ECLI:NL:PHR:2022:870

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 oktober 2022
Publicatiedatum
28 september 2022
Zaaknummer
21/03557
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552a SvArt. 81 ROArt. 449 SvArt. 94 SvArt. 94a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep tegen beslag op geldbedrag wegens niet-naleving art. 552a lid 5 Sv en proportionaliteit

De klaagster stelde bij de rechtbank Noord-Holland beroep in tegen het beslag op een geldbedrag van €70.074,54, strekkende tot opheffing en teruggave. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond. De klaagster stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij zij meerdere middelen aanvoerde, onder meer over de niet-naleving van art. 552a lid 5 Sv, de grondslag van het beslag, proportionaliteit en subsidiariteit, en het zijn van rechthebbende.

De Procureur-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep ontvankelijk was ondanks dat het niet bij de rechtbank was ingesteld, omdat het beroep door een vertegenwoordiger en niet door een advocaat was ingediend. De middelen faalden omdat uit het dossier bleek dat de wettelijke voorschriften waren nageleefd, het belang van strafvordering het beslag rechtvaardigde en de rechtbank terecht niet aan de vraag toekwam of de klaagster als rechthebbende moest worden beschouwd.

De Hoge Raad vond geen gronden voor vernietiging en verwierp het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro. De procedure illustreert de strikte toetsing aan de voorwaarden voor beslaglegging en het belang van strafvordering bij voortzetting van beslag.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geldbedrag blijft gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer21/03557 B
Zitting4 oktober 2022
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[klaagster] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
hierna: de klaagster
De rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, heeft bij beschikking van 27 oktober 2020 het klaagschrift van de klaagster, strekkende tot opheffing van het beslag op een geldbedrag van € 70.074,54 en last tot teruggave van dit bedrag aan de klaagster, ongegrond verklaard.
Er bestaat samenhang met de zaak 21/03556B. In deze zaak zal ik vandaag ook concluderen.
Het cassatieberoep is ingesteld door de klaagster en mr. S. Jankie, advocaat te Hoofddorp, heeft bij ‘voorlopige schriftuur’ twee middelen van cassatie voorgesteld. Nadien is nog een aanvullende schriftuur ingediend met daarin eveneens twee middelen van cassatie. De overige in de aanvullende schriftuur opgeworpen klachten zijn mijns inziens niet aan te merken als stellige en duidelijke klachten over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen, of worden eerst in cassatie aangevoerd [1] , zodat ik die klachten onbesproken zal laten.

4.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep

4.1
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich een “akte instellen cassatie”, inhoudende dat op 12 november 2020 ter griffie van de rechtbank Noord-Holland [betrokkene 1] , zelfstandig bevoegd bestuurder van [A] B.V. [2] , kwam en verklaarde cassatie in te stellen tegen de bestreden beschikking. Aan genoemde akte is een faxbericht gehecht dat is gedateerd 9 november 2020 en geadresseerd aan de Hoge Raad. Genoemd faxbericht houdt in dat [betrokkene 1] , handelend als zelfstandig bevoegd bestuurder van [A] B.V., welke B.V. bestuurder van de klaagster is, beroep in cassatie wenst in te stellen tegen de bestreden beschikking. Dit faxbericht is door de strafgriffie van de Hoge Raad doorgestuurd naar de juiste instantie: de rechtbank Haarlem. De brief is op 12 november bij de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen en op dezelfde dag is genoemde akte opgemaakt.
4.2
Hoewel het beroep – in eerste instantie - niet is ingesteld bij “de griffie van het gerecht door of bij hetwelk de beslissing is gegeven” (art. 449, eerste lid, Sv), meen ik dat het niet op de juiste wijze instellen van het cassatieberoep hier niet fataal is, nu het beroep niet door een advocaat - van wie mag worden verwacht dat hij/zij bij het instellen van een rechtsmiddel de juiste weg bewandeld - maar door een vertegenwoordiger van de klaagster is ingesteld. [3] Daarbij merk ik nog op dat zich hier niet een geval van getrapte vertegenwoordiging voordoet. In een dergelijk geval - waarin de rechtspersoon wordt vertegenwoordigd door een persoon, die zelf weer wordt vertegenwoordigd door een gemachtigde - geldt dat de wet niet de mogelijkheid biedt dat een dergelijke volmacht anders dan in persoon ter griffie wordt overgelegd. [4]

5.Het eerste middel

5.1
Het middel klaagt dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de derde, onder wie voornoemd geldbedrag in beslag is genomen, conform art. 552a, lid 5, Sv is opgeroepen. [5]
5.2
Ik merk allereerst op dat de opvatting dat uit de bestreden beschikking moet blijken dat het bepaalde in art. 552a, vijfde lid, Sv is nageleefd geen steun vindt in het recht. Voldoende is dat zulks uit de stukken van het dossier kan worden afgeleid. [6]
5.3
Voorts geldt dat de klaagster, nu de rechtbank het klaagschrift ongegrond heeft verklaard, belang mist bij het (eventuele) verzuim van de rechtbank de beslagene als belanghebbende te hebben opgeroepen teneinde in raadkamer te worden gehoord. [7]
5.4
Het middel faalt.

6.Het tweede middel

6.1
Het middel klaagt dat onvoldoende duidelijk is wat de grondslag is van het beslag, terwijl in de toelichting op het beklag van 13 oktober 2020 is aangegeven dat het beslag niet op grond van art. 94 Sv Pro is gelegd.
6.2
De rechtbank heeft in de bestreden beschikking vastgesteld dat (onder andere) het genoemde geldbedrag op 7 juli 2020 onder [betrokkene 2] , wegens verdenking van onder meer witwassen, in beslag is genomen. Hoewel een kennisgeving van inbeslagneming bij de onderhavige gedingstukken ontbreekt, heeft de rechtbank zich blijkens de bestreden beschikking op dit punt klaarblijkelijk op het onderliggende strafdossier gebaseerd. Voorts merk ik op dat hieromtrent tijdens de behandeling in raadkamer op 27 oktober 2020 door de verdediging ook geen punt is gemaakt. Integendeel; de raadsvrouw van de klaagster heeft zich primair op het standpunt gesteld dat het belang van strafvordering voortzetting van het beslag niet meer vordert, omdat niet blijkt dat justitie onderzoek verricht aan de geldbiljetten of het fysieke geld om andere reden noodzakelijk is om de waarheid aan de dag te brengen of wederrechtelijk voordeel aan te tonen en het voorts, nu [betrokkene 2] niet de rechthebbende op de gelden blijkt, hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, tot een verbeurdverklaring zal komen. Volgens de raadsvrouw van de klaagster kan het beslag niet langer op grond van artikel 94 Sv Pro worden gehandhaafd en dient het geldbedrag te worden teruggegeven aan de klaagster(s) als rechthebbenden, althans beslagene. Subsidiair is verzocht de zaak aan te houden, indien het Openbaar Ministerie de toegezonden onderbouwende stukken nog nader wenst te onderzoeken. Van een op art. 94a Sv gestoeld betoog blijkt in het geheel niet.
6.3
Het middel faalt.

7.Het derde middel

7.1
Het middel dat klaagt dat de rechtbank had moeten nagaan of voortzetting van het conservatoire beslag in overeenstemming was met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, ziet eraan voorbij dat de rechtbank heeft vastgesteld dat het hier een klassiek beslag ex art. 94 Sv Pro betreft en de toetsingsmaatstaven voor de op grond van art. 94 Sv Pro en art. 94a Sv gelegde beslagen niet verplichten tot een ambtshalve onderzoek met betrekking tot de vraag of voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. [8] Door de verdediging is ook op dit punt geen verweer gevoerd.
7.2
Het middel faalt.

8.Het vierde middel

8.1
Het middel klaagt dat de rechtbank onvoldoende is ingegaan op hetgeen de raadsvrouw van de klaagster over het zijn van rechthebbende heeft aangevoerd.
8.2
Dit middel ziet eraan voorbij dat de in deze toepasselijke toetsingsmaatstaf meebrengt dat de rechter eerst dient te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert, en zo neen, de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene dient te gelasten, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd. [9] In het onderhavige geval heeft de rechtbank geoordeeld dat het belang van strafvordering zich tegen teruggave verzet omdat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het inbeslaggenomen geldbedrag zal verbeurd verklaren. Nu de eerstgenoemde vraag bevestigend is beantwoord, is de rechtbank – logischerwijze - aan de vraag of de klaagster als rechthebbende moet worden beschouwd niet toegekomen.
8.3
Voor zover als deelklacht nog wordt opgeworpen dat de redelijke termijn is overschreden, stuit dit af op de omstandigheid dat art. 6 EVRM Pro in beginsel niet van toepassing is op de beklagprocedure van art. 552a Sv aangezien in deze procedure geen rechten of verplichtingen van burgerrechtelijke aard worden vastgesteld. [10]
8.4
Het middel faalt.
9. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.
10. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
11. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Bijvoorbeeld de in de aanvullende schriftuur verwoorde klacht klacht dat in het onderhavige geval niet is voldaan aan de voorwaarden betreffende de kennisgeving van inbeslagneming, zoals verwoord in de Aanwijzing inbeslagneming (2014A006), waardoor de voortduring van het beslag onrechtmatig zou zijn.
2.Bij mijn onderzoek naar de naleving van het bepaalde in artikel 435 lid 1 Sv Pro is door mij vastgesteld dat [A] B.V. (enig) bestuurder is van de klaagster. Uit het Uittreksel van de Kamer van Koophandel dat is gehecht aan de toelichting op het beklag volgt dat [betrokkene 1] (enig) bestuurder is van [A] B.V. en zodoende bevoegd tot het vertegenwoordigen van de klaagster (art. 528, eerste lid, Sv).
3.Zie bijv. HR 21 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:913.
4.Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:995.
5.Dit is overigens identiek aan hetgeen in het onder 4.1 vermelde faxbericht is aangevoerd.
6.HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8049, NJ 2006/26.
7.Vgl. bijv. HR 1 december 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3540, NJ 2002/616, HR 20 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8049, NJ 2006/26, HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7955, NJ 2012/385, PHR 9 september 2014, ECLI:NL:PHR:2014:2071 (HR: 81 RO), PHR 18 februari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:941 (HR:80a RO). Dit is anders voor gevallen waarin het klaagschrift geheel gegrond is verklaard (vgl. HR 8 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC8667, NJ 2008/629 en HR 18 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:966 (OM-cassatie)) of gedeeltelijk (vgl. HR 6 januari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4193) gegrond is verklaard.
8.Zie bijv. HR 14 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1755 (art. 94 Sv Pro) en HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2881 (art. 94a Sv).
9.HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654, rov. 2.8.
10.Vgl. bijv. HR 11 oktober 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU4086, NJ 2006/613, HR 6 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ8028, NJ 2011/417 en HR 30 oktober 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU7367.