Conclusie
4.Het eerste middel
NJ2021, 169, m.nt. Jörg). Uit de uitvoerige overwegingen van het hof blijkt naar mijn idee dat verschillende pogingen zijn ondernomen om eventuele lacunes in de dossiervorming te verhelpen, terwijl het hof de vraag of er uiteindelijk daadwerkelijk stukken hebben ontbroken in het midden heeft gelaten. De bij de verdediging levende overtuiging dat de stukken niet compleet zouden zijn vindt haar oorsprong in hoofdzaak in het feit dat de verdediging in eerste aanleg inzage zou hebben gekregen in enkele tientallen dozen waarvan een gedeelte, volgens de verdediging, in appel niet meer vindbaar bleek. Welke stukken in deze fase precies ontbraken is door de verdediging volgens het hof onvoldoende gesubstantieerd. Dat het hof dit aan de verdediging heeft tegengeworpen acht ik niet onbegrijpelijk. Uiteraard kan niet van de verdediging gevergd worden dat alle ter inzage aangeboden stukken haar, ook jaren later, nog gedetailleerd voor de geest staan. Maar indien sprake zou zijn van aanknopingspunten die een schending van art. 6 EVRM Pro in beeld zouden brengen zou, naar het mij voorkomt, van de verdediging wel een in enige mate nader toegelicht verzoek mogen worden verwacht waarin wordt ingegaan op de aard en/of globale inhoud van de vermeendelijk ontbrekende stukken alsmede de aard van de (dreigende) schending van art. 6 EVRM Pro. Het oordeel van het hof dat door de gang van zaken geen sprake is van een situatie waarin het recht van verdachte op een eerlijke behandeling van zijn zaak op zodanige wijze tekort is gedaan, dat hierdoor geen sprake meer kan zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM Pro getuigt naar ik meen niet van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.
kunnenvinden (en dus niet: heeft gevonden) op basis van het in hoger beroep door de advocaat-generaal bij het hof overgelegde convenant en de gegevensuitwisseling ook heeft plaatsgevonden in overeenstemming met dit convenant. Ook heeft het hof expliciet overwogen dat niet aannemelijk is gebleken dat de politie informatie zou hebben verstrekt aan de gemeente of de Belastingdienst en voorts dat van een willekeurige verstrekking van informatie aan onbekende derden geen sprake is geweest, maar uitsluitend van overleg tussen functionarissen om tot een afgestemde aanpak te komen. De onder 4.8 gestelde onbegrijpelijkheden stuiten hier mijns inziens op af.
5.Het tweede middel
(…)
Wat betekent ’’gewoonte maken van witwassen’’? Dit is een vaste terminologie in het Wetboek van Strafrecht. Het betekent een herhaling van feiten, waaruit de subjectieve neiging van de dader blijkt om dit feit steeds weer te begaan. Denk bijvoorbeeld aan de houder van een wisselkantoor, die regelmatig witwast.” [2]
6.Het derde middel
“Ik heb nu geen uitkering meer, vroeger wel. Sinds de dood van mijn vader, zo'n 8 of 10 jaar geleden, krijg ik zelf geen uitkering meer. Ik leef van het geld van de familie. En daarmee bedoel ik de gehele Roma gemeenschap in [plaats] en [plaats] .”Uit genoemde verklaringen heeft het hof mijns inziens zonder meer kunnen afleiden dat de aan de hypothecaire geldlening ten grondslag liggende inkomensverklaring vals is. Het hof heeft daarbij - anders dan de steller van het middel tot uitgangspunt neemt - niet vastgesteld dat de verdachte zelf de valse inkomensverklaring heeft ingevuld. Wel volgt hieruit dat de verstrekte hypothecaire lening heeft bijgedragen aan het bewezenverklaarde witwassen van het pand, dat aldus door dat strafbare feit is verkregen en derhalve vatbaar is voor verbeurdverklaring.
vierde middelheeft betrekking op het gebruik van een onjuiste tekst bij beëdigingen in het hof ’s-Hertogenbosch . Het bevat de klacht dat één of meer van de betrokken raadsheren die het bestreden arrest hebben gewezen niet op rechtsgeldige wijze zijn beëdigd, zodat zij niet bevoegd waren om over de onderhavige zaak te oordelen, waardoor het bestreden arrest niet in stand kan blijven.