder meer dat “[v]oor zover de Gemeente meende dat het opgedragen werk niet was afgerond, de Gemeente [eiseres 1] op grond van paragraaf 46 lid 1 UAV 1989 en 6:83 BW [bedoeld zal zijn: art. 6:82 BW Pro, A-G] in gebreke [had] moeten stellen en daarbij [had] moeten concretiseren waaruit een tekortkoming van [eiseres 1] had bestaan.” Daaruit blijkt reeds dat het hof niet heeft geoordeeld dat art. 6:83, aanhef en onder c, BW of art. 6:82 lid 2 BW Pro vanwege par. 46 lid 1 UAV 1989 geen toepassing vindt. Uit par. 46 lid 1 UAV 1989 blijkt, voor zover hier relevant, slechts dat de ingebrekestelling schriftelijk moet geschieden en dat de opdrachtgever de aannemer daarbij een redelijke termijn moet stellen om alsnog zijn verplichtingen na te komen (zie ook rov. 3.5 van het arrest, weergegeven onder 3.10 hiervoor). De aanname waar het subonderdeel op is gestoeld, ontbeert dus feitelijke grondslag. Dit kan aan de hand van het procesverloop nog als volgt worden toegelicht.
In rov. 4.11 van het tussenvonnis heeft de rechtbank, voor zover relevant, het volgende overwogen:
40. Daarenboven laat de rechtbank het verweer van [eiseres 1] onbesproken dat verzuim zonder ingebrekestelling niet aan de orde kan zijn bij toepassing van par. 46 lid 1 UAV 1989, nu deze bepaling als specialis vóór gaat op art. 6:83 sub c BW Pro.
5.49. Dat in een dergelijke situatie geen ingebrekestelling is vereist, ook niet als de UAV 1989 van toepassing zijn, is overigens ook de lijn in de jurisprudentie van de Raad van Arbitrage. De Gemeente verwijst naar randnummer 45 van de spreekaantekeningen van 7 maart 2018 en de aldaar aangehaalde jurisprudentie.
5.50. Ten slotte gaat ook het argument van [eiseres 1] dat paragraaf 46 UAV 1989 als specialis zou voorgaan boven artikel 6:83 BW Pro niet op. Dit argument veronderstelt een niet bestaande tegenstelling of tegenstrijdigheid tussen het bepaalde in paragraaf 46 en het bepaalde in artikel 6:83 BW Pro. In paragraaf 46 is niets bepaald over de situatie zoals bedoeld in artikel 6:83 sub c BW Pro, laat staan iets tegenstrijdigs. Dit bekent dat artikel 6:83 sub c BW Pro onverkort zijn werking heeft in aanvulling op het bepaalde in paragraaf 46 UAV 1989.”
Hierop strandt het subonderdeel.
Ten eerste is de oordeelsvorming van het hof in dat geval volgens het subonderdeel innerlijk tegenstrijdig met rov. 3.8 van het arrest. Ten tweede maakt het hof in dat geval volgens het subonderdeel niet (voldoende) inzichtelijk welk standpunt van [eiseres 1] het hof precies onderschrijft. Ten derde maakt het hof volgens het subonderdeel ook niet (voldoende) inzichtelijk op welke gronden het hof enig standpunt van [eiseres 1] onderschrijft, mede gelet op het gemotiveerde verweer daartegen van de Gemeente. [60]
Het oordeel van het hof in rov. 3.9-3.12 van het arrest rust niet op een onderschrijving van het standpunt van [eiseres 1] dat zij bepaalde werkzaamheden die zijn opgenomen in bijlage 1 bij Addendum II RVW niet hoefde uit te voeren. Het hof heeft dat immers in het midden gelaten (zie ook onder 4.4 hiervoor). Het hof geeft in rov. 3.9 van het arrest zowel het standpunt van [eiseres 1] als het standpunt van de Gemeente ten aanzien van de werkzaamheden die zijn opgenomen in de desbetreffende bijlage weer en overweegt vervolgens, kort gezegd, dat voor zover de Gemeente meende dat het (in bijlage 1 bij Addendum II RVW opgenomen) werk niet was afgerond, de Gemeente een ingebrekestelling had moeten sturen en dat de Gemeente had kunnen en moeten begrijpen dat [eiseres 1] er juist naar streefde om de “scope einde werk” (zoals gedefinieerd in bijlage 1 bij Addendum II RVW) tot een goed einde te brengen. Van een ontoereikend gemotiveerd oordeel van het hof om de redenen genoemd door het subonderdeel kan dus geen sprake zijn, nu de premisse waarop het subonderdeel is gebaseerd berust op een verkeerde lezing van het arrest en het subonderdeel daarmee feitelijke grondslag mist.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Onder de feiten heeft het hof vastgesteld dat “[b]ij brief van 31 maart 2015 [eiseres 1] aan de Gemeente een gereedmelding [heeft] gestuurd aan de hand van een lijst van MMC’s en ABC’s met het verzoek om een schriftelijke reactie” en dat “[d]ie reactie is uitgebleven” (zie ook onder 2.21 hiervoor). Deze brief is door [eiseres 1] ook aangemerkt als een gereedmelding. [61] Dat de Gemeente niet op deze brief van 31 maart 2015 heeft gereageerd staat gelet op rov. 2.21 van het arrest, die in cassatie niet wordt bestreden, ook vast. Het oordeel van het hof in rov. 3.9 van het arrest dat het hof niet op de gereedmelding heeft gereageerd is in zoverre niet onbegrijpelijk en het hof is daarmee ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden.
Het hof overweegt in rov. 3.9 van het arrest voorts dat de Gemeente “niet [is] ingegaan op het verzoek van [eiseres 1] om het werk op te nemen” en dat “ [eiseres 1] zich in dat verband [heeft] beroepen op paragraaf 9 UAV 1989.” Dat heeft m.i. geen betrekking op de brief van 31 maart 2015. Kennisneming van de inhoud van deze brief [62] leert immers dat daarin niets staat vermeld over een opneming van het werk en ook geen beroep wordt gedaan op par. 9 UAV 1989. Het lijdt geen twijfel dat het hof met deze passage verwijst naar een andere brief, naar ik aanneem naar de brief van [eiseres 1] van 7 april 2015. [63] Het hof vat de inhoud van deze brief samen in rov. 2.23 van het arrest (zie ook onder 2.23 hiervoor). Daaruit blijkt onder meer (zie het zevende gedachtestreepje):
Het oordeel van het hof is evenmin onbegrijpelijk met het oog op de tweede reden die het subonderdeel noemt. Het mag zo zijn dat de Gemeente wel heeft gereageerd op de brief van [eiseres 1] van 7 april 2015, waar het echter om gaat is dat, zoals het hof in rov. 3.9 van het arrest overweegt, “[n]iet duidelijk is geworden wat op 31 maart 2015 het standpunt van de Gemeente was met betrekking tot de door [eiseres 1] verrichte werkzaamheden (of en in hoeverre er aan de
scope einde werkwas voldaan, welk overeengekomen meerwerk in de visie van de gemeente nog had[…] moet[en] worden verricht, welke gebreken er hersteld hadden moeten worden, enz).” Met dit oordeel is het hof evenmin buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Deze constatering van het hof is immers de consequentie van het oordeel van het hof in rov. 3.9 van het arrest dat de Gemeente ten onrechte heeft nagelaten [eiseres 1] op grond van par. 46 lid 1 UAV 1989 en art. 6:82 BW Pro in gebreke te stellen, waarbij de Gemeente had moeten concretiseren waaruit een tekortkoming van [eiseres 1] had bestaan. Dat de Gemeente heeft nagelaten een dergelijke ingebrekestelling te versturen, heeft [eiseres 1] wel degelijk aan haar vordering ten grondslag gelegd. [64] Hierop stuit het subonderdeel af.
Voor zover het subonderdeel voortbouwt op de subonderdelen 1.1 en 1.2 deelt het in het lot van die subonderdelen (zie onder 4.8 en 4.10 hiervoor). Voor zover het subonderdeel tot uitgangspunt neemt dat het hof heeft geoordeeld dat de Gemeente verplicht zou zijn geweest om een vordering tot nakoming tegen [eiseres 1] in te stellen, berust het op een verkeerde lezing van die rechtsoverweging en faalt het dus bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof constateert in rov. 3.9 van het arrest slechts dat “[o]verleg daarover [of en in hoeverre er aan de scope einde werk was voldaan, welk overeengekomen meerwerk in de visie van de Gemeente nog had moeten worden verricht, welke gebreken er hersteld hadden moeten worden, etc., A-G] dan wel een vordering tot nakoming zijn uitgebleven.” Over de houding van [eiseres 1] die het subonderdeel tot uitgangspunt neemt, merk ik verder nog het volgende op. De houding van [eiseres 1] was volgens het hof dat zij ernaar streefde om de “scope einde werk” tot een goed einde te brengen. Niet is komen vast te staan dat [eiseres 1] de overeengekomen werkzaamheden van bijlage 1 bij Addendum II RVW slechts ten dele wilde voltooien. Het was slechts een voldongen feit dat [eiseres 1] geen nieuwe meerwerkopdrachten meer zou accepteren en dat zij zich na afronding van de “scope einde werk” uit het Project zou terugtrekken, hetgeen, mede gelet op art. 36 lid 3 UAV Pro 1989 (waarover onder 4.4 hiervoor), haar goed recht was.
Hierop stuit het subonderdeel af.
In de brief van de Gemeente van 13 april 2015 (zie ook onder 2.24 hiervoor) heeft de Gemeente vier voorbeelden van MMC’s genoemd waaruit volgens de Gemeente tijdens de standopname is geconstateerd dat de “scope einde werk” niet of niet volledig is uitgevoerd. De voorbeelden betreffen MMC 10.008, MMC 10.039, MMC 10.216 en MMC 10.217. [70] Het hof overweegt in rov. 3.9 van het arrest eerst dat [eiseres 1] door het niet sturen van een ingebrekestelling door de Gemeente niet in de gelegenheid is gesteld mogelijke gebreken te herstellen en, voor zover dat niet zou zijn gebeurd, werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” uit te voeren en overweegt vervolgens dat “[h]et noemen van voorbeelden in de brief van 13 april 2015 […] in dat verband niet [volstaat].” Dragend voor het oordeel van het hof is dus dat met deze vier voorbeelden de verbintenis in de nakoming waarvan [eiseres 1] volgens de Gemeente tekortschoot of zou schieten niet voldoende is gespecificeerd. De Gemeente heeft, zoals het hof in rov. 3.9 van het arrest ook overweegt, nagelaten te concretiseren waaruit een tekortkoming van [eiseres 1] had bestaan. Vervolgens gaat het hof nog nader in op de vier genoemde MMC’s. In dat verband overweegt het hof nog dat onder meer MMC 10.236 niet staat opgenomen in bijlage 1 van Addendum II RVW, dat ter zitting is gebleken dat MMC 10.216 na een sommatie bij e-mail van 18 maart 2015 naar tevredenheid was afgehandeld en “dat het de vraag is of MMC 10.008 en MMC 10.217 al dan niet konden worden uitgevoerd vanwege een relatie met de niet opgedragen MMC 10.236”. [71] Met die laatste overweging verwijst het hof dus naar de mededeling van [eiseres 1] dat zij alle werkzaamheden behorend tot de “scope einde werk” zal afronden, met uitzondering van wijzigingen die te onbepaald van inhoud waren en pas konden worden uitgevoerd nadat de Gemeente definitief een beslissing had genomen over een andere wijziging, zoals hier dus de niet opgedragen MMC 10.236. Wat daarvan zij, deze overweging is niet dragend voor het oordeel van het hof dat het noemen van voorbeelden zoals de Gemeente in de brief van 13 april 2015 heeft gedaan niet volstond als ingebrekestelling.
Het komt mij dienstig voor nog nader in te gaan op de vier in de brief van de Gemeente van 13 april 2015 genoemde MMC’s en op hetgeen daarover in hoger beroep door beide partijen naar voren is gebracht. Ik stel in de eerste plaats vast dat alle vier de MMC’s in de bijlage bij Addendum II RVW worden genoemd, maar op dat moment nog op “nee” staan bij de kolom MMC en/of de kolom ABC. [72] In het Exceloverzicht bij de e-mail van 9 maart 2015 [73] staan de vier genoemde MMC’s niet in kolom 4 (“ABC overeengekomen, moet nog worden ondertekend”) of kolom 5 (“ABC formeel in opdracht”), maar in kolom 2 (“MMC raming voor deal”) of kolom 3 (“ABC concept ingediend”). [74] Zie over deze kolommen ook onder 2.15 en 2.18 hiervoor.
In haar memorie van grieven merkt [eiseres 1] in dit verband onder meer het volgende op:
Krachtens par. 9 lid 3 UAV 1989 moet de opdrachtgever na opname van het werk binnen acht dagen schriftelijk meedelen “of het al dan niet is goedgekeurd, in het laatste geval met opgaaf van de gebreken, die de redenen voor de onthouding van de goedkeuring zijn”.
Bovendien heeft [eiseres 1] geen idee wat zij dan exact had moeten uitvoeren, indien de gemeente het gelijk aan haar zijde zou hebben en deze 4 MMC’s geen enkel raakvlak zouden [hebben] met de nooit opgedragen MMC’s.
- MMC 10.039: het decentrale ventilatiesysteem dat op grond van deze MMC moest worden aangebracht in de accuruimte op station Weesperplein, was niet geplaatst;
Tot slot wijs ik er nog op dat voor zover het subonderdeel voortbouwt op subonderdeel 1.4, het subonderdeel deelt in het lot van dat subonderdeel (zie onder 4.14 hiervoor).
Hierop loopt het subonderdeel spaak.
Het standpunt van de Gemeente in de in subonderdeel 1.7 genoemde brieven (zie onder 2.22, 2.24 en 2.25 hiervoor) [83] was steeds hetzelfde, namelijk dat [eiseres 1] de scope einde werk in onvoltooide staat zou hebben beëindigd en dat van een opneming van het werk in de zin van par. 9 UAV 1989 geen sprake kon zijn. De Gemeente is vervolgens in de loop van april 2015 begonnen met een standopname van de door [eiseres 1] verrichte werkzaamheden met betrekking tot de scope einde werk die kennelijk tot in mei 2015 heeft voortgeduurd. [84] Aan deze standopname zijn ook de vier door de Gemeente in de brief van 13 april 2015 genoemde MMC’s ontleend die volgens de Gemeente niet of niet volledig zouden zijn uitgevoerd. [85] Deze opneming door de Gemeente was er niet op gericht [eiseres 1] in de gelegenheid te stellen mogelijke gebreken aan de verrichte werkzaamheden te herstellen en, voor zover dat niet zou zijn gebeurd, werkzaamheden behorend tot de scope einde werk uit te voeren. In de brief van 2 april 2015 gaf de Gemeente al te kennen dat zij volgens haar niet voltooide werkzaamheden aan derden zou opdragen en in de brief van 21 april 2015 deelt de Gemeente ook daadwerkelijk mee dat de toegang tot het werk per 1 mei 2015 aan [eiseres 1] wordt ontzegd, om te voorkomen dat de staat van het werk na standopname wijzigt en omdat derden per die datum met werkzaamheden zouden starten. Tegen deze achtergrond is het oordeel van het hof in rov. 3.9 van het arrest dat overleg na 31 maart 2015 over of, en in hoeverre, er aan de scope einde werk was voldaan, welk overeengekomen meerwerk in de visie van de Gemeente nog had moeten worden verricht, welke gebreken er hersteld hadden moeten worden, etc., is uitgebleven niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Uit het oordeel van het hof in rov. 3.9 van het arrest blijkt dat de Gemeente op het moment dat dat had moeten gebeuren (uiterlijk naar aanleiding van een schriftelijke ingebrekestelling) onvoldoende concreet kenbaar heeft gemaakt wat er aan de werkzaamheden van [eiseres 1] schortte.
Aan het directieoverleg van 25 maart 2015 heeft het hof m.i. ook niet voorbijgezien. Dit directieoverleg is immers aan de orde gekomen tijdens de zitting in hoger beroep: [86]
Jongste raadsheer: Op 7 april 2015 heeft een opname plaatsgevonden. Na 31 maart 2015 zijn nog werkzaamheden verricht, waarop zagen die werkzaamheden?[projectmanager 1] [projectmanager aan de zijde van [eiseres 1] , A-G]: Kleine dingen, denk aan opruimingen. Wij waren niet op de hoogte van de opneming van [het] werk. Daar waren we niet voor uitgenodigd.
Mr. Le Haen-de Croon [advocaat van de Gemeente, A-G]: Op 25 maart 2015 heeft overleg plaatsgevonden op directie niveau en toen is hierover gesproken. Het was volgens de gemeente een standopname en niet een oplevering. Er was urgentie, want het ging om veiligheid en er moest wel vaart gemaakt worden. Daarom is een derde aangenomen. [eiseres 1] zei dat ze twee mensen beschikbaar hadden voor de opname. Het is evident onjuist dat [eiseres 1] niet is uitgenodigd.
Laan [contractmanager aan de zijde van [eiseres 1] , A-G]: Er is gesproken over een gezamenlijke opname, maar partijen werden het niet eens, dus wij hebben niet meegedaan. Wij zijn – anders dan zojuist werd gezegd, we hebben het even nagekeken – inderdaad wel uitgenodigd.”
Voor zover moet worden aangenomen dat [eiseres 1] niet (steeds) bij de opnemingen in april-mei 2015 aanwezig is geweest, is ’s hofs oordeel in rov. 3.9 van het arrest evenmin onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Dat ontsloeg de Gemeente immers niet van de verplichtingen die het hof in rov. 3.9 van het arrest heeft aangenomen.
Hierop stuit het subonderdeel af.
Het hof merkt in rov. 1 van het arrest op dat [eiseres 1] in hoger beroep bewijs van haar stellingen heeft aangeboden (zie ook onder 3.8 hiervoor). Het onderdeel stelt terecht dat het hof geen kenbare aandacht heeft besteed aan het bewijsaanbod dat de Gemeente aan haar reconventionele vorderingen ten grondslag heeft gelegd. In eerste aanleg heeft de Gemeente in haar conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie het volgende bewijsaanbod gedaan: [90]
- het werk van [eiseres 1] niet klaar was per 31 maart 2015;
- [eiseres 1] met betrekking tot een groot deel van het niet uitgevoerde werk ontkende een opdracht te hebben; en
- door het beëindigen van het werk van [eiseres 1] stagnatie is ontstaan,
alsmede van de door haar gevorderde kosten van uitvoering door derden en haar aanspraak naar aanleiding van het boekenonderzoek.
222. De Gemeente kan haar stellingen bewijzen door alle middelen rechtens, waaronder het horen van getuigen, zoals de betrokkenen aan haar zijde die de standopname van het onvoltooide werk hebben uitgevoerd, de projectmanager en -leider die aanwezig waren bij het contractoverleg van 20 maart 2015, en de facturen die ten grondslag liggen aan de kosten die de Gemeente heeft moeten maken in verband met het laten uitvoeren van het werk door derden.”
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens eis in reconventie van 10 mei 2017;
(…).”
voor zover de Gemeente meende dat het opgedragen werk niet was afgerondde Gemeente [eiseres 1] in gebreke had moeten stellen en daarbij moeten concretiseren waaruit een tekortkoming van [eiseres 1] had bestaan, hetgeen de Gemeente ten onrechte heeft nagelaten. De stellingen die in het onderdeel met (i) en (ii) worden aangeduid, zouden dus, indien bewezen, niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
Hierop stuit het onderdeel af.