Conclusie
SBK)
1.Fortenova Group STAK Stichting (hierna: het administratiekantoor)
Open Pass)
Verordening 269/2014). Verordening 269/2014 is tot stand gekomen na de aanvang in 2014 van Russische agressie tegen Oekraïne, en inwerking getreden op 17 maart 2014. [2] Zij voorziet mede in een bevriezing van activa van SBK, waaronder de genoemde certificaten. De onderhavige zaak, een kortgedingprocedure, draait vooral om de vraag of de bevriezing van de certificaten van SBK op basis van Verordening 269/2014 in de weg staat aan toelating van SBK tot certificaathoudersvergaderingen en uitoefening door SBK van het aan haar certificaten verbonden stemrecht. Deze vraag is bevestigend beantwoord in hoger beroep, waarin SBK in het ongelijk is gesteld. SBK komt in cassatie op tegen het in hoger beroep gegeven oordeel, m.i. zonder succes. Deze zaak hangt samen met zaak 23/01440, waarin ik vandaag ook concludeer (eveneens strekkende tot verwerping).
1.Feiten
arrest) [3] van het gerechtshof Amsterdam (hierna: het
hof).
settlement planovereengekomen en heeft een herstructurering en doorstart van de groep plaatsgevonden. Daaruit is medio 2018 Fortenova Grupa d.d., gevestigd te Zagreb in Kroatië, ontstaan (hierna:
Fortenova Grupa). Fortenova Grupa is een van de grootste bedrijven van Zuidoost-Europa en actief in de detailhandel, voedselproductie en landbouw. Fortenova Grupa heeft een jaaromzet van meer dan € 5 miljard en telt meer dan 47.000 werknemers.
Fortenova TopCo). Fortenova TopCo houdt op haar beurt indirect de aandelen in het kapitaal van Fortenova Grupa.
Sberbank). SBK is opgericht als
special purpose vehiclemet als doel het houden van de belangen van Sberbank in de Fortenova-groep. Op 5 april 2022 zijn de belangen van Sberbank in de Fortenova-groep overgedragen aan SBK. Sindsdien houdt SBK 41,82% van de door het administratiekantoor uitgegeven certificaten van aandelen in het kapitaal van Fortenova TopCo.
Lijst).
VTB) houdt 7,27% van de door het administratiekantoor uitgegeven certificaten van aandelen in het kapitaal van Fortenova TopCo. VTB is tevens onderworpen aan beperkende maatregelen uit hoofde van Verordening 269/2014.
Reserved Mattersvoorbehouden aan de voorafgaande goedkeuring van de vergadering van certificaathouders. Daarbij geldt - zakelijk weergegeven - het volgende.
Reserved Mattersbetreffende
business-aangelegenheden vereisen een besluitvorming binnen de vergadering van certificaathouders met een gewone meerderheid van meer dan vijftig procent (50+%) van alle uitgegeven en uitstaande certificaten met stemrechten (
Simple Majority).
Reserved Mattersbetreffende financieringsaangelegenheden vereisen een besluitvorming binnen de vergadering van certificaathouders met een gekwalificeerde meerderheid van ten minste zestig procent (60%) van alle uitgegeven en uitstaande certificaten met stemrechten (
Qualified Majority).
Reserved Mattersbetreffende
corporate governance-aangelegenheden (zoals het wijzigen van de statuten) vereisen een besluitvorming binnen de vergadering van certificaathouders met een super gekwalificeerde meerderheid van ten minste zesenzestig twee derde procent (66 2/3%) van alle uitgegeven en uitstaande certificaten met stemrechten (
Super Qualified Majority).
corporate governancevan het administratiekantoor. De agendapunten 3 en 4 luiden als volgt:
3. Approval of the amendment of the administrative conditions of STAK (Resolution), in order to, inter alia:
corporate governanceals weergegeven in de onder 1.14 hiervoor genoemde agendapunten 3 en 4. Vervolgens is de vertegenwoordiger van SBK de toegang tot de vergadering ontzegd. Na de vergadering is de toegang van SBK tot de elektronische stemomgeving geblokkeerd.
global service providerSAP haar dienstverlening tijdelijk heeft opgeschort en dat financiële instellingen de groep nu zien als ‘rode vlag’ en aan een sterk verhoogde monitoring hebben onderworpen.
voorzieningenrechter) de primaire vordering van SBK toegewezen. Inhoudende dat het administratiekantoor gehouden is gedurende de periode tot en met 31 december 2022 SBK toegang te verlenen tot de certificaathoudersvergadering en SBK toe te staan haar stemrecht uit te oefenen ter zake van bepaalde agendapunten (mede de onder 1.14 hiervoor genoemde agendapunten).
know your customereen verscherpt onderzoek gestart naar deze particuliere investeerder.
2.Procesverloop (op hoofdlijnen)
In eerste aanleg
corporate governancevan het administratiekantoor aantasten;
vonnis) de primaire vordering van SBK toegewezen, met daaraan verbonden de onder 2.1 sub IV hiervoor vermelde dwangsom, dit onder verwijzing van het administratiekantoor in de kosten van de procedure zijdens SBK. De voorzieningenrechter heeft daartoe, samengevat en in de woorden van het hof in rov. 4.2, het volgende overwogen:
corporate governanceals hier aan de orde wordt geen afbreuk gedaan aan het doel van de sancties. Het al dan niet tegen de voorgestelde wijzigingen stemmen zal er immers niet toe kunnen leiden dat als gevolg van die stemming gelden of middelen naar Rusland kunnen vloeien. Het sanctierecht wordt op een oneigenlijke manier ingezet ten gunste van het administratiekantoor en ten nadele van SBK. Een belangenafweging kan er niet toe leiden dat SBK in dit geval niet van haar vergader- en stemrechten gebruik zou mogen maken.”
coup’ wenst te plegen.
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
(...)
f) "bevriezing van tegoeden": voorkoming van mutatie, overmaking, wijziging, gebruik of inzet van of omgang met tegoeden, op welke wijze ook, met als gevolg wijziging van hun omvang, bedrag, locatie, eigenaar, bezit, onderscheidende kenmerken, bestemming of andere wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk wordt gemaakt;
g) "tegoeden": financiële activa en voordelen van enigerlei aard, met inbegrip van, maar niet beperkt tot:
(...)
iii) in het openbaar en onderhands verhandelde waardepapieren en schuldbewijzen, met inbegrip van aandelen, certificaten van waardepapieren, obligaties, promesses, warrants, schuldbekentenissen en derivatencontracten;
(...).
Consolidated FAQs on the implementation of Council Regulation No 833/2014 and Council Regulation No 269/2014(hierna: FAQ) (weergegeven in r.o. 4.8 van het bestreden vonnis) bij de laatste update van 9 december 2022 als volgt aangevuld:
“
Either way, since they can be used to obtain funds, goods or services, voting rights as such can be considered an intangible economic resource. This means they should be frozen, i.e. prevented from being used to obtain funds, goods or services in any way. Therefore under no circumstance nor for any purpose may listed shareholders exercise directly or indirectly their voting rights in a company or fund. Voting rights must be fully frozen.”
This document is not a legal act. It is a working document drafted by the Commission services in order to help and give guidance to national authorities (...). National authorities (...) are expected to take into account this guidance based on the text, context and purpose of those two regulations, to achieve the uniform application of sanctions across the EU.”
guidancevormt een gezaghebbende bron voor de uitleg van de sanctieregels vervat in Verordening (EU) Nr. 269/2014. De aanvulling door de Europese Commissie in de laatste update ligt in het verlengde van hetgeen de in Nederland bevoegde autoriteit in Addendum I van 17 augustus 2022 met de titel “Veelgestelde vragen i.v.m. territoriale integriteit Oekraïne” bij de Leidraad Financiële Sanctieregelgeving in antwoord op vraag J heeft vermeld:
“(...)
Los hiervan dienen de minderheidsbelangen van de gesanctioneerde aandeelhouders wel bevroren te zijn, waardoor hen bijvoorbeeld geen dividend kan worden uitgekeerd en zij ook geen stemrechten mogen uitoefenen ten aanzien van het Nederlandse bedrijf.”
De aanvulling door de Europese Commissie in de laatste update past voorts bij het uitgangspunt dat sanctiemaatregelen maximaal effect dienen te hebben en duidelijk en voorspelbaar dienen te zijn (vgl. ook Council of the European Union,
Basic Principles on the Use of Restrictive Measures (Sanctions)van 7 juni 2004, 10198/1/04 REV 1, onder 6, en HvJEU 29 april 2010, C-340/08, ECLI:EU:C:2010:232, punt 65). Een systeem waarbij steeds per agendapunt moet worden bezien of gelet op de sanctieregelgeving stemrechten mogen worden uitgeoefend of dat ontheffing bij de bevoegde autoriteiten moet worden gevraagd, strookt ook niet met de gewenste effectiviteit van de sanctieregelgeving. Uit het antwoord op vraag 14 van de FAQ volgt wel dat (
to avoid worsening its business condition) disproportionele schade voor de personen op de lijst vermeden dienen te worden. Niet aannemelijk is echter geworden dat die situatie zich hier voordoet.
governancete agenderen en het stemmen daarover te faciliteren. Evenzeer is het administratiekantoor echter verplicht de sanctieregels na te leven en mag het daarom, nu de certificaten van SBK zijn bevroren, SBK niet laten deelnemen aan de vergaderingen en stemmingen van de certificaathouders.
governance. Dit zou anders kunnen zijn, indien de vergadering van certificaathouders het voorstel van Open Pass aanneemt en dit tot gevolg heeft dat het administratiekantoor moet handelen in strijd met haar belangen of die van Fortenova TopCo en haar onderneming. Dat het voorstel tot dit gevolg zou kunnen leiden, is echter gesteld noch gebleken.
corporate governance(onder meer) (i) in verband met het goed functioneren van de interne besluitvorming (onder de huidige
governancekunnen besluiten die een
Qualifiedof
Super Qualifiedmeerderheid vergen door de omvang van het belang van de gesanctioneerde partijen pas in een derde vergadering van certificaathouders worden genomen), (ii) om het vertrouwen van de markt in Fortenova Grupa te herstellen (de perceptie dat Fortenova Grupa wordt gecontroleerd door gesanctioneerde partijen moet worden tegengegaan) en (iii) om de (financiële en operationele) continuïteit van Fortenova Grupa te waarborgen. Bovendien krijgt Open Pass door de beoogde wijziging geen controlerend belang in de vergadering van certificaathouders. In de situatie dat ten minste 35% van de uitstaande certificaten in handen is van certificaathouders waarop de sanctieregels van toepassing zijn, krijgt Open Pass bij de voorgestelde wijziging een belangrijke, maar nog geen controlerende, stem. Dit is het gevolg van de omstandigheid dat zij bijna 28% van de uitstaande certificaten heeft. Als minder dan 35% van de uitstaande certificaten in handen is van certificaathouders op wie de sanctieregels van toepassing zijn, heeft de voorgestelde wijziging geen invloed op de positie van Open Pass. Van een machtsovername of “coup” door Open Pass is geen sprake. Er is dus ook hierin geen grondslag gelegen om aan te nemen dat het administratiekantoor de voor haar geldende voorschriften in de statuten en administratievoorwaarden over het bijeenroepen, vergaderen en stemmen buiten toepassing moet laten om te voorkomen dat het voorstel van Open Pass wordt aangenomen.
corporate governancevan het administratiekantoor te wijzigen is gezien het vorenstaande niet toewijsbaar.
corporate governancetotdat de bevoegde autoriteit met kracht van gewijsde heeft beslist op een nog in te dienen verzoek van SBK tot ontheffing van de sanctieregels. Bovendien heeft SBK nog altijd geen verzoek om ontheffing ingediend.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
HvJEU). [10]
De gevolgen van Verordening 269/2014 voor de uitoefening van vergader- en stemrechten op bevroren (certificaten van) aandelen
Inleiding
sub ii, onder 3.9-3.11 hierna);
sub iii, onder 3.12-3.21 hierna);
sub iv, onder 3.22-3.29 hierna);
sub v, onder 3.30-3.34 hierna);
sub vi, onder 3.35-3.45 hierna);
sub vii, onder 3.46-3.52.3 hierna);
Palladyne/Upper Brook(
sub viii, onder 3.53-3.57 hierna);
sub ix, onder 3.58-3.59 hierna).
Bredere context van de vraagstelling
lex certa-beginsel, relevant bij uitlegvraagstukken. [21]
European Union Consolidated Financial Sanctions List [23] gaat het daarbij om vele duizenden individuen en entiteiten wereldwijd. In Nederland zijn, zo is algemeen bekend, veel holdingvennootschappen en andere ‘financiële vehikels’ gevestigd van ondernemingen die elders actief zijn. Nederlandse financiële en juridische dienstverleners en instellingen, waaronder trustkantoren, [24] komen regelmatig in aanraking met gesanctioneerde actoren. De correcte toepassing van sanctiemaatregelen is dus van wezenlijke praktische betekenis.
Doelstellingen van Verordening 269/2014
Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties)van de Raad uit juni 2004 behulpzaam zijn. [29] Daarin is onder meer (sub 6) het volgende te vinden:
best practices(beste praktijken) gepubliceerd waarin in het algemeen een en ander wordt uiteengezet over doel en strekking van beperkende maatregelen. [31] Daarin is onder meer te vinden (sub 28) dat bevriezing, omschreven als “administratieve bevriezing”:
EU keurt vijfde reeks sancties tegen Rusland goed wegens militaire agressie tegen Oekraïne
Besides the individual impact for those affected, the selection process and final decision about the listing is a core component of the political dimension of this instrument. The measures taken should target those identified to be responsible for the policies or actions that have prompted the EU’s decision to impose restrictive measures and those benefiting from and supporting such policies and actions. Their selection and imposition is meant to bring about the intended change in policy or activity by the target country, part of country, government, entities or individuals, in line with the objectives set out in the CFSP Council Decisions. (…) This political dimension has immediate implications when it comes to the determination of the legal character of the targeted sanctions in general and the freezing of assets and other financial resources in particular. (…) The rationale of the freezing of their properties can even be specified a bit more in view of the actual situation, in distinction from the basic concept of that instrument. In regard to the - real or alleged - supporters of Russia’s aggression it is meant to be an expressive political sanction in form of a temporary constriction of the possibility to enjoy their - often extremely luxurious - properties located in the European Union, and their fruits.”
Consolidated FAQs on the implementation of Council Regulation No 833/2014 and Council Regulation No 269/2014, waarvan de laatste documentversie dateert van 31 oktober 2023, schrijft zij (sub 14): [40]
Sanctions in general and asset freezes in particular do not entail expropriation and are of a temporary nature. Furthermore, EU operators and institutions holding frozen assets should avoid outcomes causing a disproportionate prejudice to the listed person, which would go beyond the objectives of restrictive measures. It is for the national competent authority to determine how to fulfil and monitor this objective, on a case-case by basis.”
Rechtspraak van het HvJEU en het Gerecht EU
Relevante bepalingen uit Verordening 269/2014
Ruime uitleg van ‘bevriezing’ in dit verband
corporate governancevan het administratiekantoor, ongeacht of daarbij en/of daardoor tegoeden worden omgezet in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen de sancties zich richten.
Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties)van de Raad. Daarin is immers onder meer te vinden (sub 6) dat beperkende maatregelen (“sancties”), zoals “het bevriezen van tegoeden”, worden opgelegd:
best practices(beste praktijken). Daarin is - naast hetgeen ik citeerde onder 3.16 hiervoor - onder meer te vinden, in het kader van bevriezing van tegoeden en van economische middelen:
(…)
56. Elk gebruik van economische middelen waardoor de aangewezen persoon tegoeden, goederen of diensten verwerft, ongeacht of de middelen worden gebruikt door hemzelf of door een derde die de tegoeden in zijn bezit heeft of er de zeggenschap over heeft, is aan toestemming onderworpen. Mede-eigendom van economische middelen laat deze regel onverlet, zelfs indien op grond van de toepasselijke verordeningen de eigendom van een derde als dusdanig niet is bevroren.”
Consolidated FAQs on the implementation of Council Regulation No 833/2014 and Council Regulation No 269/2014(betreffende vraag 15), waarvan de laatste documentversie dateert van 31 oktober 2023. [58] Volgens de Europese Commissie geldt immers (p. 26-27, sub 15):
Shares qualify as ‘funds’ and therefore must be frozen if belonging to, owned, held or controlled by a listed person. Accordingly, this means that it is prohibited for the listed person to exercise any voting rights which could lead to any change in relation to these shares (e.g. in their volume, amount, location, ownership, possession, character, destination etc.). [59] Either way, since they can be used to obtain funds, goods or services, voting rights as such can be considered an intangible economic resource. This means they should be frozen, i.e. prevented from being used to obtain funds, goods or services in any way. [60] Therefore under no circumstance nor for any purpose may listed shareholders exercise directly or indirectly their voting rights in a company or fund. Voting rights must be fully frozen.”
under no circumstance nor for any purpose may listed shareholders exercise directly or indirectly their voting rights in a company or fund. Voting rights must be fully frozen.”
Sanctions in general and asset freezes in particular do not entail expropriation and are of a temporary nature.Furthermore, EU operators and institutions holding frozen assets should avoid outcomes causing a disproportionate prejudice to the listed person, which would go beyond the objectives of restrictive measures. It is for the national competent authority to determine how to fulfil and monitor this objective, on a case-case by basis.” [onderstreping toegevoegd, A-G]
HERZIEN; inzake uitkering van dividend en uitoefening van stemrechten wordt verwezen naar Q&A’s van de Europese Commissie, beschikbaar via:
Sanctions adopted following Russia’s military aggression against Ukraine (europa.eu)) [65] (…).” [66]
Sepah/Overseas Financial e.a., met betrekking tot Verordening (EG) nr. 423/2007 die ik al noemde onder 3.24 hiervoor. [67] In die zaak was immers de vraag aan de orde (punt 29) of deze verordening in de weg staat aan een executiemaatregel ten aanzien van vorderingen en “vennootschappelijke rechten en effecten” (oftewel “
shareholder rights and transferable securities”, “
de droits d’associés et de valeurs mobilières”). Het HvJEU overwoog daarin onder meer:
Sepah/Overseas Financial e.a.:
ofeen gesanctioneerde certificaathouder gezien Verordening 269/2014 de aan deze certificaten verbonden vergader- en stemrechten al dan niet kan uitoefenen, naar de aard dichter bij zulke onderwerpen die te maken hebben met (rechts)posities in de vennootschap. En de te onderscheiden vraag naar
de wijze waaropeen gesanctioneerde certificaathouder die vergader- en stemrechten uitoefent,
zohij dit laatste rechtens op zichzelf kan, naar de aard dichter bij zulke onderwerpen die te maken hebben met (de schending van) toepasselijke gedragsnormen.
Mogelijke tegenargumenten
Fundamentele beginselen voor het gebruik van restrictieve maatregelen (sancties)van de Raad (sub 6):
Consolidated FAQs on the implementation of Council Regulation No 833/2014 and Council Regulation No 269/2014(p. 26, sub 14):
Sanctions in general and asset freezes in particular do not entail expropriation and are of a temporary nature. Furthermore, EU operators and institutions holding frozen assets should avoid outcomes causing a disproportionate prejudice to the listed person, which would go beyond the objectives of restrictive measures. It is for the national competent authority to determine how to fulfil and monitor this objective, on a case-case by basis.”
Handvest Grondrechten EU). En om het recht op eigendom van art. 17 lid 1 Handvest Pro Grondrechten EU, dat overeenkomt met art. 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het
EP EVRM).
goodwill). Ook “goederen” als bedoeld in art. 17 lid 1 Handvest Pro Grondrechten EU is dienovereenkomstig ruim. Buiten twijfel staat dat het certificaten van aandelen als de onderhavige omvat. [76]
expropriation” (onteigening) of “
outcomes causing a disproportionate prejudice to the listed person, which would go beyond the objectives of restrictive measures” als bedoeld onder 3.47 hiervoor. En dat bij zo’n ruime uitleg van ‘bevriezing’ evenmin sprake is van een categorische benadering, maar van een hoofdregel waarop onder omstandigheden een uitzondering kan worden gemaakt; bijvoorbeeld wanneer toepassing ervan in een concreet geval zou leiden tot zo’n disproportioneel nadeel voor de gesanctioneerde actor in kwestie. Zie onder 3.36 hiervoor en 3.52.2-3.52.3 hierna.
1] bij wet worden gesteld en [
2] de wezenlijke inhoud van die rechten en vrijheden eerbiedigen. Met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel kunnen slechts beperkingen worden gesteld, indien zij [
3] noodzakelijk zijn en [
4] daadwerkelijk beantwoorden aan door de Unie erkende doelstellingen van algemeen belang of aan de eisen van de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.” [79] [nummering toegevoegd, AG]
criterium 1is m.i. voldaan, nu genoemde beperking van de vrijheid van ondernemerschap en/of het recht op eigendom van de gesanctioneerde actor basis vindt in Verordening 269/2014, oftewel bij wet wordt gesteld. [80] Zie onder 3.31 en 3.34 hiervoor.
criterium 2is m.i. ook voldaan, nu deze beperking die vrijheid en dat recht niet voorgoed ontneemt aan de gesanctioneerde actor, maar vanuit een bewarende werking hooguit tijdelijk begrenst. [81] Zie onder 3.48 hiervoor. En bovendien onverlet laat dat een gesanctioneerde actor deze beperking in een concreet geval aan de orde kan stellen bij de rechter, bijvoorbeeld vanwege mogelijk disproportioneel nadeel dat daarmee verband houdt en aanleiding kan geven tot ‘beperking van deze beperking’ (dus: een uitzondering op de hoofdregel) door de rechter. [82] Zie ook onder 3.50 hiervoor en 3.52.3 hierna. Volledigheidshalve merk ik nog op dat plaatsing op de Lijst op de voet van art. 263 VWEU Pro kan worden aangevochten bij het Gerecht EU en eventueel het HvJEU. [83] SBK is op 26 februari 2023 ook opgekomen tegen haar plaatsing op de Lijst; op het beroep is nog niet beslist. [84] Ook wijs ik op de mogelijkheid om van de nationale bevoegde autoriteit - in Nederland is dat dus de minister van Financiën [85] - in specifieke situaties toestemming voor vrijgave van bepaalde bevroren activa te verkrijgen. Zie art. 4 t/m 6 septies van Verordening 269/2014. Tegen een afwijzing in dit verband kan bestuursrechtelijk worden opgekomen. [86] Kortom, er is volop rechtsbescherming.
criteria 3 en 4. Aan deze criteria is m.i. ook voldaan, mede gezien de doeleinden van bevriezing van activa op basis van Verordening 269/2014 en de relevante bepalingen uit deze verordening. Zie onder 3.31, 3.34 en 3.37-3.38 hiervoor. Dat een gesanctioneerde actor daarbij tijdelijk hard wordt geraakt, verbaast niet. Verwezenlijking van deze doelstellingen vergt immers een aanzienlijke (tijdelijke) beperking van de vrijheid van ondernemerschap en het recht op eigendom. Deze beperking is dus geen neveneffect, maar een gericht en niet kennelijk ongeschikt te achten instrument. Daarbij betrek ik het zo-even opgemerkte over de toegang tot de rechter voor een gesanctioneerde actor. Zie onder 3.52.2 hiervoor. En dat blijkens HvJEU-rechtspraak bij het rechterlijk toezicht op de naleving van het evenredigheidsbeginsel geldt (a) dat de Uniewetgever over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt op gebieden waarin van hem politieke, economische en sociale keuzes worden verlangd en hij ingewikkelde beoordelingen moet maken. (b) Dat een op deze gebieden vastgestelde maatregel slechts onrechtmatig is, als deze kennelijk ongeschikt is ter bereiking van het door de bevoegde instelling nagestreefde doel. En (c) dat op het gebied van ‘gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid’ (GBVB)
a fortiorivan de rechter terughoudendheid wordt verlangd, gezien de ruime beoordelingsmarge van de Raad. [87]
Palladyne/Upper Brook
Palladyne/Upper Brook, die in verschillende jurisdicties - waaronder Nederland - tot rechterlijke uitspraken heeft geleid.
asset freeze’. De bestuurder van Upper Brook, Palladyne, werd op enig moment verdacht van fraude. Upper Brook had aangifte gedaan van onttrekking door Palladyne van managementvergoedingen uit de door haar beheerde fondsen. In 2014 is Palladyne op grond van een aandeelhoudersbesluit binnen Upper Brook met onmiddellijke ingang ontslagen als bestuurder van Upper Brook en zijn twee natuurlijke personen met onmiddellijke ingang als bestuurders van Upper Brook benoemd. In een kort geding dat daarop volgde, heeft de voorzieningenrechter de art. 843a Rv-vordering van Upper Brook tegen Palladyne afgewezen, mede omdat onzeker was of het ontslag van Palladyne als bestuurder en de benoeming van andere bestuurders rechtsgeldig is geweest in het licht van genoemde sancties (specifiek die ‘
asset freeze’). Het gerechtshof achtte dat in hoger beroep ook onzeker en wees de art. 843a Rv-vordering van Upper Brook gedeeltelijk toe. De vraag óf het ontslag rechtsgeldig is geweest, moest worden beslist door de rechter op de Kaaimaneilanden.
asset freeze’. De Hoge Raad overwoog onder meer het volgende, in zijn arrest van 18 januari 2019: [89]
Uit de structuur van de resoluties en van Verordening 204/2011, waarin de bevriezing van tegoeden het uitgangspunt is en waarop enkele limitatief bedoelde uitzonderingen zijn geformuleerd, waarbij bovendien een procedure moet worden gevolgd om van die uitzonderingen gebruik te kunnen maken, volgt dat een ruime uitleg van het begrip bevriezing van tegoeden in de rede ligt. Een beperkte uitleg zou immers afbreuk doen aan de limitatieve aard van de toegelaten uitzonderingen. Ook zou een beperkte uitleg afbreuk kunnen doen aan het doel van de resoluties om de tegoeden ten goede te laten komen aan de bevolking van Libië. In art. 1, onder b, Verordening 204/2011 is bovendien onder meer bepaald dat de bevriezing van tegoeden betrekking heeft op het voorkomen van het op enigerlei wijze gebruiken van tegoeden, met als gevolg wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde tegoeden mogelijk zou worden gemaakt, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille.
asset freeze’. [90] En de verwerping van het daarvan ingestelde hoger beroep door de Court of Appeal of the Cayman Islands op 18 november 2019, [91] waarbij is geoordeeld dat de onderhavige uitoefening van het stemrecht op de aandelen niet viel onder die ‘
asset freeze’, welk oordeel is toegespitst op genoemde sanctiemaatregelen tegen Libië. Ook daarmee is nog niets gezegd over de uitleg van ‘bevriezing’ van activa op basis van Verordening 269/2014, zoals behandeld onder 3.4-3.52.3 hiervoor. Daarbij betrek ik dat de doelstellingen van genoemde sanctiemaatregelen tegen Libië als aangehouden door deze rechters op de Kaaimaneilanden aanmerkelijk beperkter zijn dan de doelstellingen die m.i. (in ieder geval vanaf 25 februari 2022) ten grondslag liggen aan Verordening 269/2014, waarover mede onder 3.37 hiervoor.
Kernbevinding; prejudiciële verwijzing naar het HvJEU?
corporate governancevan het administratiekantoor, ongeacht of daarbij en/of daardoor tegoeden worden omgezet in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen de sancties zich richten.
Behandeling van de klachten van SBK
corporate governancevan het administratiekantoor als weergegeven in agendapunten 3-4 - niet toe op voorkoming van een wijziging van de tegoeden in kwestie (de bevroren certificaten van SBK). Noch op verkrijging door SBK van een financieel voordeel, of op omzetting van die tegoeden in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen de verordening zich richt. En is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak de hoofdregel onder die ruime uitleg van ‘bevriezing’ opgeld doet, dus een uitzondering daarop niet aan de orde is, gezien ook rov. 4.9, voorlaatste en laatste zin over het niet aannemelijk zijn geworden van disproportionele schade ter zake voor SBK. Welk oordeel mede moet worden bezien in het licht van het vervolg van het arrest waaronder rov. 4.17-4.19. Het gevolg van dit een en ander verwoordt het hof in rov. 4.10-4.11, uitmondend in afwijzing van die primaire vordering.
in casuvan een letterlijke uitleg van deze teksten zou mogen worden afgeweken en de in rov. 4.9 weergegeven (niet-letterlijke) uitleg zou moeten prevaleren.
in casuvaststaande) doel van Verordening 269/2014 en dit niet (kenbaar) in acht heeft genomen voor de uitleg van Verordening 269/2014 in rov. 4.9 4.10. Althans, voor zover het hof heeft bedoeld dat dit niet het doel van Verordening 269/2014 is, is zijn oordeel onbegrijpelijk nu hij niet (kenbaar) heeft gemotiveerd waarom rov. 4.3 van het vonnis dit doel niet correct weergeeft.
sub a.
sub b.
corporate governance(waaronder statutenwijziging met betrekking tot de systematiek van besluitvorming) geen verandering in relatie tot of ten aanzien van de bevroren certificaten op zich inhoudt. Deze oordelen in rov. 4.94.10 zijn voorts onbegrijpelijk, aldus het subonderdeel, nu in rov. 3.16 van het arrest (en rov. 2.16 van het vonnis) is geoordeeld dat SBK tegen de voorgestelde wijzigingen in
corporate governancewilde stemmen. SBK heeft dus geen handeling willen verrichten met als gevolg wijziging van of in relatie tot haar certificaten. Daaraan wordt in het subonderdeel nog toegevoegd dat deze oordelen tevens onvoldoende zijn gemotiveerd, nu de essentiële stelling van SBK is gepasseerd dat bevriezing enkel mogelijk is ter voorkoming van een wijziging van het tegoed.
sub a.
sub b.
tegende voorgestelde wijziging van de
corporate governancevan het administratiekantoor als weergegeven in agendapunten 3-4. En dat uit dit bestreden oordeel, specifiek die ruime uitleg van ‘bevriezing’, volgt dat en waarom het hof passeert de stelling van SBK dat bevriezing enkel mogelijk is ter voorkoming van een wijziging van het tegoed. Dit een en ander behoefde geen nadere motivering.
Daarbij kan van belang zijn dat het stemrecht op aandelen in dit geval is uitgeoefend om zittende bestuurders te ontslaan en nieuwe bestuurders te benoemen met als doel de nodige besluiten te nemen om tot liquidatie van de beleggingsportefeuille te komen”. [108] Het hof had daarbij tevens dienen te oordelen hoe plausibel het in casu is dat tegoeden worden omgezet in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen de sancties zich richten. [109] ”
corporate governancegeen verandering van of in relatie tot de bevroren certificaten op zich inhoudt; (ii) dat SBK tegen de agendapunten wilde stemmen en dus niets wilde wijzigen; (iii) dat de wijziging in
corporate governanceten nadele van SBK is, en niet valt in te zien (althans niet zonder nadere motivering) waarom dat een gebruik van een tegoed of verkrijging van tegoed, goed of dienst door SBK kan opleveren; en (iv) dat het doel van Verordening 269/2014 is het opvoeren van de druk op de Russische regering en economie en het beperken van diens middelen van agressie, waaruit volgt dat moet worden voorkomen dat mogelijk wordt gemaakt dat een gesanctioneerde partij tegoeden gebruikt of tegoeden, goederen of diensten verkrijgt en niet (althans niet zonder nadere motivering) valt in te zien waarom een wijziging in
corporate governance(ten nadele van SBK) daartoe kan leiden. Voor zover het hof heeft bedoeld dat het plausibel is dat de certificaten van SBK worden omgezet in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen Verordening 269/2014 zich richt, is dit oordeel onbegrijpelijk, nu dit niet (kenbaar) is beoordeeld. Tevens zijn deze oordelen in rov. 4.9-4.10 onvoldoende gemotiveerd, nu de essentiële stelling van SBK is gepasseerd dat bevriezing enkel mogelijk is ter voorkoming dat een gesanctioneerde partij een financieel voordeel verkrijgt.
waardoor het gebruik van bedoelde tegoeden, inclusief het beheer van een beleggingsportefeuille, mogelijk wordt gemaakt", is dat onbegrijpelijk nu het hof deze cursieve bijzin aldus wel (impliciet) heeft toegepast bij zijn oordeel over uitsluiting van het stemrecht (en het daarmee toestaan van de (volgens het hof) wijziging in relatie tot de certificaten die ontstaat indien de agendapunten worden aangenomen en uitgevoerd), terwijl deze bijzin dan niet is toegepast bij het oordeel over de vraag of SBK in casu haar stemrecht inzake die agendapunten kan uitoefenen (zoals in rov. 4.9 en 4.10 overwogen). En voor zover het hof zou hebben bedoeld dat enkel dient te worden voorkomen een (beoogde) wijziging door de gesanctioneerde partij zelf (en dat wijzigingen door derden dus steeds zijn toegestaan), is dat onjuist nu het HvJ EU heeft geoordeeld dat ook (beoogde) wijzigingen door derden dienen te worden voorkomen indien dit ziet op het mogelijke aanwenden van tegoeden, goederen of diensten door de gesanctioneerde partij zelf (HvJ EU 11 november 2021, ECU:EU:C:2021:903 (
Bank Sepah), punten 31, 34-35, 46 (inclusief verwijzing naar de conclusie A-G), 57 en 59 alsmede punten 59-61 van de bijbehorende conclusie van A-G Pitruzzella van 17 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:496).”
sub a.
enige wijziging (welke dan ook)” nog weer voorbij de door art. 1, aanhef en onder f in verbinding met art. 2 van Pro Verordening 269/2014 blijkens de tekst daarvan getrokken grenzen. Dat doet het hof (ook) daar niet. Zie ook onder 3.70.2 hiervoor.
Bank Sepah”) en het Hoge Raad-arrest uit 2019 (“Palladyne”). Kennelijk is dan de strekking van de klacht [110] dat het hof weliswaar redeneert met inachtneming van genoemde grenzen, maar te snel en daarmee ten onrechte aanneemt dat sprake is van “wijzigingen waardoor het gebruik van bedoelde tegoeden (…) mogelijk wordt gemaakt” in de zin van dat art. 1, aanhef en onder f en art. 2, omdat het hof daarbij niet verdisconteert “hoe plausibel het in casu is dat tegoeden worden omgezet in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen de sancties zich richten.” In zoverre loopt de klacht erop stuk dat de daarin voorgestane opvatting, die ervan uitgaat dat bevriezing van activa op basis van Verordening 269/2014 eerst kan spelen waar tegoeden worden omgezet in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen de sancties zich richten, geen steun vindt in het recht. En ook niet wordt gehuldigd door het hof, dat daar immers uitgaat van een ruime uitleg van ‘bevriezing’ van activa op basis van deze verordening (en daarbij niet veronderstelt dat ter zake tegoeden (zullen) worden omgezet in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen de sancties zich richten). Zie onder 3.4-3.59 en 3.62 hiervoor.
M e.a./Her Majesty’s Treasury-arrest van het HvJEU uit 2010, waarop de klacht nog wijst in de laatste noot bij het citaat sub a. Ook daarin valt niet te lezen dat telkens (ook) moet worden nagegaan hoe plausibel het is dat tegoeden worden omgezet in middelen die kunnen dienen om activiteiten te ondersteunen waartegen de sancties zich richten. Dit laatste HvJEU-arrest had evenmin betrekking op Verordening 269/2014, wel op de vraag of bevriezing van activa op basis van Verordening (EG) nr. 881/2002 [111] ook de socialezekerheidsuitkering aan de echtgeno(o)t(e) van een gesanctioneerd individu trof. Het HvJEU oordeelde van niet, althans niet “op de enkele grond dat deze echtgeno(o)t(e) met de aangewezen persoon samenleeft en een gedeelte van deze uitkeringen zal of kan gebruiken om goederen en diensten te betalen die deze laatste zal consumeren of die aan deze aangewezen persoon ten goede zullen komen”. Nu de vitale belangen van een derde - de echtgeno(o)t(e) van een gesanctioneerd individu - werden getroffen, ligt het nogal voor de hand dat het HvJEU in dat geval een specifieke en zwaarwegende ratio verlangde voor bevriezing. Dit een en ander doet niet af aan hetgeen ik uiteenzette onder 3.4-3.59 en 3.62 hiervoor.
sub b.
sub c.
guidancevan de Europese Commissie met het antwoord op “vraag 15 in de FAQ”. In rov. 4.8 oordeelt het hof dat dit antwoord een werkdocument is en geen juridische basis heeft en dat van nationale autoriteiten wordt verwacht deze
guidancein aanmerking te nemen gebaseerd op de tekst, context en het doel van de betreffende verordeningen. Tekst, context en doel van Verordening 269/2014 prevaleren dus, maar het hof oordeelt niet (althans niet kenbaar) dat en waarom genoemd antwoord daarop aansluit of dat en waarom (
in casu) genoemd antwoord (toch) dient te prevaleren boven de tekst, de context en het doel van Verordening 269/2014. Aldus kan het hof niet worden gevolgd in zijn gedachtegang en zijn deze oordelen niet controleerbaar. Voorts is in rov. 4.10 van het vonnis door de voorzieningenrechter geoordeeld, in hoger beroep onbestreden: “In de eerste plaats heeft Fortenova STAK terecht opgemerkt dat vraag 15 op een geheel andere situatie ziet dan de onderhavige.” Aldus is onbegrijpelijk dat het hof, zonder nadere motivering, die ontbreekt, zijn oordelen in rov. 4.94.10 wel (mede) baseert op genoemd antwoord.
i.e. prevented from being used to obtain funds, goods or services in any way”. Met de zin “
Voting rights must be fully frozen” bedoelt de Europese Commissie dus ook niet meer dan dat, ofwel het voorkomen dat het stemrecht wordt gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen op enige wijze. De tussenliggende zin (“
Therefore”, etc.) lijkt dan ook in dat kader bedoeld. ’s Hofs oordeel inzake genoemd antwoord is aldus onbegrijpelijk, nu het hof het begrip “
frozen” anders uitlegt (namelijk dat het stemrecht in geen enkele situatie door een gesanctioneerde partij kan worden uitgeoefend) dan de Europese Commissie, mede nu die uitleg door de Europese Commissie in lijn is met art. 1, aanhef en onder e van Verordening 269/2014. Voorts zijn deze oordelen onvoldoende gemotiveerd, nu het hof een essentiële stelling van SBK heeft gepasseerd, inhoudende dat de Europese Commissie juist heeft geoordeeld dat niet ieder gebruik van stemrecht verboden is, zulks mede onder verwijzing naar een opinie van de Europese Commissie uit 2021.
i.e. prevented from being used to obtain funds, goods or services in any way” (ofwel, stemrechten mogen (enkel) niet worden uitgeoefend indien dit leidt tot gebruik van een tegoed, goed of dienst), terwijl de Europese Commissie direct daarna antwoordt: “
Therefore under no circumstance nor for any purpose may listed shareholders exercise directly or indirectly their voting rights in a company or fund. Voting rights must be fully frozen.” Deze laatste zinnen (bevriezing van stemrechten van een gesanctioneerde partij in iedere situatie) staan haaks op (althans wijken sterk af van) de daaraan voorafgaande zin (alsmede art. 1, aanhef en onder e van Verordening 269/2014) dat stemrechten (enkel) worden bevroren teneinde te voorkomen dat tegoeden, goederen of diensten op enige wijze worden verkregen. Dit houdt dus in dat stemrechten juist niet in iedere situatie bevroren zijn. Het hof verwijst louter naar genoemd antwoord (en niet naar enkel specifieke zinnen daaruit) en motiveert evenmin waarom (
in casu) de ene zin van genoemd antwoord zou moeten prevaleren boven de andere zin. Aldus is het oordeel van het hof onbegrijpelijk, nu diens gedachtegang niet kan worden gevolgd en diens oordeel niet controleerbaar is. [114]
in casuimmers niet gaat om de uitleg van (enige bepaling bij of krachtens) de Sanctiewet 1977 of andere relevante Nederlandse wet- of regelgeving, maar om de uitleg van een rechtstreeks werkende EU-verordening. Voor zover een nationale
guidanceal relevant zou mogen zijn voor een oordeel over de
guidancevan de Europese Commissie, is onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd dat het hof niet tevens de (essentiële stelling van SBK inzake) nationale
guidancevan andere EU-lidstaten in aanmerking neemt bij zijn oordeel, nu het
in casuimmers gaat om de uitleg van een rechtstreeks werkende EU- verordening en aldus de nationale
guidancevan iedere EU-lidstaat van belang is.
subonderdeel 2.1.
This document”, etc.) slechts tot uitdrukking wat de Europese Commissie heeft opgemerkt over de status van die “FAQ” (“In de FAQ vermeldt de Europese Commissie omtrent de status ervan het volgende:”, etc.). In zoverre mist de klacht dus feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het arrest.
guidancedie is gebaseerd op de tekst, context en doeleinden van de daar bedoelde verordeningen, dit met het oog op uniforme toepassing van sancties in de Europese Unie. Dit is iets anders. Daarmee ontvalt ook de bodem aan genoemde klacht.
guidance(die het hof daar ook relateert aan andere bronnen [115] en aanmerkt als een gezaghebbende bron voor de uitleg van de sanctieregels in deze verordening) basis vindt in de tekst, context en doeleinden van deze verordening. Daarvan gaat immers de Europese Commissie zelf reeds uit, nu de in die “FAQ” in brede zin gegeven
guidance(dus ook, maar niet alleen bij genoemd antwoord op vraag 15) mede gebaseerd is op deze tekst, context en doeleinden. Wat het hof dus benadrukt met dat laatste citaat in rov. 4.8. Zie onder 3.80.3 hiervoor. ’s Hofs gedachtegang en oordeel ter zake zijn dus wel degelijk navolgbaar respectievelijk controleerbaar.
subonderdeel 2.2.
under no circumstance nor for any purpose may listed shareholders exercise directly or indirectly their voting rights in a company or fund. Voting rights must be fully frozen.” Zie ook onder 3.40 hiervoor. Dit laatste betrekt de Europese Commissie dus niet slechts op, wat de klacht noemt, “het voorkomen dat het stemrecht wordt gebruikt om tegoeden, goederen of diensten te verkrijgen op enige wijze” (“
i.e., prevented from being used to obtain funds, goods or services in any way”, wat ziet op dat art. 1, aanhef en onder e). Kortom: in werkelijkheid legt het hof het begrip ‘
frozen’ niet anders uit dan de Europese Commissie, in tegenstelling tot wat de klacht suggereert. [119]
under no circumstance nor for any purpose may listed shareholders exercise directly or indirectly their voting rights in a company or fund. Voting rights must be fully frozen.” Daaraan doet naar de aard die stelling van SBK, welke uitgaat van uitlatingen van de Europese Commissie in ander verband, [121] niet af. Bij die stand van zaken kon het hof deze stelling van SBK passeren zoals het doet.
subonderdeel 2.3.
under no circumstance nor for any purpose may listed shareholders exercise directly or indirectly their voting rights in a company or fund. Voting rights must be fully frozen.” ’s Hofs gedachtegang en oordeel ter zake zijn dus wel degelijk navolgbaar respectievelijk controleerbaar. Daarmee valt ook in het water de aanvulling op de klacht in noot 25 daarbij.
subonderdeel 2.4.
guidance”, waaronder het in rov. 4.8 bedoelde antwoord (na aanvulling per 9 november 2022) van de Europese Commissie op vraag 15, niet dat in rov. 4.9 bedoelde antwoord van de Nederlandse bevoegde autoriteit op vraag J.
guidancedie uitgaat van een ouder, kennelijk nog rekkelijker standpunt van de Europese Commissie dan bedoeld door het hof in rov. 4.8 en die afwijkt van dat in rov. 4.8 bedoelde standpunt van de Europese Commissie; [124]
guidancedie dateert uit 2016 (waarin zelfs geen rekening is gehouden met dat oudere standpunt van de Europese Commissie), althans op vrijwel gelijkluidende nationale
guidancewaarvan onbekend is wanneer deze is opgesteld; [125]
guidancevan de Europese Commissie past bij het uitgangspunt dat sanctiemaatregelen maximaal effect dienen te hebben (zulks onder verwijzing naar sub 6 van de
Basic Principlesuit 2004), dit uitgangspunt echter uiteraard niet maakt dat Verordening 269/2014 ruimer mag worden uitgelegd dan wat de tekst en het doel van deze verordening inhouden. Voor zover het hof dat wel heeft bedoeld, is dat onjuist.
Basic Principlesmiskend. Althans (indien niet miskend) is zijn oordeel daaromtrent onbegrijpelijk, nu het hof mede op basis van dit sub 6 oordeelt dat
in casude vergader- en stemrechten niet kunnen worden uitgeoefend door SBK zulks ongeacht het agendapunt, hetgeen (zonder nadere motivering, die ontbreekt) strijdig is met tekst en doel van Verordening 269/2014 en het evenredigheidsvereiste. En voorts nu het hof niet heeft geoordeeld dat en waarom de gewenste effectiviteit zou moeten prevaleren boven het evenredigheidsbeginsel.
sub a.
guidancevan de Europese Commissie dat in uitgangspunt “
under no circumstance nor for any purpose may listed shareholders exercise directly or indirectly their voting rights in a company or fund. Voting rights must be fully frozen.” En brengt daar ter zake niet meer tot uitdrukking dan dat deze
guidancevan de Europese Commissie, volgens het hof dus “een gezaghebbende bron voor de uitleg van de sanctieregels vervat in Verordening (EU) Nr. 269/2014”, past bij genoemd uitgangspunt. [130]
sub b.
Basic Principlesuit 2004. Uit dit oordeel blijkt wel dat het hof onderkent dat ook de Europese Commissie dit evenredigheidsvereiste verdisconteert waar het gaat om toepassing van genoemde sanctieregels. [131] En dat volgens het hof niet aannemelijk is geworden dat in de onderhavige zaak onverkorte toepassing op SBK van deze sanctieregels leidt tot schending van dit evenredigheidsvereiste (welk oordeel mede moet worden bezien in het licht van het vervolg van het arrest waaronder rov. 4.17-4.19, zie ook onder 3.62 hiervoor). Trouwens: ’s hofs verwijzing in rov. 4.9 naar “het uitgangspunt dat sanctiemaatregelen maximaal effect dienen te hebben”, waarover ook onder 3.86.1 hiervoor, is simpelweg een weergave van een zin uit dat sub 6: “Sancties moeten op een zodanige wijze worden opgelegd dat zij het grootst mogelijke effect hebben op diegenen wier gedrag wij wensen te beïnvloeden.” Zie onder 3.15 en 3.46 hiervoor. Dit een en ander is geenszins onbegrijpelijk.
guidancevan de Europese Commissie aansluit bij het uitgangspunt dat sanctiemaatregelen duidelijk en voorspelbaar dienen te zijn (zulks onder verwijzing naar een HvJEU-uitspraak uit 2010), [132] dit oordeel onjuist is voor zover “het hof heeft bedoeld dat het vereiste van duidelijkheid en voorspelbaarheid dient in te houden dat in casu SBK (zolang zij is gesanctioneerd) in geen enkele situatie haar stemrecht kan uitoefenen (zoals in rov. 4.9 en 4.10 wordt geoordeeld).” En wel nu uit onderdeel 1 volgt dat een beperking onder Verordening 269/2014 enkel mogelijk is ter voorkoming van een handeling die tot een wijziging leidt en dus niet iedere situatie hieronder valt. In de HvJEUuitspraak waarnaar het hof verwijst, is weliswaar geoordeeld dat het beginsel van rechtszekerheid vereist dat beperkte maatregelen zoals sancties duidelijk en nauwkeurig zijn, maar het HvJEU heeft hiermee bedoeld dat de sanctiemaatregelen duidelijk en nauwkeurig zijn “zodat de betrokken personen, met inbegrip van derden, (…), ondubbelzinnig de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen. Binnen deze context zou een andere uitlegging dan welke is gegeven in punt 63 van het onderhavige arrest kunnen leiden tot rechtsonzekerheid (…)”. Het vereiste van duidelijkheid en nauwkeurigheid verzet zich dus juist tegen een te extensieve interpretatie van een EU-verordening. Het hof heeft dit miskend. [133]
sub a.
guidancevan de Europese Commissie ter zake. [136] Waarbij het hof in aanmerking neemt dat weliswaar blijkens die
guidancedisproportionele schade voor de personen op de Lijst vermeden dient te worden, maar niet aannemelijk is geworden dat die situatie zich hier voordoet. In rov. 4.9 betrekt het hof wel mede dat de in rov. 4.8 bedoelde aanvulling op het antwoord op vraag 15 door de Europese Commissie [137] voorts past bij het uitgangspunt dat sanctiemaatregelen duidelijk en voorspelbaar dienen te zijn, daarbij vergelijkenderwijs (“Vgl.”) verwijzend naar een HvJEU-uitspraak uit 2010. [138] Maar daarmee zegt het hof niet meer dan dat genoemde aanvulling zodanig duidelijk en nauwkeurig is dat de betrokken personen (met inbegrip van derden) ondubbelzinnig de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen kunnen kennen en dienovereenkomstig hun voorzieningen kunnen treffen.
sub b.
guidancevan de Europese Commissie of van het ministerie alsmede de
Basic Principlesdit niet anders (kunnen) maken.”
effectiviteitvan de sanctieregelgeving, terwijl niet (althans niet kenbaar) is geoordeeld in hoeverre dit strookt met de tekst en het doel van Verordening 269/2014 alsmede met het evenredigheidsvereiste.
sub a.
guidancevan de Europese Commissie ter zake, [141] in het bijzonder een uitleg waarbij wordt uitgegaan van het door het hof genoemde “systeem”, [142] ook zou leiden tot reële complicaties in termen van praktische werkbaarheid die niet goed samengaan met de gewenste effectiviteit van deze verordening. Anders gezegd: met dit argument onderstreept het hof nog eens de werfkracht van genoemde
guidance(zoals verstaan door het hof) bij de uitleg van sanctieregels vervat in Verordening 269/2014. Zie ook onder 3.83.2 hiervoor.
sub b.
in casuis overschreden.
corporate governancete wijzigen.
corporate governance(waarbij Open Pass een vetorecht op alle besluiten verkrijgt en nagenoeg een controlerende stem krijgt) blijft voorduren nadat de sancties zijn opgeheven.
corporate governance(namelijk wijziging van de besluitvorming voor situaties waarin minder dan 35% van alle certificaten worden gehouden door gesanctioneerde partijen) staat los van enige noodzaak tot aanpassing van de
corporate governancevanwege sanctieregels.
stakeholderscontrole zou gaan uitoefenen, en voorts in afwijking is van de neutrale rol van het administratiekantoor.
sub a-e: voor zover de motiveringsklacht een rechtsoordeel van het hof in rov. 4.9-4.10 van het arrest bestrijdt, geldt dat dit in cassatie niet kan. Zie onder 3.66.2 hiervoor. Ook voor het overige loopt het subonderdeel vast.
sub a.
guidancevan de Europese Commissie. [144] Daarbij is dus evident wel sprake van een hoofdregel, waarop onder omstandigheden - zoals het vermijden van disproportionele schade voor de personen op de Lijst - een uitzondering mogelijk is. Maar niet van het in rov. 4.9, voor-voorlaatste zin bedoelde “systeem”, waarbij “steeds per agendapunt” moet worden bezien of gelet op de sanctieregelgeving stemrechten mogen worden uitgeoefend of dat ontheffing bij de bevoegde autoriteiten moet worden gevraagd. Welk systeem ook niet strookt met de gewenste effectiviteit van Verordening 269/2014. Kortom: ’s hofs overwegingen in enerzijds rov. 4.9, voor-voorlaatste zin en anderzijds rov. 4.9, voorlaatste en laatste zin zijn prima te volgen en naast elkaar te plaatsen, ook zonder nadere motivering.
sub b.
should avoid outcomes causing a disproportionate prejudice to the listed person”), oftewel schade die geen rechtvaardiging meer vindt in de doeleinden van de beperkende maatregelen (“
which would go beyond the objectives of restrictive measures”). Het hof hoefde in rov. 4.9, voorlaatste en laatste zin, waar het onderzoekt of in de onderhavige zaak zulke disproportionele schade voor SBK aannemelijk is geworden en deze vraag ontkennend beantwoordt, derhalve niet nader te bezien “of dat doel [van Verordening 269/2014, A-G] is overschreden”.
sub c.
sub d.
sub e.
sub a.
Voorstel Open Pass
Open Pass"), die zich aan de zijde van Stichting heeft gevoegd in eerste aanleg, houdt 27.53% van de door Stichting uitgegeven Certificaten. Open Pass heeft een navenant agenderingsrecht dat in de administratievoorwaarden van de Stichting is vastgelegd. [152] Om de perceptie dat Fortenova wordt gecontroleerd door gesanctioneerde partijen en de feitelijke blokkades die de groep daardoor ervaart tegen te gaan, heeft Open Pass een verzoek aan Stichting gedaan een certificaathoudersvergadering bij een te roepen en hierin, onder meer, een wijziging van de Statuten en Administratievoorwaarden te agenderen.”
sub b.
non sequitur.
sub c.
in casu“het voorgaande” (zie sub a) wel zou kunnen weigeren, dit oordeel onjuist, onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. En wel:
corporate governance(i) ten nadele van SBK, (ii) waarbij SBK tegen wilde stemmen, (iii) voor een permanente althans langere duur dan de sancties, (iv) waarbij Open Pass een permanent vetorecht verkrijgt, terwijl (v) (reguliere) besluiten door de certificaathoudersvergadering toch (ook als SBK haar stemrechten niet kan uitoefenen) kunnen worden genomen in de “derde vergadering” en in dat opzicht de wijziging in
corporate governanceonnodig is. Het bijeenroepen van een vergadering, agenderen van het voorstel van Open Pass en faciliteren van het stemmen daarover houdt daarmee in dat, gebruikmakend van de volgens het hof toegestane (tijdelijke) uitsluiting van het stemrecht van SBK op grond van de Verordening, SBK voortaan niet langer certificaten houdt in een rechtspersoon waarin zij als enige een vetorecht heeft (terwijl zij die wijziging kan blokkeren als zij haar stemrecht wel kan uitoefenen). De wijziging komt daarmee neer op onteigening, terwijl de Verordening dat juist niet beoogt en niet toestaat.” [zonder verwijzingen in het origineel, A-G]
sub a.
sub b.
corporate governancezou resulteren in een op basis van het Unierecht ontoelaatbare onteigening van SBK via het wegvallen van enig “vetorecht”, zoals bedoeld in het slot van het subonderdeel. [156] En dat het hof bij deze stand van zaken, gezien ook art. 24-25 Rv, niet gehouden was in rov. 4.16 of elders ambtshalve, buiten het processuele debat om, te bezien of die wijziging zou neerkomen op zo’n onteigening.
sub a.
sub b.
sub c.
sub d.
Subonderdeel 3.4opent met op te merken dat de voorzieningenrechter in rov. 4.124.13 van het vonnis heeft geoordeeld:
in casubevriezing noodzakelijk was. Het subonderdeel vervolgt met de klacht die erop neerkomt dat het hof in rov. 4.19 van het arrest ofwel het grievenstelsel heeft miskend, ofwel onbegrijpelijk (impliciet) heeft geoordeeld dat het administratiekantoor grieven heeft gericht tegen deze oordelen in het vonnis. Het subonderdeel spitst dit laatste toe - ik kort hier fors in - op grief 3 van het administratiekantoor.
Subonderdeel 3.5klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 4.19, eerste zin onbegrijpelijk is, nu rov. 4.12-4.13 van het vonnis in stand blijven aangezien (i) hiertegen geen grief is gericht (zie subonderdeel 3.4) althans (ii) het hof geen ander oordeel heeft gegeven over oneigenlijk gebruik door het administratiekantoor en de oordelen hierover in het vonnis dus in stand blijven. De oordelen in het vonnis zien immers op het oneigenlijk gebruik door het
administratiekantoor, terwijl ’s hofs rov. 4.19 erop ziet of de mate van oneigenlijk gebruik door
Open Passdusdanig evident was dat het administratiekantoor daaraan geen medewerking behoort te geven. Nu rov. 4.12-4.13 van het vonnis in stand blijven, is onbegrijpelijk hoe tevens kan worden geoordeeld dat het administratiekantoor wel aan het voorstel van Open Pass medewerking behoort te geven. Rov. 4.19 is aldus onbegrijpelijk en daarmee ook rov. 4.16, nu dit mede daarop is gebaseerd.
Subonderdeel 3.6stelt voorop dat de oordelen in rov. 4.124.13 van het vonnis over oneigenlijk gebruik van het sanctierecht bovendien een zelfstandig dragende grond zijn voor de “toewijzing” van vergader- en stemrechten aan SBK in het dictum van het vonnis. En dat oneigenlijk gebruik ook naar zijn aard een zelfstandig dragende grond oplevert, wat SBK ook heeft gesteld in hoger beroep. Het subonderdeel vervolgt met de klacht dat nu de oordelen in rov. 4.12-4.13 van het vonnis op grond van zowel subonderdeel 3.4 als subonderdeel 3.5 in stand blijven, ‘s hofs oordelen in rov. 4.95 hierop afstuiten althans deze oordelen onbegrijpelijk zijn daar het hof niet heeft gemotiveerd in hoeverre deze in stand kunnen blijven ondanks rov. 4.12-4.13 van het vonnis.
subonderdeel 3.4.
subonderdeel 3.5.
subonderdeel 3.6.
corporate governancewel een vetorecht verkrijgt, en uit het procesdossier niet blijkt dat het administratiekantoor of Open Pass dit heeft betwist.
sub a.
corporate governance, zoals nader uitgewerkt door het hof in rov. 4.19 sub (i)-(iii) (mede te bezien in het licht van rov. 4.7). Waarin het hof dus al voldoende grond ziet voor het in rov. 4.19, eerste zin bedoelde oordeel, geciteerd onder 3.131.5 hierna. Dit behoeft geen verdere toelichting.
corporate governance, zoals nader uitgewerkt door het hof in rov. 4.19 sub (i)-(iii) (mede te bezien in het licht van rov. 4.7). Waaronder dus de onder 3.131.3 hiervoor bedoelde wijziging, die het hof derhalve - anders dan SBK - niet als onverklaarbaar/onbegrijpelijk aanmerkt. Daaraan voegt het hof nog toe dat bovendien Open Pass door die voorgestelde wijziging geen ‘controlerend(e)’ belang/stem krijgt in de certificaathoudersvergadering, aldus dat Open Pass dan niet op voorhand voldoende stemmen heeft om ieder voorstel (in een eerste vergadering) aanvaard te krijgen. Noch in een “ten minste 35%”-scenario, [171] al krijgt Open Pass daarin bij die voorgestelde wijziging wel een ‘belangrijke’ stem (naar ik begrijp: ten faveure van het voorstel), wat het gevolg is van de omstandigheid dat Open Pass bijna 28% van de uitstaande certificaten heeft. [172] Noch in een “minder dan 35%”-scenario, [173] daarin heeft de voorgestelde wijziging geen invloed op de positie van Open Pass. Van een machtsovername of ‘
coup’ door Open Pass is geen sprake, aldus nog steeds het hof. Bij het voorgaande onderkent het hof mede - en welbeschouwd met SBK, gezien 3.131.3 hiervoor - dat Open Pass na de voorgestelde wijziging in eerstgenoemd scenario dus “een belangrijke, maar nog geen controlerende, stem” krijgt. [174]
het voorstel van Open Pass zo evident erop is gericht door oneigenlijk gebruik van de sanctieregels de machtsverhoudingen in de vergadering van certificaathouders te wijzigen in het voordeel van Open Pass en/of een ander, en in het nadeel van SBK, dat het administratiekantoor daaraan geen medewerking behoort te geven.” [175] [cursivering toegevoegd, A-G]
bij een opkomst van minder dan 93%(…) meer dan de vereiste 60% van de stemmen ter vergadering [kan] uitbrengen (55,8%/60%).” [cursivering toegevoegd, A-G]
sub b.
corporate governanceniet alleen geen ‘controlerende’ stem krijgt, maar evenmin een ‘belangrijke’ stem als daarvoor bedoeld bij het “ten minste 35%”-scenario (waarin Open Pass dan evenmin zo’n ‘controlerende’ stem krijgt, maar wel zo’n ‘belangrijke’ stem). Waarover onder 3.131.3-3.131.4 hiervoor. Daarbij zij bedacht dat het hof met deze overwegingen over beide scenario’s uitwerking geeft aan diens vooropstelling dat Open Pass door die voorgestelde wijziging niet zo’n ‘controlerende’ stem (“controlerend belang”) krijgt.
sub a.
sub b.
sub a-c.
coup’ wenst te plegen.
corporate governancevan het administratiekantoor. En verder dat deze grieven zich lenen voor gezamenlijke behandeling.
sub d.
sub e.
Subonderdeel 5.1stelt voorop dat volgens het hof in rov. 4.10, 4.14, 4.18, 4.19 en 5 van het arrest (voorshands voldoende aannemelijk is dat) SBK haar vergaderrecht niet kan uitoefenen. Het subonderdeel vervolgt met op te merken dat nu met het uitoefenen van louter het vergaderrecht (anders dan eventueel het stemrecht) niet een wijziging van een tegoed of een verkrijging van een tegoed, goed of dienst mogelijk is, althans niet plausibel is dat dit mogelijk is, terwijl uit onderdeel 1 volgt dat dit wel vereist is, het vergaderrecht voor een aandeelhouder of certificaathouder niet door Verordening 269/2014 wordt beperkt. Het hof heeft dit miskend, althans diens oordeel is onbegrijpelijk nu het niet (kenbaar) heeft geoordeeld waarom
in casuSBK haar vergaderrecht desondanks niet kan uitoefenen.
Subonderdeel 5.2bestrijdt als onbegrijpelijk ’s hofs oordeel in rov. 4.10 dat “gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd” voorshands voldoende aannemelijk is dat sanctieregels in de weg staan aan het vergaderrecht van SBK en dat de weigering om SBK toe te laten tot vergaderingen in overeenstemming is met de verplichting onder die sanctieregels. Dit oordeel is onbegrijpelijk, nu in het vonnis is geoordeeld dat SBK niet is beperkt in haar vergaderrechten en het hof in rov. 4.9 of daaraan voorafgaand niet heeft geoordeeld dat (voldoende aannemelijk is dat) SBK haar vergaderrechten niet kan uitoefenen. Dit oordeel in rov. 4.10 over vergaderrecht komt aldus ineens uit de lucht vallen en is geenszins (althans niet kenbaar) gebaseerd op “gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd”. Het oordeel is daarmee onbegrijpelijk, nu het hof niet in zijn gedachtegang kan worden gevolgd en dit oordeel niet controleerbaar is.
subonderdeel 5.1.
subonderdeel 5.2.
voortbouwklacht.
zelfstandige klacht.
voortbouwklacht.
zelfstandige klacht.