Conclusie
verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. H.J.W. Alt.
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
€ 1.484,00 per kind per maand met ingang van 23 februari 2017,
€ 1.513,68 per kind per maand met ingang van 1 januari 2019, en
€ 1.551,52 per kind per maand met ingang van 1 januari 2020.
Daarnaast heeft de rechtbank de door de man aan de vrouw te betalen bruto bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (verder ook: partneralimentatie) bepaald op:
€ 3.448,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (5 oktober 2018);
€ 3.516,96 per maand met ingang van 1 januari 2019, en
€ 3.604,88 per maand met ingang van 1 januari 2020.
- de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie vast te stellen op € 13.000,- per maand, met ingang van de datum van ontbinding van het huwelijk van partijen en telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- de door de man voor [kind 1] te betalen kinderalimentatie met ingang van [geboortedatum 2] 2019 vast te stellen op € 1.612,- per maand;
- de door de man voor [kind 3] te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 november 2021 vast te stellen op € 1.717,- per maand in 2021 en op € 1.750,- per maand in 2022;
- althans bijdragen en met ingang van een datum als het hof juist oordeelt.
- € 1.506,-per maand met ingang van 19 juni 2018;
- € 1.536,- per maand met ingang van 1 januari 2019; en
- € 1.612,- per maand met ingang van [geboortedatum 2] 2019 tot 1 september 2019.
Daarnaast heeft het hof bepaald dat de man aan de vrouw respectievelijk [kind 3] als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding respectievelijk levensonderhoud en studie van [kind 3] zal betalen:
- € 1.506,- per maand met ingang van 19 juni 2018;
- € 1.536,- per maand met ingang van 1 januari 2019;
- € 1.575,- per maand met ingang van 1 januari 2020;
- € 1.621,- per maand met ingang van 1 januari 2021;
- € 1.635,- per maand met ingang van 1 november 2021; en
- € 1.744,- per maand met ingang van 1 januari 2022;
te indexeren met ingang van 1 januari 2023 en de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
Verder heeft het hof bepaald dat de door de man tot 19 juni 2018 aan de vrouw respectievelijk [kind 2] betaalde kinderalimentatie door hen niet hoeft te worden terugbetaald;
Ook heeft het hof bepaald dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud zal betalen:
- € 3.806,- per maand met ingang van 5 oktober 2018;
- € 3.633,- per maand met ingang van [geboortedatum 2] 2019;
- € 6.967,- per maand met ingang van 1 september 2019;
- € 9.340,- per maand met ingang van [geboortedatum 1] 2020;
- € 8.686,- per maand met ingang van 1 november 2021; en
- € 8.066,- per maand met ingang van 1 januari 2022
€ 1.587,- per maand met ingang van 19 juni 2018;
€ 1.595,- per maand met ingang van 1 januari 2019; en
€ 1.635,- per maand met ingang van 1 januari 2020 tot [geboortedatum 1] 2020;
en dat de door de man tot 19 juni 2018 aan de vrouw respectievelijk [kind 2] betaalde kinderalimentatie door hen niet hoeft te worden terugbetaald.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Tussenbeschikking hof 19 december 2019
Voor zover het oordeel van het hof zo moet worden gelezen dat van het behoefteoverzicht van de vrouw moet worden uitgegaan, maar de behoefte op grond van de stellingen van de vrouw moet worden vastgesteld op € 1.605,- is dat eindoordeel volgens het onderdeel onjuist en onbegrijpelijk, temeer nu dat bedrag tot stand is gekomen door extrapolatie van de tabellen.
Eindbeschikkingen hof 9 februari 2023