Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten
bake offproducten en het exploiteren van ondernemingen op dat gebied onder de gezamenlijke handelsnaam Bakker Bart.
de kantonrechter), heeft bij vonnis van 14 april 2017 [5] de verklaring voor recht (1) en schadevergoeding op te maken bij staat (3) toegewezen, de gevorderde ontbinding (2) afgewezen en Bart’s Retail veroordeeld om aan [eisers] te betalen een bedrag groot € 200.000,-- als voorschot op de schadevergoeding, met veroordeling van Bart’s Retail in de proceskosten. De kantonrechter heeft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Exoneratie?
het hof) ter verdere behandeling en beslissing.
het bestreden arrest) in het principaal en het incidenteel hoger beroep:
"De gemiddelde vezelconcentratie ligt BENEDEN de vrijgavenorm van 0,01 v/ml lucht. Op grond van de resultaten van de visuele inspectie en eventueel het beschreven onderzoek mag de onderzochte ruimte WEL zonder gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen worden betreden."Naar het oordeel van het hof mocht Bart’s Retail er op basis van dit certificaat voorshands redelijkerwijs van uitgaan dat het winkelpand geschikt was voor het (met [eisers] ) overeengekomen gebruik.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdelen 1.1 en 1.2stellen dat het oordeel van het hof in r.o. 3.5.5 niet (voldoende) begrijpelijk is gemotiveerd, omdat daaruit niet blijkt op welke wijze het hof rekening heeft gehouden met de in r.o. 3.5.3 en/of r.o. 3.5.4 vermelde feiten en omstandigheden. Het hof geeft in r.o. 3.5.3 niet meer dan een opsomming van feiten en omstandigheden die naar het oordeel van het hof van belang zijn. In r.o. 3.5.5 verwijst het hof naar deze opsomming, zonder enige vorm van motivering, terwijl niet evident is dat die omstandigheden (zonder meer) nopen tot het oordeel waartoe het hof in r.o. 3.5.5 komt. Evenmin blijkt uit r.o. 3.5.5 (dat en) in hoeverre het hof gewicht heeft toegekend aan de in r.o. 3.5.4 opgesomde, door [eisers] aangevoerde feiten en omstandigheden, en/of dat het hof rekening heeft gehouden met die omstandigheden en/of waarom de door [eisers] aangevoerde omstandigheden niet tot het oordeel kunnen leiden dat een beroep op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De subonderdelen wijzen erop dat de door [eisers] aangevoerde omstandigheden relevant kunnen zijn voor het antwoord op de vraag of het beroep van Bart’s Retail op het exoneratiebeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. De feiten en omstandigheden betreffen immers de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de mate waarin de wederpartij zich van de strekking van het beding bewust is geweest, de wijze waarop de gebruiker met het beding is omgegaan en de daardoor gewekte verwachtingen en de mogelijkheid van spreiding van het risico of verhaal van de schade elders.
subonderdelen 1.1 en 1.2stellen tevens dat het hof in r.o. 3.5.5 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, door bij de beantwoording van de vraag of het beroep op een exoneratieclausule naar maatstaven van onaanvaardbaar is, niet alle omstandigheden van het geval in acht te nemen en/of indien het de weliswaar wel opgesomde, omstandigheden (toch) niet van belang heeft geacht.
subonderdeel 1.2, onder (a), wijst er verder op dat het hof in r.o. 3.5.3 overweegt dat de onderhavige overeenkomsten zijn gesloten tussen twee commerciële partijen en in r.o. 3.5.4 vermeldt dat [eisers] hebben aangevoerd dat beide partijen weliswaar aangemerkt kunnen worden als commerciële partijen maar dat sprake is van machtsongelijkheid tussen hen, in die zin dat de onderneming van Bart’s Retail een omvangrijke winkelketen omvat, terwijl zij zelf aangemerkt moeten worden als kleine (beginnende) ondernemers.
De stellingen van [eisers] over de ongelijkwaardigheid van partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, over de mate waarin [eisers] zich van de strekking van het beding bewust waren en de stelling dat Bart’s Retail de door haar betaalde en te betalen schadevergoeding kan verhalen op de (voormalige) eigenaar van het winkelpand, zijn naar het oordeel van het hof in r.o. 3.5.5 onvoldoende om het beroep van Bart’s Retail op de exoneratiebedingen onaanvaardbaar te doen zijn. Dit betreft een waardering die aansluit bij de terughoudendheid waartoe de maatstaf van art. 6:248 lid 2 BW Pro noopt en in belangrijke mate van feitelijke aard is.
3.403,71 betaald. Bart’s Retail heeft zich hierdoor zeer correct opgesteld. De gevolgen van exoneratie, voor [eiser 2] , bleven hierdoor ook beperkt;’ [27]
niet schadeplichtigwas jegens [eiser 2] wegens de (onverwachte!) aanwezigheid van asbest in het gehuurde. Bart’s Retail had vervolgens meer gedaan dan waartoe zij verplicht was. Niet alleen had zij het gebrek verholpen (daartoe was zij ook verplicht), door de asbestsanering. Bart’s Retail had ook [eiser 2] wekelijks betaald. (…)
Subonderdeel 1.3faalt.
Caransa/Lüskeoverwoog Uw Raad dat de rechter naar wie de zaak is verwezen, aan de hand van de strekking van hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen en beslist, zal hebben te beoordelen welke onderdelen van de gecasseerde uitspraak niet of tevergeefs zijn bestreden en derhalve onaantastbaar zijn geworden. In de betreffende zaak had de Hoge Raad het arrest van het hof vernietigd wegens gegrondheid van een klacht en hield het dictum van de uitspraak vernietiging van de uitspraak in, zonder dat daaraan enige uitdrukkelijke beperking was toegevoegd. Uw Raad overwoog dat uit de enkele omstandigheid dat het vernietigend dictum niet een uitdrukkelijke beperking tot een deel van de bestreden uitspraak bevat, niet mag worden afgeleid dat al hetgeen de bestreden uitspraak inhield, is vernietigd. [36] Welke beslissingen door het slagen van klachten en de vernietiging op grond daarvan worden getroffen, moet de verwijzingsrechter niet alleen bepalen aan de hand van de overwegingen van de Hoge Raad, maar ook aan de hand van de aard van de vernietigde beslissingen. [37]
‘Klacht IV (Omvang van de schade/verwijzing naar de schadestaat)’ (randnrs. 2.4-2.4.4) is een voortbouwende klacht, inhoudende dat als de tweede of de derde klacht slaagt, ook r.o. 5.15 en 5.16 niet in stand kunnen blijven. In deze rechtsoverwegingen komt het hof Arnhem-Leeuwarden – samengevat – tot het oordeel dat Bart’s Retail moet worden veroordeeld tot schadevergoeding, nader op te maken bij staat en dat de beslissing van de kantonrechter inhoudende dat Bart’s Retail een voorschot op de schadevergoeding moet betalen van € 200.000,-- in stand gelaten moet te worden.
Ook ‘Klacht V’ (randnrs. 2.5-2.5.1) is een voortbouwende klacht, inhoudende dat als een of meer van de klachten I t/m IV slagen, ook r.o. 5.17 tot en met 7 (het dictum) niet in stand kunnen blijven. In r.o. 6.2 en 6.3 overweegt het hof dat het Bart’s Retail als de overwegend in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het principaal en incidenteel hoger beroep zal veroordelen.