Conclusie
Inleiding
Het middel
1.De verklaring van de verdachte.
de verdachte:
[aangeefster]:
[aangeefster] :
De verklaring van de verdachte en het verweer van de raadsman ter ’s hofs terechtzitting
Het juridisch kader
gerichtte zijn geweest op het die ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen. Niet nodig is dat de belaagde
daadwerkelijkvrees is aangejaagd of dat hij door de belaging
daadwerkelijkis gedwongen iets te dulden of iets (niet) te doen. Uit de parlementaire stukken bij (kort gezegd) het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van belaging kan worden opgemaakt dat voldoende is dat het gedrag van de belager “in het algemeen geschikt en geëigend [is] om een bepaalde opstelling teweeg te brengen”. [12] In de literatuur wordt de opvatting gehuldigd dat het bewijs voor oogmerk gauw gegeven is, met name wanneer de variant ‘met het oogmerk om die ander te dwingen iets te dulden’ ten laste is gelegd. Het stelselmatig lastigvallen van een ander impliceert namelijk al snel dat de verdachte daarmee de bedoeling heeft gehad de ander te dwingen zijn gedrag te dulden, nu dat gevolg noodzakelijkerwijs voortkomt uit het telkens weer verrichten van bepaalde gedragingen jegens de ander. Het door de verdachte met zijn gedragingen beoogde resultaat zal voor de belaagde veelal het moeten dulden van dat gedrag impliceren. [13]
stelselmatigeinbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster in de zin van art. 285b, eerste lid, Sr. Daarbij wordt tevens aangevoerd dat uit de bewijsmiddelen niet zonder meer (op eenduidige wijze) volgt wat de frequentie is geweest van het contact vanuit de verdachte met de aangeefster, aangezien, aldus de stellers van het middel, de verklaringen van de verdachte en getuige [betrokkene 2] in dit opzicht tegenstrijdig zijn aan de verklaringen van de aangeefster.
opzettelijkwederrechtelijk stelselmatig inbreuken maken op de persoonlijke levenssfeer van de aangeefster met het oogmerk haar te dwingen iets te doen en niet te doen.
niette doen.
Slotsom