Conclusie
[eiseressen] in meervoud(eiseressen tot cassatie gezamenlijk),
[eiseres 3](eiseres tot cassatie onder 3) en
Deutsche Bank(verweerster in cassatie).
1.Inleiding
settlement clause’ in een latere overeenkomst. Tot slot richt het middel klachten tegen de verwerping door het hof van het beroep van [eiseressen] op een tekortkoming of onrechtmatige daad van Deutsche Bank met betrekking tot de verkoop van een aantal activa van [eiseressen] Het cassatieberoep treft m.i. doel voor zover het is gericht tegen het oordeel dat de vorderingen tot schadevergoeding zijn verjaard. Met betrekking tot de verjaringskwestie hangt de zaak samen met de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 22/00999, waarin ik vandaag ook concludeer.
2.Feiten
renteswap I). [eiseressen] hebben door ondertekening van de nieuwe kredietovereenkomst verklaard dat zij de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de brochure ‘Derivatentransacties’ hebben ontvangen. In deze brochure worden de risico’s van een renteswap beschreven.
renteswap II). [eiseressen] hebben door ondertekening van deze kredietovereenkomst opnieuw verklaard dat zij de ‘Algemene Bepalingen Derivatentransacties mei 2001’ en de brochure ‘Derivatentransacties’ hebben ontvangen.
pro resto) werden gehandhaafd en een rekening-courantkrediet werd verstrekt van € 6,5 miljoen, bestaande uit een basiskrediet van € 1,2 miljoen, een seizoenskrediet van € 2,5 miljoen en een extra krediet van € 2,8 miljoen.
risk fee’ zou komen te vervallen en Deutsche Bank zou voorwaardelijk een rentecorrectie van € 40.000,-- betalen. De overeenkomst bevat een zgn. ‘
settlement clause’, waarin partijen verklaren dat zij wederzijds niets meer te vorderen hebben uit hoofde van het rentederivaatcontract.
het UHK [5] ). De rentederivaten in kwestie betroffen de afgesloten renteswaps I en II. Nadien heeft Deutsche Bank [eiseressen] een bedrag van € 117.243,97 betaald als “uitkering voorschot vergoeding rentederivaat”.
remindersheeft gestuurd zonder dat [eiseres 3] het aanbod heeft willen aanvaarden, dat het aanbod thans definitief is vervallen en dat dit betekent dat [eiseres 3] geen recht meer heeft op compensatie ingevolge het UHK.
3.Procesverloop
In eerste aanleg
de rechtbank). Zij hebben gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat Deutsche Bank toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen jegens [eiseressen] , althans onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, althans heeft gehandeld in strijd met de redelijkheid en de billijkheid, en Deutsche Bank veroordeelt tot terugbetaling van de door [eiseressen] teveel en/of onnodig betaalde (swap)rente, renteopslagen, provisies etc. en/of tot vergoeding van de door hen geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente. [eiseressen] hebben daarnaast gevorderd dat Deutsche Bank wordt veroordeeld tot vergoeding van de door [eiseressen] betaalde buitengerechtelijke kosten, vermeerderd met de wettelijke rente daarover, en dat zij wordt veroordeeld in de proceskosten en in de nakosten.
settlement clause. Deutsche Bank heeft daarnaast betwist dat zij [eiseressen] heeft gedwongen tot verkoop van de hiervoor in 3.3 genoemde twee stukken grond en de teeltkraam.
in conventiede vorderingen van [eiseressen] afgewezen, met veroordeling van hen in de proceskosten. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vorderingen ter zake van renteswap I, renteswap II en tekortkomingen bij het sluiten van de kredietovereenkomst van 24 december 2009 zijn verjaard (r.o. 4.8 t/m 4.13, 4.19 en 4.23) en dat [eiseressen] (voorts) een beroep toekomt op de
settlement clausein de overeenkomst van 14 november 2014, waarmee aan Deutsche Bank finale kwijting is verleend voor vorderingen ter zake van renteswap II (r.o. 4.18 en 4.18.1). De rechtbank heeft verder geoordeeld dat niet is gebleken van misbruik van omstandigheden bestaande uit het dwingen van [eiseressen] tot verkoop van de gronden en de teeltkraam (r.o. 4.29) en dat de vordering inzake de wijze van aanwending van de verkoopopbrengst niet toewijsbaar is (r.o. 4.32 t/m 4.32.3). De rechtbank heeft tot slot geoordeeld dat behandelingsfees in rekening zijn gebracht overeenkomstig de toepasselijke contractsvoorwaarden (r.o. 4.34 en 4.35) en dat de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten niet toewijsbaar is (r.o. 4.36).
in reconventie[eiseres 3] veroordeeld tot betaling aan Deutsche Bank van een bedrag van € 117.243,97, te vermeerderen met de wettelijke rente. [13] De rechtbank heeft in conventie en reconventie [eiseressen] veroordeeld in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
het hof). Bij memorie van grieven hebben zij hun eis gewijzigd. [eiseressen] hebben gevorderd dat het hof het bestreden vonnis vernietigt en, opnieuw rechtdoende:
settlement clausein de overeenkomst van 14 november 2014 vernietigt op grond van misbruik van omstandigheden;
r.o. 4.2(een deel van) de grieven 2 t/m 5 gezamenlijk. Die grieven richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de vorderingen tot schadevergoeding van [eiseressen] in verband met het handelen van Deutsche Bank met betrekking tot renteswap I (grief 2), renteswap II (grief 3) en het aangaan van de kredietovereenkomst van 24 december 2009 en het extra krediet daarin van € 2,8 miljoen (grieven 4 en 5), zijn verjaard. Het hof oordeelt daarover als volgt:
juridische beoordelingvan de feiten die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Zij rechtvaardigen die stelling door een beroep op (in het bijzonder) HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, maar zij stellen daarbij niet dat het voor hen onvoldoende zeker was dat de schade werd veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank ten gevolge van geruststellende mededelingen over de kwaliteit van haar prestaties of het daardoor te verwachten nadeel, dan wel ten gevolge van andere, niet voor hun risico komende oorzaken. Overige relevante feiten en omstandigheden die tot de risicosfeer van Deutsche Bank behoren, zijn evenmin gesteld of gebleken. Intussen volgt uit de eigen stellingen van [eiseressen] wel dat zij al kort na het aangaan van de renteswaps in 2006 en 2007 – en in elk geval ruim voor november 2011 – bekend waren met feiten en omstandigheden die grond gaven om de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank in het kader van haar kredietrelatie met [eiseressen] in twijfel te trekken. Volgens [eiseressen] kwam Deutsche Bank gemaakte afspraken en toezeggingen niet na, bracht ze hun meer rente, hogere opslagen of een risk fee in rekening, ontwikkelden de renteswaps een negatieve waarde, kende Deutsche Bank aan [eiseressen] een ander risicoprofiel toe, en verplichtte ze hen tot het stellen van extra zekerheden en tot verlaging van het krediet en, in meer algemene zin, zette Deutsche Bank [eiseressen] financieel steeds verder klem, maakte ze een overstap naar een andere bank onmogelijk en werkte ze toe naar een beëindiging van de kredietrelatie. Uit niets blijkt dat [eiseressen] Deutsche Bank erop hebben aangesproken dat haar opstelling zich niet verdroeg met de overeenkomsten die partijen in 2006 en 2007 waren aangegaan. De stelling van Deutsche Bank dat [eiseressen] zich juist nooit over het handelen van Deutsche Bank hebben beklaagd – waaruit volgt dat Deutsche Bank ook niet, in reactie op zulke klachten, aan [eiseressen] een verkeerd beeld van de kwaliteit van haar prestatie kan hebben gegeven dat [eiseressen] ervan kan hebben afgehouden een schadevergoedingsvordering tegen Deutsche Bank in te stellen – vindt steun in de stukken die partijen over en weer in het geding hebben gebracht. Aan de blote bewering van [eiseressen] ter zitting dat zij wel mondeling hebben geklaagd, moet, in het licht van deze stukken, als onvoldoende gemotiveerd voorbij worden gegaan.”
r.o. 4.3ten overvloede het standpunt van [eiseressen] dat Deutsche Bank zich niet kan beroepen op de
settlement clausein de overeenkomst van 14 november 2014 ter afwering van de vordering uit hoofde van renteswap II. Het hof overweegt:
r.o. 4.4verwerpt het hof het beroep van [eiseressen] op een tekortkoming of onrechtmatige daad van Deutsche Bank met betrekking tot de verkoop van 10 hectare grond in 2013 en 60 hectare grond en de teeltkraam in 2014. Het hof overweegt:
r.o. 4.5 t/m 4.8dat de grieven 7 t/m 10 falen. Die richten zich tegen het oordeel van de rechtbank met betrekking tot de toerekening van de verkoopopbrengst aan de schulden van [eiseressen] (grief 7), de terugbetaling van de behandelingsfees (grief 8) respectievelijk de vergoeding van de buitengerechtelijke kosten (grief 9). Grief 10 heeft geen zelfstandige betekenis (r.o. 4.8). In
r.o. 4.9overweegt het hof dat het aan het bewijsaanbod van [eiseressen] niet toekomt.
het arrest). Deutsche Bank heeft een verweerschrift ingediend dat strekt tot verwerping van het cassatieberoep, kosten rechtens. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. [eiseressen] hebben gerepliceerd.
4.Bespreking van het cassatiemiddel
schade[…] als met de
daarvoor aansprakelijke persoonbekend is geworden […].”
Belastingadvies Maltaroute) en hoe dat arrest in de literatuur is ontvangen (onder 4.5-4.12 hierna). Vervolgens kom ik tot een nadere algemene beschouwing van het arrest Belastingadvies Maltaroute (onder 4.13-4.16 hierna). Daarna spits ik de bespreking meer toe op renteswapzaken, door onder meer een indruk te geven van de wijze waarop Belastingadvies Maltaroute in de feitenrechtspraak wordt toegepast en enkele opmerkingen te maken over de verdeling van stelplicht en bewijslast in het kader van een beroep op Belastingadvies Maltaroute (onder 4.17-4.20 hierna). Dit alles vormt de opmaat voor de bespreking van de middelonderdelen die betrekking hebben op het verjaringsoordeel van het hof (onder 4.21-4.47 hierna). De rechtvaardiging voor deze wat uitvoerige aanloop is dat in de praktijk kennelijk vragen bestaan over de interpretatie van het arrest Belastingadvies Maltaroute. De hiernavolgende inleidende opmerkingen stemmen grotendeels (afgezien van enkele voor deze zaak specifieke verwijzingen) overeen met hetgeen ik hierover opmerk in mijn conclusie van vandaag in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknr. 22/00999, welke zaak op dit punt over verjaring samenhangt met de onderhavige zaak.
dga) van een bouwconcern in 1997 zijn onderneming verkocht. Na de verkoop had de (op dat moment: voormalige) dga een fiscaal adviseur om advies gevraagd over de wijze waarop hij Nederland kon verlaten met een zo laag mogelijke belastingdruk. Het vervolgens gegeven advies is onjuist gebleken. De belastinginspecteur heeft de fiscaal adviseur bij brief van 9 december 2005 laten weten dat en waarom hij diens standpunt over de door de dga verschuldigde dividendbelasting niet deelt. Kort daarna zijn naheffingsaanslagen opgelegd. Tegen de aanslagen zijn bezwaarprocedures gevoerd. De belastinginspecteur heeft op 18 december 2008 beslist op de bezwaarschriften en de aanslagen grotendeels gehandhaafd. De rechtbank heeft in februari 2012 de aanslagen grotendeels gehandhaafd en het gerechtshof heeft het vonnis van de rechtbank in hoger beroep bekrachtigd. In 2015 heeft de Hoge Raad het tegen het arrest van het gerechtshof gerichte cassatieberoep verworpen. Daarmee werden de belastingaanslagen onherroepelijk.
NJ-annotatie onder Belastingadvies Maltaroute schrijft Smeehuijzen dat het arrest niet afdoet aan de hoofdregel dat rechtsdwaling niet aan aanvang van de subjectieve verjaringstermijn in de weg staat. [24] Als echter, zo vervolgt hij, een crediteur zich wendt tot een juridisch adviseur,
juist omdathij zelf het recht niet kent, maakt de algemene reden om rechtsdwaling voor rekening van de dwalende te brengen, weinig indruk. Dat onder die omstandigheden van de benadeelde redelijkerwijze mocht worden verwacht dat hij zijn vordering instelde omdat rechtsdwaling voor zijn rekening komt, is volgens Smeehuijzen niet goed te verdedigen. [25] Hij schrijft vervolgens:
NJ2006/115, m.nt. C.E. du Perron, waarin de vordering tot schadevergoeding van de cliënt wegens foutief juridisch advies van zijn advocaat verjaard werd geoordeeld, omdat de rechtsdwaling van de cliënt, naar de Hoge Raad toen overwoog, niet aan aanvang van de termijn in de weg te stond. Op het eerste gezicht lijkt de onderhavige uitspraak hiermee inderdaad op gespannen voet te staan. Opmerking verdient evenwel dat het arrest uit 2004 werd gekenmerkt door de bijzonderheid dat de advocaat van zijn fout redelijkerwijze geen verwijt kon worden gemaakt, omdat hij de regel die hij miskend had, zelf nauwelijks had kunnen kennen – het ging om aanzegging van rente en bepaald geen communis opinio was indertijd dat rente aangezegd moest worden, hetgeen de advocaat dus had nagelaten. De advocaat verkeerde zelf als het ware in een toestand van verschoonbare rechtsdwaling. Die verschoonbaarheid kleurde de casus.
NJ2014/497, m.nt. Jac. Hijma): onbekendheid van de crediteur met het bestaan van de zorgplicht van de bank stond aan het nemen van juridische actie in de weg. Ik vermoed dat de Hoge Raad tot een vergelijkbaar oordeel zou komen in het geval, bijvoorbeeld, een product ‘juridisch non-conform’ is, in de zin dat het niet voldoet aan zekere reguleringseisen en de afnemer van dat gebrek niet op de hoogte is. Steeds zal de vraag zijn of er een voldoende zwaarwegende reden bestaat om af te wijken van het uitgangspunt dat een beroep op rechtsdwaling niet wordt aanvaard. Zeker als de partijverhouding wordt gekenmerkt door een disbalans in kennis, professionaliteit en deskundigheid, kan voor die afwijking aanleiding bestaan.”
JOR-annotatie onder Belastingadvies Maltaroute aan met de opmerking dat de overwegingen van de Hoge Raad evengoed relevant zijn voor andere gevallen van dienstverlening zoals juridische bijstand door advocaten, dienstverlening door accountants en, voor de onderhavige zaak relevant, dienstverlening in de financiële sector. [28] Deze gevallen hebben, zo stelt hij, gemeen dat de afnemer van de dienst pas na een (voorlopige) juridische kwalificatie van de geleverde dienst kan weten dat hij enige schade als bedoeld in art. 3:310 lid 1 BW Pro heeft geleden.
nietaan aanvang van de verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro in de weg staat. Hij stelt dat de Hoge Raad in r.o. 3.3.3 enigszins aan deze kritiek tegemoetkomt door te overwegen dat de abstrahering van de juridische kwalificatie van de relevante feiten en omstandigheden
nietziet op “de kennis en inzicht die nodig is om de deugdelijkheid van de geleverde prestatie te beoordelen”. [29] Strijbos stelt dat de thans gegeven nuancering niet geldt voor rechtsdwaling in algemene zin, maar “specifiek voor de vraag of de benadeelde in staat is een tekortkoming te onderkennen”. Een benadeelde die reeds heeft aangegeven de schadeveroorzaker aansprakelijk te houden, wordt door deze nuancering derhalve niet beschermd. [30]
(BASF/ […] ), r.o. 3.4.2.) In Asser/Sieburgh 6-II 2017/415 wordt opgemerkt dat men soms enig inzicht in de oorzaak van de schade dient te hebben, wil men daadwerkelijk bekend zijn met deze schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Bij medische klachten kan dat er onder omstandigheden toe leiden dat het pas mogelijk is de aldus geleden schade te verhalen na het verkrijgen van een diagnose waarin voor deze klachten een oorzaak wordt vastgesteld. Ook de onderlinge machtsverhouding tussen de benadeelde en de schadeveroorzaker kan verhinderen dat de eerstgenoemde feitelijk in staat is een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Dit is in het verleden onder andere aangenomen voor slachtoffers van incest (zie HR 23 oktober 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2748).
( […] /Wilton Fijenoord)). Een onderzoeksplicht om bekend te geraken met eventuele geleden schade wordt in dit verband niet aangenomen (vgl. Asser/Sieburgh 6-II 2017/415 slot). Zo bezien is deze koerswijziging zonder een al te grote dogmatische ingreep uitgevoerd.”
eerste verduidelijkingis dat bij het intreden van de subjectieve verjaringstermijn van art. 3:310 lid 1 BW Pro niet veel strenger wordt omgegaan met gevallen van rechtsdwaling dan bij het intreden van de klachttermijn van art. 6:89 BW Pro (zie ook onder 4.7 hiervoor). Strijbos stelt in dat verband dat de benadeelde ten behoeve van de klachtplicht onder omstandigheden juist
weleen onderzoeksplicht heeft, al kan er van de schuldeiser minder snel een voortvarend onderzoek worden verwacht naarmate hij er sterker op mag vertrouwen dat de prestatie niet gebrekkig is. [31] Hij wijst er, onder verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest van 8 februari 2013 inzake de klachtplicht [32] op dat een particuliere klant van een bank slechts dient te klagen zodra hij van het bestaan van de bancaire zorgplicht op de hoogte is
engerede aanleiding heeft te veronderstellen dat de bank daarin kan zijn tekortgeschoten. Voorafgaand aan Belastingadvies Maltaroute was het, zo stelt Strijbos, onduidelijk in hoeverre hetzelfde dient te gelden voor de subjectieve verjaringstermijn. [33] Strijbos stelt dat een
tweede verduidelijkingis dat bij de vraag wanneer de subjectieve verjaringstermijn intreedt, ook acht moet worden geslagen op de mate waarin eventuele rechtsdwaling aan de schadeveroorzaker kan worden toegeschreven. [34] Het hof was, zo heeft de Hoge Raad geoordeeld, ten onrechte voorbijgegaan aan de stelling van de geadviseerde dat hij zich door geruststellende mededelingen van de fiscaal adviseur pas later is gaan realiseren dat het advies ondeugdelijk was. Strijbos stelt dat ook dit oordeel aansluit bij wat in het genoemde arrest van 8 februari 2013 over de klachtplicht is opgemerkt. Of geruststellende mededelingen van invloed zijn op de beoordeling van een geleverde prestatie, zal volgens hem sterk afhangen van de hoedanigheid van de betrokken partijen:
onbekendheid met of
onzekerheid over’, ‘staat
nietin de weg’, ‘de juridische beoordeling ziet
nietop…’. Dat laat zich verklaren doordat zij een reactie en nuancering is op de toen heersende rechtspraak inzake rechtsdwaling. Uit de grondgedachte dat voor aanvang van de relatieve verjaringstermijn nodig is dat de benadeelde
daadwerkelijk in staatis een vordering tot schadevergoeding in te stellen, vloeit evenwel als hoofdregel het (positief geformuleerde) criterium voort dat de benadeelde ‘voldoende zekerheid – die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn – heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de betrokken persoon’. Voor aanvang van de verjaring is derhalve nodig dat de crediteur niet alleen de feiten
kendewaarop hij zijn vordering tot schadevergoeding baseert, maar ook
besef hadvan de juridische kwalificatie daarvan
als normschending, van de daarvoor aansprakelijke persoon, schade en het verband met dat tekortschieten. Eerst dan kan immers pas redelijkerwijs van hem worden gevergd dat hij rechtens actie onderneemt en vangt hij bij nalaten daarvan aan met verwerken van zijn recht; in de woorden van Drion: “een zaak kan pas beginnen te verjaren als je in voldoende mate kunt weten dat je een zaak hebt.” [38] Deze lezing van art. 3:310 lid 1 BW Pro sluit aan bij art. 3:311 lid 1 BW Pro, dat voor de verjaring bij ontbinding bekendheid met de
tekortkomingvergt. [39] Dat de benadeelde geen ‘absolute zekerheid’ behoeft te hebben gehad, spreekt in zoverre voor zich, dat die zekerheid doorgaans eerst wordt verkregen doordat de vordering in rechte wordt beoordeeld. Hier doet zich bij de toepassing van het criterium voor verjaring de complicatie voor dat nog niet vast staat dat sprake is van foutief handelen. Het is dan ook alleen redelijk om de eiser op voorhand met verjaring zijn rechtsvordering te onthouden in het geval hij
voldoende zekerheidhad dat hij een vordering op de gedaagde had. Dat criterium vraagt om een invulling aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval, hetgeen onmiskenbaar gevolgen heeft voor de rechtszekerheid en voorspelbaarheid in concrete gevallen.
notional’) wat betreft omvang en looptijd is afgestemd op de hoofdsom van die lening, betaalt hij onder de lening en de swap gezamenlijk per saldo de vaste rente en de opslag.
mismatch’), en dat bij tussentijdse beëindiging van de swap – bijvoorbeeld bij aflossing van de lening – de marktwaarde daarvan moest worden afgerekend. Deze afrekening van de marktwaarde kon betekenen dat de cliënt een aanzienlijk bedrag aan de bank moest betalen. Bovendien kon deze mogelijke betalingsverplichting al tijdens de looptijd van de renteswap negatieve gevolgen hebben voor de cliënt, bijvoorbeeld in de vorm van beperking van kredietruimte.
In een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 mei 2021 slaagt het verjaringsverweer van de bank:
forward startingrenteswaps die zij ten grondslag heeft gelegd aan de zorgplichtschending. Dat blijkt niet alleen uit het memo van [naam 2] aan de Raad van Bestuur van Vitalis c.s. van 16 juni 2009 en de notulen van 7 september 2009 van de vergadering van de Auditcommissie, maar ook uit de gang van zaken rondom de herstructurering van de
forward startingrenteswaps die in mei 2010 heeft plaatsgevonden. Vitalis c.s. werd toen immers geconfronteerd met een negatieve marktwaarde van in totaal € 7.503.407,-- wegens voortijdige beëindiging van vijf
forward startingrenteswaps. Deze negatieve marktwaarde is verdisconteerd in het swaptarief van de door VRW en VZG op 19 mei 2010 afgesloten renteswaps. Vitalis c.s. is dus uiterlijk 19 mei 2010 daadwerkelijk op de hoogte geraakt van de schade als gevolg van de gestelde zorgplichtschending. Vitalis c.s. wist toen dat de renteswaps een negatieve waarde hadden ontwikkeld die zij moest vergoeden, dat er een overhedge was ontstaan doordat zij geen onderliggende financieringen had afgesloten en dat zij als gevolg van de overhedge teveel rente betaalde. Daarmee had zij voldoende zekerheid over de schade en ING als de daarvoor aansprakelijke persoon. De Raad van Bestuur en Raad van Toezicht van Vitalis c.s. beschikte over financiële kennis en zij werd intern ondersteund door haar
financial directoren controllers (zie hiervoor in 4.7).
forward startingrenteswaps in mei 2010 nog steeds sprake was van een overhedge en dat de renteswaps een negatieve marktwaarde hadden. Daarover is zij in maart 2012 door haar financiële adviseur Montesquieu geïnformeerd. In het memo van Montesquieu staat immers dat de renteswaps op dat moment een gezamenlijke negatieve marktwaarde hadden van € 19,8 miljoen en dat sprake was van overhedge bij de door VRW afgesloten renteswaps die voortkwam uit de
forward startingrenteswaps die VRW in 2007 had afgesloten ter afdekking van financieringen die uiteindelijk niet zijn aangetrokken.
Een beroep op Belastingadvies Maltaroute van de klant ter afwering van het verjaringsverweer van de bank impliceert dat de klant de aan het verjaringsverweer van de bank ten grondslag gelegde feiten betwist. De klant stelt dan immers dat zij pas op een later moment voldoende zekerheid heeft verkregen dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de bank. Dat geldt als een betwisting van de feitelijke grondslag van het verjaringsverweer, waarvoor de klant niet de bewijslast heeft, ook niet voor de feiten die zij aanvoert ter motivering van die betwisting. In Belastingadvies Maltaroute noemt de Hoge Raad enkele omstandigheden waarop de klant zich in dat kader zou
kunnenberoepen: dat zij in de verhouding tot de aangesprokene mocht vertrouwen op diens deskundigheid en in verband daarmee (nog) geen reden had om te twijfelen aan de deugdelijkheid van diens handelen en dat de aangesproken partij andere, niet in haar risicosfeer liggende, oorzaken voor het opgetreden nadeel heeft genoemd of anderszins geruststellende mededelingen heeft gedaan over de door haar verrichte prestatie of het daardoor te verwachten nadeel. Dit zijn, zoals ook blijkt uit de formulering door de Hoge Raad in r.o. 3.3.3 van Belastingadvies Maltaroute (geciteerd onder 4.4 hiervoor), slechts voorbeelden van omstandigheden die hierbij een rol kunnen spelen. Het antwoord op de vraag op welke dag de verjaringstermijn daadwerkelijk is gaan lopen, is uiteindelijk afhankelijk van alle omstandigheden van het geval. Aan het ontbreken van bijvoorbeeld geruststellende mededelingen van de bank komt, in het kader van de betwisting door de klant van het verjaringsverweer van de bank, dan ook geen beslissende betekenis toe. Wanneer de klant nog onvoldoende aanleiding heeft om schade als gevolg van tekortschietend of foutief handelen van de bank aan te nemen, hoefde er voor de bank immers ook geen aanleiding te bestaan (in reactie op klachten van de klant) geruststellende mededelingen te doen.
In geval van een voldoende gemotiveerde betwisting door de klant van het verjaringsverweer van de bank, bijvoorbeeld met een beroep van de klant op Belastingadvies Maltaroute, is het in beginsel aan de bank om te bewijzen dat de klant op een eerder moment reeds voldoende zekerheid had dat de schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van de bank. De rechter zou de subjectieve bekendheid van de klant overigens wel reeds kunnen afleiden uit ten processe gebleken feiten en omstandigheden en op grond van die feiten en omstandigheden voorshands, behoudens door de klant te leveren tegenbewijs, kunnen aannemen dat de klant op een bepaald moment reeds daadwerkelijk bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. [70] Indien de klant die bekendheid voldoende gemotiveerd heeft betwist, volstaat in het kader van tegenbewijs een algemeen bewijsaanbod. Zo’n voorshands-benadering van het hof doet zich in deze zaak echter niet voor en kan ik dus verder laten rusten.
Het is voor de bank dus geen gemakkelijke opgave om met succes een verjaringsverweer te voeren. [71] De bank zal moeten aantonen dat de klant langer dan vijf jaar voordat een aansprakelijkstelling of stuiting anderszins plaatsvond daadwerkelijk bekend is geraakt met de geleden schade en dat bij de klant toen reeds voldoende zekerheid is ontstaan dat die schade het gevolg is van tekortschietend of foutief handelen van de bank.
subonderdelen 1.1 t/m 1.3richten zich specifiek tegen de volgende passage in r.o. 4.2:
juridische beoordelingvan de feiten die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Zij rechtvaardigen die stelling door een beroep op (in het bijzonder) HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603, maar zij stellen daarbij niet dat het voor hen onvoldoende zeker was dat de schade werd veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van Deutsche Bank ten gevolge van geruststellende mededelingen over de kwaliteit van haar prestaties of het daardoor te verwachten nadeel, dan wel ten gevolge van andere, niet voor hun risico komende oorzaken. Overige relevante feiten en omstandigheden die tot de risicosfeer van Deutsche Bank behoren, zijn evenmin gesteld of gebleken.”
juridische beoordelingvan de feiten die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, en dat hun stellingen niet zo beperkt kunnen worden begrepen. [eiseressen] stellen dat zij hebben aangevoerd dat zij tot het raadplegen van een advocaat in november 2016 onvoldoende zekerheid hadden over of zij een vordering tot schadevergoeding hadden op Deutsche Bank en tot welke hoogte, en dat zij dit hebben onderbouwd door te stellen (i) dat zij tot dat moment onvoldoende kennis en inzicht hadden in de kenmerken en uitwerking van de renteswaps, (ii) dat zij niet wisten hoe nadelig de renteswaps en de kredietafspraken voor hen waren, terwijl Deutsche Bank daaraan zelf verdiende, en (iii) dat zij steeds waren afgegaan op Deutsche Bank als hun adviseur en eerder nog niet konden beoordelen of Deutsche Bank op een deugdelijke wijze had geadviseerd over de renteswaps en de kredietovereenkomst en deze op een deugdelijke wijze had afgebouwd, ook omdat Deutsche Bank onvoldoende informatie had verschaft over de hiervóór genoemde punten. [72] Het subonderdeel stelt dat deze stellingen ruimer zijn dan dat [eiseressen] zich (slechts) beroepen op rechtsdwaling dan wel onzekerheid over wat een juridische beoordeling van de kwesties meebrengt. Hoewel [eiseressen] mede een beroep hebben gedaan op het arrest Belastingadvies Maltaroute hebben zij, zo concludeert het subonderdeel, hun standpunt daartoe niet beperkt of daarop bijzonder toegespitst, en hebben zij hun standpunt al helemaal niet beperkt tot de in dat arrest genoemde situatie dat de aangesprokene geruststellende mededelingen tegenover de benadeelde heeft gedaan en de verjaringstermijn om die reden niet is gaan lopen.
klaagt namelijk dat de Bank haar confronteerde met niet toegestane tariefsverhogingen en ongeoorloofde beperkingen van het krediet. [eiseressen] stelt ook dat zij zich daarvan bewust was en kennelijk met tegenzin akkoord is gegaan vanwege een vermeende en door de Bank bestreden dwangpositie. Met het oog hierop snijdt de stelling geen hout dat [eiseressen] pas wist dat de Bank onzorgvuldig en onrechtmatig had gehandeld op het moment dat zij contact legde met een advocaat. Al voordat juridisch advies werd ingewonnen, beschikte [eiseressen] over voldoende kennis en inzicht om te beoordelen of zij schade leed of zou lijden als gevolg van het tekortschietend of foutief handelen van de Bank. Ook het beroep op misbruik van omstandigheden bij de ondertekening van [de] overeenkomst op 24 december 2009 is verjaard.
De Hoge Raad maakt daarop een nuancering en oordeelt dat onder omstandigheden juridische kennis en deskundigheid nodig is om de deugdelijkheid van een geleverde prestatie te kunnen beoordelen, zoals dat het geval kan zijn ten aanzien van het advies van een fiscaal of juridisch dienstverlener. Deze nuancering is hier niet van toepassing.
Daarvoor was dus geen juridische analyse nodig, indien [eiseressen] dacht dat een renteswap tussentijds kosteloos kon worden beëindigd en niet zou leiden tot hogere kosten op grond van door de Bank verstrekte adviezen. [eiseressen] was kort na het afsluiten van Renteswap I (op 27 juli 2006) en Renteswap II (op 7 november 2007) volledig op de hoogte van deze vermeende schade en de Bank als daarvoor aan te spreken partij.
Anders dan in de uitspraak van 9 oktober 2020, was [eiseressen] voor een juridische beoordeling niet afhankelijk van de Bank en was een (nadere) juridische duiding ook niet nodig.”
nietuitsluitend hebben gegrond op Belastingadvies Maltaroute kan worden afgeleid uit de tussen haakjes geplaatste overweging “(in het bijzonder)”. Dat het hof zich ook heeft gerealiseerd dat [eiseressen] hun standpunt niet hebben beperkt tot de situatie dat de aangesprokene geruststellende mededelingen tegenover de benadeelde heeft gedaan volgt voorts uit de passages in r.o. 4.2 die volgen op het door het subonderdeel bestreden oordeel.
de kennis en het inzicht haddendie nodig zijn om de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank ter zake van renteswap I, renteswap II en het aangaan van de kredietovereenkomst van 24 december 2009 in twijfel te trekken. Het gaat er, anders gezegd, om wanneer [eiseressen] voldoende zekerheid hadden dat met betrekking tot deze aspecten sprake was van (een) tekortkoming(en) van Deutsche Bank. Zoals gezegd is de vraag of sprake was van geruststellende mededingen van Deutsche Bank slechts één omstandigheid die in dat verband van belang kan zijn. Het subonderdeel somt, onder verwijzing naar vindplaatsen in de processtukken, een aantal omstandigheden op – zie hiervoor in 4.31 onder (i) t/m (iv) – die kunnen maken dat [eiseressen] , zoals zij hebben aangevoerd, eerder dan november 2016, toen zij een advocaat raadpleegden, geen reden hadden om te twijfelen aan de deugdelijkheid van het handelen van Deutsche Bank. Het hof heeft geoordeeld dat overige relevante feiten en omstandigheden die tot de risicosfeer van Deutsche Bank behoren “evenmin zijn gesteld of gebleken”. Indien en voor zover het hof heef geoordeeld dat de omstandigheden die het subonderdeel opsomt, niet relevant zijn in het kader van de beantwoording van de vraag die voorlag, geeft dat oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
subonderdeel 1.3een motiveringsklacht. Volgens het subonderdeel is het bestreden oordeel onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd in het licht van de stellingen die in subonderdeel 1.2 worden genoemd. De klacht slaagt. Het hof respondeert niet voldoende kenbaar en begrijpelijk op de relevante stellingen, die erop neerkomen dat [eiseressen] in verband met de positie, deskundigheid en het gedrag van Deutsche Bank geen aanleiding hadden om vóór november 2016 een schadevergoedingsvordering te vermoeden of jegens de bank geldend te maken.
subonderdelen 1.4 en 1.5zijn gericht tegen de volgende overweging in r.o. 4.2:
risk feein rekening bracht, (iii) dat de renteswaps een negatieve waarde ontwikkelden, (iv) dat zij aan [eiseressen] een ander risicoprofiel toekende, (v) dat Deutsche Bank hen verplichtte tot het stellen van extra zekerheden en tot verlaging van het krediet, en (vi) in meer algemene zin, dat zij [eiseressen] financieel steeds verder klem zette, een overstap naar een andere bank onmogelijk maakte en toewerkte naar een beëindiging van de kredietrelatie.
nietdat zij al kort na het aangaan van de renteswaps in 2006 en 2007 – en in elk geval ruim vóór november 2011 – bekend waren met feiten en omstandigheden die grond gaven om te twijfelen aan de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank in het kader van haar kredietrelatie met [eiseressen] Het hof maakt immers, zo betoogt het subonderdeel, niet inzichtelijk
wanneer[eiseressen] zich de hiervoor in 4.35 genoemde aspecten realiseerden, laat staan dat dit al in 2006 en 2007 en in elk geval ruim vóór november 2011 was. Zo blijkt volgens het subonderdeel uit de stellingen van [eiseressen] niet dat zij al vóór november 2011
wistendat de renteswaps een negatieve waarde ontwikkelden. Zij hebben, zo stelt het subonderdeel, juist aangevoerd dat zij daarvan niet op de hoogte waren, omdat zij daarvan geen overzichten kregen van Deutsche Bank. [80]
feitelijke aspecten. Volgens de klacht maakt het hof niet duidelijk waaróm [eiseressen] daarvan al in 2006 en 2007 (en in elk geval ruim vóór november 2011) kennis droegen. Ik lees het subonderdeel
nietaldus dat wordt geklaagd dat de door het hof genoemde aspecten nog niets zeggen over de vraag wanneer er bij [eiseressen]
voldoende zekerheidbestond met betrekking tot het bestaan van een (eventuele)
tekortkomingaan de zijde van Deutsche Bank. [81] Dat aspect wordt specifiek aan de orde gesteld in subonderdeel 1.5. Zoals hierna zal blijken, slaagt dat onderdeel. Gelet daarop behoeft subonderdeel 1.4 naar mijn mening geen afzonderlijke bespreking.
nadeelveroorzaakten bij hen. Dit enkele gegeven, zo betoogt het subonderdeel, hoefde voor [eiseressen] evenwel geen reden te zijn om te veronderstellen dat Deutsche Bank tekortschoot in haar dienstverlening dan wel om naar zodanig tekortschieten onderzoek te doen. [82] Volgens het subonderdeel geldt dat temeer omdat [eiseressen] mochten afgaan op de mededelingen van Deutsche Bank over de noodzaak of opportuniteit van het aangaan en de daaropvolgende afbouw van de renteswaps en het krediet, nu Deutsche Bank hun adviseur was en gold als de deskundige partij. [83] Geklaagd wordt dat het oordeel van het hof in het licht van het voorgaande blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof ten onrechte heeft verondersteld dat de enkele bekendheid van de benadeelde met (potentieel) nadeel veroorzakende omstandigheden reeds meebrengt dat deze voldoende zekerheid heeft over de ondeugdelijkheid van de prestaties van de aangesprokene. In elk geval heeft het hof volgens het subonderdeel onvoldoende inzichtelijk gemaakt
waaromde genoemde stellingen meebrengen dat [eiseressen] in 2006 en 2007 en in elk geval ruim vóór november 2011 tevens de benodigde kennis en inzicht hadden om de deugdelijkheid van de geleverde prestaties van Deutsche Bank te kunnen beoordelen.
kennis en het inzichthadden die nodig zijn om de deugdelijkheid van de prestaties van Deutsche Bank ter zake van renteswap I, renteswap II en het aangaan van de kredietovereenkomst van 24 december 2009 in twijfel te trekken. Het gaat er, anders gezegd, om wanneer [eiseressen] voldoende zekerheid hadden dat er sprake was van (een) tekortkoming(en) van Deutsche Bank in het kader van hun kredietrelatie met Deutsche Bank.
bewust waren dat Deutsche Bank een verwijt kon worden gemaakt van haar handelwijze ter zake van de renteswaps en het aangaan van de kredietovereenkomst van 24 december 2009, oftewel dat zij toen ook voldoende zekerheid hadden dat Deutsche Bank in dat kader tekortschietend of foutief had gehandeld. [84] Dit geldt ook voor de andere vier omstandigheden die het hof opsomt. Het bestreden oordeel kan reeds [85] gelet op het bovenstaande niet in stand blijven.
subonderdelen 1.6 en 1.7zijn gericht tegen het volgende oordeel in r.o. 4.2:
met de door het hof genoemde feiten en omstandighedenzich ook ervan bewust waren (dan wel bewust hadden moeten zijn) dat Deutsche Bank een verwijt kon worden gemaakt van haar handelwijze ter zake van de renteswaps en het aangaan van de kredietovereenkomst van 24 december 2009, oftewel dat zij toen ook voldoende zekerheid hadden dat Deutsche Bank
in dat kadertekortschietend of foutief had gehandeld. Aldus bestond er voor [eiseressen] ook geen concrete aanleiding om Deutsche Bank op een eerder tijdstip dan november 2016, toen zij zich tot een advocaat hebben gewend, aan te spreken. Dat [eiseressen] dit niet eerder hebben gedaan kan hun dan ook niet worden tegengeworpen.
Subonderdeel 1.8, dat een daarop gerichte klacht bevat, slaagt eveneens.
settlement clause in de overeenkomst van 14 november 2014 ter afwering van de vordering uit hoofde van renteswap II, heeft verworpen. Zoals hierna zal blijken, houdt dit oordeel stand.
settlement clausein de overeenkomst van 14 november 2014 ter afwering van de vorderingen uit hoofde van renteswap II. Samengevat weergegeven heeft het hof daartoe in r.o. 4.3 het volgende geoordeeld:
settlement clausein te stemmen.
settlement clausenaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
settlement clausein te stemmen, en (ii) het oordeel dat Deutsche Bank ervan mocht uitgaan dat [eiseressen] ermee instemden dat door de overeenkomst en de tegemoetkoming van Deutsche Bank ter hoogte van € 40.000,-- alle eventuele vorderingen in verband met renteswap II van de baan waren. Het subonderdeel klaagt dat deze oordelen blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel onvoldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd. Het subonderdeel stelt dat [eiseressen] hebben aangevoerd dat uit de ondertekening van de brief met de
settlement clauseniet kan worden afgeleid dat zij met die clausule hebben ingestemd. Zij hebben er in dat verband op gewezen dat (a) [eiseressen] niet wisten welke vorderingen uit hoofde van renteswap II zij hadden of konden hebben op Deutsche Bank, (b) de clausule in het voordeel was van Deutsche Bank en verstrekkende nadelige gevolgen had voor [eiseressen] die zij niet konden overzien zonder (nadere) informatie van Deutsche Bank, terwijl (c) Deutsche Bank het opnemen van de clausule en de reikwijdte of gevolgen daarvan heeft verzwegen althans [eiseressen] daar onvoldoende over heeft geïnformeerd. [86] Het hof heeft deze stellingen volgens het subonderdeel niet (voldoende) kenbaar in de beoordeling betrokken. Voor zover het hof genoemde stellingen niet relevant vond voor de beoordeling of (Deutsche Bank erop mocht vertrouwen dat) [eiseressen] hebben ingestemd met de
settlement clauseen de afstand van alle eventuele vorderingen voor renteswap II, en daarmee (dus) eerder bekend waren dan 13 juli 2018, is dat oordeel volgens het subonderdeel onjuist. Althans kon het hof, zo klaagt het subonderdeel voorts, in het licht van deze stellingen niet zonder nadere toelichting oordelen dat [eiseressen] door de ondertekening van de brief van 11 november 2014 hebben ingestemd met de
settlement clauseen Deutsche Bank erop mocht vertrouwen dat [eiseressen] afstand deden van alle eventuele vorderingen in verband met renteswap II.
settlement-clausuleonderdeel van de te sluiten overeenkomst wilde laten zijn, en ook dat dit een aanvulling betrof op het in de brief van 14 augustus 2014 gerelateerde. De
settlement-clausulewordt in de brief van 12 november 2014 immers aangekondigd als één van de “wijzigingen en/of aanvullingen” op de brief van 14 augustus 2014, aldus de rechtbank. In de bestreden overweging heeft het hof zich klaarblijkelijk aangesloten bij het oordeel van de rechtbank.
ettlement clauseis besproken als onderdeel van de door Deutsche Bank aan [eiseressen] te betalen tegemoetkoming van € 40.000,--. Het hof hecht in de bestreden overweging betekenis aan de omstandigheid dat een tegemoetkoming is gedaan. In de schriftelijke toelichting namens Deutsche Bank wordt ook gewezen op de schriftelijke verklaring van [betrokkene 2] dat
de settlement clauseis besproken met [eiseressen] vóórdat de brief van 12 november 2014 voor akkoord is ondertekend. [88] In het licht van de in de brief zelf geschetste voorgeschiedenis en het onderbouwde verweer van Deutsche Bank is het bestreden oordeel niet onjuist of onbegrijpelijk. In dit oordeel ligt klaarblijkelijk de verwerping van de stellingen van [eiseressen] besloten. Tot het geven van een uitvoeriger toelichting was het hof gezien het voorgaande niet gehouden. Het subonderdeel faalt.
settlement clausenaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Geklaagd wordt dat dit oordeel onjuist is en/of onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel stelt ter toelichting dat het hof zijn oordeel, anders dan door verwijzing naar de hiervoor genoemde twee aspecten, helemaal niet motiveert. Het subonderdeel betoogt dat het hof ook in dit kader had moeten ingaan op de in het vorige subonderdeel genoemde stellingen van [eiseressen] over de wijze van tot stand komen van de
settlement clause, dan wel zijn oordeel in het licht van die stellingen nader had moeten onderbouwen.
settlement clausenaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Aldus heeft het hof de stellingen van [eiseressen] wel onder ogen gezien doch geoordeeld dat die onvoldoende gewicht hebben.
settlement clausenaar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Het oordeel dat [eiseressen] in dat verband onvoldoende hebben gesteld om
tot die conclusiete komen is gezien het voorgaande niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd. Het subonderdeel faalt.
waaromdaarin,
tegen de achtergrond van de penibele financiële positie van [eiseressen], een tekortkoming of onrechtmatige daad van
kredietverstrekker/schuldeiserDeutsche Bank was gelegen.
geensprake is geweest van een adviesrelatie. Het hof oordeelt in de door mij onderstreepte passage uitdrukkelijk dat Deutsche Bank toen optrad als “kredietverstrekker/schuldeiser” (en derhalve niet als adviseur). Dit oordeel wordt in cassatie niet met een (kenbare) klacht bestreden.
waaromin die stellingen, tegen de achtergrond van de penibele financiële positie van [eiseressen] , een tekortkoming of onrechtmatige daad van Deutsche Bank was gelegen. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft eerder vastgesteld dat Deutsche Bank [eiseressen] op 2 april 2014 heeft geschreven dat zij zich naar aanleiding van de negatieve resultaten over de jaren 2012 en 2013 en de daarmee gepaard gaande situatie van liquiditeitskrapte ernstige zorgen maakt over het continuïteitsperspectief van de onderneming. [eiseressen] hebben de betreffende brief voor akkoord getekend. Een maand later hebben partijen de maatregelen besproken die zij in verband daarmee zouden nemen, in het bijzonder het verkopen van 60 hectare bedrijfsgrond en de teeltkraam, en de verkopen zijn kort daarna tot stand gebracht. [93]
waaromDeutsche Bank, gelet op de voortdurende slechte financiële situatie van [eiseressen] , in haar hoedanigheid van kredietverstrekker en schuldeiser tekort is geschoten dan wel onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld. Daarbij komt dat ook de rechtbank, zo overweegt het hof (onbestreden), had geoordeeld dat een en ander uit de stellingen van [eiseressen] onvoldoende blijkt. Aldus werden [eiseressen] als het ware uitgenodigd om hun standpunt in hoger beroep nader te concretiseren. Dat is niet gebeurd. In het oordeel van het hof ligt besloten het oordeel dat de stellingen van [eiseressen] in hoger beroep, die volgens het hof door Deutsche Bank gemotiveerd zijn betwist, geen grond geven om te komen tot het oordeel dat sprake is van tekortschieten dan wel onrechtmatig handelen aan de zijde van Deutsche Bank. Het oordeel berust grotendeels op een uitleg en waardering van de stellingen van partijen, hetgeen is voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Het oordeel is niet onbegrijpelijk in het licht van de passages waarnaar het subonderdeel verwijst. Het subonderdeel faalt.
ABV) niet volstaat. In het eerste lid van dit artikel is een bancaire zorgplicht opgenomen:
een adviesrelatieheeft bestaan. De verkoop van de gronden en de teeltkraam vond evenwel niet plaats in het kader van een adviesrelatie. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdeel 3.1. Het hof heeft, in cassatie onbestreden, geoordeeld dat Deutsche Bank in die situaties optrad als ‘kredietverstrekker/schuldeiser’. Het subonderdeel kan reeds daarom niet tot cassatie leden. Het subonderdeel faalt ook overigens. Wat het hof in de bestreden passage klaarblijkelijk tot uitdrukking heeft willen brengen is dat Deutsche Bank in het licht van het gegeven dat [eiseressen] al gedurende langere tijd in een slechte financiële positie verkeerden, haar eigen belang van het terugbetaald krijgen van eerder en langdurig verstrekte gelden in dit geval mocht laten prevaleren. Aldus kon Deutsche Bank zich naar het klaarblijkelijke oordeel van het hof in redelijkheid op het standpunt stellen dat [eiseressen] activa dienden te verkopen die genoeg opleverden om Deutsche Bank terug te betalen. Aldus opgevat heeft het hof concreet getoetst en geoordeeld dat art. 2 ABV Pro niet is geschonden. Dit oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.