ECLI:NL:PHR:2022:870
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Verwerping cassatieberoep tegen beslag op geldbedrag wegens niet-naleving art. 552a lid 5 Sv en proportionaliteit
De klaagster stelde bij de rechtbank Noord-Holland beroep in tegen het beslag op een geldbedrag van €70.074,54, strekkende tot opheffing en teruggave. De rechtbank verklaarde het klaagschrift ongegrond. De klaagster stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad, waarbij zij meerdere middelen aanvoerde, onder meer over de niet-naleving van art. 552a lid 5 Sv, de grondslag van het beslag, proportionaliteit en subsidiariteit, en het zijn van rechthebbende.
De Procureur-Generaal concludeerde dat het cassatieberoep ontvankelijk was ondanks dat het niet bij de rechtbank was ingesteld, omdat het beroep door een vertegenwoordiger en niet door een advocaat was ingediend. De middelen faalden omdat uit het dossier bleek dat de wettelijke voorschriften waren nageleefd, het belang van strafvordering het beslag rechtvaardigde en de rechtbank terecht niet aan de vraag toekwam of de klaagster als rechthebbende moest worden beschouwd.
De Hoge Raad vond geen gronden voor vernietiging en verwierp het cassatieberoep met toepassing van art. 81 RO Pro. De procedure illustreert de strikte toetsing aan de voorwaarden voor beslaglegging en het belang van strafvordering bij voortzetting van beslag.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geldbedrag blijft gehandhaafd.