Conclusie
1.Overzicht en prejudiciële vragen
Inleiding
rente op achterstallenmedegedeeld. De rente op achterstallen, het douanerechtelijke equivalent van belastingrente, is deels in rekening gebracht over de nagevorderde invoerrechten en deels over de nagevorderde omzetbelasting en berekend vanaf de dag waarop de schuld is ontstaan tot de dag waarop deze is medegedeeld.
2.Feiten en standpunten van partijen bij de Rechtbank
De feiten
HR BNB 2023/15 [4] en betoogt dat met betrekking tot de omzetbelasting geen sprake is van een rentenadeel voor de Belastingdienst dat gecompenseerd dient te worden door de in rekening gebrachte rente.
3.Overwegingen van de Rechtbank
4.Schriftelijke opmerkingen van partijen
als ware het een douaneschuld.
HR BNB 2023/15, waarop belanghebbende zich beroept. In de zaak die tot dat arrest heeft geleid was geen sprake van een rentenadeel, omdat de Belastingdienst al beschikte over het desbetreffende geldbedrag vanwege een eerder opgelegde voorlopige aanslag.
5.Prealabele vraag
en moet bovendien dezelfde vraag aan de orde zijn in een groot aantal aanhangige zaken. Aan de laatste voorwaarde wordt met onderhavige rechtsvraag niet voldaan.De uitspraak van de rechtbank vermeldt expliciet dat andere zaken, waarbij rente op achterstallen in rekening zijn gebracht over BTW bij invoer, haar niet bekend zijn. Dat sprake is van landelijk beleid en daarmee, zoals de rechtbank verwoordt, het belang groter is dan deze ene zaak, maakt onzes inziens niet dat aan de voorwaarden voor het stellen van prejudiciële vragen wordt voldaan. Dat in de toekomst vanwege dit landelijke beleid grote aantallen zaken zijn te verwachten, bijvoorbeeld omdat een groot aantal zaken zich in de bezwaarfase bevinden, wordt niet gesteld en is ook geenszins aannemelijk. Partijen die met regelmaat goederen invoeren, maken immers doorgaans, gebruik van de verleggingsregeling van art. 23 Wet Pro OB 1968. Als in elke zaak, waarbij sprake is van (nieuw) landelijk beleid, prejudiciële vragen worden gesteld aan de Hoge Raad, gaat de Hoge Raad het nog druk krijgen! En wat is dan nog de taak van rechtbank en hof in belastingzaken? Alleen nog feiten matchen met een bekend juridisch leerstuk? Wat van het voorgaande ook zij, gelet op hetgeen al is vermeld in de tussenbeslissing, zou de rechtbank zonder prejudiciële vragen waarschijnlijk tot de conclusie zijn gekomen dat geen rente is verschuldigd. Zij had dan ook een uitspraak met die strekking kunnen doen en daartegen had sprongcassatie kunnen worden ingesteld.
Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad
6.Rente op achterstallen en andere renten volgens het douanerecht
heffing, namelijk indien de douaneschuld te laat wordt vastgesteld (of beter gezegd: te laat wordt medegedeeld). Rente op achterstallen vormt daarmee als het ware het DWU-equivalent van de compenserende rente die in rekening kon worden gebracht onder de werking het CDW (6.4 e.v.). Daarbij merk ik op, zoals ik hierna bespreek, dat rente op achterstallen in meer gevallen verschuldigd is dan voor compenserende rente het geval was.
interest on arrears,
intérêt de retard, Verzugszinsenen
interesse di mora. Hieruit maak ik op dat taalkundig geen verschil bestaat tussen vertragingsrente en rente op achterstallen. Vanuit DWU-perspectief is sprake van één soort rente: vertragingsrente.
betalingen rente op achterstallen bij te late
heffing. Ik merk op dat het voorgaande verschil tussen de Nederlandse versie en de andere genoemde taalversies van het DWU een wat ongelukkig gevolg zou hebben. In het derde en vierde lid van art. 114 DWU Pro zijn namelijk gevallen genoemd waarin geen rente in rekening wordt of kan worden gebracht. De Nederlandse taalversie wekt de indruk dat deze leden slechts gelden voor rente op achterstallen (lid 2) en niet voor vertragingsrente (lid 1). Dat is onterecht. Zoals gezegd kan uit de andere hiervoor genoemde taalversies worden afgeleid dat vertragingsrente en rente op achterstallen twee woorden zijn voor hetzelfde begrip, aangezien in die versies maar één rentebegrip wordt gebruikt. Voor de duidelijkheid citeer ik hierna de Engelse taalversie:
Article 114
Ontstaan van douaneschuld door niet-naleving
verplichtingin tot betaling van het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten dat uit hoofde van de geldende douanewetgeving verschuldigd is (art. 5(18) DWU). Andere taalversies [23] van het DWU maken in art. 114(2) DWU duidelijk onderscheid tussen de douaneschuld en het bedrag aan invoer- of uitvoerrechten. Vergelijk bijvoorbeeld de Engelse versie van deze bepaling (cursivering CE):
the customs debtis incurred on the basis of Article 79 or 82, or where the notification of the customs debt results from a post-release control, interest on arrears shall be charged over and above
the amount of import or export duty, from the date on which the customs debt was incurred until the date of its notification.”
7.Uitwerking rentebepalingen van het DWU in de nationale wet- en regelgeving
Om dit mogelijk te maken is een grondslag nodig, waarin wordt voorzien door de toevoeging van een onderdeel n aan artikel 2:1 van Pro de Adw.”
Afdeling 4. Kredietrente, vertragingsrente en rente op achterstallen
8.De reikwijdte van art. 22(1) Wet OB 1968
Art. 22 Wet Pro OB 1968
.Zij vraagt zich af of het in rekening brengen van rente op achterstallen kan behoren tot de wijze van heffing. In wezen roept dit de vraag op hoe ruim de strekking is van art. 22 Wet Pro OB 1968. Ik behandel die vraag in hierna. Ik ga eerst in op de vraag of de Btw-richtlijn ruimte biedt voor het rekening brengen van rente op achterstallen.
De lidstaten kunnen in het bijzonder bepalen dat met betrekking tot de invoer van goederen die wordt verricht door belastingplichtigen of tot betaling van de belasting gehouden personen, of door bepaalde categorieën daarvan, de wegens de invoer verschuldigde BTW niet hoeft te worden betaald op het tijdstip van de invoer, mits deze belasting als zodanig wordt vermeld in de overeenkomstig artikel 250 opgestelde Pro BTW-aangifte.”
U.I. [38] , waarin het Hof van Justitie overweegt dat art. 201 Btw Pro-richtlijn de lidstaten beoordelingsvrijheid laat bij de wijze waarop de btw bij invoer wordt geregeld voor wat betreft de aanwijzing van de belastingplichtige. De Rechtbank gaat ervan uit dat hetzelfde geldt voor de betaling ter zake van de invoer van goederen op grond van art. 211 Btw Pro-richtlijn. [39]
Dansk Denkavit [40] .De Deense verwijzende rechter vraagt zich in die zaak af of de Zesde Richtlijn [41] zich verzet tegen een nationale wettelijke regeling die betalingstermijnen vaststelt voor de btw bij invoer, die afwijken van de termijnen voor de binnenlandse btw. Het Hof van Justitie heeft slechts twee rechtsoverwegingen nodig om deze vraag te beantwoorden:
20 De bepalingen van de richtlijn staan dus niet eraan in de weg, dat een Lid-Staat voor de BTW bij invoer afrekeningstijdvakken en betalingstermijnen vaststelt die afwijken van de overeenkomstige termijnen voor de betaling van de netto-belastingschuld in het binnenlands verkeer.”
inning, terwijl de voorloper van deze bepaling in de Zesde Richtlijn nog sprak van het waarborgen van de juiste
heffing. [46] Ik meen dat een en ander overigens niet van materiële betekenis is. Ik citeer het Hof van Justitie (cursivering CE): [47]
zonder dat in principe materiële wijzigingen werden aangebracht. De bepalingen van richtlijn 2006/112 komen dus in wezen overeen met de overeenkomstige bepalingen van de Zesde richtlijn.
Staatsbladn°. 568). Dit bijzonder invoerrecht wordt, eventueel naast het gewone invoerrecht, geheven op denzelfden voet, als ware het in het bij die wet behoorend tarief opgenomen, met inachtneming van de volgens die wet te verleenen vrijstellingen en van de verdere wettelijke bepalingen, welke ten aanzien van andere invoerrechten gelden.
In afwijking van het vorig lid blijft de laatste volzin van artikel 16 der Pro voormelde Tariefwet en de volgens het bij die wet behoorend tarief te verleenen vrijstellingen ten deze buiten toepassing.
Indien dit geschiedt, verdient het aanbeveling deze heffing op denzelfden voet te doen geschieden als die van het gewone invoerrecht en de vrijstellingen welke voor laatstbedoeld invoerrecht gelden, behoudens enkele uitzonderingen, tevens voor deze heffing te doen gelden.”
verschuldigdheid en voldoeningvan de omzetbelasting bij invoer. De memorie van toelichting bevestigt dit echter niet expliciet. Over art. 22 wordt Pro slechts vermeld dat de voldoening van de belasting bij invoer hetzelfde blijft. [57]
vrijwel geheelvan overeenkomstige toepassing verklaard.”
Stb.1961, 31) is van toepassing als ware de belasting invoerrecht.”
procedurekunnen worden afgeleid dat slechts de douanewetgeving met betrekking tot de wijze van heffing van overeenkomstige toepassing is. Deze laatste mening werd gehuldigd door Reugebrink en Van Hilten. [65] Zij maken uit de memorie van toelichting op dat art. 22 strikt Pro moet worden uitgelegd en dat ook uit de toelichting bij latere wijzigingen van deze bepaling niet blijkt dat deze bepaling een ruimere strekking zou hebben gekregen. [66]
geheven bij invoer, eveneens aan de Tariefcommissie zou zijn opgedragen. Het past echter geheel in het systeem van deze heffingen, dat voor deze belastingen na 1 januari 1975 het gerechtshof bevoegd zal zijn.”
nietuitsluitend zien op bepaalde, specifiek aangeduide rechten bij invoer. In zoverre wordt eene eventuele ruime werking van art. 22(1) enigszins ingeperkt. Hoewel de toelichting slechts voorbeelden uit de AWR noemt, meen ik dat deze voorwaarde ook geldt voor de bepalingen uit de Douanewet en het CDW. Uit latere wijzigingen van art. 22(1) leid ik niet af dat de wetgever de voorwaarde heeft losgelaten, zodat deze mijns inziens thans ook geldt voor de bepalingen uit het DWU. [75] De wijzigingen in art. 22(1) Wet OB 1968 en art. 1:1 Adw Pro ten gevolge van de invoering van het DWU, waren slechts terminologisch van aard: [76]
Vóór dat jaar was het kennelijk de bedoeling dat de verwijzing van art. 22 Wet Pro OB 1968 wèl mede betrekking had op de belastbare feiten.
Alle douanebepalingen rond de heffing van invoerrechten, met uitzondering van de expliciet in de Wet OB 1968 geregelde zaken (met name de verschuldigdheid, de maatstaf van heffing, het tarief en de vrijstellingen), zijn voor de omzetbelasting bij invoer van overeenkomstige toepassing. De omzetbelasting bij invoer lift mee met de invoerrechten.”
nietslechts ziet op de wijze van heffing van omzetbelasting bij invoer, ongeacht de positie van de bepaling in de wet. Wel moet de kanttekening worden geplaatst dat de genoemde bepalingen alleen van overeenkomstige toepassing zijn indien zij niet slechts betrekking hebben op bepaalde, specifiek aangeduide rechten bij invoer.
HR BNB 1997/3 [79] De desbetreffende overweging luidt:
HR BNB 1999/418 [80] . Deze overweging luidt voor zover relevant (cursivering CE):
BelastingschuldigeDe vaststelling dat een belastbaar feit heeft plaatsgevonden leidt logischerwijs naar de volgende vraag, te weten: wie is de belasting verschuldigd? De Zesde richtlijn laat de lidstaten op dit punt vrij: ingevolge art. 21, tweede lid, is de belasting bij invoer verschuldigd door degene die door de betrokken lidstaat als zodanig is aangewezen. De Nederlandse wetgever heeft evenwel niemand aangewezen. Dat wekt, zoals Hof Arnhem in rechtsoverweging 4.9 van de melkpoederzaak fijntjes aangeeft, bevreemding. Nu voor leveringen, diensten en intracommunautaire verwervingen wel een dergelijke aanwijzing heeft plaatsgevonden, en de belastingschuldige voor die prestaties in beginsel degene is die het belastbare feit verricht, was het zeer wel denkbaar geweest dat dat uitgangspunt ook voor de invoer zou hebben te gelden. De belasting ter zake van de invoer zou dan in casu verschuldigd zijn door degene die de onttrekking (feitelijk) pleegde. Dat levert een beperkte kring belastingschuldigen op, in elk geval beperkter dan de kring die voor de heffing van douanerechten als belastingschuldigen worden aangewezen in geval van onttrekking. Hof en Hoge Raad doen dat echter niet, maar grijpen aan bij art. 22 Wet Pro OB 1968. Uitgangspunt daarvoor is dat de wetgever kennelijk bij het opstellen van de oorspronkelijke tekst van art. 22 Wet Pro OB 1968, die inhield dat de toenmalige (nationale) douanewetgeving van toepassing was ‘als ware de belasting een invoerrecht’, tevens heeft bedoeld dat de belastingschuldige voor de BTW bij invoer dezelfde is als de belastingschuldige voor het invoerrecht. Op zichzelf is daar niet zoveel op tegen in een situatie waarin de belastbare feiten voor beide heffingen hetzelfde zijn. Dat is echter niet zo, althans niet volledig. Ik denk dan met name aan art. 204 CDW Pro dat ook het niet-nakomen van verplichtingen als belastbaar feit voor het douanerecht aanmerkt, een gebeurtenis die art. 18 Wet Pro OB 1968 niet als belastbaar feit bestempelt. Ik heb dan ook mijn bedenkingen bij de ongenuanceerde verwijzing in art. 22 Wet Pro OB 1968 naar de heffing van het douanerecht. Nog afgezien daarvan meen ik dat een aanwijzing van een belastingplichtige welke wettelijk verscholen is in een algemene verwijzing naar een ander rechtsgebied, op zijn zachtst gezegd geen schoonheidsprijs verdient.
9.De eerste prejudiciële vraag
De vraag
invoerrecht, acht ik ̶ ook gelet op de ontwikkelingen op wetgevend gebied die zich sindsdien hebben voorgedaan ̶ volstrekt ontoereikend. De Wet OB 1968 heeft met ingang van 1 januari 1969 het belastbare feit, de maatstaf en het tarief van de omzetbelasting bij invoer zelf uitgewerkt, zodat deze uitwerkingen voorgaan op de bepalingen van het douanerecht. Ook daarom kan worden afgevraagd hoe de ruime uitleg van de schakelbepaling die de wetgever destijds kennelijk voor ogen had in de tegenwoordige tijd nog doorwerkt.
U.I. [85] van het Hof van Justitie aan. Deze zaak betreft de situatie waarin een indirect douanevertegenwoordiger door de Italiaanse douaneautoriteiten hoofdelijk aansprakelijk werd gesteld voor de betaling van douanerechten en btw bij invoer. Voor de douanerechten vloeit deze belastingplicht rechtstreeks voort uit art. 77(3) DWU. [86] Voor de btw bij invoer werd de indirecte vertegenwoordiger volgens de verwijzende rechter echter niet uitdrukkelijk aangewezen of erkend als belastingplichtige in de Italiaanse wet. Het Hof van Justitie overweegt onder meer dat het beginsel van rechtszekerheid vereist dat rechtsregels
duidelijk, nauwkeurig en voorzienbaarzijn, in het bijzonder wanneer die regels nadelige gevolgen kunnen hebben voor particulieren en ondernemingen. [87] In het geval van een regeling die financiële consequenties kan hebben is de rechtszekerheid in het bijzonder een dwingend vereiste, teneinde belanghebbenden in staat te stellen de omvang van hun verplichtingen nauwkeurig en ondubbelzinnig te kennen. [88]
HR BNB 2012/176 [91] , waarin de Hoge Raad oordeelde dat de schakelbepaling van art. 30j(1), tweede volzin, AWR zich niet beperkt tot de regels omtrent rechtsbescherming, maar ruim dient te worden uitgelegd overeenkomstig de tekst van de bepaling.
10.De tweede prejudiciële vraag
HR BNB 2023/15 [96] mogelijk van belang. In dit arrest oordeelt de Hoge Raad met betrekking tot de renteregeling in de AWR [97] , dat het in rekening brengen van belastingrente niet mogelijk is over de periode waarin de Belastingdienst reeds de beschikking heeft over het te betalen belastingbedrag. Gedurende die periode is geen sprake van een rentenadeel aan de zijde van de Belastingdienst. De Hoge Raad overweegt in dit verband het volgende (voetnoten niet overgenomen):
HR BNB 2023/15dat geen sprake is van een rentenadeel voor het bedrag aan omzetbelasting bij invoer dat bij utb is medegedeeld, indien met betrekking tot deze omzetbelasting recht op aftrek van voorbelasting bestaat. De Staatssecretaris verweert zich door te stellen dat de onderhavige situatie afwijkt van de situatie die heeft geleid tot
HR BNB 2023/15, aangezien de Belastingdienst, anders dan de situatie in dat arrest, tot aan de ‘navordering’ [99] niet de beschikking had over het te laat betaalde bedrag aan omzetbelasting. Ook heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Douane ten tijde van het uitreiken van de utb volgens de Staatssecretaris geen zicht op een eventueel recht op aftrek van voorbelasting van de ondernemer binnen de omzetbelasting.
HR BNB 2023/15, waarin de Hoge Raad met betrekking tot de renteregeling in de AWR overwoog “dat de wetgever omwille van de uitvoerbaarheid van de belastingrenteregeling een enigszins ruwe berekening van de renteschade in zoverre heeft beoogd.” [103] Mijns inziens is onderhavige renteregeling, omwille van de uitvoerbaarheid, gebaat bij een enigszins ‘ruwe’ toepassing. Dus als een belastingplichtige volledig recht op aftrek van omzetbelasting heeft, acht ik het in het geheel niet mogelijk rente op achterstallen in rekening te brengen over omzetbelasting bij invoer dan wel moet deze rente op de voet van art. 7:10 Adw Pro worden vergoed (0).