ECLI:NL:PHR:2023:259
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beperking vergoeding schadevergoeding benadeelde partij bij ontuchtzaak
In deze zaak is de verdachte veroordeeld wegens ontucht met cliënten in de maatschappelijke zorg. De benadeelde partij had een vordering tot schadevergoeding ingediend, bestaande uit materiële kosten zoals sessies bij de verdachte, reiskosten, advocaatkosten en immateriële schade.
Het hof had de vordering van de benadeelde partij grotendeels afgewezen wegens een onevenredige belasting van het strafgeding, met uitzondering van een beperkte vergoeding voor materiële en immateriële schade. De Hoge Raad toetst het oordeel van het hof terughoudend en oordeelt dat het hof voldoende heeft gemotiveerd waarom de sessiekosten en samenhangende reiskosten niet worden vergoed en waarom de immateriële schadevergoeding van €5.000 passend is.
Ook de klacht over de afwijzing van vergoeding van reis- en parkeerkosten voor gesprekken met officieren van justitie en advocaten wordt verworpen, omdat deze kosten niet als rechtstreekse schade kunnen worden aangemerkt volgens vaste rechtspraak. De Hoge Raad bevestigt dat de benadeelde partij voor het overige haar vorderingen bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
De conclusie van de advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad het cassatiemiddel af te doen met toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro. Hiermee blijft het arrest van het hof in stand en wordt de schadevergoeding beperkt tot de door het hof toegewezen bedragen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatiemiddel van de benadeelde partij af en bevestigt de beperkte toewijzing van schadevergoeding door het hof.