AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling stiefvader voor langdurig seksueel misbruik van verstandelijk beperkte stiefdochter
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar, waarvan één jaar voorwaardelijk, wegens het plegen van seksuele handelingen met zijn verstandelijk beperkte stiefdochter over een periode van elf jaar. Het hof stelde vast dat de benadeelde partij een lichte verstandelijke beperking en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis heeft, waardoor zij niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken. De verdachte was zich hiervan bewust en maakte misbruik van haar kwetsbaarheid.
De verdachte stelde cassatie in tegen onder meer de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, terwijl zij onder bewind stond en niet werd vertegenwoordigd door haar bewindvoerder. De Hoge Raad verwierp deze middelen en bevestigde dat het hof de benadeelde partij ontvankelijk heeft verklaard, mede omdat de verdachte ten tijde van het indienen van de vordering haar bewindvoerder was en de belangen van de benadeelde partij goed zijn behartigd.
De Hoge Raad oordeelde verder dat het hof de bewijsvoering en motivering omtrent de wetenschap van de verdachte over de geestestoestand van het slachtoffer en de strafoplegging voldoende heeft onderbouwd. De immateriële schadevergoeding werd vastgesteld op €10.000, waarbij de rest van de vordering niet-ontvankelijk werd verklaard wegens onevenredige belasting van het strafgeding.
De Hoge Raad verwierp de cassatieklachten en bevestigde het arrest van het hof, waarbij de straf en de schadevergoedingsmaatregel in stand bleven.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de vierjarige gevangenisstraf en de schadevergoedingsmaatregel aan het slachtoffer wegens langdurig seksueel misbruik door de stiefvader.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03078
Zitting6 september 2022
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1963,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1. De verdachte is bij arrest van 20 juli 2021 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens 1 subsidiair “met iemand van wie hij weet dat hij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens lijdt dat zij niet of onvolkomen in staat is haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden als in het arrest omschreven, met aftrek van voorarrest. Verder heeft het hof aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, beslist op de vordering van de benadeelde partij en aan de verdachte een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft vier middelen van cassatie voorgesteld. Namens Bewindvoerderskantoor [A] B.V., de bewindvoerder van de benadeelde partij, en de benadeelde partij heeft R. Korver, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift tegen het vierde middel van de verdediging ingediend.
3. Namens Bewindvoerderskantoor [A] B.V., de bewindvoerder van de benadeelde partij, en de benadeelde partij heeft R. Korver, advocaat te Amsterdam, één middel van cassatie voorgesteld. Namens de verdachte heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, daartegen een verweerschrift ingediend.
Het eerste namens de verdachte voorgestelde middel
4. Het middel klaagt dat het hof het verzoek om een deskundige te benoemen en te laten rapporteren heeft afgewezen op gronden die dit oordeel niet kunnen dragen, aangezien het oordeel van het hof dat het deskundigenverzoek onvoldoende onderbouwd is niet zonder meer begrijpelijk is.
5. Uit de stukken van het geding blijkt het volgende.
(i) De raadsman van de verdachte heeft bij tijdige appelschriftuur verzocht een deskundige te benoemen en deze op te dragen te rapporteren over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.
(ii) Het hof heeft op 2 november 2020 een regiezitting gehouden in de zaak tegen de verdachte. Het proces-verbaal van die terechtzitting houdt in dat de raadsman een nadere toelichting heeft gegeven op de onderzoekswensen die hij heeft opgegeven bij appelschriftuur, waaronder het verzoek om een deskundige te benoemen met de opdracht om een onderzoek te verrichten naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster.
(iii) Het hof heeft het verzoek bij tussenarrest van 16 november 2020 afgewezen en daartoe het volgende overwogen:
“Naar het oordeel van het hof heeft de raadsman het verzoek met betrekking tot de deskundige ook onvoldoende onderbouwd. Naar aanleiding van de inhoudelijke behandeling van de zaak dient het hof de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [slachtoffer] , bezien in samenhang met de inhoud van andere dossierstukken en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, te zijner tijd zelf te beoordelen, te waarderen en te wegen. Het hof acht het niet noodzakelijk zich te laten voorlichten door een deskundige om te zijner tijd te kunnen beslissen op de door het openbaar ministerie en de verdediging ingestelde hoger beroepen. Daarom wordt het verzoek met betrekking tot de deskundige eveneens afgewezen.”
(iv) Vervolgens hebben op 29 januari 2021 en 26 april 2021 pro forma-zittingen plaatsgevonden, waarbij het hof telkens anders was samengesteld dan ten tijde van het wijzen van het tussenarrest van 16 november 2020.
(v) Op 6 juli 2021 heeft het hof de zaak tegen de verdachte inhoudelijk behandeld. Het hof was toen (opnieuw) anders samengesteld dan ten tijde van het wijzen van het tussenarrest van 16 november 2020. Het proces-verbaal van de terechtzitting vermeldt niet dat het onderzoek ter terechtzitting opnieuw is aangevangen noch dat het onderzoek met instemming van de procesdeelnemers is hervat. Uit het proces-verbaal blijkt wel dat de advocaat-generaal de zaak heeft voorgedragen en dat de verdachte in de gelegenheid is gesteld om mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven. Verder houdt noch het proces-verbaal van de terechtzitting noch de daaraan gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte in dat toen opnieuw is verzocht om een deskundige te benoemen.
(vi) Het bestreden arrest houdt onder de aanhef “Onderzoek van de zaak” in dat de beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 6 juli 2021 en het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
6. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen, die ingevolge art. 415, eerste lid, Sv in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn, van belang:
- art. 315, derde lid, Sv:
Indien de rechtbank het noodzakelijk acht een nog niet op de terechtzitting gehoorde deskundige omtrent door hem uitgebrachte rapportage te horen, beveelt zij diens oproeping overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid. Indien de rechtbank een nieuwe deskundige onderzoek wenst op te dragen, benoemt zij, gehoord de officier van justitie en de verdachte, een deskundige en verleent zij hem de opdracht tot het uitbrengen van een schriftelijk verslag. De rechtbank kan de zaak, al dan niet met toepassing van artikel 316, tweede lid, voorts in handen stellen van de rechter-commissaris.
- art. 316, eerste lid, Sv:
“Indien enig onderzoek door de rechter-commissaris noodzakelijk blijkt, stelt de rechtbank met schorsing van het onderzoek ter terechtzitting onder aanduiding van het onderwerp van het onderzoek en, zo nodig, van de wijze waarop dit zal zijn in te stellen, de stukken in handen van de rechter-commissaris.”
- art. 322, vierde lid, Sv:
“Ook in het geval het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen blijven beslissingen van de rechtbank inzake de geldigheid van de uitreiking van de dagvaarding uit hoofde van artikel 278, eerste lid, beslissingen op verweren van de verdachte uit hoofde van artikel 283, eerste lid, beslissingen op vorderingen tot wijziging van de telastlegging alsmede beslissingen inzake het horen of de oproeping van getuigen of deskundigen ter terechtzitting uit hoofde van artikel 287 ofProartikel 288 inPro stand.”
7. Hoewel het proces-verbaal van de terechtzitting van 6 juli 2021 dit niet uitdrukkelijk vermeldt, volgt uit de omstandigheid dat de advocaat-generaal de zaak heeft voorgedragen en de verdachte in de gelegenheid is gesteld mondeling zijn bezwaren tegen het vonnis op te geven, dat het hof op die terechtzitting het onderzoek ter terechtzitting opnieuw heeft aangevangen. Dat vindt ook bevestiging in de vermelding in het bestreden arrest dat het is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van (alleen) 6 juli 2021.
8. Doordat het hof het onderzoek op 6 juli 2021 opnieuw heeft aangevangen, kan in deze cassatieprocedure alleen worden opgekomen tegen een afwijzende beslissing van het hof in het tussenarrest van 16 november 2020 voor zover sprake is van een beslissing in de zin van art. 322, vierde lid, Sv.
9. De beslissing van het hof op het verzoek van de raadsman om een deskundige te benoemen met de opdracht om een onderzoek te verrichten naar de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aangeefster is een beslissing op de voet van art. 315, derde lid, Sv dan wel art. 316, eerste lid, Sv in verbinding met art. 328 SvPro en art. 331, eerste lid, Sv, welke bepalingen ingevolge art. 415, eerste lid, Sv ook in hoger beroep van toepassing zijn. Op een dergelijke beslissing heeft art. 322, vierde lid, Sv geen betrekking. [1] Nu het onderzoek op de terechtzitting van 6 juli 2021 opnieuw is aangevangen, berust de bestreden uitspraak van het hof niet mede op de beslissing die het hof in het tussenarrest van 16 november 2020 heeft gegeven op het verzoek om een deskundige te benoemen. Dat betekent dat het middel tevergeefs is voorgesteld.
10. Het middel faalt.
Het tweede namens de verdachte voorgestelde middel
11. Het middel komt met drie klachten op tegen de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, voor zover inhoudende dat de verdachte wist dat de aangeefster aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, en de bewijsvoering.
12. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 21 juni 2008 tot en met 03 juli 2019 te [plaats] en [plaats] , met [slachtoffer] ,
van wie hij, verdachte, wist dat die [slachtoffer] aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [slachtoffer] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden,
handelingen heeft gepleegd, die (telkens) mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] ,
hebbende verdachte
- meermalen zijn penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer] gebracht en
- meermalen één of meer vinger(s)en/of zijn tong in de vagina van die [slachtoffer] gebracht.”
13. Deze bewezenverklaring heeft het hof als volgt gemotiveerd (met overneming van één voetnoot):
“In het verhoor van 6 augustus 2019 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard:
V: Hoe lang ken je [slachtoffer](het hof begrijpt: [slachtoffer] ) ?
A: Vanaf haar vijfde jaar.
In het verhoor van 7 augustus 2019 heeft verdachte – zakelijk weergegeven – verklaard:
V: Wie nam het initiatief?
A: Dat nam ik.
Verdachte heeft ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland – zakelijk weergegeven – verklaard:
U vraagt mij vanaf wanneer er seksuele handelingen tussen mij en [slachtoffer](het hof begrijpt: [slachtoffer] ) hebben plaatsgevonden. Dat is vanaf 2008 geweest. Eind 2008 is het begonnen.
U houdt mij de tenlastelegging voor. Het klopt dat ik meermalen mijn penis en vingers in haar vagina en mond heb gestopt. Ook het strelen van de borsten, de vagina, het laten vastpakken van de penis en het aftrekken, kloppen.
U houdt mij de stukken voor over haar afwijking, haar lichte verstandelijke beperking, haar IQ en haar afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Uit de test door [C] kwam een lager IQ naar voren. Ik wist dat zij op speciaal onderwijs zat. In het verleden werd gedacht aan het syndroom van Down. Dat was toen zij nog heel klein was.
Gelijkwaardig was het niet. In 2011 is ze bij stichting ‘ [B] gaan wonen.
Vanaf 2011/2012 was ik bewindvoerder; dat moest van ‘ [B] .
Zij heeft weerbaarheidstrainingen gevolgd, rond 2009, omdat ze moeite had relaties te beëindigen en omdat ze timide was. Ik heb haar zelf opgehaald van die training.
Wat betreft de WhatsApp-gesprekken tussen mij en [slachtoffer] klopt het dat met “plus” pijpen werd bedoeld en met “extra” seks.
Verdachte heeft ter terechtzitting van dit hof – zakelijk weergegeven – verklaard:
In 2008 beëindigde [slachtoffer](het hof begrijpt: [slachtoffer] ) haar relatie met [betrokkene 1] . Daarna hebben er pas seksuele handelingen tussen [slachtoffer] en mij plaatsgevonden. Toen vertelde zij mij dat zij tegen haar zin ruwe seks met [betrokkene 1] had gehad.
Het IQ van [slachtoffer] is in 2007 of 2008 getest door [C] .
U houdt mij voor dat getuige [betrokkene 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] graag wil ‘pleasen’ en moeilijk “nee” kan zeggen. Ik wist dat vanaf haar puberteit. Zij heeft in dat kader een weerbaarheidstraining bij [C] aangeboden gekregen.
Zij heeft er een handje van te zeggen wat anderen willen horen.
Tijdens het informatief gesprek zeden heeft getuige [slachtoffer] – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik ben [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , wonende aan de [a-straat 1] te [plaats] .
Begin september ga ik verhuizen, maar ik blijf wel bij ‘ [B] .
Sinds ik 22 jaar ben, woon ik begeleid. Daarvoor woonde ik bij mijn ouders.
V: Hoe heet jouw stiefvader?
A: [verdachte] .
V: Kan je vertellen wat er gebeurd is?
A: Wij hebben seks gehad.
V: Wat is seks?
A: Met zijn penis in mijn vagina.
V: Zij er nog andere dingen?
A: Ik heb hem gepijpt en afgetrokken en hij heeft mij ook gelikt en gevingerd.
V: Hoe vaak?
A: Heel vaak. Tot mijn operatie hebben wij nog seks gehad. Mijn operatie was op 4 juli 2019.
V: Was het gewenst?
A: Nee.
V: Hoe heb jij hem dat laten merken?
À: Niet, omdat ik dat niet kon. Omdat ik op dat moment dichtklapte.
V: Waar gebeurde het?
A: Op het adres [b-straat 1] te [plaats] , mijn ouderlijk huis.
V: Waar gebeurde, het tot 4 juli 2019?
A:Meerendeels waar ik nu woon. Ook op de [c-straat](het hof begrijpt: de [c-straat] te [plaats] ) .
In haar verhoor heeft getuige [betrokkene 3] - zakelijk weergegeven - verklaard:
A: Als je naar [slachtoffer](het hof begrijpt: [slachtoffer] ) kijkt, zie je eigenlijk een pubermeisje van een jaar of vijftien à zestien. Ik heb altijd gezegd dat ze wat mankeert. Dat zei ik al van baby af aan.
V: Wat weet [verdachte](het hof begrijpt: verdachte) van de verstandelijke beperking van [slachtoffer] ?
A: Hetzelfde als ik. Hij is op de hoogte.[voetnoot: Proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 3] , p. 121.]
In een geschrift uit de dossiergegevens van ‘ [B] is van [slachtoffer] – zakelijk weergegeven – het volgende beeld geschetst:
[slachtoffer](het hof begrijpt: [slachtoffer] ) is gediagnosticeerd met een lichte verstandelijke beperking. [slachtoffer] functioneert cognitief gezien op licht verstandelijk beperkt niveau (TIQ=69). Er is sprake van een achterstand in haar emotionele ontwikkeling (vergelijkbaar met een negenjarige). Haar sociale ontwikkeling ligt op twaalf- tot veertienjarig niveau en is passend bij haar cognitieve niveau. Wanneer [slachtoffer] (heftige) spanningen ervaart, functioneert zij emotioneel op een veel lager niveau (vergelijkbaar met het emotionele niveau van een kind van zes tot achttien maanden). Ook daalt dan haar niveau van sociale zelfredzaamheid tot ver onder licht verstandelijk beperkt niveau. Zij heeft dan baat bij begeleiding, waarbij geruststelling, veiligheid, nabijheid en het overnemen van zorg belangrijk zijn. De problemen die zij heeft op sociaal-emotioneel gebied voldoen aan de DSM-5-criteria van een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis.
In een brief van het UMC Utrecht van 18 september 2018 is - zakelijk weergegeven – het volgende vermeld:
Beste [slachtoffer](het hof begrijpt: [slachtoffer] ) ,
Bij een uitgebreid DNA-onderzoek is een verandering gevonden in een stukje DNA dat het BRPF1-gen heet.
Ik denk dat dit foutje in je DNA jouw (leer)problemen en uiterlijk verklaart.
In haar verhoor van 13 januari 2020 heeft getuige [betrokkene 4] , gedragswetenschapper bij ‘ [B] – zakelijk weergegeven – verklaard:
[slachtoffer](het hof begrijpt: [slachtoffer] ) heeft niet alleen een verstandelijke beperking, maar ook een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis.
Dat betekent dat zij het ontzettend moeilijk vindt om “nee” te zeggen tegen mensen die voor haar belangrijk zijn. Dit betekent ook dat zij zich zal voegen naar wat zij denkt dat die ander wil horen, zelfs als dat voor haar betekent dat ze hele nare handelingen moet uitvoeren. Zij heeft het nodig dat belangrijke personen in haar leven haar erkennen. Haar ouders zijn belangrijk voor haar. Zij vindt het belangrijk dat haar ouders haar aardig blijven vinden.
Getuige [betrokkene 2] heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:
Nadat het uit was gekomen vertelde [slachtoffer](het hof begrijpt: [slachtoffer] ) mij dat zij en [verdachte](het hof begrijpt: verdachte) seks hadden gehad. Ik wilde twee dingen weten: hoe oud ze was en of ze ooit nee had gezegd. [slachtoffer] antwoordde dat ze nooit nee of stop had gezegd of had aangegeven dat ze het niet wilde. Ze vertelde dat het gebeurde toen ik al het huis uit was. Ik ben weggegaan toen ik boven de achttien was. Wij zijn even oud.
Bewijsoverweging
Vast staat dat er tussen verdachte en het slachtoffer seksuele handelingen hebben plaatsgevonden die mede hebben bestaan uit het binnendringen van het lichaam van het slachtoffer.
Aan verdachte is ten laste gelegd (op grond van artikel 243 vanPro het Wetboek van Strafrecht (Sr)) dat hij seksuele die handelingen heeft gepleegd met het slachtoffer, terwijl zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Het bestanddeel “daaromtrent” ziet daarbij op de gepleegde seksuele handelingen.
Bij wet van 9 oktober 1991, Stb. 1991, 519, is door de toevoeging van een zinsnede aan de delictsomschrijving van artikel 243 vanPro het Wetboek van Strafrecht de reikwijdte van die bepaling verruimd. Door deze toevoeging werd ook strafbaar gesteld het plegen van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam met iemand van wie hij weet dat die persoon lijdt aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever met deze verruiming heeft beoogd ook bescherming te bieden aan volwassenen met een verstandelijke beperking. De wetgever heeft echter niet absoluut willen verbieden dat volwassenen met een verstandelijke beperking seksuele contacten hebben. Indien immers de vraag of zij voldoende in staat zijn hun wil ten aanzien van de seksuele contacten te bepalen slechts op grond van hun intellectuele capaciteiten ontkennend zou moeten worden beantwoord, zou dit als consequentie hebben dat elk seksueel contact met personen met dergelijke beperkingen zou kunnen leiden tot strafrechtelijke aansprakelijkheid voor de seksuele partner. Voor dergelijke personen zou dit tot gevolg hebben dat seksuele contacten met andere volwassenen - bijvoorbeeld met de eigen levenspartner - bijna onmogelijk wordt gemaakt. Dit zou inhouden dat hen elke vorm van seksuele zelfbeschikking zou worden ontzegd, hetgeen in strijd zou kunnen komen met artikel 8 vanPro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Anderzijds verdienen dergelijke kwetsbare personen strafrechtelijke bescherming tegen hen, die misbruik van hun kwetsbaarheid maken.
Bij de beoordeling van de vraag of een dergelijke persoon in staat is haar wil omtrent seksuele handelingen te bepalen, hangt dit niet slechts af van haar verstandelijke vermogens als zodanig, maar dienen de daarbij de overige omstandigheden van het geval mede in ogenschouw te worden genomen. Daarbij kan (bijvoorbeeld) betekenis toekomen aan de relatie tussen desbetreffende persoon en verdachte, de vraag of sprake is van ongelijke machtsverhoudingen of overrompelend gedrag van verdachte en de mate van de verstandelijke beperking in samenhang met de vraag in hoeverre de verstandelijk beperkte persoon in staat is haar wil te uiten (Gerechtshof Amsterdam, 26 november 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:4945).
Als waarborg tegen een te ruime toepassing van artikel 243 SrPro geldt daarom voor de strafbaarheid van de handeling bestaande uit het seksueel binnendringen van het lichaam een zogenaamd “dubbel vereiste”. Dit dubbele vereiste bestaat eruit dat vast dient te staan dat:
- het slachtoffer leed aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogen dat zij daardoor niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken en daartegen weerstand te bieden,
én
- dat de verdachte wist van die geestestoestand en het daaruit voortvloeiende wilsgebrek, dan wel dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat daarvan sprake was.
Het hof oordeelt in deze als volgt. Verdachte is 26 jaar ouder dan aangeefster en heeft vanaf het moment dat het slachtoffer vijf jaar was een belangrijke (vader)rol in haar leven vervuld. Daarnaast is verdachte sinds 2011 haar bewindvoerder geweest. Verdachte was zodoende nauw bij het slachtoffer betrokken en goed op de hoogte van haar situatie.
Uit dossier volgt dat het slachtoffer een genafwijking heeft, in de vorm van een mutatie in het zogeheten BRPF1-gen met de daarbij horende lichamelijke en geestelijke kenmerken. Het slachtoffer is ook gediagnosticeerd met een lichte verstandelijke beperking en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Zij vindt het hierdoor moeilijk om “nee” te zeggen juist ook tegen mensen die voor haar belangrijk zijn. Dit betekent volgens de gedragswetenschapper van ‘ [B] ook dat zij zich zal voegen naar wat zij denkt dat de ander wil horen, zelfs als dat voor haar betekent dat ze heel nare handelingen moet uitvoeren.
Uit de verklaring van de moeder van het slachtoffer volgt dat verdachte ‘alles was’ voor haar dochter. Ook volgt uit haar verklaring dat haar dochter, nu 30 jaar oud, oogt als een pubermeisje in de leeftijd van vijftien à zestien jaar, en dat verdachte op de hoogte was en is van de beperkingen van het slachtoffer.
Verdachte heeft bovendien zelf verklaard dat hij wist dat er in het verleden werd gedacht aan het syndroom van Down, dat het slachtoffer speciaal onderwijs volgde, dat door [C] in 2007 of 2008 een lichte verstandelijke beperking bij het slachtoffer is vastgesteld, dat zij had aangegeven tegen haar zin harde seks met haar ex-vriend had gehad en dat zij een weerbaarheidstraining heeft gevolgd, omdat zij moeite had met het beëindigen van relaties.
Op grond van het voorgaande concludeert het hof dat:
- bij het slachtoffer sprake was van een lichte verstandelijke beperking en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, en
- het niet anders kan dan dat verdachte, voordat hij seksuele handelingen met het slachtoffer had verricht, bekend was met die verstandelijke beperking en, later, met de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en de gevolgen van die beperking en stoornis.
Desondanks heeft verdachte seksuele handelingen bij het slachtoffer verricht, wetende dat het slachtoffer haar wil daaromtrent niet of onvolkomen kon bepalen of kenbaar maken of daartegen weerstand te bieden. Het hof acht daarom het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.
Mede op basis van de verklaring van getuige [betrokkene 2] gaat het hof uit van een kortere bewezen verklaarde periode. Deze getuige heeft gemotiveerd verklaard dat het ten laste gelegde heeft plaats gevonden na de achttiende verjaardag van [slachtoffer] .”
14. De eerste klacht houdt in dat de door het hof voor de bewezenverklaring redengevend geoordeelde en in de nadere bewijsoverweging genoemde feiten en omstandigheden niet uit de bewijsmiddelen kunnen blijken en het hof evenmin het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het die feiten en omstandigheden heeft ontleend, zodat het bewezenverklaarde niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat uit de door het hof tot het bewijs gebezigde verklaring van getuige [betrokkene 3] niet kan volgen dat de verdachte alles was voor de aangeefster, terwijl het hof evenmin het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het dat feit of die omstandigheid heeft ontleend.
15. Bij de beoordeling van deze klacht dient het volgende te worden vooropgesteld. Als het gaat om feiten of omstandigheden die door de rechter redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, dient de rechter die zich − al dan niet in reactie op een bewijsverweer − beroept op bepaalde gegevens die niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging die feiten of omstandigheden aan te duiden en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend. [2]
16. Het middel klaagt op zich terecht dat het gegeven dat de verdachte alles was voor het slachtoffer niet in de bewijsmiddelen is vermeld, terwijl het hof in zijn bewijsoverweging ook niet met voldoende mate van nauwkeurigheid het wettige bewijsmiddel heeft aangegeven waaraan het dat gegeven heeft ontleend. Het hof heeft immers volstaan met een algemene verwijzing naar de verklaring van de moeder van de aangeefster.
17. Wel heeft het hof in deze zaak een verklaring die de getuige [betrokkene 3] (zijnde de moeder van de aangeefster) bij de politie heeft afgelegd voor het bewijs gebruikt. Daarbij heeft het hof in een voetnoot verwezen naar de vindplaats van deze verklaring: het proces-verbaal van verhoor van getuige [betrokkene 3] , p. 121. Een blik achter de papieren muur leert dat het door het hof voor het bewijs gebezigde proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 3] , naast de door het hof weergegeven passages, op dossierpagina 121 onder meer het volgende inhoudt:
“V: Hoe kijkt [slachtoffer] naar [verdachte] ?
A: Papa is haar alles. Het was altijd papa voor en papa na. Ze riep ook altijd als ik ooit ga trouwen moet het zo iemand zijn als papa.”
18. Gelet op het voorgaande kan er naar mijn mening geen twijfel over bestaan dat het hof het gegeven dat de verdachte “alles was” voor de aangeefster heeft ontleend aan het proces-verbaal van verhoor van de getuige [betrokkene 3] , opgenomen op dossierpagina 121. Dat dit gegeven niet is vermeld in de weergave van de verklaring van de getuige [betrokkene 3] in het bestreden arrest zie ik dan ook als een kennelijke vergissing. [3] Gelet hierop heeft de verdachte in cassatie niet een voldoende in rechte te respecteren belang bij zijn klacht over de toereikendheid van de bewijsvoering omdat een hernieuwde behandeling van de zaak niet tot een andere uitkomst ten aanzien van de bewezenverklaring zal leiden. [4]
19. De eerste klacht faalt.
20. De tweede klacht houdt in dat de conclusie van het hof dat uit de verklaring van de moeder van het slachtoffer volgt dat de verdachte op de hoogte was en is van de beperkingen van het slachtoffer redelijkerwijs niet kan volgen uit de verklaring van de getuige [betrokkene 3] en/of niet redengevend is voor het bewijs dat de verdachte wist dat het slachtoffer aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent het seksueel contact met hem te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.
21. In dat kader stel ik vast dat de door het hof voor het bewijs gebezigde verklaring van de getuige [betrokkene 3] inhoudt dat als je naar het slachtoffer – die blijkens de door het hof gebezigde bewijsmiddelen in 1989 is geboren – kijkt, je eigenlijk een pubermeisje van een jaar of vijftien à zestien ziet, dat de getuige altijd heeft gezegd dat het slachtoffer wat mankeert, dat ze dit al van baby af aan zei, dat de verdachte hetzelfde weet als zij van de verstandelijke beperking van het slachtoffer en dat de verdachte op de hoogte is.
22. Tegen die achtergrond heeft het hof met zijn overweging dat uit de verklaring van de moeder van het slachtoffer volgt dat verdachte op de hoogte was en is van de beperkingen van het slachtoffer kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat uit die verklaring volgt dat de verdachte wist dat het slachtoffer, hoewel zij volwassen is, functioneert op het niveau van een vijftien- of zestienjarige en dat de verdachte, die blijkens de bewijsvoering van het hof het slachtoffer vanaf haar vijfde jaar kent, al langer wist dat van de verstandelijke beperking van het slachtoffer. Die conclusie heeft het hof naar mijn mening kunnen trekken uit de verklaring van de getuige [betrokkene 3] .
23. Verder zie ik niet in waarom deze verklaring van de getuige [betrokkene 3] , bezien in samenhang met de overige bewijsmiddelen, niet redengevend zou kunnen zijn voor het bewijs. De omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft en had van de verstandelijke beperking van het slachtoffer is immers relevant voor de bewezenverklaring. Daaraan doet niet af dat, zoals in de toelichting op het middel wordt opgemerkt, uit deze verklaring op zichzelf beschouwd niet kan volgen dat de verdachte wist dat het slachtoffer niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden.
24. De tweede klacht faalt.
25. De derde klacht houdt in dat de bewijsvoering niet redengevend is voor de bewezenverklaring van overtreding van art. 243 SrPro, meer in het bijzonder doordat het opzet van de verdachte daaruit niet kan volgen. Aan deze klacht is ten grondslag gelegd dat uit de door het hof vastgestelde feiten en/of omstandigheden niet kan blijken dat de verdachte wist, al dan niet in de vorm van voorwaardelijk opzet, dat de aangeefster niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen en van zulke omstandigheden ook overigens niet kan blijken.
26. Art. 243 (oud) Sr luidt als volgt:
“Hij die met iemand van wie hij weet dat hij in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens lijdt dat hij niet of onvolkomen in staat is zijn wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste acht jaren of geldboete van de vijfde categorie.” [5]
27. Bij de beoordeling van de klacht moet worden vooropgesteld dat het opzet van de dader in de zin van art. 243 (oud) Sr gericht moet zijn op de in dat artikel bedoelde geestestoestand met het daaruit voortvloeiende gebrek. De dader moet hebben geweten dat het slachtoffer leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat het slachtoffer als gevolg van deze gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis niet of onvolkomen in staat was zijn wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken en/of weerstand te bieden tegen die seksuele handelingen. [6] Van deze wetenschap is ook sprake indien komt vast te staan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer in enige in art. 243 SrPro bedoelde toestand verkeerde. [7]
28. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de verdachte opzettelijk seksuele handelingen heeft gepleegd met de aangeefster. Verder heeft het hof, in cassatie niet bestreden, vastgesteld dat de aangeefster aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of tegen die handelingen weerstand te bieden. De bewijsvoering houdt in dat kader onder meer in dat bij de aangeefster sprake is van een lichte verstandelijke beperking en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis, waardoor zij het erg moeilijk vindt om “nee” te zeggen tegen mensen die voor haar belangrijk zijn en zich zal voegen naar wat zij denkt dat die ander wil horen, zelfs als dat voor haar betekent dat ze hele nare handelingen moet uitvoeren.
29. Verder heeft het hof geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte, voordat hij seksuele handelingen met het slachtoffer had verricht, bekend was met die verstandelijke beperking en, later, met de afhankelijke persoonlijkheidsstoornis en de gevolgen van die beperking en stoornis, en desondanks seksuele handelingen bij het slachtoffer heeft verricht, wetende dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden. Daarmee heeft het hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de verdachte wist dat de aangeefster leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens en dat hij wist dat de aangeefster als gevolg daar niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen en/of kenbaar te maken en/of weerstand te bieden tegen die handelingen.
30. Het hof heeft in zijn bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte vanaf het moment dat het slachtoffer vijf jaar was een belangrijke vader(rol) in haar leven heeft vervuld en vanaf 2011 haar bewindvoerder is geweest, zodat hij nauw bij het slachtoffer betrokken was en goed op de hoogte was van haar situatie. De verdachte wist dat er in het verleden bij het slachtoffer werd gedacht aan het syndroom van Down, dat het slachtoffer speciaal onderwijs volgde, dat de [C] in 2007 of 2008 een lichte verstandelijke beperking bij het slachtoffer had vastgesteld en dat het slachtoffer in 2011 is gaan wonen bij stichting ’ [B] . In dat kader heeft het hof verder vastgesteld dat de verdachte wist dat het slachtoffer, dat ten tijde van het bewezenverklaarde 19 tot 30 jaar oud was, functioneerde op het niveau van een vijftien- of zestienjarige. Daarnaast houdt de bewijsvoering van het hof in dat de verdachte vanaf de puberteit van het slachtoffer wist dat zij graag wil “pleasen” en moeilijk “nee” kan zeggen en dat hij wist dat zij in dat kader een weerbaarheidstraining bij [C] aangeboden had gekregen, omdat zij moeite had met het beëindigen van relaties. Verder had het slachtoffer er volgens de verdachte een handje van te zeggen wat anderen willen horen en had zij tegenover de verdachte aangegeven dat zij tegen haar zin harde seks met haar ex-vriend had gehad.
31. Uit deze feiten en omstandigheden heeft het hof naar mijn mening niet onbegrijpelijk afgeleid dat de verdachte niet alleen wist dat de aangeefster leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, maar ook dat zij als gevolg daarvan niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken of weerstand te bieden tegen die handelingen. Daarbij neem ik in het bijzonder in aanmerking dat uit de bewijsvoering van het hof naar voren komt dat de verdachte niet alleen wist dat de aangeefster leed aan een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens, maar ook wist van het daaruit voortvloeiende onvermogen om haar wil over de seksuele handelingen te bepalen of kenbaar te maken dan wel weerstand te bieden tegen die handelingen. De bewezenverklaring, voor zover inhoudende dat de verdachte wist dat de aangeefster leed aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil omtrent de handelingen te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, is aldus toereikend gemotiveerd.
32. De derde klacht faalt.
33. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het derde namens de verdachte voorgestelde middel
34. Het middel komt met twee klachten op tegen de motivering van de strafoplegging van het hof.
35. Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden als in het arrest omschreven, met aftrek van voorarrest. De strafoplegging is als volgt gemotiveerd:
“Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen – en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden – het volgende.
Verdachte heeft het slachtoffer, zijn stiefdochter, gedurende een zeer lange periode van elf jaren bewogen tot het verrichten en ondergaan van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam. Het slachtoffer is vanaf haar negentiende tot en met haar dertigste levensjaar door verdachte seksueel misbruikt. Totdat het slachtoffer in de zomer van 2011 begeleid ging wonen was zij bovendien aan de zorg van verdachte toevertrouwd. Naast dat er sprake was van een groot leeftijdsverschil, heeft het slachtoffer een lichte verstandelijke beperking en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis. Verdachte, die sinds haar vijfde levensjaar een belangrijke (vader)rol in haar leven heeft gespeeld, wist van haar geestelijke beperkingen. Verdachte heeft grof misbruik gemaakt van haar kwetsbaarheid. De seksuele handelingen hebben vaak en gedurende een lange periode plaatsgevonden, zowel in het ouderlijk huis als het huis van het slachtoffer, wat beide veilige plekken zouden moeten zijn. Verdachte heeft met zijn handelen de ontwikkeling en groei van het slachtoffer, ook op seksueel gebied, ernstig doorkruist. Ook heeft hij het vertrouwen van het slachtoffer beschaamd.
Net als de rechtbank neemt het hof het verdachte kwalijk dat hij zich heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens, dat hij geen oog heeft gehad voor de ontwikkeling en [slachtoffer] en dat hij niet lijkt te willen inzien dat er totaal geen gelijkwaardigheid in hun relatie was. Hij lijkt het verwerpelijke van zijn handelen niet te kunnen of willen inzien. Verdachte heeft een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat slachtoffers van strafbare feiten als deze langdurig de nadelige psychische gevolgen daarvan (kunnen) ondervinden.
In de rechtspraak wordt voor feiten als het bewezenverklaarde in beginsel een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur opgelegd.
Uit het uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 7 juni 2021 blijkt dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit met politie of justitie in aanraking is gekomen. Het hof zal dit niet strafverzwarend of strafmatigend meewegen.
Uit het Pro Justitia rapport van 25 oktober 2019, opgemaakt door psycholoog [betrokkene 5] , volgt dat bij verdachte ten tijde van de bewezen verklaarde feiten geen sprake was van een ziekelijke stoornis van de geestvermogens. Wel is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en afhankelijke trekken. De psycholoog heeft aangegeven dat verdachte gebruik maakt van cognitieve vertekening om zijn gedrag te rechtvaardigen. Cognitieve vertekeningen zijn er primair op gericht om een negatieve zelfevaluatie te vermijden en hebben dus een beschermende functie voor plegers van seksuele delicten. De psycholoog heeft opgemerkt dat verdachte tijdens het onderzoek zeer hardnekkig is gebleken in het rechtvaardigen van zijn handelen door te stellen dat zijn stiefdochter, een beperkt intelligente, kwetsbare vrouw, meerderjarig en gelijkwaardig was en vrij was om te zeggen dat ze het niet wilde. De psycholoog heeft aangegeven dat dergelijke cognitieve vertekeningen een relevante factor zijn bij de instandhouding van seksueel misbruik en een wezenlijk onderdeel kunnen uitmaken van de behandeling van daders van seksueel misbruik. De psycholoog heeft geconcludeerd dat er sprake is geweest van een doorwerking van de geconstateerde gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van verdachte op zijn gedrag ten tijde de van het tenlastegelegde. De psycholoog heeft geadviseerd om het tenlastegelegde bij bewezenverklaring in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.
Het hof neemt de conclusie van de psycholoog over, acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde en houdt hiermee rekening in de strafmaat.
Verder heeft het hof kennisgenomen van het rapport van de reclassering van 18 oktober 2019, opgesteld door [betrokkene 6] . In aanvulling op het rapport van de psycholoog is door de reclassering opgemerkt dat verdachte een bredere seksuele interesse heeft ontwikkeld in internetporno met vader-dochter-relaties als onderwerp. In het rapport is melding gemaakt van het seksuele misbruik op zich, het gegeven dat verdachte aan vele aspecten die hem hierin hadden moeten belemmeren tenminste deels bewust voorbij is gegaan en zijn interesse in (internetporno gericht op) seksueel misbruik door vaders gepleegd richting dochters. Op basis daarvan acht de reclassering een zedendaderbehandeling en verdere risicobeperkende maatregelen noodzakelijk. De reclassering heeft in dat advies meegewogen dat er bij verdachte op dit moment geen sprake lijkt te zijn van enige oprechte mate van spijt, nog van enige mate van schaamte, noch van enige inleving in het slachtoffer anderszins, noch van enige intrinsieke motivatie tot gedragsverandering. Daarom heeft de reclassering geadviseerd tot een voorwaardelijk strafdeel dat kan dienen als externe motivatie tot medewerking en een proeftijd langer dan twee jaar.
Het hof neemt het advies van de reclassering over en acht het noodzakelijk dat een deel van de straf voorwaardelijk wordt opgelegd, zodat als bijzondere voorwaarden een meldplicht en een ambulante behandelverplichting met de mogelijkheid van een kortdurende klinische opname kunnen worden opgelegd.
Het hof komt tot vrijspraak van het onder 1 subsidiair en onder 2 tenlastegelegde. Niettemin rechtvaardigen naar het oordeel van het hof de voornoemde omstandigheden - alles overziend - het opleggen van dezelfde straf als de rechtbank heeft opgelegd. Het hof acht daarom een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en aftrek van voorarrest passend en geboden. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte behandeling dient te ondergaan. In dat kader zal het voorwaardelijke strafdeel met bijzondere voorwaarden worden opgelegd.
[…]”
36. De eerste klacht houdt in dat strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien de strafoplegging op een aantal wezenlijke punten onbegrijpelijk is en daarmee in het geheel onbegrijpelijk is. Deze klacht valt uiteen in vijf deelklachten.
37. De eerste deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de seksuele handelingen vaak hebben plaatsgevonden in het licht van hetgeen door de verdediging is aangevoerd en zonder nadere motivering niet begrijpelijk is. Aan deze deelklacht is ten grondslag gelegd dat de bewijsvoering van het hof inhoudt dat de aangeefster over de frequentie van de seksuele handelingen heeft verklaard dat deze heel vaak hebben plaatsgevonden, terwijl dat ter terechtzitting in hoger beroep door en namens de verdachte is betwist.
38. Ik stel het volgende voorop. In het Nederlandse strafrecht geldt dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. De beslissing over de straftoemeting wordt in sterke mate bepaald door de omstandigheden van het geval en de persoon van de verdachte. Mede gelet op de veelheid aan factoren die van belang (kunnen) zijn bij de keuze van de strafsoort en het bepalen van de hoogte van de straf kan de feitenrechter daarbij slechts tot op zekere hoogte inzicht verschaffen in en uitleg geven over de afwegingen die ten grondslag liggen aan zijn straftoemetingsbeslissing. De straftoemetingsvrijheid stelt de feitenrechter in staat om bij de beslissing over de oplegging van straf te komen tot een strafoplegging die is afgestemd op de ernst van het bewezenverklaarde feit, de persoon van de verdachte en alle overige betrokken belangen. De grote vrijheid die de feitenrechter bij deze beslissing heeft, brengt ook de verantwoordelijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpelijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactie op wat ter terechtzitting naar voren is gebracht over de strafoplegging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete geval hebben geleid tot de opgelegde straf. [8]
39. De feiten en omstandigheden waarop de strafoplegging berust, hoeven niet gegrond te zijn in de bewijsmiddelen. [9] Wel moeten deze feiten en omstandigheden zijn gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting. Dit betekent dat de rechter in beginsel alles wat ter terechtzitting is verklaard of wat in de gedingstukken is neergelegd, in aanmerking mag nemen. Behalve met hetgeen rechtstreeks uit de stukken of het verhandelde ter terechtzitting is gebleken, mag de rechter bij de strafoplegging ook rekening houden met andere factoren. Zo mag de feitenrechter letten op gegevens die met de persoon van de verdachte samenhangen, zoals bijvoorbeeld zijn proceshouding en het morele verwijt, en op factoren die verband houden met de ernst van het feit, zoals het ingetreden gevolg. [10]
40. In deze zaak heeft het hof in zijn bewijsvoering vastgesteld dat de verdachte in de periode van 21 juni 2008 tot en met 3 juli 2019 seksuele handelingen heeft gepleegd met de aangeefster. Verder heeft het hof in zijn bewijsvoering onder meer gebruik gemaakt van de verklaring van de aangeefster dat, kort gezegd, de seksuele handelingen heel vaak hebben plaatsgevonden. Het hof heeft aldus in het kader van de bewijsvoering, anders dan de verdediging had aangevoerd, vastgesteld dat de seksuele handelingen heel vaak hebben plaatsgevonden. Die vrijheid had het hof, gelet op de selectie- en waarderingsvrijheid van de feitenrechter. Gelet hierop komt de overweging van het hof dat de seksuele handelingen vaak en gedurende een lange periode hebben plaatsgevonden mij geenszins onbegrijpelijk voor, zodat de eerste deelklacht faalt.
41. De tweede deelklacht houdt in dat de overweging van het hof dat de verdachte met zijn handelen de ontwikkeling en groei van het slachtoffer, ook op seksueel gebied, ernstig heeft doorkruist, ontoereikend is gemotiveerd, aangezien niet kan blijken waar deze overweging op is gestoeld.
42. In de strafmotivering heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte het slachtoffer, zijn stiefdochter, gedurende een zeer lange periode van elf jaren heeft bewogen tot het verrichten en ondergaan van seksuele handelingen, waaronder het seksueel binnendringen van het lichaam, dat het slachtoffer vanaf haar negentiende tot en met haar dertigste levensjaar door verdachte seksueel misbruikt, dat het slachtoffer een lichte verstandelijke beperking en een afhankelijke persoonlijkheidsstoornis heeft, dat de verdachte sinds het vijfde levensjaar van het slachtoffer een belangrijke (vader)rol in haar leven heeft gespeeld, dat de verdachte grof misbruik heeft gemaakt van de kwetsbaarheid van het slachtoffer en dat de seksuele handelingen vaak en gedurende een lange periode hebben plaatsgevonden, zowel in het ouderlijk huis als het huis van het slachtoffer, wat beide veilige plekken zouden moeten zijn. Het hof heeft het kennelijk als een feit van algemene bekendheid beschouwd dat dergelijk handelen de ontwikkeling en groei van een persoon, ook op seksueel gebied, ernstig doorkruist. Dat oordeel is allesbehalve onbegrijpelijk en behoeft geen nadere motivering. De tweede deelklacht faalt.
43. De derde deelklacht houdt in dat de overweging van het hof dat de verdachte niet lijkt te willen inzien dat er totaal geen gelijkwaardigheid was in zijn relatie met het slachtoffer onbegrijpelijk is, aangezien het hof een verklaring van de verdachte voor het bewijs heeft gebezigd die inhoudt “Gelijkwaardig was het niet”.
44. Over deze deelklacht kan ik kort zijn. Gelet op het door het hof bij de strafmotivering betrokken advies van de reclassering waaruit kan worden afgeleid dat er bij de verdachte op dit moment geen sprake lijkt te zijn van enige oprechte mate van spijt en gelet op hetgeen het hof in de strafmotivering in aanmerking heeft genomen met betrekking tot de omstandigheden waaronder de verdachte het bewezenverklaarde feit heeft begaan, meer in het bijzonder het grote leeftijdsverschil tussen de verdachte en het slachtoffer, de (vader)rol van de verdachte in het leven van het slachtoffer, haar geestelijke beperkingen en de omstandigheid dat het slachtoffer totdat zij begeleid ging wonen aan de zorg van de verdachte was toevertrouwd, komt het feitelijke oordeel van het hof dat de verdachte niet lijkt te willen inzien dat er totaal geen gelijkwaardigheid was in zijn relatie met het slachtoffer mij niet onbegrijpelijk voor. De enkele omstandigheid dat de verdachte heeft verklaard “gelijkwaardig was het niet” doet aan dat oordeel in het geheel niet af. De derde deelklacht faalt.
45. De vierde deelklacht houdt in dat de overweging van het hof dat de verdachte geen oog heeft gehad voor de ontwikkeling van het slachtoffer onbegrijpelijk is, aangezien uit niets blijkt dat de verdachte de ontwikkeling van het slachtoffer heeft veronachtzaamd. Aan deze deelklacht is allereerst ten grondslag gelegd dat niet is gebleken dat de gedragingen van de verdachte de ontwikkeling van het slachtoffer daadwerkelijk hebben doorkruist. Verder is aan deze deelklacht ten grondslag gelegd dat van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat de verdachte in zijn intieme contact met het slachtoffer behoedzaam met haar is omgegaan.
46. De strafmotivering van het hof houdt in dat het hof de verdachte onder meer verwijt dat hij zich heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en geen oog heeft gehad voor de ontwikkeling van het slachtoffer. Gelet op de vaststellingen van het hof dat de verdachte seksuele handelingen heeft gepleegd met iemand van wie hij wist dat zij aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen, kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden en dat onder de gegeven omstandigheden door dergelijk handelen van de verdachte de ontwikkeling en groei van een persoon, ook op seksueel gebied, ernstig wordt doorkruist, komt het feitelijke oordeel van het hof dat de verdachte zich heeft laten leiden door zijn eigen seksuele verlangens en geen oog heeft gehad voor de ontwikkeling van het slachtoffer mij geenszins onbegrijpelijk voor. Daaraan doet niet af dat van de zijde van de verdachte is aangevoerd dat de verdachte in zijn intieme contact met het slachtoffer behoedzaam met haar zou zijn omgegaan. De vierde deelklacht faalt.
47. De vijfde deelklacht houdt in dat het oordeel van het hof dat de verdachte het verwerpelijke van zijn handelen niet lijkt te kunnen of willen inzien onbegrijpelijk is. Aan deze deelklacht is allereerst ten grondslag gelegd dat het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar heeft geacht in verband met een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en afhankelijke trekken waarbij de verdachte gebruik maakt van cognitieve vertekeningen die erop gericht zijn zelfevaluatie te vermijden voor een beschermende functie en waardoor de verdachte zeer hardnekkig is gebleven in het rechtvaardigen van zijn handelen. Verder heeft de verdachte blijkens zijn ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2021 afgelegde verklaring er wel degelijk blijk van gegeven in te zien dat zijn gedrag verwerpelijk was, aldus de steller van het middel.
48. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2021 houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“De verdachte verklaart op vragen van de voorzitter:
[…]
Ik ben nooit op seks uit geweest. Het is ons overkomen. […]
[…]
U vraagt mij hoe ik als intelligente volwassene kan zeggen dat het tenlastegelegde mij is overkomen. Ik wil de schuld niet afschuiven. Ik was erbij en had wijzer moeten zijn. Het is ontstaan uit eigen vrije wil. Ik ben daar niet trots op. Ik heb mijn vrouw ermee bedrogen.”
Met zijn overweging dat de verdachte het verwerpelijke van zijn handelen niet lijkt te kunnen of willen inzien heeft het hof te kennen gegeven dat naar zijn oordeel uit de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet kan volgen dat de verdachte het verwerpelijke van zijn handelen inziet. Die vrijheid komt het hof gelet op de hiervoor genoemde straftoemetingsvrijheid toe. Dat feitelijke oordeel van het hof komt mij, mede tegen de achtergrond van hetgeen in de overwegingen van het hof naar voren komt uit het rapport van de psycholoog en het rapport van de reclassering, ook niet onbegrijpelijk voor. Anders dan de steller van het middel meen ik dat de omstandigheid dat het hof heeft overwogen dat de psycholoog heeft aangegeven dat verdachte gebruik maakt van cognitieve vertekening om zijn gedrag te rechtvaardigen aan de vaststelling van het hof dat de verdachte het verwerpelijke van zijn handelen niet lijkt te kunnen of willen inzien niet in de weg staat. Het hof laat daarmee immers uitdrukkelijk de mogelijkheid open dat de verdachte het verwerpelijke van zijn handelen niet kan inzien. De vijfde deelklacht faalt.
49. De eerste klacht faalt in al zijn onderdelen.
50. De tweede klacht houdt in dat de strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed, aangezien het hof dezelfde straf heeft opgelegd als de rechtbank had opgelegd en de advocaat-generaal in hoger beroep had geëist, terwijl zowel de rechtbank als de advocaat-generaal tot een bewezenverklaring van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde concludeerden, op het onder 1 primair tenlastegelegde feit een beduidend hogere maximale gevangenisstraf staat dan op het onder 1 subsidiair tenlastegelegde feit en het hof niet heeft gemotiveerd waarom het bij bewezenverklaring van (slechts) het onder 1 subsidiair tenlastegelegde toch tot een gelijke straf als de rechtbank en de advocaat-generaal komt.
51. Ook over deze klacht kan ik kort zijn. Het hof heeft in de strafmotivering namelijk uitdrukkelijk overwogen dat het “komt tot vrijspraak van het onder 1 subsidiair (ik begrijp: primair, D.P.) en onder 2 tenlastegelegde” en dat de daarvoor door het hof genoemde omstandigheden – alles overziend – niettemin het opleggen van dezelfde straf als de rechtbank heeft opgelegd, rechtvaardigen. De klacht dat het hof niet heeft gemotiveerd waarom het, ondanks de vrijspraak van de verdachte van het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde en de bewezenverklaring van het onder 1 subsidiair tenlastegelegde, tot dezelfde straf komt als de rechtbank berust daarmee op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en ontbeert daarmee feitelijke grondslag.
52. De tweede klacht faalt.
53. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Het vierde namens de verdachte voorgestelde middel
54. Het middel klaagt dat het oordeel van het hof dat de benadeelde partij kon worden ontvangen in haar vordering blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet begrijpelijk is en/of ontoereikend is gemotiveerd, aangezien de benadeelde partij vanwege een door de kantonrechter uitgesproken bewind niet bevoegd was de vordering in te dienen en/of de benadeelde partij zich gedurende het verdere verloop van de procedure niet heeft laten vertegenwoordigen door een bewindvoerder terwijl zij hiertoe wel verplicht was.
55. Bij de stukken van het geding bevindt zich een “Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces”. Dat formulier vermeldt als benadeelde de benadeelde partij en als gemachtigde van de benadeelde M.A.J. Kubatsch. Het voegingsformulier is ondertekend door M.A.J. Kubatsch, waarbij als datum 14 januari 2019 is vermeld. Op het voegingsformulier zijn geen gegevens van een wettelijk vertegenwoordiger ingevuld.
56. Verder bevindt zich bij de stukken van het geding een brief d.d. 14 januari 2020 van M.A.J. Kubatsch, advocaat te Utrecht, met als onderwerp “voeging benadeelde partij zitting 17-01-2020 om 14.30 uur”. Deze brief houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Mijn cliënte is [slachtoffer] ; het slachtoffer in deze zaak. Ondergetekende is bepaaldelijk gemachtigd om de voeging in te dienen namens haar. Als verdachte veroordeeld wordt voor het feit/de feiten genoemd op de tenlastelegging dan is er sprake van bewezen onrechtmatig handelen naar cliënte toe. Zij heeft door dit handelen rechtstreeks schade geleden en wel immateriële en materiële schade. Voor deze schade is verdachte aansprakelijk.”
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2021 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“De raadsman voert het woord tot verdediging conform zijn pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht. […]
[…]
Mr. Kubatsch deelt mee:
Cliënte staat niet onder curatele en is niet minderjarig. Zij is dus ontvankelijk in haar vordering. De vordering had niet door de bewindvoerder hoeven te worden ingediend.
[…]
De advocaat-generaal repliceert:
De vordering van de benadeelde partij had inderdaad niet door de bewindvoerder hoeven te worden ingediend. Mr. Kubatsch was daartoe gerechtigd.”
57. De aan het proces-verbaal gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Namens [slachtoffer] is een vordering ingediend voor een bedrag van € 20.000,--. Verdachte verzoekt u deze vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
[…]
Subsidiair verzoek ik u de vordering niet-ontvankelijk te verklaren op de volgende grond. De vordering is ingediend door iemand die daartoe volgens de wet niet bevoegd was.
Getuige [slachtoffer] staat nog steeds en onverminderd onder beschermingsbewind. Verdachte was haar bewindvoerder. Kort na de aanhouding heeft de rechtbank Midden-Nederland een nieuwe bewindvoerder benoemd.
Ten tijde van het indienen van de vordering benadeelde partij stond [slachtoffer] onder beschermingsbewind. De vordering had dan ook moeten worden ingediend door deze bewindvoerder. In plaats daarvan is de vordering ingediend door een raadsvrouw. Die verklaarde echter te zijn gemachtigd door [slachtoffer] zelf en niet door haar bewindvoerder.
Dit betekent dat de rechtbank een vordering ontvankelijk heeft verklaard (en toegewezen), terwijl deze vordering niet is ingediend door de degene die daartoe in de wet is aangewezen.
Dit blijkt allereerst uit artikel 1:441 lid 1 BurgerlijkPro Wetboek. Dit artikel bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder de rechthebbende vertegenwoordigd in en buiten rechte.
Verder is van belang artikel 51f, vierde lid Sv:
• “Zij die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben om zich overeenkomstig het eerste lid te voegen, in het strafproces de bijstand of vertegenwoordiging eveneens nodig”.
Dit betekent dat de vordering in deze zaak alleen had kunnen worden ingediend door de bewindvoerder van D. Zie in deze zin ook de conclusie van AG Paridaens in PHR:2020:1073 onder 21 en 28).”
58. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Anders dan de raadsman heeft bepleit, acht het hof de benadeelde partij gelet op de omstandigheden van dit geval ontvankelijk in haar vordering. De benadeelde partij heeft haar vordering zonder tussenkomst van de bewindvoerder ingediend. Het voegingsformulier benadeelde partij is getekend op 14 januari 2019. Op dat moment was verdachte nog haar bewindvoerder. [voetnoot: Blijkens een overgelegde kopie van een beschikking van de Rechtbank Midden-Nederland d.d. 1 oktober 2019, zaaksnummer 8021400 19-13574, is verdachte bij beschikking van 12 september 2019 geschorst als bewindvoerder en is hij per 2 oktober 2019 als zodanig ontslagen.] Een redelijke afweging van de belangen van de benadeelde partij staat er in dit geval aan in de weg haar niet-ontvankelijk te verklaren omdat verdachte op het moment van het tekenen van het voegingsformulier namens haar de procesbevoegdheid had. De opvolgend bewindvoerder had de procedure kunnen overnemen. Waarom dit niet is gebeurd, is het hof onbekend. Nu de benadeelde partij echter werd vertegenwoordigd door een advocaat, gaat het hof ervan uit dat haar belangen goed zijn behartigd. De omissie de huidige bewindvoerder als procespartij te stellen, zal het hof niet ten nadele van de benadeelde partij laten gelden. Het hof overweegt dat de eisen van redelijkheid en billijkheid in een geval als dit er aan in de weg staan dat verdachte als degene die de benadeelde partij opzettelijk schade heeft toegebracht een beroep op deze omissie doet. Het bewind dient immers tot bescherming van de onder bewind gestelde, niet van verdachte”.
59. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat de verplichting van de benadeelde partij om zich te laten vertegenwoordigen door haar bewindvoerder niet geldt omdat de vordering jegens de (voormalig) bewindvoerder is geschied, althans dat aan schending van deze verplichting geen gevolgen worden verbonden, terwijl dat oordeel niet begrijpelijk is dan wel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij wijst de steller van het middel erop dat niet is gepoogd de ongeldig ingestelde vordering te compenseren, bijvoorbeeld door de opvolgende bewindvoerder hierbij te betrekken.
60. Voor de beoordeling van het middel zijn de volgende bepalingen van belang:
- art. 51c Sv:
“1. Het slachtoffer kan zich doen bijstaan tijdens het voorbereidende onderzoek en op de terechtzitting.
2. Het slachtoffer kan zich doen bijstaan door een advocaat, door zijn wettelijk vertegenwoordiger en tevens door een persoon naar keuze.
3. Het slachtoffer kan zich op de terechtzitting doen vertegenwoordigen door een advocaat, indien deze verklaart daartoe uitdrukkelijk gevolmachtigd te zijn, of door een gemachtigde die daartoe een bijzondere en schriftelijke volmacht heeft.
[…]”
- art. 51f Sv:
“1. Degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces.
[…]
4. Zij die om in een burgerlijk geding in rechte te verschijnen, bijstand behoeven of vertegenwoordigd moeten worden, hebben om zich overeenkomstig het eerste lid te voegen, in het strafproces de bijstand of vertegenwoordiging eveneens nodig. Een machtiging van de kantonrechter, als bedoeld in artikel 349, lid 1, Boek 1, van het Burgerlijk Wetboek, is voor die vertegenwoordiger niet vereist. Ten aanzien van de verdachte zijn de bepalingen betreffende bijstand of vertegenwoordiging, nodig in burgerlijke zaken, niet van toepassing.
“1. Indien over de vordering van de benadeelde partij gelijktijdig met de strafzaak uitspraak dient te worden gedaan, beraadslaagt de rechtbank mede over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij, over de gegrondheid van haar vordering en over de verwijzing in de kosten door die partij, de verdachte en, in het in artikel 51g, vierde lid bedoelde geval, diens ouders of voogd gemaakt. De beraadslaging over de verwijzing in de kosten vindt ook plaats indien artikel 333 toepassingPro heeft gevonden.
[…]
3. Indien behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechtbank een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechtbank op verzoek van de verdachte of op vordering van de officier van justitie dan wel ambtshalve, bepalen dat de vordering in het geheel of ten dele niet ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
[…]”
61. Het vierde lid van art. 51f Sv is ingevoerd bij de op 1 januari 2011 in werking getreden Wet versterking positie slachtoffer in het strafproces. [11] Een vrijwel gelijkluidende bepaling was daarvoor neergelegd in art. 51c (oud) Sv. Deze bepaling was ingevoerd bij de Wet van 23 december 1992, Stb. 29, tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering, de Wet voorlopige regeling schadefonds geweldsmisdrijven en andere wetten met voorzieningen ten behoeve van slachtoffers van strafbare feiten. [12] De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot die wet houdt over art. 51c (oud) Sv het volgende in:
“Dit artikel bepaalt dat de voorzieningen betreffende de bijstand en vertegenwoordiging, nodig in een burgerlijk geding, van toepassing zijn op de benadeelde partij. Men denke hierbij in het bijzonder aan een minderjarig slachtoffer. [13]
62. Voor de betekenis die de wetgever aan de eerste volzin van art. 51f, vierde lid, Sv heeft toegekend, moet verder worden teruggegaan in de wetsgeschiedenis. In dat kader is van belang dat deze volzin reeds is terug te voeren op het op 1 september 1886 ingevoerde art. 202, tweede lid, (oud) Wetboek van Strafvordering. [14] Deze bepaling – die bij de invoering van het Wetboek van Strafvordering op 1 januari 1926 vrijwel ongewijzigd is overgenomen in de eerste volzin van art. 332, derde lid, (oud) Sv – hield het volgende in:
“Zij die, om in eene burgerlijke zaak in regten te verschijnen, bijstand behoeven, of vertegenwoordigd moeten worden, hebben, om zich in het strafgeding te voegen, dien bijstand of die vertegenwoordiging van noode.”
In de parlementaire geschiedenis wordt hierover opgemerkt dat de bijstand voor hen die bijstand behoeven om in een burgerlijke zaak in rechte te verschijnen niet kan ontbreken, omdat de aard van de vordering door de voeging bij de strafzaak niet verandert. [15]
63. Uit het voorgaande komt naar voren dat de voeging als benadeelde partij in het strafproces een rechtshandeling is en dat degene die volgens het burgerlijk recht bijstand of vertegenwoordiging nodig hebben voor een rechtshandeling die bijstand of vertegenwoordiging ook nodig hebben als zij zich voegen als benadeelde partij. [16] Wanneer de benadeelde partij gelet op art. 51f, vierde lid, Sv zich niet zelfstandig in het strafproces kan voegen maar daartoe vertegenwoordigd dient te worden, kan dan ook niet volstaan worden met vertegenwoordiging van de benadeelde partij door een advocaat of een gemachtigde op basis van een door de door de benadeelde partij verleende volmacht. Het is de wettelijk vertegenwoordiger die zich overeenkomstig art. 51c, derde lid, Sv ter terechtzitting door een advocaat of een gemachtigde kan doen vertegenwoordigen. [17]
64. Bij de personen die vertegenwoordiging nodig hebben, kan, zoals al blijkt uit de hiervoor aangehaalde memorie van toelichting, allereerst worden gedacht aan minderjarigen. Verder kan worden gedacht aan personen die onder curatele zijn gesteld. [18] In deze zaak is sprake van beschermingsbewind. Dat is een minder verstrekkende beschermingsvoorziening dan curatele. Het gaat daarbij om meerderjarigen die tijdelijk of duurzaam niet in staat zijn of bemoeilijkt worden hun vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen. Waar de ondercuratelestelling betrekking heeft op de persoon en handelingsonbekwaamheid tot gevolg heeft, ziet de onderbewindstelling op het vermogen van de betrokkene, die als rechthebbende wordt aangeduid. [19]
65. De rechter stelt het bewind op grond van art. 1:431, eerste lid, BW in over één of meer van de goederen die de rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren. Daaruit volgt dat ook toekomstige goederen onder bewind gesteld kunnen worden. [20] Veelal wordt een bewind ingesteld over alle huidige en toekomstige goederen van de rechthebbende. [21] Art. 1:441, eerste lid, BW bepaalt dat tijdens het bewind de beschermingsbewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende. [22] Of de rechthebbende in een procedure bevoegd is zelf als formele procespartij op te treden, hangt dus ervan af of het voeren van de desbetreffende procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort. [23]
66. Met betrekking tot de bevoegdheid om op te treden als procespartij bij beschermingsbewind overwoog de civiele kamer van de Hoge Raad in zijn prejudiciële beslissing van 7 maart 2014, voor zover hier van belang, het volgende:
“In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.
In het geval de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.” [24]
67. Uit het voorgaande volgt dat de rechthebbende met betrekking tot de onder bewind gestelde goederen niet als eisende partij in rechte kan optreden, maar daartoe vertegenwoordigd moet worden door zijn bewindvoerder. Is de rechthebbende niet bevoegd zelf als formele procespartij op te treden, dan zal hij niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in zijn vordering. [25]
68. Tot degenen die op grond van art. 51f, vierde lid, Sv vertegenwoordiging nodig hebben om zich als benadeelde partij te voegen in het strafproces behoren gelet op het voorgaande naast minderjarigen en onder curatele gestelden ook degenen wiens goederen onder bewind zijn gesteld indien de vordering tot vergoeding van schade deel uitmaakt van de onder bewind gestelde goederen. Het door de wetgever vastgestelde formulier Verzoek tot Schadevergoeding [26] , zoals dat sinds 1 januari 2019 luidt, sluit hier ook op aan. Indien het slachtoffer een natuurlijk persoon is, worden op dit formulier bij vraag 1A de gegevens van het slachtoffer vermeld. Vervolgens kunnen bij vraag 1B de gegevens van de wettelijk vertegenwoordiger worden ingevuld. Daarbij kan bij “Relatie tot het slachtoffer” ouder, voogd, (bijzonder) curator of bewindvoerder worden aangekruist. In de toelichting bij het formulier wordt bij vraag 1B opgemerkt dat als het slachtoffer/verzoeker minderjarig is of onder curatele of bewind staat, de wettelijk vertegenwoordiger zijn/haar gegevens hier invult. Vraag 2 biedt vervolgens het slachtoffer of de wettelijk vertegenwoordiger de mogelijkheid om iemand te machtigen die namens hem optreedt in de strafzaak.
69. Een benadeelde partij die vertegenwoordiging behoeft om zich te voegen in het strafproces, maar dit desondanks zelfstandig – al dan niet door tussenkomst van een advocaat of een gemachtigde – doet, kan strikt genomen niet in haar vordering worden ontvangen. [27] De vordering is immers onbevoegdelijk ingediend. [28] Dat zou betekenen dat de rechter op grond van art. 361 SvPro de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij zou moeten uitspreken, hetgeen overigens niet in de weg staat aan de zelfstandige oplegging van een schadevergoedingsmaatregel. [29]
70. Het voorgaande sluit echter niet uit dat de benadeelde partij die zich ten onrechte zelfstandig heeft gevoegd in het strafproces de gelegenheid wordt geboden om dit verzuim te herstellen. In dat opzicht dringt een vergelijking zich op met de situatie dat een gemachtigde voor de benadeelde partij het voegingsformulier heeft ingediend, maar de volmacht daartoe ontbreekt. Op grond van art. 51c, derde lid, Sv kan de benadeelde partij zich doen vertegenwoordigen, onder meer door een daartoe bij bijzondere volmacht door haar schriftelijk gemachtigde. Die bepaling strekt zich ook uit tot de voeging in het strafproces door middel van de opgave als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv. [30] Wanneer ten aanzien van de opgave als bedoeld in art. 51g, eerste lid, Sv niet is voldaan aan het door art. 51c, derde lid, Sv gestelde vereiste van een bijzondere schriftelijke volmacht brengen beginselen van een behoorlijke procesorde volgens de Hoge Raad mee dat de benadeelde partij niet op die grond niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering, dan nadat haar door het openbaar ministerie dan wel door de rechter de gelegenheid is geboden dat verzuim te herstellen en die gelegenheid niet is benut. [31]
71. Claassens schrijft over deze herstelmogelijkheid:
“Het is echter de vraag of uit de beginselen van een behoorlijke procesode voortvloeit dat als regel de zaak moet worden aangehouden om de benadeelde partij de gelegenheid te geven haar verzuim te herstellen. Het gaat immers om een eigen fout van de benadeelde – het voegingsformulier en bijbehorende toelichting zijn duidelijk genoeg – en tegenover het belang van het slachtoffer staan de belangen van tijdige afdoening van strafzaken en efficiënte benutting van zittingscapaciteit van de rechter. Bovendien verliest de benadeelde partij, als zij haar vordering niet kan indienen in het strafproces, niet haar vorderingsrecht maar mist zij slechts de mogelijkheid van rechtsvordering middels het strafproces.
Het lijkt even goed denkbaar dat de benadeelde partij niet ontvankelijk wordt verklaard, nu zij, door eigen toedoen, haar vordering niet op de voorgeschreven wijze aanhangig heeft gemaakt. Dit staat niet in de weg aan het opleggen van een schadevergoedingsmaatregel.
Uiteraard verdient het wel de voorkeur om – als dit te verenigen is met de overige in het geding zijnde belangen, zoals het belang van een voortvarende afdoening van de strafzaak – de benadeelde partij de kans te geven haar verzuim te herstellen.” [32]
72. Tegen de achtergrond van het voorgaande meen ik dat de rechter die constateert dat een benadeelde partij die zich zelfstandig, al dan niet door tussenkomst van een advocaat of een schriftelijk gemachtigde, heeft gevoegd in het strafproces daarvoor gelet op art. 51f, vierde lid, Sv vertegenwoordiging nodig had, deze benadeelde partij de gelegenheid kan bieden dit verzuim te herstellen, bijvoorbeeld door degene die de benadeelde partij had moeten vertegenwoordigen te doen oproepen voor de terechtzitting. Biedt de rechter die gelegenheid niet, bijvoorbeeld omdat de behandeling van de vordering van de benadeelde partij daardoor een onevenredige belasting van het strafgeding zou opleveren, of wordt van die gelegenheid geen gebruik gemaakt, dan zal de rechter de benadeelde partij niet-ontvankelijk dienen te verklaren. Wel kan hij in dat geval de schadevergoedingsmaatregel zelfstandig opleggen aan de verdachte.
73. Ik keer terug naar de onderhavige zaak. In deze zaak heeft het hof vastgesteld dat de benadeelde partij haar vordering zonder tussenkomst van de bewindvoerder heeft ingediend, maar geoordeeld dat een redelijke afweging van de belangen van de benadeelde partij eraan in de weg staat haar niet-ontvankelijk te verklaren omdat de verdachte op het moment van het tekenen van het voegingsformulier namens haar de procesbevoegdheid had. De omissie de huidige bewindvoerder als procespartij te stellen, laat het hof niet ten nadele van de benadeelde partij gelden, omdat de eisen van redelijkheid en billijkheid in een geval als dit er aan in de weg staan dat verdachte als degene die de benadeelde partij opzettelijk schade heeft toegebracht een beroep op deze omissie doet. Het bewind dient immers tot bescherming van de onder bewind gestelde, niet van de verdachte, aldus het hof.
74. Het hof heeft aldus vastgesteld dat de benadeelde partij niet bevoegd was om zich als benadeelde partij te voegen, maar daartoe vertegenwoordigd diende te worden door haar bewindvoerder. Gelet daarop had het hof in het licht van het voorgaande mijns inziens geen andere mogelijkheden dan het niet-ontvankelijk verklaren van de benadeelde partij – al dan niet in combinatie met zelfstandige oplegging van een schadevergoedingsmaatregel – dan wel het bieden van gelegenheid aan de benadeelde partij om dit verzuim te herstellen.
75. Gelet op het voorgaande geeft het in het bestreden arrest besloten liggende oordeel van het hof dat de benadeelde partij ontvankelijk is mijns inziens blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
76. De overweging van het hof dat eisen van redelijkheid en billijkheid eraan in de weg staan dat de verdachte als degene die de benadeelde partij opzettelijk schade heeft toegebracht een beroep doet op de omissie om de huidige bewindvoerder als procespartij te stellen, maakt dat niet anders. Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat de omstandigheid dat de verdachte de voormalig bewindvoerder van de benadeelde partij is of de gevorderde schade toegebracht zou hebben er niet aan afdoet dat de wet eisen stelt aan de wijze waarop een slachtoffer zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegt in het strafproces. Verder neem ik in aanmerking dat, zoals hiervoor opgemerkt, het hof de benadeelde partij in de gelegenheid had kunnen stellen om de omissie te herstellen, maar daar geen gebruik van heeft gemaakt. Ten slotte neem ik in aanmerking dat niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij omdat deze zich niet op juiste wijze in het strafproces heeft gevoegd niet betekent dat de benadeelde partij haar schade niet vergoed kan krijgen in het strafproces. In dat geval kan de rechter immers zelfstandig een schadevergoedingsmaatregel opleggen.
77. In zoverre merk ik ten overvloede nog op dat de omstandigheid dat de verdachte volgens het hof ten tijde van de voeging als benadeelde partij de bewindvoerder van de benadeelde partij was, mij niet zonder meer begrijpelijk voorkomt. Het hof heeft aan deze overweging ten grondslag gelegd dat het voegingsformulier benadeelde partij is getekend op 14 januari 2019. Op zich is het juist dat het voegingsformulier 14 januari 2019 als datum van ondertekening vermeldt, maar mijns inziens is het evident dat het hier een schrijffout betreft. Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte zich in de periode van 21 juni 2008 tot en met 3 juli 2019 heeft schuldig gemaakt aan het bewezenverklaarde feit en dat uit de bewijsvoering van het hof naar voren komt dat het informatief gesprek zeden op 30 juli 2019 heeft plaatsgevonden. [33] Het ligt niet voor de hand dat het voegingsformulier reeds voor het einde van de bewezenverklaarde periode is ondertekend. Verder neem ik in aanmerking dat zich, zoals hiervoor weergegeven, bij de stukken van het geding een brief gedateerd 14 januari 2020 afkomstig van de advocaat van de benadeelde partij bevindt met als onderwerp “voeging benadeelde partij zitting 17-01-2020 om 14.30 uur”. Het kan mijns inziens dan ook niet anders zijn dan dat het voegingsformulier op 14 januari 2020 is getekend. Dat betekent dat, anders dan het hof heeft overwogen, de verdachte ten tijde van de voeging door de benadeelde partij in het strafproces al niet meer de bewindvoerder van de benadeelde partij was. Hij was immers, zoals het hof heeft vastgesteld, op 12 september 2019 geschorst als bewindvoerder en op 2 oktober 2019 ontslagen als bewindvoerder.
78. Het middel klaagt aldus terecht dat het hof de benadeelde partij ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard in haar vordering. Tot cassatie hoeft dat mijns inziens echter niet te leiden. Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat het middel niet klaagt over de schadevergoedingsmaatregel die ter zake van hetzelfde feit en voor een gelijk bedrag is opgelegd als de gedeeltelijk toegewezen vordering van de benadeelde partij. Verder neem ik in aanmerking dat een vernietiging door de Hoge Raad van de beslissing van het hof tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij de verplichting voor de verdachte tot betaling van deze schadevergoedingsmaatregel in stand laat, nu de klacht zich niet keert tegen de materiële verschuldigdheid van de schade. Daarom heeft de verdachte onvoldoende belang bij de klacht. [34]
79. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel
80. Het middel klaagt dat het hof de vaststelling van de omvang van de immateriële schadevergoeding ontoereikend heeft gemotiveerd, althans dat de vaststelling onbegrijpelijk is.
81. Aan het middel is allereerst ten grondslag gelegd dat bij het bepalen van de omvang van de immateriële schadevergoeding geen rekening lijkt te zijn gehouden met vergelijkbare gevallen. Verder is aan het middel ten grondslag gelegd dat het hof bij zijn oordeel dat behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, heeft nagelaten te specificeren waarom geen aansluiting wordt gevonden bij de categorieën zoals in de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven geformuleerd, terwijl namens de benadeelde partij is verzocht een schadevergoeding op te leggen overeenkomstig de vijfde categorie van de letsellijst. Nu de vordering niet in zijn geheel is toegewezen en geen acht is geslagen op de letsellijst is het oordeel van het hof volgens de steller van het middel niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, aangezien het hof niet uitlegt waarom het het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt niet volgt.
82. Bij de stukken van het geding bevindt zich een “Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces” van de benadeelde partij. Dit formulier houdt in dat een bedrag van € 20.000,= aan immateriële schade wordt gevorderd. Daarbij wordt voor de gevolgen die het voorval heeft gehad voor de benadeelde partij verwezen naar een toelichting en bijlagen. Die toelichting betreft de brief d.d. 14 januari 2020 van M.A.J. Kubatsch, advocaat te Utrecht, met als onderwerp “voeging benadeelde partij zitting 17-01-2020 om 14.30 uur”. Deze brief houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Er is sprake van een ernstige schending van de lichamelijke en geestelijke integriteit. Gevorderd wordt een bedrag van € 20.000,= aan immateriële schadevergoeding. Aanknopingspunt is categorie 5 van de Letsellijst 1 juli 2019 van het schadefonds geweldsmisdrijven (./.). Verder wordt verwezen naar de verklaring van mw D. Slot, psycholoog (wordt nagezonden).
[…]
HET VERZOEK
a. toekenning van een bedrag van € 20.000,= = voor de geleden immateriële schade althans zodanig bedrag als de rechtbank billijk acht en meent te moeten vaststellen,
tevens in dat laatste geval te bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en deze formulering ook in het vonnis op te nemen;
[…]”
83. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 6 juli 2021 houdt voor zover hier van belang, het volgende in:
“Mr. Kubatsch deelt mee:
De vordering van de benadeelde partij wordt gehandhaafd. De gevolgen van het feit voor cliënte zijn duidelijk verwoord in overweging 8.3 van het vonnis. Er is sprake van een ernstige inbreuk op de geestelijke en lichamelijk integriteit. Verdachte was de stiefvader van cliënte, iemand die zij volledig moest kunnen vertrouwen. Er is sprake van een fors leeftijdsverschil en een deel van het misbruik heeft plaatsgevonden in de eigen woning. Slachtoffers van dit soort misbruik hebben vaak lange tijd met de gevolgen ervan te kampen.
In november 2019 heeft cliënte een intake voor traumatherapie gehad. In januari 2020 is de therapie begonnen en in april 2021 afgerond. Zij heeft vijf keer een EMDR-behandeling ondergaan en tien à vijftien sessies begeleiding.
Indien uw hof tot een veroordeling komt, staat vast dat sprake is van onrechtmatig handelen door verdachte.
Op grond van de eerder per e-mail overgelegde uitspraken in soortgelijke zaken acht ik primair een bedrag van € 20.000,- aan immateriële schade passend en subsidiair een bedrag van € 15.000,-.
[…]
De raadsman voert het woord tot verdediging conform zijn pleitnota, die aan dit proces-verbaal is gehecht. In aanvulling daarop deelt hij mee:
Indien uw hof tot een veroordeling komt, verzoek ik u de gevorderde immateriële schade niet volledig aan mijn cliënt toe te rekenen. Er was immers ook sprake van zelfmoordgedachten bij [slachtoffer] en zij had zich net laten steriliseren. Ik verzoek u dan haar niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering of de vordering toe te wijzen tot een bedrag van maximaal € 5.000,-.
[…]
Mr. Kubatsch deelt mee:
[…]
Uit de verklaring van ’ [B] blijkt voldoende dat cliënte de traumatherapie heeft ondergaan vanwege het seksuele misbruik door verdachte. Zie daarvoor ook de verklaring ten aanzien van de EMDR-behandeling.
De vordering is eenvoudig en er is voldoende gelegenheid voor het voeren verweer.”
84. De aan het proces-verbaal gehechte pleitnota van de raadsman van de verdachte houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:
“Namens [slachtoffer] is een vordering ingediend voor een bedrag van € 20.000,--. Verdachte verzoekt u deze vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
De vordering gaat er van uit dat er bij een veroordeling sprake is van bewezen onrechtmatig handelen naar [slachtoffer] toe. Op grond waarvan dan weer aanspraak mag worden gemaakt op € 20.000,--. Die aannames zijn onterecht.
Verdachte/gedaagde betwist onrechtmatig te hebben gehandeld jegens [slachtoffer] In de vordering is niet omschreven wat hem wordt verweten. Hij vermoedt dat de vordering is gebaseerd op afgedwongen seks.
Gedaagde ontkent dat hij eiseres zou hebben gedwongen tot seksuele handelingen c.q. het ondergaan daarvan. De seks vond met wederzijds goedvinden plaats. Gedaagde verwijst naar alles wat namens hem eerder in deze pleitnota naar voren is gebracht.
Ook heeft eiseres niet onderbouwd waarom gedaagde haar € 20.000,-- verschuldigd zou zijn. Uit de vordering en de toelichting blijkt niet dat een dergelijk bedrag kan worden toegerekend aan (niet bewezen) onrechtmatig handelen van gedaagde. Een verwijzing naar een Letsellijst van het Schadefonds volstaat daarvoor niet.
Ook bij bewijs van onrechtmatig handelen staat niet vast dat € 20.000,-- een passend bedrag is. Waarom moet dit bedrag worden toegerekend aan wat gedaagde heeft gedaan? Niet bekend is immers hoeveel schade er in haar persoon is ontstaan juist door de recente operatie. Dat de gevolgen hiervan traumatisch waren is ook door eiseres zelf al meerdere keren aangegeven. Gedaagde had hieraan part noch deel en kan hiervan uiteraard geen verwijt worden gemaakt.
Gedaagde stelt daarom dat zich ten aanzien van de vordering diverse bewijsrechtelijke problemen voordoen inzake het bewijs van de onrechtmatige daad alsmede de toe te rekenen schade. Hetzelfde geldt voor het voeren van verweer hiertegen.
In deze strafrechtelijke procedure is slechts in beperkte mate plaats voor bewijslevering (zie artikel 334 SvPro). Artikel 361 lid 3 SvPro en artikel 6 EVRMPro brengen daarom met zich mee dat de strafrechter de vordering niet ontvankelijk verklaart omdat niet verzekerd is dat gedaagde in voldoende mate in de gelegenheid is geweest om verweer te voeren tegen de vordering anders dan hij hiervoor heeft gedaan. Hetgeen is te wijten aan het feit dat in de vordering slechts is gesteld en niet (afdoende) is onderbouwd.
Eiseres heeft in een ingewikkelde en beladen zaak volstaan met het indienen van een algemene en ongespecificeerde vordering. Daarmee miskende zij diverse bewijsrechtelijke complicaties van haar vordering, terwijl die al op voorhand kenbaar waren. Voor een dergelijke vorm van riskant procederen bestaat binnen een strafzaak onvoldoende ruimte.
Biedt de rechter die ruimte wel dan wordt de strafzaak zelf onevenredig belast. De rechter is daarom verplicht om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren (zie Hoge Raad 15 september 2006; ECLI:NL:HR:2006:AV2654, en 28 mei 2019 ECLI:NL:HR:2019:793, onder 2.1.). Namens gedaagde verzoek ik uw rechtbank daartoe over te gaan.”
85. Het bestreden arrest houdt, voor zover hier van belang, het volgende in:
“Anders dan de raadsman heeft bepleit, levert de vordering als zodanig naar het oordeel van het hof geen onevenredige belasting van het strafgeding als bedoeld in artikel 361 lid 3 SvPro op. De vordering bestaat uit slechts één post, te weten immateriële schade. De omvang daarvan kan door het hof op grond van artikel 6:97 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) worden geschat.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Het hof waardeert die schade op een bedrag van € 10.000,--. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.
Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.”
86. In het overzichtsarrest inzake de benadeelde partij [35] heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang en met weglating van voetnoten, het volgende overwogen:
“Inleiding
2.1
Art. 51f Sv bepaalt dat diegene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, zich als benadeelde partij kan voegen in het strafproces met een vordering tot vergoeding van die schade. Op die vordering van de benadeelde partij is het materiële burgerlijk recht van toepassing. Los van een door de benadeelde partij ingestelde vordering kan de rechter ambtshalve de in art. 36f, eerste lid, Sr bedoelde schadevergoedingsmaatregel opleggen indien en voor zover de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht. Deze maatregel komt hierna onder 2.9 kort aan de orde.
Met de mogelijkheid tot het instellen van een vordering door benadeelde partijen heeft de wetgever beoogd binnen het strafproces te voorzien in – kort gezegd – een eenvoudige en laagdrempelige procedure die ertoe leidt dat personen die schade hebben geleden als gevolg van een strafbaar feit zoveel mogelijk schadeloos worden gesteld. Indien echter de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van de rechter een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, kan de rechter bepalen dat die vordering in het geheel of ten dele niet-ontvankelijk is en dat de benadeelde partij haar vordering, of het deel van de vordering dat niet-ontvankelijk is, slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen (art. 361, derde lid, Sv).
De aldus voorziene eenvoudige procedure biedt aan de benadeelde partij en de verdachte niet dezelfde processuele waarborgen als een gewone civielrechtelijke procedure, onder meer omdat in de context van de strafrechtelijke procedure ingevolge art. 334 SvPro slechts in beperkte mate plaats is voor bewijslevering. Dit bezwaar wordt echter in afdoende mate ondervangen door voornoemd art. 361, derde lid, Sv, welke bepaling mede in het licht van art. 6, eerste lid, EVRM aldus moet worden uitgelegd dat zij de strafrechter tot niet-ontvankelijkverklaring verplicht indien hij niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest om naar voren te brengen hetgeen zij ter staving van de vordering, onderscheidenlijk tot verweer tegen de vordering kunnen aanvoeren en, voor zover nodig en mogelijk, daarvan bewijs te leveren.
[…]
Beoordeling en beslissing rechter
2.8.1
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van art. 150 RvPro rust op de benadeelde partij die een vordering instelt in beginsel de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade.
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
2.8.3
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij niet (gemotiveerd) betwist, zal de rechter uitgaan van de juistheid van de daaraan ten grondslag gelegde feiten (vgl. art. 149 RvPro) en zal de vordering in de regel worden toegewezen, tenzij de vordering onrechtmatig of ongegrond voorkomt of zich het hiervoor onder 2.1 bedoelde geval voordoet waarin de rechter door de beperkingen van het strafproces niet verzekerd acht dat beide partijen in voldoende mate in de gelegenheid zijn geweest hun stellingen en onderbouwingen met betrekking tot de toewijsbaarheid genoegzaam naar voren te brengen. In laatstgenoemd geval ligt het in de rede dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is en zij haar vordering bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen. Slechts in gevallen waarin de niet-toewijsbaarheid niet volgt uit de beperkingen van het strafproces, de benadeelde partij genoegzaam in de gelegenheid is geweest haar vordering te onderbouwen en de ongegrondheid van die vordering in voldoende mate is komen vast te staan, kan de rechter ervoor kiezen de vordering af te wijzen.
2.8.4
Het staat de rechter vrij in zijn oordeel over een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk een inhoudelijke beslissing te nemen in de vorm van een toe- of afwijzing, en de vordering voor het resterende deel niet-ontvankelijk te verklaren. Een dergelijke splitsing van de vordering maakt het voor de strafrechter mogelijk te beslissen over dat deel van de vordering waarvan de behandeling niet een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, terwijl de benadeelde partij het resterende deel van haar vordering aan de burgerlijke rechter kan voorleggen.
[…]
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.
2.8.7
Met inachtneming van hetgeen hiervoor onder 2.4 reeds is overwogen, begroot de rechter de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is. Indien de omvang van de schade zonder nader onderzoek dat een onevenredige vertraging van het strafgeding zou opleveren, niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, kan die omvang in veel gevallen worden geschat (art. 6:97 BWPro). De rechter dient in zijn motivering van die schatting zoveel mogelijk aan te sluiten bij de vaststaande feiten. Indien de gehele schade of een bepaalde schadepost wordt geschat op een bepaald bedrag impliceert de beslissing met betrekking tot die schade(post) de afwijzing van hetgeen meer werd gevorderd, tenzij uit die beslissing blijkt dat sprake is van een gedeeltelijke toewijzing zoals hiervoor onder 2.8.4 bedoeld.
De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
[…]”
87. Het middel keert zich allereerst tegen de vaststelling door het hof van de omvang van de immateriële schade. Deze vaststelling is volgens de steller van het middel ontoereikend gemotiveerd omdat bij het bepalen van de omvang van de immateriële schade geen rekening lijkt te zijn gehouden met vergelijkbare gevallen.
88. In dat kader stel ik voorop dat de rechter bij de begroting van immateriële schade, indien mogelijk, dient te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend. De enkele omstandigheid dat het hof in zijn overwegingen er geen blijk van heeft gegeven gelet te hebben op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend, kan mijns inziens echter niet de conclusie dragen dat het hof de vaststelling van de omvang van de immateriële schadevergoeding ontoereikend heeft gemotiveerd. Er is immers geen rechtsregel die de rechter ertoe verplicht bij de begroting van de immateriële schade in zijn motivering blijk te geven van de wijze waarop hij, indien dat mogelijk is, heeft gelet op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.
89. In dit geval heeft het hof geoordeeld dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden die rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit en heeft het die schade gewaardeerd op een bedrag van € 10.000,--. Door de gedeeltelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en de niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering voor het overige heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat de behandeling van dit deel van de vordering van de benadeelde partij geen onevenredige belasting van het strafgeding oplevert en dat het alleen op dit gedeelte van de vordering een inhoudelijke beslissing kon geven. Daarnaast heeft het hof met zijn overwegingen als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat de immateriële schade, gelet op alle omstandigheden van het geval, moet worden begroot op een bedrag van € 10.000,00. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Verder is het oordeel in het licht van de wijze waarop enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd toereikend gemotiveerd. Het middel faalt in zoverre.
90. Het middel keert zich in de tweede plaats tegen het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In dit kader is aan het middel ten grondslag gelegd dat het hof heeft nagelaten te specificeren waarom geen aansluiting wordt gevonden bij de categorieën zoals in de Letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven geformuleerd, terwijl namens de benadeelde partij is verzocht een schadevergoeding op te leggen overeenkomstig de vijfde categorie van de letsellijst.
91. Voor zover aan het middel ten grondslag is gelegd dat het hof niet uitlegt waarom het ‘het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt’, waarmee de steller van het middel kennelijk het oog heeft op het verzoek een schadevergoeding op te leggen overeenkomstig de vijfde categorie van de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, niet volgt, merk ik op dat aan art. 359, tweede lid, Sv geen motiveringsverplichting met betrekking tot de beslissing op de vordering van de benadeelde partij kan worden ontleend, aangezien die bepaling niet het oog heeft op een omtrent de vordering van een benadeelde partij ingenomen standpunt. [36] Het middel stelt in zoverre een eis die het recht niet kent.
92. Ook overigens was het hof mijns inziens in het kader van zijn oordeel dat de behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert niet gehouden te motiveren waarom het geen aansluiting heeft gezocht bij de categorieën die zijn geformuleerd in de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. Deze lijst is opgesteld voor de bepaling van de hoogte van uitkeringen uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven en bestaat uit zes letselcategorieën waaraan een vaste uitkering is gekoppeld, oplopend van € 1.000,- tot € 35.000,-. De ernst van het opgelopen letsel en de omstandigheden waaronder het geweldsmisdrijf is gepleegd, bepalen welke letselcategorie van toepassing is. De aan die letselcategorie gekoppelde uitkering wordt door het Schadefonds Geweldsmisdrijven verstrekt aan het slachtoffer. Het betreft hier met andere woorden een forfaitaire tegemoetkoming. De lijst geeft aldus een handvat om de zwaarte van een bepaald letsel te wegen, maar niet om de hoogte van een schadebedrag aan te relateren. [37] Bovendien verdient opmerking dat de uitkering door het Schadefonds Geweldsmisdrijven een tegemoetkoming is voor het overkomen leed en de eventuele financiële schade die hierdoor is geleden. De uitkering ziet met andere woorden niet alleen op immateriële schade, maar omvat ook eventuele materiële schade. [38]
93. Bovendien heeft het hof met zijn oordeel dat de behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert tot uitdrukking gebracht dat toe- of afwijzing van dit deel van de vordering nader onderzoek vergde waarvoor in het kader van de behandeling van de strafzaak geen plaats was. Daaruit volgt reeds waarom het hof niet het gehele gevorderde bedrag van € 10.000,-- heeft toegewezen. Het oordeel van het hof dat de behandeling van de vordering voor het overige een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, komt mij in het licht van het bewezenverklaarde feit, de inhoud van de ingediende vordering en hetgeen ter onderbouwing daarvan naar voren is gebracht en hetgeen de verdediging ter betwisting van de vordering heeft aangevoerd, ook niet onbegrijpelijk voor. Voor een verdere toetsing van dat oordeel is in cassatie geen plaats. [39] Het middel faalt ook in zoverre.
94. Het middel faalt in al zijn onderdelen.
Conclusie
95. De namens de verdachte voorgestelde middelen falen. Het eerste, tweede en derde middel kunnen met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering worden afgedaan.
96. Het namens de benadeelde partij voorgestelde middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
97. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.
98. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
3.Daarbij merk ik op dat de rechtbank de hiervoor aangehaalde passage uit de verklaring van de getuige heeft opgenomen in de weergave van de bewijsmiddelen in het vonnis.