Conclusie
II. Het eerste middel en de bespreking daarvan
proces-verbaal van aangifte, genummerd PL0900-2017350383-1, opgemaakt door [verbalisant 3] , hoofdagent van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 18 november 2017, als bijlage op pagina’s 4-5 van het eerste proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van aangeefster [benadeelde partij 1]:
proces-verbaal van verhoor aangever, genummerd PL0900-2017350383-11, opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 31 januari 2019, als bijlage op pagina’s 5-6 van het tweede proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van aangever [benadeelde partij 2]:
logboek van overlast, opgemaakt door aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , als bijlage op pagina’s 6-20 van het eerste proces-verbaal voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
(het hof begrijpt telkens: een aanduiding van de datum door dag, maand en jaartal)
het hof begrijpt uit bewijsmiddel 1: uit de woning van verdachte) weer zo hard aan stond zodat ik niet eens de tv kon luisteren. De wijkbeheerder [getuige 2] is geweest, die heeft geprobeerd om een gesprek aan te gaan maar ze (
het hof begrijpt uit bewijsmiddel 1: verdachte) ging zo door het lint dat er niet mee te praten viel. Ik kwam net thuis en ze ging helemaal door het lint.
het hof begrijpt uit bewijsmiddel 4: de zoon van aangevers) toen hadden we iets anders aan ons hoofd. Maar de problemen die waren er nog steeds, zelfs toen ze wist dat [betrokkene 2] overleden was.
logboek van overlast, opgemaakt door aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , als bijlage op pagina’s 7-15 van het tweede proces-verbaal voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd PL0900-2017350383-4, opgemaakt door [verbalisant 1] , BOA domein generieke opsporing van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 5 december 2017, als bijlage op pagina’s 29-31 van het eerste proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als verklaring van getuige [getuige 1]:
proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd PL0900-2017350383-8, opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 28 maart 2018, als bijlage op pagina’s 34-35 van het eerste proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als verklaring van getuige [getuige 1] :
proces-verbaal van verhoor getuige, genummerd PL0900-2017350383-8, opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 27 maart 2018, als bijlage op pagina’s 32-33 van het eerste proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven – als
verklaring van getuige [getuige 2]:
proces-verbaal van bevindingen, genummerd PL0900-2017350383-6, opgemaakt door [verbalisant 2] , brigadier van politie Midden-Nederland, gesloten en getekend op 27 maart 2018, als bijlage op pagina’s 23-37 van het eerste proces-verbaal, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven –
als relaas van verbalisant:
Feit 1: belaging
Deze zaak haalt die ondergrens niet.
Op de ramen van de woning spugen: [verdachte] ontkent dat zij op de ramen van de woning heeft gespuugd, en daarvoor bevindt zich verder ook geen bewijs in het dossier, anders dan de verklaring van [benadeelde partij 1] dat er ‘op de ramen wordt getuft’ en foto's van een 'spuugachtige' substantie op het raam. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring dat [verdachte] degene is die op de ramen heeft gespuugd.
Op de vloer stampen/bonken (waardoor de hond gaat blaffen waardoor zij de woning niet uit durven uit angst dat de blaffende hond voor overlast zorgt): de buren hebben ongetwijfeld gebonk en gestamp gehoord. Dit is veelvuldig door hen vastgelegd in het logboek. De huizen zijn ontzettend gehorig. [verdachte] ontkent met klem dat zij met opzet op de vloer heeft gebonkt/gestampt om haar buren te tergen. [verdachte] heeft juist haar best gedaan om zo zacht mogelijk te doen.
ik ben vandaag helemaal niet de deur uitgegaan omdat ik bang ben dat ze zo tekeergaat dat als ons hondje in de gang ligt te slapen hij misschien heel erg gaat blaffen wat ik natuurlijk niet wil." [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zijn zelf verantwoordelijk voor hun huisdier. Zij hebben ervoor gekozen om een huisdier te nemen in een gehorige flat. Als het huisdier niet tegen de leefgeluiden kan die daarbij horen is het aan [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] om daar iets aan te doen: bijvoorbeeld door de hond op training te doen om aan dergelijke geluiden te wennen. Dat zij bang zijn om de woning te verlaten omdat de hond dan misschien voor overlast zorgt is wederom iets dat geheel voor eigen rekening en verantwoordelijkheid van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] dient te komen, en niet iets dat [verdachte] kan worden aangerekend. Ik zie ook niet in waarom [benadeelde partij 1] haar hond dan niet mee kan nemen naar buiten.
gedrag van een hondje van iemand andersvoor wat betreft de vraag of [verdachte] dat strafbaar feit heeft gepleegd. Dat gaat veel te ver.
Schelden: door [verdachte] is een aantal keer in haar woning gescholden. Dit was overigens niet tegen [getuige 1] , [benadeelde partij 2] of [benadeelde partij 1] gericht. Dat kan ook worden afgeleid uit het proces-verbaal van wijkagent [verbalisant 2] over het uitkijken van de beelden. Veel 'onsamenhangende en onverstaanbare teksten', over allerlei onderwerpen. Schelden in je eigen woning mag. Het is vervelend, maar niet verboden.
Met deuren slaan. Er is geen sprake van het opzettelijk met deuren slaan door [verdachte] . Wat de buren af en toe hebben gehoord zijn dichtwaaiende of dichtvallende deuren, dat zijn normale leefgeluiden die bij een flat horen.
Bij het langslopen de vinger opsteken. Dit is eenmaal gebeurd, [verdachte] ontkent dit niet en heeft daar spijt van.
De hond te schoppen: het is onduidelijk waar dit op ziet. Wanneer? Welke hond? Volgens het logboek van [benadeelde partij 1] gaat het om een hondje van buurman [betrokkene 1] op 8 november 2016. Volgens [getuige 2] gaat het om de hond van [benadeelde partij 1] begin 2017, waarna [benadeelde partij 1] [verdachte] in de struiken duwt. [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] verklaren hier zelf niet over. Om welke hond het ook gaat: [verdachte] heeft de hond niet opzettelijk geschopt. Zij heeft met haar been geschud, nadat de hond tegen haar been aan sprong. Misschien niet de leukste reactie die je van iemand verwacht als een hond tegen je aan springt: maar niet iedereen vindt dat nou eenmaal even leuk, en dat hoeft ook niet. Het is niet strafbaar om een hond van je af te schudden, en het kan al helemaal niet als 'stalking' worden gekwalificeerd.
Eten in de tuin gooien: Hiervoor is onvoldoende bewijs, dat vond ook de rechtbank in eerste aanleg al. Alleen foto's van broodkorsten van [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] zijn onvoldoende om bewezen te achten dat [verdachte] die etensresten in de tuin heeft gegooid. Daarbij is tevens van belang dat de tuin ook binnen het bereik van andere buren ligt en slechts door middel van een schutting is gescheiden van de straat, ook nog een relatief drukke straat zo heb ik begrepen, kortom: de etensresten kunnen overal vandaan komen.
Muziek of televisie hard af te spelen/op bepaalde tijdstippen hard fluiten/zingen. Dit zijn leefgeluiden die horen bij een flat. Geluiden waarop iemand weliswaar door buren mag worden aangesproken, maar die niet thuishoren in het strafrecht. Daarbij komt dat de huizen extreem gehorig zijn, daar is iedereen het over eens. [benadeelde partij 1] verklaart zelfs dat zij het al hoort wanneer het bed van [verdachte] kraakt: "
als ik haar bed hoor kraken dan is dit een teken voor mij dat zij uit bed gaat en dat de overlast begint”. Door de dunne muren en plafonds hoort men dus al gauw alles van de ander, maar dat betekent niet dat die opzettelijk overlast veroorzaakt.
Kort na overlijden zoon ( [...] 2017) zeggen dat het leuk is dat hun zoon dood is en dat ze hoopt dat hun andere zoon ook snel aan kanker doodgaat. [verdachte] ontkent ten stelligste dat zij dit heeft gezegd. De buren verklaren dat [verdachte] dit heeft gezegd, maar volgens hen ieder op een ander moment. [benadeelde partij 1] verklaart dat zij dit gehoord heeft op vrijdag 30 juni 2017. Uit het logboek volgt dat deze specifieke gedraging is geweest op 19-8-2017 (ongeveer anderhalve maand later). Waarom die data zo ver uit elkaar liggen kunnen wij niet achterhalen, maar dat maakt wel dat het in ieder geval niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat [verdachte] dit heeft gezegd. Temeer daar zij ten stelligste ontkent.
ergerzou worden konden buren weer bellen." Ook de andere buren, [betrokkene 3] en [betrokkene 4] (nummer [4] en [5] ) klagen niet over overlast/stalking door [verdachte] .
NJ2007/107, m.nt. Mevis op basis van de wetsgeschiedenis dat de omstandigheid dat de verdachte en de slachtoffers buren zijn, niet in de weg staat aan het aannemen van belaging. Ook in dat geval is beslissend of sprake is van gedragingen waardoor wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk wordt gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van een ander met het in de delictsomschrijving nader omschreven oogmerk. Het gaat er daarbij om of het lastigvallen van een ander een zekere mate van indringendheid, duur en frequentie heeft. [7] Algemene (buren)overlast valt daarmee buiten de strafbaarstelling van belaging, zoals Mevis in zijn noot bij dit arrest terecht opmerkte.
NJ2006/126 waarin uit de bewijsmiddelen bleek dat de verdachte, nadat het slachtoffer hem te verstaan had gegeven geen contact met hem te willen, meermaals contact probeerde te blijven zoeken. Daaruit kon volgens de Hoge Raad worden afgeleid dat de verdachte het slachtoffer geen keuze had gelaten in het al dan niet aanvaarden van contact met de verdachte en deze daarmee feitelijk had gedwongen te dulden dat de verdachte onder meer stelselmatig contact met haar zocht en er aldus inbreuk werd gemaakt op haar persoonlijke levenssfeer.
jegensde aangevers. Voorts heeft het hof ten aanzien van het bestanddeel opzet geoordeeld dat het wel degelijk om gerichte acties ging en heeft het daartoe overwogen dat uit (enkele keren van) de gedragingen van de verdachte onmiskenbaar volgt dat zij zich richtte tot de aangevers en op gebeurtenissen die zich in de persoonlijke levenssfeer van de aangevers hebben voorgedaan, zelfs na voorafgaande waarschuwingen door de wijkbeheerder. Daar kom ik later op terug bij de bespreking van de tweede klacht.
NJ2007/107, m.nt. Mevis waarin de Hoge Raad oordeelde dat de omstandigheid dat de verdachte en slachtoffers buren waren niet aan het aannemen van belaging in de weg staat, [19] en meent dat een vergelijking met dat arrest hier niet opgaat: “Een kenmerkend verschil tussen de in de randnummer 2.22 genoemde zaak [20] en de onderhavige, is dat er een aantal in tijd beperkte incidenten zijn en dat het voor het overige om – naar de aard bezien – ongerichte, niet op de persoon van de buren gerichte gedragingen binnen de eigen woning en leefomgeving van verzoekster gaat, zoals geluiden die in de bewijsvoering getypeerd zijn als: op de vloer stampen/bonken; schelden; met de deuren slaan; op bepaalde tijdstippen hard fluiten; muziek en televisie hard afspelen; en hard zingen”.
jegensde aangevers. De stelling van de verdediging dat geen sprake is geweest van opzettelijk veroorzaakte overlast heeft het hof verworpen met de overweging dat uit (enkele keren van) de door de verdachte veroorzaakte geluidsoverlast en haar intimiderende gedrag jegens de aangevers onmiskenbaar volgt dat zij zich tot hen richtte en op gebeurtenissen die zich in hun persoonlijke levenssfeer hebben voorgedaan, zoals een overlijdensgeval, zelfs na voorafgaande waarschuwingen door de wijkbeheerder. Het hof heeft mede daaruit geconcludeerd dat de verdachte zich bewust is geweest van haar hinderlijke gedrag jegens de aangevers en dat zij met haar doelbewuste handelen opzet heeft gehad op het veroorzaken van die overlast voor haar onderburen.
niettegen de aangevers gericht waren. Dat wordt ook door de steller van het middel niet betwist. Waar het de steller van het middel met name om te doen is zijn de ‘frequent’ gepleegde gedragingen van de verdachte, zoals het stampen en bonken op de vloer, het schelden, het draaien van harde muziek en dergelijke.
Het tweede middel en de bespreking daarvan
materiëleschade ter hoogte van € 413,57 door de aanschaf van twee camera’s en een geheugenkaart. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken van het geding bevindt zich een ‘Verzoek tot schadevergoeding’, waarin voor een omschrijving van deze schade wordt verwezen naar het als bijlage 1 gevoegde schadeonderbouwingsformulier van Slachtofferhulp Nederland. Dit formulier houdt wat betreft de materiële schade het volgende in:
Aanschaf 2 camera’s + geheugenkaartje
zie bijlage 3) en € 53,- (
zie bijlage 4 voor een internetopgave van een vergelijkbaar product). Het geheugenkaartje kostte € 18,99 (
bijlage 5). De totale kosten komen uit op: 148,94 + 53 + 18,99 = € 220,93.
immateriële schadevoor een bedrag ter hoogte van € 2.250,-. In het genoemde schadeonderbouwingsformulier is daaromtrent het volgende naar voren gebracht:
Psychische gevolgen
zie bijlage 7)
Psychische gevolgen
Benadeelde partij
Tussen punten 22-23: De kosten voor de camera die [benadeelde partij 2] vordert zijn gevorderd voor de veiligheid van [benadeelde partij 1] . Ik meen daarom dat de kosten voor de camera door hem niet als rechtstreekse schade kunnen worden gevorderd. Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding wil ik opmerken dat het om een hele forse vordering gaat, ook gelet op het toegewezen deel door rechtbank. Ik wil erop wijzen dat de buren ook een eigen aandeel in het verhaal hebben. De onderbouwing van het smartengeld is mijns inziens onvoldoende. Er is slechts verwezen naar een andere uitspraak. Bij [benadeelde partij 1] zie ik wel enige onderbouwing in een telefoongesprek en een consult bij een psycholoog, maar daarbij zie ik niet dat het gaat om contact in verband met het voorval met cliënte. Cliënte heeft al een behoorlijke ellende ervaren door de zitting bij de rechtbank, ook vanwege de pers die daar toen bij was en een stuk naar aanleiding daarvan is geschreven in het Algemeen Dagblad met de aanduiding van cliënte als 'gekke [...] vrouw'. Volgt u mij hierin niet dan wil ik u verzoeken de helft toe te wijzen omdat de benadeelde partijen volgens hun eigen verklaring één zijn. Daarom moeten de vordering half-half worden toegewezen.”
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]
BESLISSING
feitelijke grondslagmoet worden onderscheiden van de ambtshalve aanvulling van de
rechtsgronden. Binnen de grenzen van de feitelijke grondslag mag de rechter namelijk wél ambtshalve de rechtsgronden aanvullen. De rechter is er ingevolge art. 25 Rv Pro zelfs toe verplicht ambtshalve te onderzoeken of de stellingen van de eisende partij, gezien de aan de vordering ten grondslag gelegde feiten, mogelijk een andere juridische kwalificatie toelaten dan daaraan door die partij is gegeven. [27] De civiele kamer van de Hoge Raad vatte de toepassing van deze dwingende bepaling in het arrest van 24 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV0472,
NJ2012/143 als volgt samen:
rechtsgrondenmag er niet toe leiden dat de
feiten, die een partij aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd, anders worden geduid dan de desbetreffende partij zelf doet. In dat geval zou de wederpartij namelijk tekort worden gedaan in haar recht zich naar behoren te verdedigen. [30] Anders gezegd: de wederpartij mag niet worden verrast met een beslissing waarmee zij, bezien in het licht van het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefde te houden. [31]
medeheeft bijgedragen aan de bewijsvergaring voor het bewezenverklaarde” (cursivering van mij, AG). Vervolgens heeft het hof de kosten die in dat verband zijn gemaakt tot een bedrag van € 167,93 aangemerkt als redelijke kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid als bedoeld in art. 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, BW.
medein de zinsnede dat de aanschaf van de camera met geheugenkaart “mede heeft bijgedragen aan de bewijsvergaring voor het bewezenverklaarde” bezien in samenhang met de processtukken en het verhandelde ter terechtzitting zich voor verschillende uitleggingen. Ik licht deze toe.
ookheeft bijgedragen aan de bewijsvergaring. Alsdan heeft het hof de vordering daarmee op twee gronden toegewezen. Problematisch is dat mijns inziens niet. Ook als het hof met die tweede (feitelijke) tweede grond buiten de grenzen van het rechtsgeding is getreden, tast dat het bestaan van de eerste grond niet aan. Op de vervolgvraag of het oordeel van het hof ten aanzien van de rechtstreekse schade al dan niet begrijpelijk is, hoef ik hier niet in te gaan; daarover wordt in cassatie niet geklaagd. [33]
medeheeft willen verwoorden dat de benadeelde partij [benadeelde partij 2] door het handelen van de verdachte rechtstreekse schade heeft geleden,
omdatde aanschaf van de camera
naastde overige gebezigde bewijsmiddelen heeft bijgedragen aan de bewijsvergaring voor het bewezenverklaarde. Deze lezing impliceert dat de vordering enkel op
diegrond is toegewezen. In dat geval dient de vraag zich aan of het hof daarmee de
feitelijkegrondslag van de vordering van de benadeelde partij heeft aangevuld in strijd met art. 24 Rv Pro. De beantwoording van deze vraag vergt een nadere blik op de vordering van [benadeelde partij 2] en al hetgeen hij daaraan schriftelijk en mondeling ten grondslag heeft gelegd. Allereerst het schadeonderbouwingsformulier bij de vordering: daarin is door Slachtofferhulp vermeld dat [benadeelde partij 2] de camera(‘s) heeft aangeschaft omdat hij en [benadeelde partij 1] zich onveilig voelden door het gedrag van de verdachte (zie randnummers 37). In dat formulier wordt met geen woord gerept over het anderszins vaststellen van aansprakelijkheid of enige bewijswaarde van de camera. Enkel gelet daarop zou de conclusie in deze variant zijn dat het gevoelen van onveiligheid als enige feitelijke grondslag van de vordering wordt aangedragen. De mondelinge toelichting ter terechtzitting in hoger beroep is echter minder eenduidig. Hoewel [benadeelde partij 2] ter terechtzitting het gevoelen van onveiligheid heeft bevestigd, heeft hij tevens verklaard met de camera te willen filmen wie er voor de deur stond als er werd aangebeld. Het hof kan dit hebben begrepen als een beroep op art. 6:96, tweede lid, aanhef en onder b, BW (redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid) op grond van het feit dat [benadeelde partij 2] kennelijk met de camera tevens het gedrag van de verdachte bij hun voordeur wilde vastleggen. Zo bezien heeft het hof niet de feitelijke grondslag van de vordering aangevuld, maar enkel de rechtsgronden als bedoeld in art. 25 Rv Pro. Dat zou mij dan niet onbegrijpelijk voorkomen in de context van het feit dat [benadeelde partij 2] samen met [benadeelde partij 1] jarenlang logboeken van het gedrag van de verdachte heeft bijgehouden ten behoeve van de bewijsvergaring en dat [benadeelde partij 2] de opnames van de camera bij zijn aangifte bij de politie heeft gevoegd ter ondersteuning van deze logboeken. Daaruit vloeit voort dat, in weerwil van hetgeen de steller van het middel aanvoert, niet kan worden gezegd dat de verdachte er geen rekening mee hoefde te houden dat het hof de rechtsgronden op een dergelijke wijze zou aanvullen.
immateriëleschadevergoeding maak ik namelijk op dat het hof wel degelijk de gevoelens van onveiligheid die het gedrag van de verdachte bij de benadeelde partijen heeft veroorzaakt in zijn beslissing heeft betrokken en meegewogen. Het oordeel van het hof dat sprake is van rechtstreekse immateriële schade is immers gegrond op de ernstige overlast die de verdachte heeft veroorzaakt en het effect daarvan op de persoonlijke levenssfeer van de benadeelde partijen. Voorts heeft het hof bij de vaststelling van het schadebedrag acht geslagen op de aard en ernst van de gedragingen van de verdachte, alsook op (en in het bijzonder) de gevolgen daarvan voor de benadeelde partijen, zoals die onder meer blijken uit de schriftelijke slachtofferverklaringen. Daarbij komt dat het hof in het kader van de strafoplegging expliciet heeft overwogen dat de benadeelde partijen het gedrag van de verdachte als beangstigend en bedreigend hebben ervaren. Ik citeer uit het bestreden arrest:
NJ2019/379, m.nt. Vellinga. Zonder enige nadere toelichting wordt het verweer in hoger beroep van de raadsvrouw van de verdachte aangehaald. Met de nodige welwillendheid (maar niet helemaal zonder enig giswerk), destilleer ik hieruit de klacht dat het hof onbegrijpelijk, althans onvoldoende, heeft gemotiveerd dat sprake is van rechtstreekse immateriële schade.
Slotsom