Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
metonrechtmatige daad – heeft vastgesteld en de invloed daarvan op de uiteindelijke schadeberekening (in rov. 2.30). Het oordeel van de rechtbank dat Rabobank 50% van de verpande vorderingen zou hebben geïncasseerd ziet echter op de hypothetische situatie –
zonderonrechtmatige daad. Ook het betoog van de Bestuurder dat Rabobank in het geheel geen schade heeft geleden, is enkel gegrond op de stelling dat het bedrag dat Rabobank is misgelopen in de werkelijke situatie lager is dan door de rechtbank is vastgesteld. De memorie van grieven van de Bestuurder laat dan ook geen andere lezing toe dan dat de Bestuurder niet heeft gegriefd tegen de overwegingen van de rechtbank omtrent het incassopercentage van de verpande vorderingen in de hypothetische situatie, zodat deze overwegingen buiten de rechtsstrijd in hoger beroep vallen.
whether ‘profound and long-standing differences’ exist in the case-law of a supreme court, whether the domestic law provides for machinery for overcoming these inconsistencies, whether that machinery has been applied and, if appropriate, to what effect(…)’ [28]
profound and long-standing differences’ ‘in the case-law of a supreme court’ evident geen sprake is.
reformatio in peius.
reformatio in peiusdient bovendien te worden beschouwd vanuit het perspectief van appellant. Appellant mag, afgezien van eiswijzigingen en hetgeen in incidenteel appel wordt gevorderd, niet in een mindere positie komen te verkeren dan waarin hij door de bestreden beslissing was gebracht. [31] De Bestuurder, in zijn verhouding tot Rabobank, is niet slechter af dan in eerste aanleg, nu het eindvonnis jegens hem is bekrachtigd. Dat de Bestuurder, ten gevolge van een beslissing in een
andereprocedure, voor een lager bedrag zal zijn bevrijd in het geval van volledige voldoening door Finedi c.s. [32] , wordt niet bestreken door het verbod van
reformatio in peius. Het hof heeft dit niet miskend, zodat de klacht ook hierom faalt.