Conclusie
[eiseres]respectievelijk
Deutsche Bank.
1.Inleiding
Rechtbank en hof hebben de vorderingen van [eiseres] afgewezen. De rechtbank heeft, kort gezegd, geoordeeld dat van een zorgplichtschending van Deutsche Bank geen sprake is. Naar het oordeel van het hof stuiten de vorderingen van [eiseres] in het bijzonder af op het feit dat ze zijn verjaard.
Het cassatieberoep van [eiseres] treft m.i. doel. Ten aanzien van de verjaringskwestie hangt de zaak samen met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 22/00978, waarin ik vandaag ook concludeer.
2.Feiten
hof). [1]
[eigenaar 1]) en [eigenaar 2] (hierna:
[eigenaar 2]) zijn eigenaars van verschillende hotels en horecagelegenheden in [plaats] . [eigenaar 1] en [eigenaar 2] zijn bestuurders van [eiseres] en zij houden ieder 50% van de aandelen in [eiseres] .
renteswaps 2005) gesloten.
renteswap 2008) gesloten voor een vaste hoofdsom van € 26.300.000,-- met een looptijd van tien jaar ingaande op 1 juli 2008.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
rechtbank) een comparitie van partijen bevolen, die heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Van de comparitie is proces-verbaal opgemaakt. Beide partijen hebben naar aanleiding van het proces-verbaal faxen gestuurd.
vonnis).
juridische beoordelingvan de feiten die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Onder verwijzing naar HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603 stelt [eiseres] dat zij niet eerder daadwerkelijk in staat was om een vordering tegen Deutsche Bank in te stellen, maar zij stelt daarbij niet dat het voor haar onvoldoende zeker was dat de schade werd veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank ten gevolge van geruststellende mededelingen over de kwaliteit van de prestaties van Deutsche Bank of het daardoor te verwachten nadeel, dan wel ten gevolge van andere, niet voor risico van [eiseres] komende oorzaken. Overige relevante feiten en omstandigheden die tot de risicosfeer van Deutsche Bank behoren, zijn evenmin gesteld of gebleken. Intussen volgt uit de eigen stellingen van [eiseres] wel dat zij ruim voor november 2011 bekend was met feiten en omstandigheden die grond gaven om de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank in het kader van haar kredietrelatie met [eiseres] in twijfel te trekken: Deutsche Bank kwam gemaakte afspraken en toezeggingen niet na, de renteswap 2008 ontwikkelde een negatieve waarde en de bank bracht meer rente of hogere opslagen in rekening. Uit niets blijkt dat [eiseres] Deutsche Bank erop heeft aangesproken dat haar opstelling zich niet verdroeg met de overeenkomsten van partijen. De stelling van Deutsche Bank dat [eiseres] zich juist nooit eerder dan eind 2016 over het handelen van Deutsche Bank heeft beklaagd – waaruit volgt dat Deutsche Bank ook niet, in reactie op zulke klachten, aan [eiseres] een verkeerd beeld van de kwaliteit van haar prestatie kan hebben gegeven dat [eiseres] ervan kan hebben afgehouden een schadevergoedingsvordering tegen Deutsche Bank in te stellen – vindt steun in de eigen stellingen van [eiseres] . Het beroep van Deutsche Bank op verjaring van de gestelde schadevergoedingsvordering van [eiseres] slaagt dan ook.”
arrest). Deutsche Bank heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiseres] heeft gerepliceerd, Deutsche Bank heeft afgezien van dupliek.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Volgens het subonderdeel is hierbij van belang – en voor zover het hof dit heeft miskend, getuigt het oordeel volgens het subonderdeel van een onjuiste rechtsopvatting – dat een overeenkomst van lastgeving (zoals een overeenkomst tot cessie ter incasso) vormvrij is. Volgens het subonderdeel volstond dus (dat bleek van) wilsovereenstemming tussen, enerzijds, [eigenaar 1] en [eigenaar 2] in privé en, anderzijds, [eigenaar 1] en [eigenaar 2] als bestuurders van [eiseres] . Volgens het subonderdeel is niet in te zien dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] die lastgeving aan [eiseres] in privé niet zouden hebben gewild. Dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] in hun verschillende hoedanigheden hetzelfde wilden, blijkt volgens het subonderdeel ook uit die stellingname van [eigenaar 1] en [eigenaar 2] namens [eiseres] in deze procedure, waaronder de mededeling van hun advocaat dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] konden verklaren dat zij [eiseres] een last ter incasso hebben verstrekt.
Voor zover het hof heeft gemeend dat een bewijsaanbod niet mondeling ter zitting kan worden gedaan, heeft het blijk gegeven van een verkeerde rechtsopvatting, aangezien bewijs ook aldus rechtsgeldig kan worden aangeboden, aldus het subonderdeel.
eigen naamkan procederen
ten behoeve vaneen ander, die hem opdracht heeft gegeven om een procedure tegen een derde te beginnen, bijvoorbeeld om een vordering te incasseren die tot het vermogen van de opdrachtgever behoort […]. Omdat de procespartij in eigen naam procedeert, heeft zij
nietde hoedanigheid van partijvertegenwoordiger. De opdracht – die in bepaalde gevallen, misleidend, ‘cessie ter incasso’ wordt genoemd – kan mondeling of schriftelijk zijn verstrekt maar ook in een overeenkomst besloten liggen. […] Zekerheidshalve kan natuurlijk een schriftelijke bevestiging van een mondelinge opdracht, zo nodig met terugwerkende kracht, in het geding worden gebracht. De opdrachtnemer die in eigen naam maar ten behoeve van een ander procedeert, is niet gehouden om in de dagvaarding of anderszins te vermelden dat hij in de procedure de belangen van een ander behartigt. Pas als het verweer van de wederpartij daartoe aanleiding geeft – bijvoorbeeld omdat deze tegenwerpt dat de rechtsvordering moet worden afgewezen omdat het vorderingsrecht niet tot het vermogen van de eiser behoort – moet de eiser in het eerstvolgende processtuk stellen en zo nodig bewijzen dat hij uit hoofde van een opdracht bevoegd is om de procedure in eigen naam maar ten behoeve van de rechthebbende te voeren.” [8]
De gestelde cessie ter incasso (zie par. 5.5 MvG) is niet onderbouwd en wordt door de Bank betwist.
X/Euretco [17] , waarin ‘cessie ter incasso’ eveneens in die betekenis (dus een last tot inning in eigen naam) aan de orde was.
Ik begrijp r.o. 4.1 ook aldus dat het hof de cessie ter incasso in die betekenis (dus een last tot inning in eigen naam) heeft opgevat. Dat blijkt in de eerste plaats uit de gekozen bewoordingen in r.o. 4.1, eerste en tweede zin (zie onder 3.10 hiervoor). In de eerste zin wordt onder meer opgemerkt dat van een overdracht van een schadevergoedingsvordering betrekkelijk de renteswaps niet is gebleken. Daarna merkt het hof op dat Deutsche Bank “tegelijkertijd de door [eiseres] gestelde cessie ter incasso betwist”. Die toevoeging zou zinledig zijn als met de cessie ter incasso een daadwerkelijke cessie zou zijn bedoeld. Een andere aanwijzing dat het hof het oog heeft gehad op cessie ter incasso in de betekenis van een last tot inning in eigen naam is de verwijzing naar het arrest van 26 februari 2010, waaruit ik onder 4.7 hiervoor citeerde. In dat arrest wordt de cessie ter incasso immers eveneens in die betekenis gebruikt.
Een verschil met de zaak die heeft geleid tot het arrest van 26 februari 2010 is dat [eiseres] in deze zaak al in haar eerste processtuk in hoger beroep (in haar memorie van grieven, onder 5.5 en 6.4, geciteerd onder 4.6 hiervoor) heeft gesteld dat sprake is van een cessie ter incasso. [18] Dat is vervolgens bloot betwist door Deutsche Bank in haar memorie van antwoord, onder 134 (zie de onderstreepte passage onder 4.6 hiervoor). Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [eiseres] er vervolgens op gewezen dat sprake is van een niet-gemotiveerde betwisting, dat voldoende aannemelijk is dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] “die last” aan [eiseres] hebben verstrekt en dat [eigenaar 1] [eigenaar 2] (die aanwezig waren tijdens de zitting) dat “desgevraagd ook vandaag kunnen verklaren” (zie ook onder 4.6 hiervoor).
De rechtsklachten in subonderdelen 1.1 en 1.2 falen m.i. bij gebrek aan feitelijke grondslag. Ik lees in r.o. 4.1 althans niet dat het hof heeft miskend dat een cessie ter incasso vormvrij is of dat een bewijsaanbod niet mondeling ter zitting kan worden gedaan.
schade[…] als met de
daarvoor aansprakelijke persoonbekend is geworden […].”
Belastingadvies Maltaroute) en hoe dat arrest in de literatuur is ontvangen (onder 4.15-4.22 hierna). Vervolgens kom ik tot een nadere algemene beschouwing van het arrest Belastingadvies Maltaroute (onder 4.23-4.26 hierna). Daarna spits ik de bespreking meer toe op renteswapzaken, door onder meer een indruk te geven van de wijze waarop Belastingadvies Maltaroute in de feitenrechtspraak wordt toegepast en enkele opmerkingen te maken over de verdeling van stelplicht en bewijslast in het kader van een beroep op Belastingadvies Maltaroute (onder 4.27-4.30 hierna). Dit alles vormt de opmaat voor de bespreking van de middelonderdelen die betrekking hebben op het verjaringsoordeel van het hof (onder 4.31-4.38 hierna). De rechtvaardiging voor deze wat uitvoerige aanloop is dat in de praktijk kennelijk vragen bestaan over de interpretatie van het arrest Belastingadvies Maltaroute. De hiernavolgende inleidende opmerkingen stemmen grotendeels (afgezien van enkele voor deze zaak specifieke verwijzingen) overeen met hetgeen ik hierover opmerk in mijn conclusie van vandaag in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknr. 22/00978, welke zaak op dit punt over verjaring samenhangt met de onderhavige zaak.
dga) van een bouwconcern in 1997 zijn onderneming verkocht. Na de verkoop had de (op dat moment: voormalige) dga een fiscaal adviseur om advies gevraagd over de wijze waarop hij Nederland kon verlaten met een zo laag mogelijke belastingdruk. Het vervolgens gegeven advies is onjuist gebleken. De belastinginspecteur heeft de fiscaal adviseur bij brief van 9 december 2005 laten weten dat en waarom hij diens standpunt over de door de dga verschuldigde dividendbelasting niet deelt. Kort daarna zijn naheffingsaanslagen opgelegd. Tegen de aanslagen zijn bezwaarprocedures gevoerd. De belastinginspecteur heeft op 18 december 2008 beslist op de bezwaarschriften en de aanslagen grotendeels gehandhaafd. De rechtbank heeft in februari 2012 de aanslagen grotendeels gehandhaafd en het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank in hoger beroep bekrachtigd. In 2015 heeft de Hoge Raad het tegen het arrest van het gerechtshof gerichte cassatieberoep verworpen. Daarmee werden de belastingaanslagen onherroepelijk.
NJ-annotatie onder Belastingadvies Maltaroute schrijft Smeehuijzen dat het arrest niet afdoet aan de hoofdregel dat rechtsdwaling niet aan aanvang van de subjectieve verjaringstermijn in de weg staat. [27] Als echter, zo vervolgt hij, een crediteur zich wendt tot een juridisch adviseur,
juist omdathij zelf het recht niet kent, maakt de algemene reden om rechtsdwaling voor rekening van de dwalende te brengen, weinig indruk. Dat onder die omstandigheden van de benadeelde redelijkerwijze mocht worden verwacht dat hij zijn vordering instelde omdat rechtsdwaling voor zijn rekening komt, is volgens Smeehuijzen niet goed te verdedigen. [28] Hij schrijft vervolgens:
NJ2006/115, m.nt. C.E. du Perron, waarin de vordering tot schadevergoeding van de cliënt wegens foutief juridisch advies van zijn advocaat verjaard werd geoordeeld, omdat de rechtsdwaling van de cliënt, naar de Hoge Raad toen overwoog, niet aan aanvang van de termijn in de weg te stond. Op het eerste gezicht lijkt de onderhavige uitspraak hiermee inderdaad op gespannen voet te staan. Opmerking verdient evenwel dat het arrest uit 2004 werd gekenmerkt door de bijzonderheid dat de advocaat van zijn fout redelijkerwijze geen verwijt kon worden gemaakt, omdat hij de regel die hij miskend had, zelf nauwelijks had kunnen kennen – het ging om aanzegging van rente en bepaald geen communis opinio was indertijd dat rente aangezegd moest worden, hetgeen de advocaat dus had nagelaten. De advocaat verkeerde zelf als het ware in een toestand van verschoonbare rechtsdwaling. Die verschoonbaarheid kleurde de casus.
NJ2014/497, m.nt. Jac. Hijma): onbekendheid van de crediteur met het bestaan van de zorgplicht van de bank stond aan het nemen van juridische actie in de weg. Ik vermoed dat de Hoge Raad tot een vergelijkbaar oordeel zou komen in het geval, bijvoorbeeld, een product ‘juridisch non-conform’ is, in de zin dat het niet voldoet aan zekere reguleringseisen en de afnemer van dat gebrek niet op de hoogte is. Steeds zal de vraag zijn of er een voldoende zwaarwegende reden bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling niet wordt aanvaard. Zeker als de partijverhouding wordt gekenmerkt door een disbalans in kennis, professionaliteit en deskundigheid, kan voor die afwijking aanleiding bestaan.”
JOR-annotatie onder Belastingadvies Maltaroute aan met de opmerking dat de overwegingen van de Hoge Raad evengoed relevant zijn voor andere gevallen van dienstverlening zoals juridische bijstand door advocaten, dienstverlening door accountants en, voor de onderhavige zaak relevant, dienstverlening in de financiële sector. [31] Deze gevallen hebben, zo stelt hij, gemeen dat de afnemer van de dienst pas na een (voorlopige) juridische kwalificatie van de geleverde dienst kan weten dat hij enige schade als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW Pro heeft geleden.
nietaan aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro in de weg staat. Hij stelt dat de Hoge Raad in r.o. 3.3.3 enigszins aan deze kritiek tegemoetkomt door te overwegen dat de abstrahering van de juridische kwalificatie van de relevante feiten en omstandigheden
nietziet op “de kennis en inzicht die nodig is om de deugdelijkheid van de geleverde prestatie te beoordelen”. [32] Strijbos stelt dat de thans gegeven nuancering niet geldt voor rechtsdwaling in algemene zin, maar “specifiek voor de vraag of de benadeelde in staat is een tekortkoming te onderkennen”. Een benadeelde die reeds heeft aangegeven de schadeveroorzaker aansprakelijk te houden, wordt door deze nuancering derhalve niet beschermd. [33]
(BASF/ […] ), r.o. 3.4.2.) In Asser/Sieburgh 6-II 2017/415 wordt opgemerkt dat men soms enig inzicht in de oorzaak van de schade dient te hebben, wil men daadwerkelijk bekend zijn met deze schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Bij medische klachten kan dat er onder omstandigheden toe leiden dat het pas mogelijk is de aldus geleden schade te verhalen na het verkrijgen van een diagnose waarin voor deze klachten een oorzaak wordt vastgesteld. Ook de onderlinge machtsverhouding tussen de benadeelde en de schadeveroorzaker kan verhinderen dat de eerstgenoemde feitelijk in staat is een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Dit is in het verleden onder andere aangenomen voor slachtoffers van incest (zie HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748).
( […] /Wilton Fijenoord)). Een onderzoeksplicht om bekend te geraken met eventuele geleden schade wordt in dit verband niet aangenomen (vgl. Asser/Sieburgh 6-II 2017/415 slot). Zo bezien is deze koerswijziging zonder een al te grote dogmatische ingreep uitgevoerd.”
eerste verduidelijkingis dat bij het intreden van de subjectieve verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro niet veel strenger wordt omgegaan met gevallen van rechtsdwaling dan bij het intreden van de klachttermijn van art. 6:89 BW Pro (zie ook onder 4.17 hiervoor). Strijbos stelt in dat verband dat de benadeelde ten behoeve van de klachtplicht onder omstandigheden juist
weleen onderzoeksplicht heeft, al kan er van de schuldeiser minder snel een voortvarend onderzoek worden verwacht naarmate hij er sterker op mag vertrouwen dat de prestatie niet gebrekkig is. [34] Hij wijst er, onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest van 8 februari 2013 inzake de klachtplicht [35] op dat een particuliere klant van een bank slechts dient te klagen zodra hij van het bestaan van de bancaire zorgplicht op de hoogte is
engerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de bank daarin kan zijn tekortgeschoten. Voorafgaand aan Belastingadvies Maltaroute was het, zo stelt Strijbos, onduidelijk in hoeverre hetzelfde dient te gelden voor de subjectieve verjaringstermijn. [36] Strijbos stelt dat een
tweede verduidelijkingis dat bij de vraag wanneer de subjectieve verjaringstermijn intreedt, ook acht moet worden geslagen op de mate waarin eventuele rechtsdwaling aan de schadeveroorzaker kan worden toegeschreven. [37] Het hof was, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld, ten onrechte voorbijgegaan aan de stelling van de geadviseerde dat hij zich door geruststellende mededelingen van de fiscaal adviseur pas later is gaan realiseren dat het advies ondeugdelijk was. Strijbos stelt dat ook dit oordeel aansluit bij wat in het genoemde arrest van 8 februari 2013 over de klachtplicht is opgemerkt. Of geruststellende mededelingen van invloed zijn op de beoordeling van een geleverde prestatie, zal volgens hem sterk afhangen van de hoedanigheid van de betrokken partijen:
onbekendheid met of
onzekerheid over’, ‘staat
nietin de weg’, ‘de juridische beoordeling ziet
nietop…’. Dat laat zich verklaren doordat zij een reactie en nuancering is op de toen heersende rechtspraak inzake rechtsdwaling. Uit de grondgedachte dat voor aanvang van de relatieve verjaringstermijn nodig is dat de benadeelde
daadwerkelijk in staatis een vordering tot schadevergoeding in te stellen, vloeit evenwel als hoofdregel het (positief geformuleerde) criterium voort dat de benadeelde ‘voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon’. Voor aanvang van de verjaring is derhalve nodig dat de crediteur niet alleen de feiten
kendewaarop hij zijn vordering tot schadevergoeding baseert, maar ook
besef hadvan de juridische kwalificatie daarvan
als normschending, van de daarvoor aansprakelijke persoon, schade en het verband met dat tekortschieten. Eerst dan kan immers pas redelijkerwijs van hem worden gevergd dat hij rechtens actie onderneemt en vangt hij bij nalaten daarvan aan met verwerken van zijn recht; in de woorden van Drion: “een zaak kan pas beginnen te verjaren als je in voldoende mate kunt weten dat je een zaak hebt.” [41] Deze lezing sluit aan bij art. 3:311 lid 1 BW Pro, dat voor de verjaring bij ontbinding bekendheid met de
tekortkomingvergt. [42] Dat de benadeelde geen ‘absolute zekerheid’ behoeft te hebben gehad, spreekt in zoverre voor zich, dat die zekerheid doorgaans eerst wordt verkregen doordat de vordering in rechte wordt beoordeeld. Hier doet zich bij de toepassing van het criterium voor verjaring de complicatie voor dat nog niet vast staat dat sprake is van foutief handelen. Het is dan ook alleen redelijk om de eiser op voorhand met verjaring zijn rechtsvordering te onthouden in het geval hij
voldoende zekerheidhad dat hij een vordering op de gedaagde had. Dat criterium vraagt om een invulling aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval, hetgeen onmiskenbaar gevolgen heeft voor de rechtszekerheid en voorspelbaarheid in concrete gevallen.
notional’) wat betreft omvang en looptijd is afgestemd op de hoofdsom van die lening, betaalt hij onder de lening en de swap gezamenlijk per saldo de vaste rente en de opslag.
mismatch’), en dat bij tussentijdse beëindiging van de swap – bijvoorbeeld bij aflossing van de lening – de marktwaarde daarvan moest worden afgerekend. Deze afrekening van de marktwaarde kon betekenen dat de cliënt een aanzienlijk bedrag aan de bank moest betalen. Bovendien kon deze mogelijke betalingsverplichting al tijdens de looptijd van de renteswap negatieve gevolgen hebben voor de cliënt, bijvoorbeeld in de vorm van beperking van kredietruimte.
UHK) dat in december 2016 tot stand is gekomen. [52] Deutsche Bank heeft zich per 19 april 2016 gecommitteerd aan het UHK. [53] Het UHK geldt echter niet voor alle klanten met rentederivaten afgenomen bij (onder andere) Deutsche Bank, maar slechts voor zogenoemde MKB-klanten (die tevens onder de temporele reikwijdte van het UHK vallen). Van een MKB-klant als bedoeld in het UHK is sprake als de desbetreffende klant als niet-professioneel en niet-deskundig kwalificeert. [54] [eiseres] is door Deutsche Bank als zogenoemde “deskundige klant” uitgesloten van toepassing van het UHK. [55] Over verjaring wordt in het UHK opgemerkt:
In een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2021 slaagt het verjaringsverweer van de bank:
forward startingrenteswaps die zij ten grondslag heeft gelegd aan de zorgplichtschending. Dat blijkt niet alleen uit het memo van [naam 2] aan de Raad van Bestuur van Vitalis c.s. van 16 juni 2009 en de notulen van 7 september 2009 van de vergadering van de Auditcommissie, maar ook uit de gang van zaken rondom de herstructurering van de
forward startingrenteswaps die in mei 2010 heeft plaatsgevonden. Vitalis c.s. werd toen immers geconfronteerd met een negatieve marktwaarde van in totaal € 7.503.407,-- wegens voortijdige beëindiging van vijf
forward startingrenteswaps. Deze negatieve marktwaarde is verdisconteerd in het swaptarief van de door VRW en VZG op 19 mei 2010 afgesloten renteswaps. Vitalis c.s. is dus uiterlijk 19 mei 2010 daadwerkelijk op de hoogte geraakt van de schade als gevolg van de gestelde zorgplichtschending. Vitalis c.s. wist toen dat de renteswaps een negatieve waarde hadden ontwikkeld die zij moest vergoeden, dat er een overhedge was ontstaan doordat zij geen onderliggende financieringen had afgesloten en dat zij als gevolg van de overhedge teveel rente betaalde. Daarmee had zij voldoende zekerheid over de schade en ING als de daarvoor aansprakelijke persoon. De Raad van Bestuur en Raad van Toezicht van Vitalis c.s. beschikte over financiële kennis en zij werd intern ondersteund door haar
financial directoren controllers (zie hiervoor in 4.7).
forward startingrenteswaps in mei 2010 nog steeds sprake was van een overhedge en dat de renteswaps een negatieve marktwaarde hadden. Daarover is zij in maart 2012 door haar financiële adviseur Montesquieu geïnformeerd. In het memo van Montesquieu staat immers dat de renteswaps op dat moment een gezamenlijke negatieve marktwaarde hadden van € 19,8 miljoen en dat sprake was van overhedge bij de door VRW afgesloten renteswaps die voortkwam uit de
forward startingrenteswaps die VRW in 2007 had afgesloten ter afdekking van financieringen die uiteindelijk niet zijn aangetrokken.
Een beroep op Belastingadvies Maltaroute van de klant ter afwering van het verjaringsverweer van de bank impliceert dat de klant de aan het verjaringsverweer van de bank ten grondslag gelegde feiten betwist. De klant stelt dan immers dat zij pas op een later moment voldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de bank. Dat geldt als een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer, waarvoor de klant niet de bewijslast heeft, ook niet voor de feiten die zij aanvoert ter motivering van die betwisting. In Belastingadvies Maltaroute noemt de Hoge Raad enkele omstandigheden waarop de klant zich in dat kader zou
kunnenberoepen: dat zij in de verhouding tot de aangesprokene mocht vertrouwen op diens deskundigheid en in verband daarmee (nog) geen reden had om te twijfelen aan de deugdelijkheid van diens handelen en dat de aangesproken partij andere, niet in haar risicosfeer liggende, oorzaken voor het opgetreden nadeel heeft genoemd of anderszins geruststellende mededelingen heeft gedaan over de door haar verrichte prestatie of het daardoor te verwachten nadeel. Dit zijn, zoals ook blijkt uit de formulering door de Hoge Raad in r.o. 3.3.3 van Belastingadvies Maltaroute (geciteerd onder 4.14 hiervoor), slechts voorbeelden van omstandigheden die hierbij een rol kunnen spelen. Het antwoord op de vraag op welke dag de verjaringstermijn daadwerkelijk is gaan lopen, is uiteindelijk afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Aan het ontbreken van bijvoorbeeld geruststellende mededelingen van de bank komt, in het kader van de betwisting door de klant van het verjaringsverweer van de bank, dan ook geen beslissende betekenis toe. Wanneer de klant nog onvoldoende aanleiding heeft om schade als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van de bank aan te nemen, hoefde er voor de bank immers ook geen aanleiding te bestaan (in reactie op klachten van de klant) geruststellende mededelingen te doen.
In geval van een voldoende gemotiveerde betwisting door de klant van het verjaringsverweer van de bank, bijvoorbeeld met een beroep van de klant op Belastingadvies Maltaroute, is het in beginsel aan de bank om te bewijzen dat de klant op een eerder moment reeds voldoende zekerheid had dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de bank. De rechter zou de subjectieve bekendheid van de klant overigens wel reeds kunnen afleiden uit ten processe gebleken feiten en omstandigheden en op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, behoudens door de klant te leveren tegenbewijs, kunnen aannemen dat de klant op een bepaald moment reeds daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. [73] Indien de klant die bekendheid voldoende gemotiveerd heeft betwist, volstaat in het kader van tegenbewijs een algemeen bewijsaanbod. Zo’n voorshands-benadering van het hof doet zich in deze zaak echter niet voor en kan ik dus verder laten rusten.
Het is voor de bank dus geen gemakkelijke opgave om met succes een verjaringsverweer te voeren. [74] De bank zal moeten aantonen dat de klant langer dan vijf jaar voordat een aansprakelijkstelling of stuiting anderszins plaatsvond daadwerkelijk bekend is geraakt met de geleden schade en dat bij de klant toen reeds voldoende zekerheid is ontstaan dat die schade het gevolg is van tekortschietend of foutief handelen van de bank.
Het hof heeft in r.o. 4.3 niet uitdrukkelijk het criterium vooropgesteld waaraan het bij het beoordelen van het verjaringsverweer van Deutsche Bank heeft getoetst. Uit de door het hof weergegeven stellingen van partijen en uit de overweging van het hof dat [eiseres] “ruim voor november 2011 bekend was met feiten en omstandigheden die grond gaven om de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank in het kader van haar kredietrelatie met [eiseres] in twijfel te trekken” leid ik echter af dat het hof het juiste criterium (zie ook onder 4.24 hiervoor) voor ogen heeft gehad: dat het voor [eiseres] toen reeds ‘voldoende zeker’ was dat haar schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank. Het hof heeft in r.o. 4.3 ook overwogen dat de tekortkomingen die [eiseres] Deutsche Bank verwijt zijn gelegen in schending van een bancaire zorgplicht ter zake van renteswap 2008. In de terminologie van het ‘klachtrechtelijke’ arrest uit 2013 waar de Hoge Raad in Belastingadvies Maltaroute naar heeft verwezen (zie bij noot 26 onder 4.14 hiervoor) [76] betekent dat m.i. dat [eiseres] naar het oordeel van het hof toen (ruim voor november 2011) reeds beschikte over de voor aanvang van de korte verjaringstermijn vereiste zekerheid doordat zij op de hoogte was van de desbetreffende toepasselijke zorgplicht(en) van de bank en gerede aanleiding had te veronderstelling dat de bank daarin kan zijn tekortgeschoten (zie ook onder 4.21 hiervoor).
Het subonderdeel verwijst voorts naar een rechtsoverweging uit een hof-arrest, dat op dat punt met toepassing van art. 81 lid 1 RO Pro door de Hoge Raad in stand is gelaten. [77] In het desbetreffende hof-arrest is, voor zover van belang, overwogen over de aanvangstermijn van de korte verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro in geval van schending van een zorgplicht door een bank (het betrof een geval van overkreditering bij hypotheekverstrekking aan een consument):
op het moment dat […] ervan op de hoogte is dat Amstelstaete jegens hem een zorgplicht heeft en aanleiding heeft om te veronderstellen dat Amstelstaete in de nakoming van die zorgplicht is tekortgeschoten en hij daardoor mogelijk schade heeft geleden. Daarvan is niet reeds sprake op grond van de, door Amstelstaete gestelde maar door […] betwiste, omstandigheid dat een te hoog inkomen wordt opgegeven, de maandlast bekend is of het maandinkomen lager wordt.” [78]
Het hof lijkt verder veel waarde te hechten aan het ontbreken van geruststellende mededelingen van de zijde van Deutsche Bank (zie zowel het eerste als laatste hiervoor weergegeven gedachtestreepje). Of geruststellende mededelingen zijn gedaan, is op zichzelf een omstandigheid die bij het beoordelen van een beroep op Belastingadvies Maltaroute een rol kan spelen (zie onder 4.14 hiervoor). Aan het
ontbrekenvan dergelijke mededelingen van de zijde van de bank dient m.i. echter niet te zwaar te worden getild. Wanneer de cliënt nog onvoldoende aanleiding heeft om schade als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van de bank aan te nemen, hoefde er voor de bank immers ook geen aanleiding te bestaan om (in reactie op klachten van de klant) geruststellende mededelingen te doen (zie ook onder 4.30 hiervoor). In dat kader is van belang dat vast staat dat [eiseres] zich nooit eerder dan eind 2016 over het handelen van Deutsche Bank heeft beklaagd: “De stelling van Deutsche bank dat [eiseres] zich juist nooit eerder dan eind 2016 over het handelen van Deutsche Bank heeft beklaagd […] vindt steun in de eigen stellingen van [eiseres] ” (zie r.o. 4.3).
Het hof heeft dus, overigens ook mede gelet op de stelplicht en bewijslast die in dit kader op de bank rusten (zie ook onder 4.30 hiervoor), onvoldoende inzicht gegeven in de gedachtegang die aan zijn verjaringsoordeel ten grondslag ligt en het verjaringsoordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. De motiveringsklacht van het subonderdeel slaagt in zoverre.
Het subonderdeel stelt verder dat het oordeel dat [eiseres] niet stelt dat de bank, kort gezegd, geruststellende mededelingen heeft gedaan onbegrijpelijk is. Het subonderdeel wijst erop dat [eiseres] bij pleidooi in hoger beroep heeft gesteld dat de bank de kredietcrisis als reden noemde voor de hoge rentelasten, waarbij de bank de kredietcrisis niet zou hebben zien aankomen. [87] Deze stelling kan volgens het subonderdeel niet anders worden begrepen dan dat [eiseres] wel degelijk door de bank werd ‘gerustgesteld’, in de zin dat het door [eiseres] geleden nadeel volgens de bank een andere oorzaak had dan tekortschietend of foutief handelen van de bank.
ontbrekenvan geruststellende mededelingen van de zijde van Deutsche Bank (zie onder 4.30 en 4.33 hiervoor).
De motiveringsklacht treft geen doel. In de desbetreffende passage uit de pleitaantekeningen in hoger beroep van [eiseres] lees ik het volgende:
subonderdelen 2.3, 2.4 en 2.5bevatten motiveringsklachten die zich lenen voor gezamenlijke behandeling. De subonderdelen geven telkens eerst (met verwijzingen naar vindplaatsen in de gedingstukken) een specifiek betoog van [eiseres] weer. In subonderdeel 2.3 is dat betoog, kort gezegd, dat Deutsche Bank “excessieve marges” op de renteswaps – onder meer € 392.592,-- in 2008 en € 630.232,-- in 2012 – in rekening heeft gebracht en haar daaruit voortvloeiende belangenconflict, in strijd met haar mededelingsplicht, voor [eiseres] verborgen heeft gehouden. In subonderdeel 2.4 is dat betoog, kort gezegd dat Deutsche Bank [eiseres] medio 2008 heeft geadviseerd om renteswap 2008 af te sluiten en dit advies heeft onderbouwd met haar beweerde verwachting dat de rente zou gaan stijgen, terwijl zij in werkelijkheid, conform de verwachting in de markt, een rentedaling verwachtte. In subonderdeel 2.5 is dat betoog, kort gezegd, dat Deutsche Bank [eiseres] niet heeft gewaarschuwd voor het risico van een mismatch tussen de looptijd van de renteswaps en de looptijd van de onderliggende financiering.
De subonderdelen stellen vervolgens dat, gelet op deze betogen,
ten eersteniet (zonder meer) begrijpelijk is dat [eiseres] niet ontkent dat zij op 20 december 2016 al meer dan vijf jaar bekend was met haar schade, die zou bestaan uit hogere opslagen en negatieve marktwaarde van de renteswap ten gevolge van een dalende rente.
De subonderdelen (met uitzondering van subonderdeel 2.5) stellen dat, gelet op deze betogen,
ten tweedeniet begrijpelijk is dat het standpunt van [eiseres] zou behelzen dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen toen zij bekend werd met de juridische beoordeling van de feiten die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon.
De subonderdelen stellen dat, gelet op deze betogen,
ten derdeniet begrijpelijk is dat [eiseres] voor november 2011 bekend zou zijn geweest met feiten en omstandigheden die grond gaven om de prestaties van de bank in twijfel te trekken.
De door de subonderdelen aangevoerde betogen maken,
ten eerste, niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat [eiseres] niet ontkent dat zij op 20 december 2016 al meer dan vijf jaar bekend was met haar schade, die zou bestaan uit hogere opslagen en negatieve marktwaarde van de renteswap ten gevolge van een dalende rente. De subonderdelen voeren hiertoe aan dat de schade van [eiseres] niet alleen uit deze posten zou bestaan, maar ook uit een renteverschil tussen de daadwerkelijk betaalde rente en de rente die [eiseres] zonder renteswap zou hebben betaald. Ik merkte reeds op (zie onder 4.33 hiervoor) dat uit deze rechtsoverweging m.i. niet meer kan worden afgeleid dan dat [eiseres] erkent dat zij vermogensnadeel heeft geleden. Ik wijs verder erop dat voor het gaan lopen van de verjaringstermijn niet is vereist dat de benadeelde bekend is met alle componenten of de gehele omvang van zijn schade als gevolg van tekortschietend of foutief handelen. [89] Het hof kon m.i. dan ook volstaan met het noemen van twee mogelijke schadeposten.
De door de subonderdelen aangevoerde betogen maken,
ten tweede, niet onbegrijpelijk het oordeel van het hof dat het standpunt van [eiseres] zou behelzen dat de verjaringstermijn pas is gaan lopen toen zij bekend werd met de juridische beoordeling van de feiten die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Het is, gelet op de verwijzing van het hof in r.o. 4.3 naar Belastingadvies Maltaroute, duidelijk dat met de juridische beoordeling van de feiten wordt verwezen naar dat arrest. Het hof licht deze stelling van [eiseres] als volgt toe: “dat zij pas eind 2016 bekend is geworden met het feit dat het gedrag van Deutsche Bank als een tekortkoming en de gevolgen daarvan als schade moeten worden aangemerkt, doordat haar advocaten en Cadension haar toen in die zin hadden voorgelicht.” Het hof heeft dus (terecht) voor ogen gehad dat [eiseres] bedoelde te stellen dat eind 2016 voor haar ‘voldoende zeker’ was dat het gedrag van Deutsche Bank als een tekortkoming en haar als gevolg daarvan geleden vermogensnadeel als schade moet worden aangemerkt. Dat in het kader van (de voorbereiding van) deze procedure later nog meer feiten aan [eiseres] bekend zijn geworden over, kort gezegd, excessieve marges en/of de rentevisie van Deutsche Bank, doet daaraan niet af.
De
derdemotiveringsklacht treft m.i. wel doel. Bij de bespreking van subonderdeel 2.1 (zie onder 4.33 hiervoor) merkte ik al op dat hof niet voldoende duidelijk maakt welke voor november 2011 bij [eiseres] bekende feiten omstandigheden grond gaven om de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank in het kader van haar kredietrelatie met [eiseres] in twijfel te trekken. De subonderdelen 2.3, 2.4 en 2.5 stellen terecht dat het hof slechts tot een niet concreet gemaakte opsomming komt: Deutsche Bank kwam gemaakte afspraken en toezeggingen niet na, de renteswap 2008 ontwikkelde een negatieve waarde en de bank bracht meer rente of hogere opslagen in rekening. Deze rechtsoverweging is te meer onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de betogen van subonderdelen 2.3, 2.4 en 2.5, over, kort gezegd, excessieve marges, rentevisie en mismatch. Uit deze betogen blijkt geenszins dat in november 2011 bij [eiseres] bekend zou zijn geweest dat Deutsche Bank bepaalde afspraken en toezeggingen niet nakwam.
subonderdelen 3.1 en 3.2, die motiveringsklachten [90] richten tegen het oordeel van het hof in r.o. 4.5 dat de vordering tot vernietiging van renteswap 2008 op grond van dwaling (“dat [eigenaar 1] en [eigenaar 2] ten gevolge van uitlatingen van Deutsche Bank in de onjuiste veronderstelling zijn komen te verkeren dat de rente zou stijgen”), is verjaard, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.